Skip to main content

Full text of "Menschwording en vernedering: hist.-crit. studie : Grieksche auteurs van de ..."

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Mt, Studie. 



d Depository 
ttle Book 



bclie Auteurs van de „Patres Apostolici" 
ihet Concilie van Cklcedon (451). 



i 



DOOH 



S. K. GREIJDANUS. 



.4.AMI.OOZE VJeSNOOTSCHAP DUUKKEEU ,,VAI>A^\ 
OXRECTEUB: JOHAN A KEDEEBBAGT^ 
1903. 




Digitized by 



Goo< 








Digitized by 



Google 



VERNEDERING. 

?ÜDIE. 



. \ 



Digitized by 



Google 




Digitized by VjOOQlC 




MENSCHWORDING EN VERNEDERING. 

HIST.-CRIT. STUDIE. 



A.CA.IDElS^CESCEa: I'ROEFSCmi.IFT. 



-I 



<• 






-^ J 



Digitized by 



Googte 






Digitized by 



Google 



VRIJE UNIVERSITEIT TE AMSTERDAM. 



MENSCHW0RDIN6 EN VERNEDERING. 

HIST.-CRIT. STUDIE. 



Grieksche Auteurs van de 
„Patres Apostolici" tot het Concüie van Chalcedon (451). 



TBR VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN 

Doctor in de fi. Godgeleerdheid 

OP GBZAG VAN DEN BBCTOB 

D^ H. BAVINCK, 

HOOGLBBBAAB IN DB FACÜLTBIT DBB GODGBLBBBDHBID, 

IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN 
op Vrijdag 20 November 1903» des namiddags te twee ure, 

in het Gebouw van de Maatechappy voor den Werkenden Stand, 

DOOR 

SEAKLE Kz. GREIJDANÜS, 

GEBOBBK TB ABÜM. 



->-*■ 



WAGENINGEN, 

Naamloozb Vennootschap Dbukkbbu „Vada", 

Dibeotbtjb: Johan A. Nedbbbbaöt. 

1903. 



Digitized by 



Google 




i ^ 



Digitized by 



Google 









T 



AAN MIJNE OUDERS. 






p. Digitized by CjOOQ IC 



V 



Digitized by 



Google 



Nu aan het einde mijner academische voorbereiding gekomen, 
zeg ik allereerst dank aan God, voor zooveel als Hij in en op den 
weg der studie genadig mij verleenen wilde. 

Voorts spreek ik mijne erkentelijkheid uit jegens allen, wien ik 
in onderwijs of anderszins, met betrekking tot lagere of hoogere studiën 
eenigen dank verschuldigd ben. 

Moge het mij geoorloofd zijn enkelen met name te noemen. 

En dan is het niet voornamelijk de eisch der hoffelijkheid^ 
die hierbij de eerste plaats vordert voor (7, Hooggeachte Mevrouw 
Pel— VAN LmoEN, wier lessen ik in den aanvang mijner studiën zoo 
ruimschoots genieten mocht, en die aldus voor mijn bewandelen van 
den wetenschappelgken weg van zoo beteekenisvollen invloed waart. 
Steeds blijf ik in hooge waardeering aan U mij zeer verplicht 
gevoelen. 

Insgelijks expresselijk mijn dank aan U, Weleerwaarde Heer 
Ds. T. D. Peins, die het eerst tot leermeester in het Latijn mij 
waart en, vooral ook door den eisch omtrent het kennen van wat 
geleerd moest worden, veel hebt bijgedragen om mijn besef voor de 
rechte wijze van studeeren te wekken. 

In dankbare herinnering behoor ik hier ook plcMts te geven aan 
de namen van Docent F. P. L. O. van Linqbn, Dr. J. Hania Pzaj., 
en Dr. W. H. Kramer. 



Digitized by 



Google 



Vervolgens openlijk mijn dank aan de Gereformeerde Kerken in 
Friesland, tmer alumnus ik vele jaren was; en aan H.H. Direkteuren 
der Vereeniging voor Hooger Ondertoijs op Gereformeerden Grondslag^ 
die steeds gunstig beschikten op eenig verzoek mijnerzijds^ wat mij 
inzonderheid ook bij deze studie zoozeer te stade kwam. 

Ook betuig ik mijne erkentelijkheid aan de Bibliothecarissen en 
het overig personeel van de Bibliotheken der Stedelijke üniversiteity 
der Vrije Universiteit^ en der Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te 
Amsterdam^ voor hunne bereidwillige hulpvaardigheid. 

De eere viel mij te beurt, bij deze studie eerst Prof. Dr. F. L. 
RüTaERS, en later Prof. Dr. H. Bavtnck als Promotor mij te zien 
aangewezen. 

Ten laatste dan, maar niet het minst, afzonderlijk mijn dank 
aan V beiden, Hooggeleerde Professoren, voor Uwe zeer gewaardeerde 
opmerkingen en raadgevingen, waarvan U zoo vriendelijk mij het 
profijt wildet gunnen. En waar het leeuwenaandeel van den last, 
dien een proefschrift voor den promotor medebrengt^ gedragen werd 
door U, Hooggeleerde Prmnotor Dr. Bavinok, zij inzonderheid nog 
aan U mijn dank gezegd voor hetgeen U aangaande deze studie 
mij ten beste raaddet. 



Digitized by 



Google 



w^mmm^mmmm^m^t 



IISriiOTJID- 

Blz. 

Opgave van Littbeatuur XI—XII 

Inleiding XIII— XXVH 

EEESTE HOOFDSTUK. 
De „Patres Apostolici" 1 — 6 

TWEEDE HOOFDSTUK. 
Jnstinus Martyr 7 — 20 

DEEDE HOOFDSTUK. 
Irenaeus 21 — 69 

VIEEDE HOOFDSTUK. 

I. Clemens Alexandrmus 70—94 

n. Origenes 94—135 

VIJFDE HOOFDSTUK. 
Athanasius 136—180 

Digitized by VjOOQIC 



X 

ZESDE HOOFDSTUK. 

filz 

A. I. Arianisme 181—183 

n. Semiarianisme en Marcellus van Ancyra 183 — 198 

m. Antiocheensche School 198—209 

B. Apollinaris 209—222 

ZEVENDE HOOFDSTUK. 

I. Athanasius 223—225 

II. Basilius de Groote 225—228 

III. Gregorins van Nazianze 228—235 

IV. Gregorius van Nyssa 235—242 

V. Cyrillns van Alexandrië, Theodoretus, Concilie van 

Chalcedon (451) 242-257 

Stbllingbn m— vil 



Digitized by 



Google 



OPÖAVE VAN LITTEEATUUR. 

Vinde hier de vermelding plaats der door m^' gebruikte edities 
van de werken der in deze studie behandelde schrgvers, en van 
enkele daarin nog al eens aangehaalde boeken. 

Patbüm Apostolioorüm Opera ed. O. db Gbbhabdt, A. Habnaok, Th. Zahn, 

Fascicuü HL 1876/77. 
CoKPüs Apologbtabüm Chbistiakobüm saeculi secundi, ed. L O. Th. Otto, 

ed. alt Tom. I. Partes U. Opera lustini indubitata, 1847/48. 
Ibbnabi Episg. Lügdünbnsis Opera quae supersunt omnia, ed. A. Stibbbn. 

1853. Tom. II. 
Clbmbntis Albzandbini Opera post accuratam D. V. Danibus Heinsii 

receiLcionem editio nova iuxta Parisinam anni 1641. — Coloniae 

1688. 

Deze editie wordt hier 't meest geciteerd. Door bizondere 
omstandigheden kon ik slechts een enkelen keer verw^'zen naar 
de editie van Potter. Q-eschiedt dit, dan wordt het duidelgk 
aangegeven. 

Clbmbntis Albxandbini Opera quae extant. Recognita et illustrata per 
Joann. Potterum Episc. Oxoniensem. Tom. II. Oxonii 1715. 

Obigbnis Opera Omnia quae graece vel latine tantum exstant et eius 
nomine circumferuntur Fol. IV, ed. de la Rue. Parijs 1633. 

Athanasu Opera Omina quae exstant vel quae eius nomine circum- 
feruntur Tom. II. Parys 1698. 

EüSBBu Pamphuj contra Marcellum 1. II, en de Ecclesiastica Theologia 
1. III. ed. Th. Gaisfobd. Oxonü 1852. 

BAsn<n Maqni Opera graeca quae ad nos exstant omnia, ed. Frobenius. 
Basiliae 1551. 

Echter gebruikte ik meer: 

Basiui Magni Opera Omnia, nunc primum graece et latine coniunctim 

edit. Tom. II. Parys 1518. 
Gbegobu Nazianzbni cognomento Theologi Opera nunc primum graece 

et latine coniunctim edit. Jao. Billius Prunaeus s. Michaelis. 

Lutetiae Parisiorum 1609. 
Gbböobh Nyssbni Opera Omnia Tom. II. Parys 1615. 



Digitized by 



Google 



xn 

GrTEiLLi Alexandeiae Archiepiso. Opera in VI Tomos (VU Fol.) tiibuta. 

Lutetiae 1638. 
De. A. Haenaok: Lehrbuch der Dogmengeschichte. 2 Aiifl. 
De. J. A. Doenee: Entwickelungsgeschichte der Lehre von der Person 

Christi. 2 Aufl. 
K. E. Haöenbach : Lehrbuch der Dogmengeschichte. 6 Aufl. ed. K. Beneath. 
J. H. KuETz: Lehrbuch der Kirchengeschichte für Studierende 12 Aufl. 
Eealencyklopadie für protestantische Theologie und Kirche. Begründet 

von J. J. Heezog. In dritter verbesserter und vermehrter Auf- 

lage herausgegeben von D. Albbet Hauok. 1896 w. Aangehaald 

als H. E. E». 

Voorts worden de andere werken, naar welke verwezen wordt, 
telkens voldoende aangeduid. 



Digitized by 



Google 



INLEIDING. 



Deze studie bedoelt eene bijdrage te leveren tot de verkrijging van 
het rechte inzicht in hetgeen onder de vernedering of ontlediging 
van den Zone Gods te verstaan zij. En zij tracht dit te doen, 
door zich bij haar historisch onderzoek (dat voor een niet gering 
deel gaan moest en loopt over de door verschillende schrijvers 
gegeven voorstelling van het onderscheid in wezen tusschen God 
en schepsel) deze bepaalde vraag ter beantwoording te stellen: 
of ook reeds in de unio personalis op zichzelve humiliatie in 
engeren zin of exinanitio gezien werd en gezien worden moet. 

Desaangaande toch bestaat verschil. Sommigen stellen, dat het 
aannemen of bezitten zelf van de menschelijke natuur door den 
tweeden der goddelijke Personen een trap in den staat der ver- 
nedering vormt, welke dan nader als ontlediging aangeduid 
wordt; en dit sluit in, ten eerste, dat men den Zone Gods bij 
deze exinanitio of Tcsvootrig alleen naar Zijne Godheid als subject 
denkt, d.w.z. Hem zich hierbij niet als ^sxvbpoo'Trog naar beide 
Zijne naturen ontledigen laat; en ten tweede, dat de status 
humiliationis duurt zoolang als Jezus Zijne menschheid bezit. 

Anderen sluiten de vereeniging der goddelijke natuur met de 
menschelijke „in eenigheid des persoons" buiten de vernedering 
of ontlediging, beweren, dat het Woord van geenerlei humiliatie 
in enger zin weet dan naar beide Zijne naturen, moeten dien- 
tengevolge leeren, dat deze samenhing enkel met de positie en 
de gesteldheid van Jezus* menschheid vóór de opstanding, dus 
kwam te vervallen met' de verhooging, en nu niet meer aanwezig is. 

Ten onrechte wordt soms gemeend, dat de kwestie is, of 
de aanneming als geschiedkundig feit en gelijk zij plaatsgreep, 
xsvootTiq was. Dit toch erkennen ook zelfs de Lutherschen. Ger- 
HABD althans schrgfb, Loei Theol. ed. Cotta, t. III, § 304, thesis 
2 : ad statum exinanitionis pertinet conceptie in utero, nativitas, 
incrementum aetatis et sapientiae. . . . status exinanitionis incipit 
in primo incarnationis memento. 



Digitized by 



Google 



XIV 

Maax het punt van strijd raakt de andere vraag, wat de his- 
torische incarnatie eene exinanitio deed zgn : óf reeds het zich 
unione personali of v'7ro^TXTi%aq verbinden van den Zone Gods 
met onze menschelijke natuur als zoodanig, dan wel alleen de 
toestand en staat, waarin Hij zich met haar bekleedde ; m.a.w. of 
de unio personalis er buiten valt, dan wel er mee inbegrepen is. 

Dat het geschil zóó moet gesteld worden, komt duidelijk* uit 
in hetgeen Franc. lunius in zijn Thes. Theol. XXIX, 1 schrijft, 
als het daar luidt: status humiliationis duos habet gradus, incar- 
nationem et personae demissionem in carne. . . . Primus est, cum 
Christus existens in forma Dei, seipsum exinanivit, forma servi 
accepta ; atque haec est maxima humiliatie, quae etiam exinanitio 
dicitur. . . . Inter duos hosce gradus haec est differentia, quod 
prior sit perpetuus, quia naturam humanam, quam semel assum- 

psit Dei filius in aetemum retinet Alter vero temporarius quia 

per ignominiam transivit in gloriam. 

Degenen die evenals lunius van oordeel zijn, dat de „persoon- 
lijke vereeniging" reeds in zichzelve exinanitio of maxima humi- 
liatie is, gaan weer in tweeën uiteen. Men kan op dit standpunt 
n.m.1. den staat der vernedering eeuwigdurend stellen, gelijk 
lunius deed; doch ook, als men dit niet wil, een uitweg in- 
slaan, en beweren, dat hij nu nog wel voortduurt, maar eenmaal 
wederom ophoudt te bestaan, doordat de Zone Gods Zijne aan- 
genomen menschheid weder van zich legt. Dit laatste meent 
men dan in I Cor. 16 : 28 aangeduid te vinden. Volkomen ten 
onrechte, zooals goede uitlegging van hetgeen Paulus daar zegt, 
terstond verstaan doet. Hij schrijft : tots jcxi ccvrog o viog vto- 
TxyvitTSTXi Tcp vTTOTX^xvTi xvTcp TX TTXVTX, Eu hij Iccrt dus, dat de 
Zoon dan {tots) onderworpen zal worden, of zich zal onderwerpen, 
of ook : zich onderdaan betoonen zal van Hem, die alles ten 
onderdaan aan Hem gegeven heeft of had. Nu kan de Zoon 
naar Zijne goddelijke natuur niet onderdanig zijn. Dat te stellen 
zou het subordinatianisme in de triniteitsleer invoeren. Om dus 
onderworpen te kunnen wezen, moet de Zoon noodzakelijk nog 
iets meer bezitten dan enkel Zijne Godheid, n.m.1. Zijne men- 
schelijke natuur. Naar deze toch, en slechts in verband met deze 
alleen, mag er van eene vTrorxyvi des Zoons gesproken worden. 
En er is geen enkele reden, om v7roTxyvi(r€Txt in anderen zin op 
te vatten dan het woord, dat nog tweemaal in dit vers voor- 
komt, en driemaal in het voorgaande, blijkens het verband hier 



Digitized by 



Google 



XV 

telkens heeft ; vTroTxrreiv is = in rangorde plaatsen onder ; en 
dan = onder het gezag stellen van. De voorstelling, dat de 
tweede Persoon Zijne menschelijke natuur eenmaal wederom zal 
afleggen, wordt door dezen tekst dus niet begunstigd, maar veel- 
eer weersproken. Ook op anderen grond is hare onhoudbaarheid 
en haar onschrifluurlrjk karakter aantetoonen. "Want de gemeente 
wordt in de Schrift telkens als een geheel beschreven. Zij is 
eene kudde, die een herder heeft, een huis op een ftmdament 
gebouwd, een volk dat een koninkrijk vormt, een bruid die roept 
om de komst van haar bruidegom, een lichaam dat een hoofd 
bezit, enz. Nu kan een kudde haar herder niet missen, valt 
een huis om, dat zijn grondslag kwijtraakt, moet een volk een 
koning hebben om koninkrijk te zijn, is een meisje zonder brui- 
degom geene bruid, evenmin als een vrouw zonder man echt- 
genoote, en een lichaam zonder hoofd is geen volledig orga- 
nisme. Mocht men zich nu met de beelden van ku^de en huis 
terecht zien te helpen, door ze te laten slaan enkel op de ge- 
meente hier op aarde en tot den oordeelsdag, en op eenigszins 
andere wijs met die van koninkrijk en bruid of vrouw zoeken 
uittekomen, zoo iets zou met dat van lichaam en hoofd niet 
gaan. Paulus gebruikt het dikwijls : Rom. 12 : 4, 6 ; I Oor. 6, 
10, 12 ; Ef. 1 : 22, 23, 4 : 16, 6 ; Col. 1 : 18, 24. En daarbij heeft hoofd 
niet alleen de beteekenis van gezaghebber, maar in logischen 
zin duidt het allereerst den organischen samenhang tusschen 
Christus en de geloovigen aan, cf. Col. 2 : 19, Ef. 4 : 16 e. d. g. Viel 
nu Jezus' menschheid weg, dan zou één van twee moeten volgen : 
óf dat de gemeente eeuwiglijk als een romplichaam bestond, óf 
dat in de plaats van Jezus' menschelijke natuur een ander als 
hoofd uitgroeide; want wij bezitten het recht niet, beelden als 
dit tot inhoudlooze zegswijzen en klanken zonder zin te maken. 
üit het gezegde kunnen we afleiden, dat bedoelde voorstelling 
geene vrucht van Schriftstudie is. Er was iets anders, dat haar 
opkomen en vormen deed. En dit andere iets ligt in het bezwaar 
dat men er in had, om den staat van vernedering met lunius 
eeuwig te laten voortduren. Toch blgft er, als men, even als hij, 
in de unio personalis de Ksvafrtg van Fil. 2 : 7 ziet, en haar als 
maxima humiliatie beschouwt, geene andere keus, dan óf den 
status humiliationis in aeternum perpetuus te denken, óf hem te 
laten eindigen door het wederom van zich afleggen Zijner een- 
maal aangenomen menschelijke natuur door den Zone Gods. 



Digitized by 



Google 



XVI 

Dit brengt vanzelf tot de vraag, of dan soms de stelling, 
waaruit noodwendig ééne dezer beide conclusiën volgt, wel juist 
is ? Evenals lunius beroept men zich voor hare schriftuurlijkheid 
op Fil. 2 : 7, en gaat dan gewoonlijk op gelijke wgze als hij 
te werk, of f/^opCpvi ^ovKov^ forma servi, dienstknechtsgestalte, een- 
voudig ware = natura humana zonder meer. Cf. lunius : forma 
servi accepta. . . . quia naturam humanam, quam semel assum- 
psit. . . . Iets dat niet behoort te geschieden. Vooreerst is iouKog 
maar niet zoo met oivbpooTroq te vereenzelvigen, en mag er niet 
zonder nader onderzoek en betoog worden aangenomen, dat met 
dit woord op de servitus Dei, waartoe alle creatuur verplicht is, 
gedoeld wordt. Doch van ineer belang is, dat (Ji^opCpvi ^ovXov niet 
= iovKog is. 

[AopCp^ is = gedaante, voorkomen, gestalte, cf. Mare. 16 : 12, 
Rom. 2 : 20, Il Tim. 3 : 5, Fil. 2:6; en deze kan veranderen, 
cf Gal. 4:19, Matth. 17:2, Rom. 12:2, II Cor. 3:18, en ook 
(rvf/.f/.op(pog, Rom. 8 : 29, Fil. 3 : 21 en vs 10. Bij Fil. 2 : 6 schrijft 
Calvijn dan ook : Forma Dei hic maiestatem significat. . . . forma 
regis est apparatus et splendor, qui regem indicat : ut sceptrum, 
diadema, chlamys, apparitores, tribunal, et caetera regni in- 

signia Forma figuram significat, vel apparentiam, ut vulgo 

loquuntur. Opp. ed. Schippers IX, p. 365. 

En er bestaat geen reden, om f^op(pyj in Fil. 2 : 7 in anderen 
zin te nemen. Te minder, waar f^opCpyj ^ouXov nader verklaard 
wordt door sv o/zoiu/zxti ivbpcoTroov en (rx>i/^^Ti cog /xu^pooTTog, Vgl. 
voor (r%mci I Cor. 7:31, Fil. 3:21, I Cor. 4:6, II Cor. 
11 : 13 — 16. Zoo sluit fj(^op:py} ^ovXov wel de menschelijke natuur 
in ; evenals fV f^op(pifj éeov vTrxpx^v^ Fil. 2 : 6, onderstelt, dat de 
Zoon deszelfden wezens met den Vader deelachtig is; maar 
doelt toch op de gesteldheid, waarin Gods Zoon haar aannam. 
Deze staat, toestand, positie en gesteldheid kan gewijzigd wor- 
den, terwijl de menschelijke natuur essentieel dezelfde blijft. 
fiopcpyj iov^v heeft dus soortgelijken zin als trxp^ in Joh. 1 : 14a. 
Bij dit vers. Joh. 1 : 14, schrijft Calvijn : Camis etiam nomen 
plus ad exprimendam eius mentem energiae habet quam sidixis- 
set hominem factum esse. Ostendere voluit ad quam vilem et 
abiectam conditionem Dei Filius nostra causa ex caelestis suae 
gloriae celsitudine descendent. Scriptura quum de homine con- 
temptim loquitur, camem appellat. Quum autem tanta sit dis- 
tantia inter spiritualem sermonis Dei gloriam et putidas camis 



Digitized by 



Google 



xvn 

nostrae sordes, eousque tarnen se Filius Dei submisit ut oamem 
istam tot miseriis obnoxiam susciperet. Caeterum caro minime 
hio pro corrupta natura accipitur. . . . sed pro homine mortali : 
tametsi firagilem et prope evanidam eius naturam per contemp- 
tum notat. Volledig het bewijs voor de juistheid dezer opvat- 
ting van „vleesch" in Joh. 1 : 14 hier te leveren, zou te ver 
voeren. Daarom slechts deze enkele aanduidingen. In Joh. 
1 : 14 zelf de tegenstelling met ^oyog ; de iuxtapositie van ^oyog 
en <rxp^ ; het polysyndetisch gebruik van x^/. En cf. voor Jo- 
hannes voorts: hoofdst. 12 : 27a coU. 11 : 33c en 19 : 30 in fine; — 
8:406, 10:166; - 1:136, 3:6, 6:63; - 6:61—56;— 8:16a; 
en voor andere plaatsen Hebr. 6 : 7 coU. Col. 1 : 22 en Ef. 2 : 16. 

Bij Fil. 2:7 teekent Calvijn aan : Inanitio haec eadem est 

cum humiliatione Non potuit quidem Christus abdicare se 

divinitate: sed eam ad tempus occultam tenuit, ne appareretsub 
camis infirmitate. Itaque gloriam suam non minuendo sed sup- 
primendo, in conspectu hominum deposuit. Quaeritur an id 

fecerit quatenus homo respondendum est, de toto Christo 

Paulum loqui, ut est Deus manifestatus in carne: hanc tamen 
inanitionem non convenire nisi soli humanitati, t. a. p. 

Dat nu in Fil. 2 : 7 het sccvtov èjcêvatrsv alleen betrekking 
heeft op deze positie en gesteldheid der menschelrjke natuur; 
m.a.w. enkel en alleen met dit o-ö^p^-zijn van Jezus' menschheid 
in verband staat, en niet tevens de unio personalis mede insluit ; 
blijkt daaruit, dat er volgt, niet : xvbpooTrog yevo/zevog^ maar : 
[Aopcp^v ^ovXov Xx(3a3v. Nu zou het eerste ook het tweede omvat- 
ten; d.w.z. ware de Kevcotrn; reeds in het unione personali aan- 
nemen der menschelijke natuur, afgedacht van hare gesteldheid, 
gelegen, dan volgde vanzelf, dat dit ontledigen temeer gold, 
wanneer die natuur in den toestand en in de positie verkeerde 
van f^opcpyj iovKov te zijn. Doch het tweede sluit het eerste niet 
in. Als het sxvrov sicsvoatre doelt op de aanvaarding der natura 
humana in hare gesteldheid van (Jt'Opcpvi ^ov^ov\ en alzoo nader 
aangewezen wordt door [Aop0viv ^ovKov Kcc^oov ; dan wordt aldus 
niet uitgedrukt, dat het ook reeds ziet op het zich in persoon- 
lijke vereeniging met de menschelijke natuur bekleeden zonder 
meer. Is voorts iv^pooTrog ysvof^svog vermeden, en juist fiopCpviv 
^QvXov ^x^uv gekozen; wordt deze uitdrukking, ofschoon ook 
reeds op zichzelve niet duister, bovendien nog duidelijker in haar 
strekking aangegeven door de volgende woorden; heeft de 



Digitized by 



Google 



xvni 

Schrift daarna : icctt (r%}if^xrt svpe^eig ag iv^poowog^ èrxTrsivutrav saurovj 
yêuofievog vTTiiKoog fi€%pi ^xvxtov, ^avxTov Sf (TTXupov ; m. a. w. onder- 
scheidt zg de verschillende momenten der „vernedering"; dan 
wordt alzoo te kennen gegeven, dat de nnio personalis opzettelijk 
door fJLopcpviv ^ouXov Xx^uv van het sxvtov BKsvcctrev uitgesloten wordt. 
(Ook is ysvofisvcg niet = yiyvofievog^ noch hxfim = >,xfi(3xvoov). En 
dit vindt zijn bevestiging dan nog weer hierin, dat als subject 
dezer Ksvoofrig Christus Jezus wordt genoemd. Bindt Jezus ons 
voorts aan „tittel en jota" der Schrift, cf. Matth. 6 : 18, dan 
moet daarmee ook bij deze plaats gerekend worden. 

Zoo blijft het bij Calvijns antwoord ten aanzien der vraag : an 

id fecerit quatenus homo respondendum est, de toto Christo 

Paulum loqui, ut est Deus manifestatus in carne : hanc tamen 
inanitionem non convenire nisi soli humanitati. En de stelling, welke 
inhoudt, dat de unio personalis op zichzelve exinanitio of maxima 
humiliatie is, of tot den staat der vernedering (in engeren zin) 
behoort, blijkt alzoo evenmin resultaat van nauwkeurige exegese 
te zijn als de thesis, welke de aflegging der menschelijke natuur 
door den Zone Gods als toekomstig en te wachten poneert. 

Nu zouden we de vraag kunnen doen, waaruit dit beweren 
dan wel voortkwam en te verklaren zij. Maar de bespreking 
daarvan kan voor deze studie gevoegelijk achterwege blijven, 
wijl zij niet zoozeer met personen te maken heeft (wier schuld 
of recht op belooning zij hadde vasttestellen, waarvoor zij nauw- 
keurig de mate van eens ieders toerekenbaarheid moest opnemen, 
en daartoe nader behoorde integaan op motief en doel bij dit zeg- 
gen, op invloed van omgeving en tijdstrooming, op werking van 
reactie krachtens tegenstelling, enz.) maar zich meer bezighoudt 
met den inhoud van uitspraken en leeringen, zoodat degenen die 
ze uitten, op den achtergrond treden. 

Daarom is de vraag, welke hier nu voorts allereerst aan de 
orde komt, wat in dit beweren, afgezien van mogelijk goede 
bedoelingen, die zijn beweerders met het uitspreken ervan hadden, 
feitelijk inzit. 

En dit is, dat de tweede Persoon, wanneer Hij zich v7ro(rTXTiKug 
met onze menschelijke natuur wilde vereenigen, noodwendig, 
vanwege hare creatuurlijke bestaanswgs, zich naar Zijne Godheid 
ontledigen, of in engeren zin vernederen moest; dat alzoo de 
unio personalis per se Ksvufrig = exinanitio = maxima humiliatie 
voor de goddelijke natuur des Zoons meebrengt. 



Digitized by 



Google 



Nu is Jezus' menschheid een schepsel. Elke mogelgke en denk- 
bare vereeniging van den Logos met haar blijft dus steeds nog 
maar eene unio tusschen God en creatuur. Dus is ook deèvoo^ig 
wTTOfTTXTix^ nog slechts eene verbinding van den Schepper met het 
schepsel. Moge z^ de hoogst-bestaanbare gemeenschap tusschen 
God en creatuur reaüseeren, niettemin is het slechts een schepsel, 
waarmee God zich zoo nauw verbindt. Inzoover staat zij dus 
met alle verhoudingen of verbindingen tusschen creatuur en 
Schepper op ééne lijn. 

Dit beweren houdt derhalve in, dat eene bepaalde relatie tusschen 
God en creatuur den Creator KsvufTn; = maxima humiliatio kan 
en moet aandoen; dat alzoo Gods wezen niet zóó goddelijk is, 
dat het zich volstrekt bij alle vereenigingen met het maaksel 
Zijner handen in de volheid van Zijn luister ongekrenkt te hand- 
haven weet; en dat het schepsel niet in zóó vollen zin schepsel 
is, of het bezit het vermogen, door zekere verbinding met den 
Eeuwige diens majesteit te omslaieren en te verdonkeren. 

Het loochent dientengevolge de voor het schepsel onaantastbare 
hoogheid Gods, en het volstrekte van de nietigheid des schepsels 
voor God. De onderscheidenheid in wezen tusschen God en 
creatuur wordt dus niet in haar absoluut karakter gehandhaafd. 

Hieruit volgt, dat dit beweren, principieel genomen, niets voor 
heeft boven de Luthersche leer der idiomatum communicatie. 
Houdt deze laatste in, dat het schepsel ten aanzien van som- 
mige deugden des Heeren de goddelgke hoogte beklimmen kan, 
en daar als op voet van gelijkheid met den Allerhoogste ver- 
keeren; de stelling, dat de unio personalis opvZichzelve icsvootrig 
of maxima humiliatio is, brengt God evenzeer onder het bereik 
des schepsels. Doch nu poneert zij niet, dat het creatuur op de 
bergen der goddelijke majesteit leven kan, maar dat het God 
met zich naar beneden vermag te doen dalen, d. i. Zijne heer- 
lijkheid kan ontluisteren, althans in hare uitstraling verhinderen. 

Geen van beide handhaaft dus het schriftuurlgk onderscheid 
en verband tusschen God en schepsel. Beide bezondigen zich 
aan hetzelfde kwaad. Zakelijk gaan ze uit van dezelfde grond- 
gedachte. Maar deze werken ze uit in eenen aan elkaar tegen- 
gestelden zin. Gelgk men op denzelfden weg vlak andere rich- 
ting kan inslaan, maar niettemin op den éénen zelfden weg 
blijven loopen. 

We kunnen nog verder gaan. 



Digitized by 



Google 



XX 



Wanneer de unio personaiis op zichzelve KsvcofTtg = maxima 
humiliatio medebrengt, verliest men het recht hen te veroordee- 
len, die bij de creatie van zulk een ^cevootriq spreken. Omdat men 
door deze stelling zelf poneert, dat zeker schepsel (Jezus' men- 
schelijke natuur), in eene bepaalde verhouding tot God staande 
(unio personaiis), Hem ontledigen kan; en dus zelf het absoluut 
karakter van het onderscheid tusschen Schepper en schepsel 
prijsgeeft. Ook zelf maakt men op deze wijze in zeker opzicht 
God aan het schepsel, en het schepsel aan God gelijk. 

In den grond der zaak komen derhalve dit beweren, èn de 
Luthersche leer der idiomatum communicatie, èn het verzinsel 
eener jcevaxrig^ of eener (met deze laatste principieel overeenstem- 
mende) TTKovTufTig Gods door de creatie, op hetzelfde neer. 

Geen van alle handhaaft Gods onderscheid van, en verband 
met de schepping in schriftuurlijken zin. Alle verloochenen de 
goddelijkheid des eeuwigen wezens, en verheffen het schepsel 
boven zijn creatuurlijk peil. God blijft bij geen van alle in 
vollen zin bij alles God; het schepsel blijft niet volkomen in 
alles schepsel. 

Onderling verschillen ze in wijze van voorstelling, in mate 
van doorvoering, in gebied van toepassing; ten diepste genomen 
zijn ze zakelijk gelijk en alzoo even verwerpelijk. 

Ongetwijfeld is deze stelling door wie haar, zij het niet for- 
meel dan toch essentieel, poneerden, niet aldus bedoeld. Maareen 
woord, eene voorstelling of zegswijs kan eene andere strekking heb- 
ben, dan de mensch, die ze bezigt, met zijn uiting op het oog heeft ; 
vgl. Matth. 16 : 22, 23 ; en soortgelijk geval doch andersom, 
Joh. 11 : 60 — 62. Het goede oogmerk eens schrijvers, moge be- 
teekenis hebben bij de beoordeeling van zijn woorAgebruik^ maar 
het wijzigt den wezenlijken zin van een gezegde niet. 

Vragen we nu nog naar een paar gronden, die voor dit 
beweren werden aangewezen. Soms bracht men het meer in 
verband met het begrip van ^ovXoq^ en zeide dan : al wat schepsel 
is, behoort Gode dienstbaar of onderworpen te zijn, en krachtens 
zijn bestaan als creatuur Gods, eeuwig dit te blijven; derhalve 
is ook Jezus' menschelijke natuur eeuwiglijk deze gehoorzaam- 
heid den Schepper verschuldigd ; en dus blijft de Zone Gods, 
zoolang Hij haar behoudt, naar deze Zijne menschheid aan God 
ondergeschikt. 

Deze redeneering is volkomen juist. Jezus is naar Zijne men- 



Digitized by 



Google 



TTJCl 



schelijke natuur nimmer van deze dienstbaarheid of gehoorzaam- 
heidsverplichting te ontslaan; anders bleef Hij niet waarlijk 
mensch, d. i. schepsel. Verwierp men derhalve deze redeneering, 
dan „verflauwde" men wederom, zij het ook op andere manier, 
de grenzen tusschen God en creatuur. Er mag daarom volstrekt 
niets afgedongen worden op deze ^ovXsia. of servitus, waartoe de 
Zone G-ods naar Zijne menschelijke natuur aan God gehouden is. 

Maar hierop kan genoemd beweren zich niet bouwen. Omdat 
Jezus' menschheid Zijne Godheid niet dienstbaar gemaakt heeft. 
Naar Zijne goddelijke natuur toch bleef de Zoon bij en ondanks 
het aannemen en bezitten der menschelijke natuur volkomen 
intact en ongerept Gebieder, Heer, Koning, Schepper. Niet maar 
alleen voor de overige schepping, doch ook ten aanzien Zijner 
eigene menschheid, zoodat Hij naar Zijne mensohelijke natuur 
ook aan Zichzelven naar Zijne Godheid de hulde betoont, welke 
Gode betaamt. Hij bleef naar Zijne goddelgke natuur derhalve in 
evengelijken zin als tevoren, en in evengelrjken zin als de Vader, 
God. Daarin bracht de aanneming onzer natuur geene de minste 
verandering. En dus blijft er geene plaats over voor de gedachte, 
dat in dit opzicht de unio personalis ontledigend voor den Zone 
Gods zoude hebben kunnen werken. Zijne menschelijke natuur 
oefende geenerlei invloed op Zijne Godheid uit. 

Men zou nog een anderen grond voor dit beweren mogen 
willen bijbrengen. De waarheid n.m.1., die den Gereformeerden 
in hun strgd tegen de Lutherschen ten schild diende: finitum 
non est capax infiniti. Volgens deze toch moet ook Jezus' mensch- 
heid, krachtens haar zijn van creatuur, in allen deele eindig 
blijven eeuwiglijk: in kennis, in macht, in plaats van zijn en 
werking, in heerlijkheid. En wierde hieraan getornd, dan zou 
opnieuw de grens tusschen Schepper en schepsel worden uitge- 
wischt of althans „verflauwd". Dit mag dan ook allerminst ont- 
kend worden: noch in woord, noch metterdaad. 

Maar nu behoort men toch niet te vergeten, dat alle schepsel, 
en de gansche schepping als geheel, op eindige wijze bestaat, 
zoodat alle kennis van alle schepselen gezamenlijk nog maar 
creatuurlgke kennis is, eindig in oorsprong, mate en wijze; en 
alle macht der gansche creatuur iets geheel anders is dan Gods 
almacht; en de geheele schepping nog altoos slechts om zoo te 
zeggen eene bepaalde plaats inneemt, terwijl Gods omniprae- 
sentia allereerst eene positieve, creatieve verhouding tot de ruimte 



Digitized by 



Google 



XXII 

aangeeft; en al de goddelijke heerlijkheid, die in en uit de 
volle wereld schitteren kan, het perk der eindigheid niet te 
buiten gaat. 

De Q-ereformeerden hebben dit in han polemiek tegen de 
Lutherschen niet altijd genoegzaam tot zijn recht laten komen, en 
daarbij soms geschreven, alsof b. v. eene praesentia van Jezus' 
menschheid en lichaam aan volstrekt alle plaats, die er bestaat, 
goddelijke alomtegenwoordigheid ware, en alsof de wetenschap 
van al het bewuste en onbewuste weten aller creaturen, tot in 
het miniemste en in vollen omvang, overeenkwam met de alwe- 
tendheid Gods; terwgl niet voldoende aangewezen en op den 
voorgrond gesteld werd, dat 'sHeeren almacht, omniscientia, 
alomtegenwoordigheid enz. niet in de eerste plaats een quanti- 
tatief verschil tusschen Hem en het schepsel aanduidt, om slechts 
uittedrukken, dat Hij tot meer dingen in staat is dan alle crea- 
turen gezamenlijk, en meer weet dan zij alle met elkaar, en 
meer plaats bezet dan één van hen en zij alle bijeengenomen, 
maar primair doelt op eene essentieel-andere verhouding tot de 
ruimte, de kennis, de macht enz. bij God dan bij schepsel. 
Allereerst is er tusschen beiden generiek, qualitatief onderscheid; 
en daaruit vloeit dan ook quantitatief verschil voort. 

Hieruit volgt, dat al is Jezus lichamelijk in den hemel, Hij 
nog zeer goed ook naar Zgne menschheid in de geheele wereld 
Zijne werking kan uitoefenen, zonder daarmee ook maar eenigs- 
zins de omnipraesentia Zijner Godheid nabij te komen. "Wat 
met deze werking, van lichamelijke tegenwoordigheid onderschei- 
den, bedoeld wordt, kan men gemakkelijk inzien, als men aan 
een spreker denkt. Corporeel is deze op platform, in katheder, 
op preekstoel, of waar ook. Maar met zijn (menschelijke) stem 
arbeidt hij op meters afstand. Bij de telefoon springt zoo iets 
nog duidelijker in het oog. Derhalve kan Jezus zeer wel loca- 
liter in den hemel verkeeren, nochtans niet enkel naar Zijne 
Godheid in de geheele wereld werken, maar desniettemin naar 
Zijne menschheid evenmin goddelgk omnipresent zijn als wij. 
En ook volgt er uit, dat wanneer Jezus straks levenden en 
dooden oordeelen zal, Hij dit doen kan in verband met Zijne 
menschelijke natuur, alle de verborgene dingen aller schepselen 
wetende ook qua mensch, zonder als zoodanig der goddelijke al- 
wetendheid om zoo te zeggen ook maar een duim te naderen. 
Omdat het onderscheid tusschen de deugden Gods en alle ver- 



Digitized by 



Google 



XXIII 

mogen des schepsels essentieel, en daarom absoluut is ; en omdat 
de gansohe schepping in heel haar bestaan eindig is, en eindig 
bleef, al werd ze in alles ook verduizendvoudigd. God is wat 
Hg is van Schzelven. Voorts doet Hij al wat Hij zelf niet is, 
door Zichzelven zijn en zóó-bestaan, naar Hemzelven belieft, 
ieder secondedeel des tijds. En al wat niet-God is, bestaat der- 
halve in alles, en immer door, in volstrekte afhankelijkheid 
van Hem. Om dus zelf zich niet aan het finitum non est capax 
infiniti te bezondigen, moet men zich steeds het eindig karakter 
der geheele wereld in haar gansche zgn, en het qualitatieve der 
onderscheidenheid van God en wereld helder bewust zijn, en dit 
ten volle en duidelijk doen uitkomen. 

Alzoo geldt de regel, dat het eindige niet vermag het onein- 
dige te bevatten, niet alleen van Jezus' menschelijke natuur, 
doch van al wat creatuur heet; en van alles ook als geheel ge- 
nomen. Dus moet God de openbaring Zijner heerlgkheid aan 
het overige creatuur steeds in mate, wijze en vorm accommo- 
deeren aan d!e bestaanswijze van het schepsel. Hg schikt zich 
daarbij, om zoo te zeggen, naar hetgeen Hij wrocht, cf. Ex. 33: 
20 — 23. En zoo spreidt Hg in creatuurlijke uitstalling den luister 
Zgner mogendheden voor het schepsel ten toon. Alleen doet zich 
dan hier de vraag op, of God Zijne glorie als goddelijke heer- 
lijkheid door middel van het creatuur aan het schepsel kan open- 
baren; of Hij zich qua Gtod door het instrument des schepsels 
van het creatuur kan doen kennen. Doch hierop geven Ps. 19, 
Bom. 1 : 19, 20 e. d. g. een bevestigend antwoord. En daarmee is 
gehandhaafd, dat voor het schepsel, om God als God te zien of 
te kennen, niet eene immediate aanschouwing van het goddelijk 
wezen als conditie sine qua non vereischt wordt. God vermag 
zich als God, )CTi(rfixTi xP^f^^^'S opyxvcp^ aan het schepsel te open- 
baren en daarvan te doen genieten, zonder dat maar eenigszins 
het onderscheid tusschen Schepper en schepsel nevelig wordt. 

Dit voert vanzelf tot de andere vraag, of God alle schepselen 
als precies gelijke instrumenten tot uitstraling Zgner heerlijkheid 
voortbracht en gebruikt, dan wel, of Hij zeer rijke verscheiden- 
heid bewerkte. Men zou n.m.L, de unio personalis als ^svootrig of 
maxima humiliatie stellende, geneigd kunnen zijn om te beweren, 
dat door haar de goddelijke heerlijkheid wel niet in se verminderd 
werd, maar dat toch de menschelijke natuur te gering schepsel is, 
om de hoogste goddelijke schittering in de schepping uittestralen. 



Digitized by 



Google 



XXIV 



Deze redeneering raakt de kwestie, of Ood in Zijn Woord ons 
de schepping als één samenhangend geheel beschrijft, met de 
menschheid, bepaald de nieuwe menschheid, als schoonst-organisch 
lid, van welke wederom Jezus naar Zijne menschelijke natuur 
de hoogste plaats inneemt. En waar dit zoo is, gelijk overtollig 
geacht mag worden, hier nader te betoogen, volgt nu, dat 
de menschheid des Heeren tot rijkst orgaan of instrument strek- 
ken kan, om de goddelijke heerlijkheid op creatuurlijke wijs en 
voor schepselen te laten uitblinken. Cf. Openb. 1 : 11 — 18 en 
Ps. 46 : 3. "Want omdat de gansche schepping eindig is, heeft 
hare capaciteit om Gods luister te kunnen verdragen, zonder er 
door vernietigd te worden, een grens. „Gij zoudt mijn aange- 
„zicht niet kunnen zien : want Mij zal geen mensch zien, en 
„leven," Ex. 33 : 20. 

Om niet te veel vooruit te grgpen op hetgeen in de studie 
zelve hier en daar bij wijze van opmerking gezegd wordt, laten 
we de verdere uitwerking hier rusten. 

Recapituleerend krijgen we dus, dat de bewering, welke de 
unio personalis als ^svootrig^ of exinanitio of maxima humiliatie of 
een trap in den staat der vernedering (in engeren zin), neemt, 
eenerzijds de onaantastbaarheid des goddelijken wezens niet 
handhaaft, noch het schepsel binnen zijn creatuurlijk perk houdt, 
en vergeet, dat Jezus' menschheid Zijne Godheid niet dienstbaar 
heeft gemaakt, noch eenige verandering Haar aangebracht; of 
andererzgds uit het oog verliest, dat de geheele schepping eindig 
is, en één geheel vormt, met de gemeente als lichaam van 
Christus, en Hemzelven als Hoofd, tot heerlijkst en rijkst orga- 
nisch instrument, ter openbaring van Gods deugden aan de 
schepselen, waarin de Eeuwige zelf zich verlustigt. Cf. Ps. 
104 : 31. 

Schijnbaar opkomende voor de hooge majesteit Gods en de 
creatuurlijkheid des schepsels, doet dit beweren zelf dus te kort 
aan het absoluut karakter en de goddelijkheid des eeuwigen 
wezens; verloochent het feitelijk de geschapen en eindige be- 
staanswijze van het creatuur ; en rekent er niet mee, dat de schepping 
een kosmos des Heeren is, waarin Hij, als in een schoon orga- 
nisch geheel. Zijne majesteit op eindige wijze, in creatuurlijke 
mate en in eenen aan de bestaanswrjze des schepsels geaccommo- 
deerden vorm op het luisterrijkst vertoont. 

Daartegen moet dus God in alles en volkomenlijk als God, en 



Digitized by 



Google 



XXV 

elk schepsel, èn de geheele schepping, als creatuur, en als crea- 
tuur Gods, gehandhaafd worden. Dientengevolge behoort genoemd 
beweren aangaande de xinio personalis verworpen te worden, 
om God in Zijne goddelijkheid op geenerlei wijze te krenken, 
en Jezus' menschelijke natuur consequent in alle opzichten crea- 
tuur te laten blijven. Aldus vervalt tevens de noodzakel^kheid 
voor eenige toekomstige aflegging van Zijne menschheid door 
den Zone Gods. 

Nog iets zij hieraan toegevoegd, n.m.1. dat men evenmin de 
vernedering op deze wijze in de geringheid enz. van Jezus' men- 
schelijke natuur stellen mag, dat wel de ellendige toestand dier 
menschheid Gode onwaardig en voor Hem onteerend ware, maar 
dat zij in de hoogste schittering harer heerlijkheid der Godheid 
wel passen zou. Omdat men * dan evenzeer op de goddelijke natuur 
voor Zichzelve en als goddelijke natuur de begrippen van ver- 
nedering en verhooging toepaste. Men ging dan Gods majesteit 
afmeten naar de heerlijkheid van het schepsel; stelde alzoo, 
dat zij daarnaar gemeten kon worden; en ontkende derhalve 
wederom ipso facto het absoluut en goddelgk karakter van Gods 
wezen en glorie. Hiertegen moet volgehouden, dat voor de hoog- 
heid van 's Heeren heerlijkheid de erbarmelijkste staat des schep- 
sels en de allerhoogste luister zijner schoonheid precies gelijk 
staan. Want God en schepsel zijn niet te vergelijken. Er bestaat 
tusschen hen, om zoo te zeggen, andersoortigheid van wezen, 
„Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? 
„zegt de Heilige," Jes. 40 : 25. Daarom betoont Gods majesteit 
zich dan het meest in hare onaantastbare goddelijkheid, wanneer 
zg met het o. i. nietigste en ellendigste creatuur in de nauwste 
verbinding kan treden, zonder eenigszins zich te ontluisteren of 
te bezoedelen, zoodat ook het opvoeren van het schepsel tot zijn 
hoogste heerlgkheid den luister Gods volkomen laat blijven zoo- 
als hij schittert. Cf. Jes. 57 : 16. Zoo eerst krijgen we ruimte, 
om bij de behandeling van den status humiliationis en der exi- 
nanitio God als God, en het schepsel als creatuur Gods volkomen 
te handhaven. 

Om zoo mogelijk daarbij eenigen dienst te doen, deelt deze 
studie mede en bespreekt een en ander van hetgeen enkele 
mannen in de eerste eeuwen der N. T. bedeeling ons nagelaten 
hebben. De omvangrijkheid van het onderwerp noopte, om zijn be- 
handeling bij Chalcedon aftebreken. En ook is in het besproken tijd- 



Digitized by 



Google 



vak niet naax volledigheid gestreefd. De critiek bedoelt hier en 
daar op onjuistheden of verkeerde ontwikkeling te wijzen, of 
tracht door combineering van, en concludeering uit gevonden 
gegevens, de rechte opvatting over de ontlediging of de ver- 
nedering in engeren zin, mocht het zgn, mede te bevorderen. 
Evenmin als in deze Inleiding, is er daar allermeest gevraagd 
naar de bedoeling eens schrijvers ; d. w. z. naar hetgeen met volle 
klaarheid hem telkens voor den geest stond ; maar naar den wezen- 
lijken inhoud van het beweerde, 't Ging er bg deze studie toch 
om, om ideeën optesporen en natespeuren. En eene idee is iets 
anders dan hare min of meer bewuste vertolking door eem'g 
auteur. Voorts werken ideeën door, terwijl hetgeen deze of gene 
met bewustheid van haar uitsprak door het nageslacht soms slechts 
als antiquiteit, bloot ter kennisneming, behandeld wordt. Daarom 
zijn bij het nagaan van de ontwikkeling eener idee de personen, 
door wie ze in dezen of dien vorm, met meerdere of met 
mindere helderheid van bewustzijn, uitgesproken werden, in 
zekeren zin bijzaken. Schrijver dezes heeft het nu dus niet 
zoozeer met personen te doen, als wel met den inhoud hunner 
woorden en gedachten. De beoordeeling der personen en van 
hunne grootere of geringere verantwoordelijkheid blijve alzoo in 
vollen omvang aan God zelven alleen. 

Deze wijze van behandeling staat ook nog met eene andere 
overweging in verband. Immers wenscht deze studie als proef- 
schrift in de faculteit der Theologie te dienen ; weshalve de kern 
van haar inhoud Theologie behoort te zijn. Nu is Theologie naar 
de opvatting der school aan welke schrijver dezes studeert, kennis 
van of aangaande God ; en deze meening is ook de zijne. Hier- 
uit volgt, dat deze studie zich ten diepste, of in den grond der 
zaak, met Qtod moet bezighouden; of, waar zij als historische 
zich aandient, nader met werkingen Gods. En als men nu het 
denken van den uitnemendsten theoloog over een zeer speciaal 
theologisch punt naspeurt, heeft men nog alleen maar eene anthro- 
pologische studie. Zoo is b. v. het nagaan van Calvijns gedachten 
over Gods praedestinatie eene calvinologische studie, en als zoo- 
danig geene Theologie. En een onderzoek van Augustinus' denk- 
beelden over de Triniteit ware Augustinologie, d. i. wederom 
Anthropologie. Aldus wordt de noodzakelijkheid dezer soort van 
studiën voor de Theologie niet ontkend. Integendeel, ze zijn 
daarbij en daarvoor ojimisbaar. Maar dit neemt niet weg, dat 



Digitized by 



Google 



XXVll 

ze toch in eigenlijken zin geene Theologie bieden, maar slechts 
Anthropologie. We zoeken en komen dan te weten, hoe Augus- 
tinns of hoe Calvijn dacht ; krijgen alzoo kennis van Calvrjn of 
van Augastinus ; en bepaald van het denken en het weten dezer 
mannen. En hoe nuttig en onmisbaar-noodig dit ook zijn moge om 
rechte, wetenschappelijke kennis van &od te verkrijgen, op zich- 
zelf kennen we dan God toch nog niet. Kennis van Augastinus' 
opvatting der genadewerking Gods is Anthropologie ; kennis daar- 
entegen van de werkingen Gods, waardoor Hij Augustinus tot 
die gedachten over, en die uiteenzetting van Zijne genadewerking 
bracht, is Theologie. Bij dit laatste toch kennen we dan iets van 
God. Daarom behoorde bij deze studie het licht te vallen op 
de leidende werkzaamheid Gods, door welke Hg Zijne waarheid, 
met betrekking tot het onderhavige punt, tot het bewustzgn 
Zijner gemeente bracht. Hij deed het ook door de tegenstelling 
met de duisternis. Deze laatste diende meermalen, om het licht 
van 's Heeren Woord te helderder te laten uitkomen. 

Hoogstens slechts zeer ten deele is gelukt, wat eisch was. Maar 
vooreerst kunnen de werkingen Gods in de historie, ook der 
ontwikkeling van het bewustzijnsleven der kerk, beter als pos- 
tulaten gesteld en door het geloof gezien, dan als feitelijkheden 
gedemonstreerd worden ; ten tweede ware voor breedere uitwer- 
king een historisch onderzoek vereischt als voor een proefschrift 
niet wel te vorderen is; en ten derde geldt ook hier zoo veels- 
zins : „niet dat ik het verkregen heb ; ik jaag er naar, of ik het 
„grgpen mocht." Cf. FU. 3 : 12. 

Betreffende bijgebrachte citaten zij nog medegedeeld, dat daarbij 
soms, terwille van de Hollandsehe constructie van den zin, eene kleine 
verandering noodzakelijk was, b.v. van een meervoud in een enkelvoud, 
of van een accusatief in een eersten naamval, e. d. g. ; soms echter is de 
oorspronkelyke vorm of zinsbouw behouden, hoewel de Hollandsehe zin 
logisch wijziging zou vereischen, b.v. een infinitivus cum accusativo ge- 
handhaafd, ook na ons voegwoord dat^ e. d. g. Dit laatste geschiedde, 
wanneer m. i. noch de duidelijkheid der bedoeling, noch het loopende 
van de constructie daaronder leed. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



EERSTE HOOFDSTUK. 



Db „Patres Apostolici". 



n 



I. De geschriften der „Apostolische Vaders" behooren mede 
tot de oudste produkten der voor ons bewaard gebleven christe- 
lijke litteratuur. Terwijl van deze geschriften de eerste Clemensbrief 
wellicht het vroegst vervaardigd is. Blijkens zijn aanhef werd hij 
aan de gemeente van Corinthe gezonden uit naam van de kerk te 
E>ome : jJ iKKKy\(nx rov 6aov jj ttx^oikovo-x Pufjt^ijv ri/i èKJc^^a-t^ rov isov ri/i 
TTxpoiKoviT^ Kopiv^ov. lu de Corinthische gemeente was de geest van zelf- 
verheffing, tegen welken reeds Paulus in zijn „eersten" Corinther- 
brief zoo beslist was opgekomen, vgl. I Oor. 1 :10; 3:3; 4:6; 
5 : 2a ; 6 : 7, 8, wederom zijn booze werking gaan verrichten ^), 
zoodat de vermaning noodig bleek : rocTrstvoCppoviiJcofiêv ouv^ msXCpoi^ 
xTTo^afJi^evoi Trxtrxv xXxi^ovsixv kxi Tv(pog kxi x^potrwYiv kxi èpyxq^ XIII, 1. 
Op velerlei manier wordt dan in heel den brief deze vermaning 
aangedrongen, ook door — en dit raakt ons onderwerp — het 
wijzen op Jezus' voorbeeld, dat zoo gansch anders was. Want 
ofschoon de Heere op pralende wijze konde verschijnen, verkoos 
Hij zulks niet, maar deed Zijne nederigheid van zin blijken : 
rxTreivoCppoyovvruv yxp hriv o %pi(TToq^ ovk 67rxipo(j(,6vuv stti to Troifiviov 
xurov. TO (TKy^TTTpov Tviq (jLeyxXatTvv^q rov êsov, o Kvptog lyja-ovg Xpiarog^ 
ovx vi^^sv iv KOfCTTcp xXx^ovsix^ oif^s vTspijCPxvixg^ KXiTTsp ivvxfisvog^ 

XXXX rXTTSIVOCppOVOiiV^ KX^Ug TO TTVSVfJLX TO XytOV TTSpi XVTOV sXxKVitTSV, 

waarna Jes. 63 : 1—12 en Ps. 22 : 7 — 9 worden aangehaald, 
XVI, 1, 2 sqq. Nu ligt hierin allereerst, dat de oorzaak van 
Jezus' nederheid vrije verkiezing was, wijl Hij als to (tk^jtttpov 
Tviq fisyx^cüiTvvyig tov isov de ^wvxfJLiq bezat op geheel andere wijze 



') cf. Irenaens adv. Haer. IH: 3, 3, It/ rovrov èw rov KX^/jtsvro^ a^ua-tu^ 
OVK è^tyiiq roi^ 6V Koptv^tp yevofAevijQ êtlsX^ot^ Wsvrsihsv v^ Iv Pwft^ s'xxAtf0'/ff htotvceroeniv 
ypx^ifv TOtQ Koptv^toiQ, sJq «/pjfvjjv a-viJt^t^a^ovo-x uvrov^. Kat ivxvtovv» rifv irivriy 
cthrosv KOU vtv vsuvri «tfo rwv aTroo'roPMv 'xotpoièotriv c/Atf^ci. 

1 



Digitized by 



Google 



te komen ; en ten tweede wordt van dit nedere gesproken slechts 
in verband met gemis aan xofiwogj zoodat eene gedachte, alsof die 
komst reeds in zichzelve, en nog afgezien van de manier waarop 
zg plaats greep, blijk van TXT€ivo(ppo(rvvyj gaf, niet merkbaar is. 

II. Van een ietwat jongeren oorsprong is de tweede Clemens- 
brief „nicht ein Brief, sondem eine und zwar die alteste uns 
erhaltene Predigt", Kurtz I p. 93. Deze begint aldus : x&€X<poi^ 
ovruq ^61 i^fixq 0pov6iv TTspi lij<rov Xpttrrov ug Trspi êsov, uq Trspi 

TCpiTOV t^OdVTOiV KXt VSJCpuV KXt 5v Sf/ jJjCfcöJ^ flixpx (ppOVStV TTSpi T^g 

(TUTvipixq lifAuv, I, 1. Nu zou dit laatste, blijkens den nadruk, die 
telkens op „vleesch" wordt gelegd, ook dan plaats vinden, wan- 
neer men dit van de (raryj^ix uitgesloten dacht, xxt (jlvi Xsyeru 
Tig vficov ÓTi xvryj vi trxp^ ov xptvsrxi oif^ê xvkttxtxi, IX, 1. Sf/ oifv 
yi(j(,xg dog vxov isov ^vXx<t(T61v rvfv (Txpycx^ 3. Want ov rpoTTOv èv t\i 

7XpjCt ixA)^9')fTf, KXt èv Tlfl (TXpKl ê^€V(T€(T^€j 4, cf. OOk 5. ^) 

Blijkbaar begon de voorstelling, die het Gnosticisme poogde te 
systematiseeien, dat n.m.1. geest en vleesch wederzijds elkaar zouden 
uitsluiten, welke voorstelling dan op geringschatting of verachting 
van het vleesch uitliep, meer doortedringen. Zij is van heidenschen 
oorsprong, en noodzaakte reeds Paulus met klem de opstanding 
des vleesches te handhaven, al moest deze niet zóó worden ver- 
staan, dat er daarbij geene belangrijke wgziging van hoedanig- 
heid des vleesches zou plaatsgrijpen, cf. I Oor. 16 : 4, 12, 13, 16, 
20, 36 — 48. Een dertigtal jaren later kwam ook de apostel 
Johannes tegen haar op, cf Joh. 1 : 14a, I Joh. 4:2, 3. Maar 
eene voortdurende waarschuwing tegen deze dwaling werd binnen 
de gemeente niet overbodig, zooals uit de brieven van Ignatius 
en dezen tweede van Clemens valt afteleiden. Opmerkelijk in 
deze predikatie is nu het verband, dat gelegd wordt tusschen 
Ohristus, de gemeente, en het vleesch : ovk olfixt Sf vfixg iyvoeiv 
on èKKXyjfTix ^utrx (Ta[ix fVr/ xpitTTOv^ waarop dan met verwijzing 
naar Q-en. 1 : 27 volgt : ro cipjêv strriv o %p/(rTö^, ro bviXv jj sycycKyitrix .... 
fiv yxp TTVS^JiiXTiywi ecg xxi o lvi70vg vifiuv^ ècpxvspu^yj ïf i;r' fV%öJTft?y 
Tccv vi(JL6poav ïvx vifixg (TU(T\fi^ XIV, 2. Doch de kerk TrvsvfJLXTiKvi ou<tx 

sCpXVSpOobvi 6V Tl/l 0-XpXt XpitTTOV^ "hviXOViTX ^fllV OTl 6XV Tig ^flCüV TyipYl^^fl 
XVTYIV êv Tlfl (TXpJCl XXI jCfcJf (p^SlpIfj^ XTTOXyiy^JSTXl xifT^JV èv TCf) TTVêVflXTt TCp 

xyicp. Want dit vleesch otvTiTVTrog s(tti tqv TrvevfixTog. Niemand 



') B^ i^svo'ga'^g teekenen Gbbhabdt-Habnack aan : scil. sU Tifv ^xrtUmv rov éiov. 



Digitized by 



Google 



nu die ro oivrirvirov verderft to xvbevriKOv fisrx^yj^psTXt. Weshalve 
de eisch is : ryjpyjtrxrs ri^v (rapx», tvx rov Tvevfixrog (JLsrxXx^ifrs^ 3. 
Als wg nu zeggen shxi r>jv vxpxx rvav sKKX%f(nxv Kxt ro TrvsvfjLX 
Xpt^TOv^ dan volgt, dat i v(3ptaxg r^v trxpycx vfipivs -n^v ixKXvitnxv. 
En de zoodanige ov (astxK^^stxi tov Trvevf^^xrog^ 5 ètrriv o ;^p/(Ttö^, 4. 
ToiTxvryjv ivvxrxi j5 ^^P? ^^'^yi (Jf^srxXxfiaiv ^coyjv kxi x^^xp^ixv 
KoX^fj^svTog xvrifi rou TrvsvfJLxroq rov xytov .... 6. 

Daargelaten de vraag, wat er aan meerdere helderheid in deze 
woorden te wenschen overblijve, schijnen ze recht te geven tot 
deze bewering, dat hier een zoodanige samenhang tusschen 
Christus als to Tparov TvevfiXj IX, 6 én jJ ^xp^ waarin Hij ver* 
scheen, én de gemeente wordt geleerd, dat voor de gedachte 
van het afleggen dezes vleesches door den Zone &ods geene 
ruimte overblijft. Wanneer voorts IX, B gezegd wordt: el 
XpiTTOg o Kvpiog i vavxq JfjCt^^, iv ijlsv to wpcoTOv Tvevfjt^x^ iyevsTO 
(7xp^ XXI ovTcoq ^fixg èxxXavsVy ovToog kxi i^f^stg èv txvtih t^ (rxpxi 
otToXyj^ofie^x tov (jlkt^ov^ dan is daarmee wel aangegeven, dat 
geest en vleesch niet gedacht worden als op leven en dood tegen 
elkaar te strijden, maar dat zij veeleer met elkaar onafscheidelijk 
kunnen worden verbonden, doch aan den anderen kant ook gezegd, 
dat van deze twee to Tvevfix het hoogere is, zoodat geene meerdere 
heerlijkheid daaraan toegevoegd wordt door verbinding met jJ vxp^. 
Moge het zich in ongerepte eere en zuiverheid kunnen handhaven, 
hooger in voortreflFelijkheid klimt het er toch niet door. 

in. Wanneer we nu den brief van Bamabas ter hand nemen, 
dan zij eerst meegedeeld, dat omtrent zijn tijd van vervaardiging 
in de Prolegomena § 7 der uitgave Gbbhabdt-BLajinack geschreven 
werd: Tempus, quo scripta sit epistula, accurate definiri non 
potest; en na eene redeneering over de termen binnen welke h^ 
valt, aldus geconcludeerd: Itaque intra ann. 71 — 132 epistulam 
delegamus. Suspicandum vero, eam ultimis huius spatii lustris 
compositam esse. 

Deze brief wgst er op, dat de ^vtrtxi en oXoKxvfixTx en 7rpo(r(popxi 
zijn tenietgedaan, Ivx o xxivog vofiog tov Kvptov i^fiuv lii^ov %p/(TTöy, 
xvev i^vyov xvxyxyjg «v, fiyj oLvbpuTTOTTOiviTOV êxv tviv TpotrCpopxv^ II, 6 cf . 4. 

Voor deze studie zijn er twee zaken in Bamabas' brief, die 
meer bepaald onze aandacht trekken. Vooreerst dat de schrijver 
het v'TTOfjLaivxi en ttx^siv van Christus nog al op den voorgrond 
laat treden. V, 1 ètg tovto yxp vTrefistvsv o xvpiog irxpxiovvxi tviv 



Digitized by 



Google 



ffxpKX eU Kxrx<p^opxv .... 5 si o xvpiog vTSfjt^êtpe tx^siv wspt nj^ 
^^Xyi^ yif^oovy uv TTXvroq tou y,o(T(^ov Kupiog^ ^ sIttsv o iaoq oltto kxtx- 
(So^yjg KO(rfzov^ cf. Gen. 1 . 266, Trug ovv vTCSfJisivsv vtto %f/pö^ oLvbpuTrcov 
TTX^êiv; fixbers 6.... xvToq Sf Ivx Kxrxpyvi(Ti{\ rov bxvxrov axi ryjv sk 
vsKpüJV xvx(rTX(Tiv ^si^i{\^ on èv trxpjci iSf/ xvrov (pxvspu^yjvxi^ 
vTTSfzeivsv. Vn, 2 Indien dan de Zone Gods, uv Kvpiog kxi fisXXav 
Kpivsiv ^uvTxg jcxt vexpovg^ sTx^sv opdat )} TTX^yvi xvtov ons zou 
doen leven, zoo laat ons gelooven, dat de Zone Gods ovk 
yj^vvxro ttx^siv el {j^yj 5/' iifJLxq. Alzoo valt er nadruk op het 
vTTSfistvs TTx^êiv, Maar de woorden houden nog iets meer en 
anders in. Wanneer de schrijver toch V, 6 zich uitdrukt, on sv 
(Txpjci fSf/ xvrov (pxvepubvivxi^ en in 10 s] yxp [ivi j^A&fv iv a-xpKt, 
ovy xv TTwg 01 xv^puTTOi è(ru^}j(rxvj dan zegt dit, dat het i^^siv èv jxpKi 
geschiedde niet terwille van Jezus zelven, maar ter bewerking 
onzer (Turviptx ; cf. ook VII, 2. Waaruit voortvloeit, dat deze komst 
eene daad van gunst jegens ons was, en vervolgens, dat de ver- 
schijning in het vleesch op zichzelve den Zone Gods geene verhoo- 
ging van heerlijkheid aanbracht. Veeleer zouden de woorden 
eene vlak daartegenoverstaande gedachte kunnen wekken. Maar 
— en dat is het tweede waarop te wijzen valt — de schrijver 
noemt dit sxbsiv èv a-xpxi niet een Kpvfivivxi^ doch in overeenstem- 
ming met de H. S., vgl. I Tim. 3 : 16, een (pxv€pco^ijvxi. Indien nu 
voorts o Kvpiog zich èv (rxpjci openbaart, dan kan Hij gezien worden, 
wat Barnabas op zulk eene wijze uitdrukt, dat door deze aan- 
schouwing de behoudenis uitgewerkt wordt. V, 10 e) yxp fiij 
j5a9'£v èv (TxpKt^ oify oiv irug 01 xv^puTTOi è(Toobyi(Txv fiXêTTOVTsq xvrov, 
Cf. XTT, 10 ISf TTxXiv lyjffovv (in onderscheiding van Jozua den 
Zoon van Nun, Num. 13 : 16) ovx^ ^fog xv^pcoTrov xXXx vhi; rov 
iêovj rvTcp Sf èv trxpxi (pxvapcobsiq^ en Vil, 9 i\povrxi xvrov rors ri/i 
ilf^ep^ rov TöSïfpjf èxovrx rov xoKKtvov Trspi ryjv 7xpKx, 

Evenmin dus als de overige patres apostolici en vele schrijvers 
na hen, behandelt „Barnabas" het onderwerp dezer studie afzon- 
derlijk en duidelijk. Maar toch schijnt eene voorstelling, alsof 
de unio personalis met de menschelijke natuur reeds als zoodanig 
a. w. h. belemmerend voor de uitstraling der goddelijke heer- 
lijkheid van den Zoon zou werken, minder in het geheel van 
des schrijvers gedachten te passen. 

IV. Op den naam van Ignatius van Antiochie zijn een aantal 
brieven tot ons gekomen, waarvan Th. Zahn in zijne uitgave 
1876 een 7-tal (ad Eph. Magn. Trallian. Eom. Philad. Smym. 



Digitized by 



Google 



Polyc.) als Ignatii Epistulae genuinae betitelt, ten opzichte van 
welk 7-tal G. Uhlhoen H. R. W bd. 9 p. 62 verklaart: ,,im 
„Ganzen darf man wohl sagen, dasz die Stimmen fiir die Echt- 
„heit.... sich mehren". Terwijl hij dan verder laat volgen: 
„Habnaok hat .... sich dahin entschieden, dasz die Ignatiusbriefe 
„echt sind und gegen das Ende der Regierung Trajans (110— 117), 
„vielleicht, doch nicht wahrscheinlich, et was spater verf aszt sind". 
Helder spreekt Ignatius de eenheid van Jezus Christus uit. 
Eph. Vli, 2 €tg Ixrpoq s(ttiv. Ten tweede plaats hg een tweevou- 
dige reeks van praedicaten, welke van Jezus gelden, scherp 
naast elkaar, t. a. p. eig IxTpoq svri ^xpKiKog re kxi TvsvfzxTtJcog^ 
ysvvvirog kxi iyavv^roq^ èv vxpm ysvofji^svoq óeoc^ èv ^ocvxTcp ^uij x>,}j^iuv}, 
KXi ex, Mxpixq XXI èx ieov^ Trpurov TrxbyiToq xxi Tore oiTrxb^q^ lyjvovg 
XPi(FTog o xvpioq i^fiav. XX, 2 èv lyjfrov XP^^'^V • • • • '^V ^'V oiy^pooTrov 
XXI vicf) êsov, Cf. ad Polyc. III, 2. In de derde plaats hand- 
haaft hij nadrukkelijk de waarachtigheid van Jezus' mensche- 
Igke natuur, Smyrn. III, 1 èya yxp xxi [jlstx tviv xvx(rrx(Tiv 
èv (Txpxi xvTov ol^x XXI TrivTêVü) ivrx. En daarmee in verband, 
die van Zijn lijden en opstanding, t. a. p. II xXvi^odg èirx^av dg 
XXI xXvi^uq xvstrryjtrsv hxvrov^ ovx ^(TTrsp xTritTTOi riveg Xsyovtri ro 
^oxêiv XVTOV TrsTTOvbsvxi^ cf. V, 2. Spreekt Ignatius nu telkens van 
(Txp^, dan volgt hieruit evenmin als uit Joh. 1 : 14 en I Tim. 3 : 16, 
dat alleen 's menschen stoffelijk deel is bedoeld. Er moet reke- 
ning gehouden worden met de destijds heerschende dwaling 
inzake trxp^ en voorts daarmee, dat Ignatius Jezus ook noemt 
vhg xv^pcüTTov, Eph. XX, 2 ; cf, XIX, 2 de uitdrukking isov 
xv^pooTTivug 0xv€povfi€vov^ BD. Smyxu IV, 2 XVTOV fjt^s èvivvxfiovvTog 
Tov TsXeiov xv^pcüTTOv ysvofiêvov. Ten vierde dringt hij in zijne 
brieven aan op vTroTxyyj aan den èTTKTxoTroq en het Trpsfr^vTspiov. 

Eph. II, 2 TTpSTTOV OVV è(TTlV XXTX TTXVTX TpOTTOV io^X^SiV l>](rOVV 
%pi(TTOV TOV io^XtrXVTX V(^Xg^ IVX èv fllij^ VTOTX^I/I XXTYlpTKTfJLSVOt^ V7rOTX(r- 
(T0(J(,6V0l TCf) èTTKTXOTTCp XXI TCf) TTpSfr^VTSptCji XXTX TTXVTX yjTê l^'/tXtTflSVOl^ 

cf. Magn. VI, 1. Trall. II, 2. III. 1. Aldus moest de évucrtg 
(Txpxog XXI TTvsvfixToc lijtTov xp^^'^^^j ^f- Magu I, 2, in de gemeenten 
aanwezig zijn en zich openbaren, cf. opschriften van Eph. en 
Rom. en Eph. X, 3, en ibid. IV, 1 o^sv TrpsTrei vfziv trwTpex^^v 

Tl/l TOV èTTKTXOTTOV yVOCfJl^Ifi, OTTSp XXI TTOtSlTS. TO yxp X^lOVOfAXtTTOV VflUV 

7rp€(r(ivT€piov, tov êeov x^iov^ ovTug (7vvy\pfiO(TTXi Tcp èTttTXOTCfj, ecg %öpSöJ/ 
xi^xpcfL, iix TOVTO èv Tifi ofAOvot^f, vficov XXI (rvf4,(pü)vcp ciyxTTi/i lyjtrovg 
%pi(TTog ^^sTxi. Cf. Magn. XIII, 2. In de vijfde plaats laat 



Digitized by 



Google 



6 

Ignatius hiermee in overeenstemming meer de gedachte van 
Jezus' onderworpenheid aan den Vader uitkomen. Eph. V, 1 vf^xg 
fiXKxpi^u^ Toug iv3C€xpxfi€vovg xifTCf) (scil. rep eTTKTKQ'TrCfi vfjtfCov) aq VI 
sKJcXfftrix 1^(7 ov XP^^'^V* ^^' ^^ lij70vg ^p/o^Tö^ rep TTxrpt^ Ivx TTXvrx 
èv hoTKjTi (rvfibuvx ifi. Magn. Vu, 1 Evenals nu de Heere xvev 
Tov TTxrpog ov^ev 67roiyi(rsv^ i^vuf^svog wv, ovrs 5/' êxvrov^ ovrs ^ix rcov 
iwöiTTöAcyv, verricht gij aldus niets zonder den iTTt^KOTog en de 
7rp€(r(3vT€poi. Cf. ook Smym. VIII, 1 en Magn. VIII, 2 og 
(scil. I. XP ) i^^'^x TTxvTx avvip6<TTyi(T6v rep 7r€fi\ljxvTt xifTOv. Hiermee 
parallel loopt de gedachte, dat ten zesde het komen van Jezus 
Christus, Gods Zoon en Logos, cf. Magn VIII, 2, wel is een 
TrposXbsiv XTTO (Tiyviq^ ibid. (hoc loco . . . nascentem et in mundum 
intrantem significat Christum, sicut mittentem subinde memorat 
patrem, Zahn bij deze plaats), cf. ook VII, 2 tov x(p' èvoi; Trxrpog 
TTposX^ovTx jcxi alq syx ovTx 3CX1 %«p)^o-öVTöJ, maar toch ook een 
ysvstrbxt iv (rxpjci, Eph. VII, 2 en een (pxvspovtrbxi ivbpooTrivodg 
t. a. p., XIX, 2, zoodat ó . . . . dsog vifioov I. %p, iv vxrpi uv fix^Kov 
(pxivsTxi^ Rom. in, 3. Desniettegenstaande is het ten laatste toch 
een èv (rxpKi yevo/zsvog ésog, Eph. VII, 2, en êsov ivbpuTrivug 
^xvepovfisvov^ ibid. XIX, 2, zoodat o (pxv€pa(rxg éxvrov iix Imov 
Xpi(FTOv is o €U êsog^ Magn. VIII, 2. 

Al is het nu, dat Ignatius' brieven nog niet voldoende onder- 
scheiden tusschen het „ontologische" en het „soteriologische", cf. 
Dr. Bavinck Dogm. Il p. 266, in de triniteitsleer, toch kan niet wor- 
den ontkend, dat daarin o. a. deze gedachten duidelijker voor ons 
uitkomen: a het is God, die zich openbaart en kennen doet als 
God; 6. deze openbaring is eene aan ons bestaan geaccommo- 
deerde, zoodat er van een iv wxrpi (jlxXXov Cpxivetr^xi sprake kan 
wezen; c dezen in het vleesch gekomen Zoon en Logos Gods 
voegt vTroTxyvivxi aan den Vader, Magn. XIII, 2 vTroTxyviTs rep 
swKTüQ'Trcp 3CXI xXXy\Xoig dg i XpitTTog rep wxrpi kxtx vxpicx^ kxi o\ 
XTTOvroKoi rep XP^^'^V *^' '^V TTvevfixri, ^). 



1) De Pastor van Hermas is met opzet hier niet besproken. Deze zon 
m. i. als pnnt van nitgang moeten gekozen worden bij de behandeling van 
het onderwerp dezer stndie voor de „westersche'' kerk. Nn deze vanwege 
de nitgebreidheid achterwege bleef, achtte ik het beter, ook den Pastor niet 
te bespreken. Temeer waar daarbij met eenige meerdere nitvoerigheid zonde 
gehandeld dienen te worden over Habnacks beweren, dat de Pastor een 
„adoptiaansche*' Christologie leert. I, p. 160. 



Digitized by 



Google 



TWEEDE HOOFDSTUK. 



JüSTINüS MaETYB. 

In de boven behandelde geschriften richtte zich het woord 
tot medechristenen, en wilde hen van een verkeerden weg in 
leven of leer terugbrengen of daarvoor waarschuwen. Met de 
Apologeten komt verandering. Want dezen hadden tot taak 
het christendom te verdedigen, en moesten zich dus stellen tegen 
wie daartoe niet behoorden. Deze laatsten waren te onderscheiden 
in Joden en Heidenen. Voorzoover ons onderwerp betreft brachten 
beide groepen tegenstanders, elk op eigen wijs en met verschil 
van argumenten, een tweeërlei bezwaar in tegen het christelijk 
geloof, dat Jezus was ósog ysvofjt^vog ivbpooTroq. Vooreerst zou eene 
in die woorden liggende gedachte voor onmogelijk moeten ge- 
houden worden, en ten tweede zoude eene verschijning van God, 
waar die mocht plaats hebben, niet anders dan met uitstraling 
van heerlgkheid kunnen geschieden. 

In antwoord daarop wordt gezegd, dat Jezus als ésog ^xvepoo^sig 
iv (TxpKi zeer zeker een unicum is, maar dat dit toch niet mag 
worden opgevat, alsof het feit van de aanneming der mensche- 
1^'ke natuur door den Zone Gods in alle opzichten geïsoleerd 
stond, doch dat het a* w. h. op een breede basis rust en in zekeren 
zin ook weer niets anders is dan de top, waarin een pyramide 
uitloopt. Omdat degene die mensch werd reeds met de schep- 
ping, en nader nog met de menschheid, verbonden was (vooral 
tegen de heidenen), en ook tevoren zich reeds geopenbaard had 
onder Israël (inzonderheid tegen de joden). En inzake het tweede 
punt wees men aan, dat in de O. T. Schrift een tweeërlei komst 
des Heeren was aangekondigd, ééne in geringheid, de eerste, en 
eene andere, de tweede, met goddelijke heerlijkheid. 

Van deze Apologeten „is Justinus (Martyr) verreweg de be- 



Digitized by 



Google 



8 

langrijkste". Bavinok Dogm. I p. 66. En yan hem komen hier 
slechts de door Otto als indubitata uitgegeven opera in behan- 
deling, omdat de authenticiteit der beide Apologieën en van den 
Dialogus geen punt van strijd uitmaakt, en deze drie voor de 
onderhavige studie genoegzame stof aanbieden. 

In de twee eerste wendde zich Justinus schriftelijk (cf. Dial. c. 
Tryph c. 120 p. 406 èyypocCpoog KXKTctpt wpotTfii^av êlwou) tot een 
heiden, terwijl de laatste een gesprek bevat door hem met 
zekeren jood Trypho gehouden. 

In zoover daarvan hier gesproken behoeft te worden, bracht 
Trypho allereerst het bezwaar in : ocvroci vifixq ypxCpxi (t. w. Dan. 7) 
KXi TOtxvrxi svho^ov ycxi (^ayxv xvxiievsiy rov Trxpx tov 'ttxXxiov tuv 
vKJLspm dg viov xv^pawov 7rxpxXx(j(,^xvovTX rviv uaoovm fix^iXsixv xvxy- 
Kx^ova-tv^ c. 32 p. 102. Ten tweede zegt hij : Laat het zoo zijn 
gelijk gij beweert, kxi ort Trx^yjrog irposCpyiTeubyi (Ji^aXXsty shxi .... 
KXt sv^o^oq fJLsrx ryjv Trpur^v xvrov wxpovtrixv .... shevtTOi^svot; .... 
Maar si ovrog ètrri Tspi ov rxvrx '7rpo6(pviT6v^^^ xttó^si^ov^ c. 36 p. 
118/120, cf. c. 89 p. 130. In de derde plaats zeiden hij en de 
zijnen : fjt^yiSev .... f%f /v sU XTróisi^tv rovg KeXsyfj^^avovg Xoyovg on 
6sog o Kvptog iXXog rig ètrriv vi KsXaurxi uto rov xyiov TTvavfixrog Trxpx 
TOV TTOi^T^v rm oKcov^ c. 56 p. 180. 

Alzoo moest Justinus uit het O. T. aantoonen, dat van den 
beloofden Messias ^vo irxpovfrixi^ c. 14 p. 62, cf. c. 32 p. 102 vv. 
e. a. p. waren geprofeteerd, en niet slechts ééne met koninklijke 
glorie, doch daaraan voorafgaande eene andere in oneere; wat 
hij dan ook doet, en uitwerkt ten opzichte van de onderscheiden 
voorzeggingen betreffende ontvangenis, geboorte, levensloop, lijden, 
enz. Vervolgens, dat dit alles van Jezus waarheid was. En 
voorts, dat reeds door de O. T. Schrift eene meerderheid van 
personen des goddelijken wezens ons wordt geleerd, zoodat allerlei 
niet van het schepsel geldende uitnemendheden en attributen 
aan Jezus mogen en moeten worden toegekend. Eindelijk wordt 
er in den Dialogus dan op gewezen, dat Hij die in Jezus is ésog 
y€vo(JL€vog xv^puTog, reeds in de O. T. bedeeling den Vaderen 
verscheen. 

De Apologia minor laat op den voorgrond treden den samen- 
hang van den Logos met heel de menschheid, waartegen dan 
ook andererzijds weer sterker uitkomt zijn van die menschheid 
onderscheiden meerderheid. Terwijl de Apologia maior dezen 
samenhang wel aangeeft, evenals zij ook spreekt over de twee- 



Digitized by 



Google 



erlei komst des Heeren, maar voornamelijk toch het boven de 

schepselen verheven, Hem alleen eigen wezen van den Zone 

Gk)ds in het licht stelt. 
Betreffende dit laatste en de geheel eenige verhouding, waarin 

Jezus alzoo tot den Vader staat, openbaart Justinus zijne 

meening door van Hem te spreken als: 

a. ukg 6aov, cf. Ap. I c. 12 p. 30. c. 13 en 14 p. 34. c. 22 
p. 68, c. 23 p. 60 e. a. p. 

viov ésow ivrx kxi K6kX^(jlsvov^ c. 31 p. 80. o Sf vhg èaeivov^ o 
(jLovoq Xsyo(j(,avoq Kvpiag viog^ II c. 6 p. 182 — cf. Dial. c. 48 
p. 158. c. 61 p. 204 e. a. p. 

Alszoodig is Hij o fAovog^ I c. 23 p. 60. Il c. 6 p. 182 en 
(iovoysvy\g .... r^ 'Trxrpt tuv oXav^ Dial. c. 106 p. 356. 
ïiiooq .... TOfi 6scfi ysysyv^rxi^ I c. 23 p. 60 en ïiiaq i? ccirov 
yeysv^fisvog^ Dial. c. 105 p. 356. 
6. o Xoyoq^ I c. 5 p. 14. e. 21 p. 54 e. a. p. Il c. 10 p. 192 e. a. p. 
of >.oyog, I c. 13 p. 34 e. a. p. II c. 10 p. 194 Dial c. 61 p. 204 
of Xoyoq xifTOv (scil. Tov êêov), I o. 23 p. 60 Dial. c. 105 p. 356 
of Töv . . . . aTO iyevvviTOv kxi JcppijTOv 6sov Xoyov^ II c. 13 p. 262. 
Nu is Xoyois bij Justinus soms meer = pvifAX^ oratio; cf. I 
c. 66 p. 156: ^ix Xoyov ieov (TxpKOTroivibeiq lvi(70vq XpKrrog^ en 
Dial. c. 61 p. 206 ^oyov yxp rivx Trpo^xXKovTsg^ Xoyov yevvafisv; 
soms meer = ratio ; cf. DiaJ. c. 61, vervolg van citaat boven : 
ov KXT^ xTTOTOfJiyp/, uq è^xTTco^vjvxi TOV iv T^fjt^iv Xoyov, TTpO^XXXOfJLevOl. 
Cf. ook I c. 46 p. 110 en n c. 8 p. 188. o. 10 p. 192. 
c. 13 p. 200; soms liggen beide denkbeelden erin, of 
wordt althans geen van beide uitgesloten; of. I c. 5p. 14. 
II c. 13 p. 202. Dial c. 61 zie boven. 

c. TrpofiXvibsv yfvvjfiCfcöJ, Dial. c. 62 p. 210. cf. ibid. c. 129 p. 434 
voairs .... KXi on yeysvvyjfr^xt vttc tov TTXTpog tovto to ysvyyjfjt^x 
Trpo TTXVTCov XTTXooq Toov KTKrfzxTUV O Xo^oq iSïf Aöw (t. W. Spr. 
8.21 — 25), en Trparov ysvvyjfix, I c. 21 p. 54, vanwien, ook 
in onderscheiding van Trotijfix of KTKTfzx e. d. g., een yfvvj^- 

(T^Xl geldt, I C. 23 p. 60 I. XP- f^OVOq ÏSiuq Vtoq TCf) êsCf) 
ysysvv^Txt. II c. 6 p. 182 o Xoyoq irpo tuv 7rot}jfiXTCov kxi 
(Tvvuv KXI yevvcüfiêvoq^ cf. Dial. c. 129 tevoren. 

d, TrpuvTOTOKoq TOV 6sov^ I c. 46 p. 110, c. 63p 152. Dial. c. l(X)p. 340 
of TTpooTOTOjcoq Tcp tff^, I c. 33 p. 86. c. 53 p. 122 

of TrpuTOTOKoqj I c. 23 p. 60, waarmee verbonden wordt 
^vvxfiiq^ ibid.; vgl. voor dezen laatsten naam ook II c. 10 



Digitized by 



Google 



10 

p. 194 ivvxfAig stTTi Tov ippyjTov TXTpo<;, en Dial c. lOB p. 356. 

Van hier de naam ;? ttpootvj ivvxfiiq (astx tov TrxrèpXy I o. 32 

p. 82. Geleidelijk sluit zich aan deze verbinding aan 

TpuTOTOKog rm Tocvrav ttoivhaxtciov^ Dial c. 84 p. 290, 

of TTpooTOTOKog TTxcTyjg KTKTsoix; (vgl. Col. 1 : 15), Dial. o. 85 

p. 292 c. 138 p. 458, waarin ligt een TpovTTxpx^tVj Dial. 

c. 48 p. 156 coU. p. 158, 

of een Trpo ttxvtcov toov Tcria-fixTav^ Dial o. 100 p. 340, c. 129 

p. 434, of. c. 61 p. 204 dp%iiv Trpo wxvroov Tm KTivf^^xruv o 

Ó€og ysyawviKa ^vvxfiiv rivx i^ kxvrov Aöy/xifv, en c. 62 p. 210 

TOVTO TO TCp ivTl XTTO TOV TTXTpog TTpO^X^^SV y6VV^f/,X TTpO 
TTXVTCOV TUV TTOtyj/ZXTUV WV^^V TCp TTXTpt KXl TOVTCp O TTXT^p 

ofiiXfi(Tei. Maar behalve dit tijdelijk voorafgaan ligt er 
ook in een bij de schepping werkzaam geweest zijn. 
II c. 6 p. 182 : maar zijn Zoon, die alleen in eigenlijken 
zin (icvpiug) Zoon heet, de Logos, die vóór de schepselen 
KXi ffvvuv XXI yswodfievoc^ ots tv^v xpx^v S/' xifTOv ttxvtx 
eKTKTs Kxi èxotTfA^o's, cf. Dial. c. 113 p. 380 coll. c. 56 
p. 184. 
e. Daarom heet Christus ook Kvptog^ Dial. c. 34 p. 110. c. 61 
p, 204, cf. c. 85 p. 292 in verband met Ps. 24:7 og i(TTi 
Kvpiog Tm ivvxfiam^ cf. c. 128 p. 430 nvpiog m b %p/(rTö^. 
ƒ. Zelfs noemt Justinus Hem dsog^ I c. 63 p. 152 og Xoyog 
KXi TpaTOTOKog m tov teov kxi teog vTTXpxsi, Dial. c. 34 
p. 110 en c.61. — Cf. c. 48 p. 158 èsog &v, c 56 p. 180: 
OTi 6(TTi KXI XeysTxi êsog KXI Kvptog sTspog, c. 71 p. 246, en 
c. 127 p. 430, en ibid. c. 128 éeog ieov y/ö^ vTrxpxm. 
Hierbij moet er echter mee gerekend worden, dat Justinus 
n c. 6 p. 182 zegt : to 6sog Trpotrxyopix, ovk êvofix svti^ xXXx 
TpxyfAXTog ^vcrs^ijy^TOv êfiCpvTog Tifj (pvfrsi Tm oivbpaTrm io^x, 
g. Zoo is Christus dan ook TrpotrKvv^Tog^ cf. Dial. c. 63 p. 214: 
OTi yovv KXi TrpotTKvv^Tog ijTi KXI deog kxi ^p/ö'Tö^ viro tov 
TXVTX 7roivi<TXVTog fixpTvpovfievog^ kxi ot Xoyoi ovtoi (scil. Ps. 45 : 
7 — 12) iixppfihviv (ry,fixivov(ri. II c. 13 p. 202 tov yxp xtto 
xyavv^TOv Kcci xppyjTOv ieov Xoyov fieTX tov ésov TrpotrKvvovfisv. 
Ofschoon de Zone Gods alzoo in wezen van alle schepselen onder- 
scheiden was, en in geheel eenige verhouding tot God den Vader 
stond, was er niettemin reeds voordat Hij onze menschelijke natuur 
aannam, een gemeenschapsband tusschen Hem en het geschapene. 
Vgl. voor de schepping als daad onder TrpuTOTOKog^ en voor ver- 



Digitized by 



Google 



11 

band met de vernieuwing Dial. c. 113 p. 180/182 Kxt ir w o 
TTXTyip jCtfAAf/ Kxivoup'yeiv^ coll. c. 138 p. 458 o yxp %/>/<rTö^, TTpooro- 
TOKog TTXjyjg KTiveocg «v, ycxi ipx^ ttkXiv iXXov ysvovg ysyovsv^ rov 

OLVXySVVVl^SVTOq VT xifTOV 5/' vixTOq KXl TTKTTeCiOq KXl ^UXOV, 

Voornamelijk bestond er reeds een nauwere samenhang tusschen 
Hem en de menschheid. I c. 46 p 110 rov xpkttov .... TTposfi^jvva-xf^sv 
Xoyov èvTx^ ov ttxv ysvot; xv^pooTruv ^fTf(r%f, waarom II c. 8 p. 188 
ook sprake is van to èficpvrov ttxvti yevei êivbponTruv fnrspyLX tou 
Xoyov en e. 10 p. 194 Koyog yxp yjv jcxi etrriv o iv ttxvti m (Otto, 
annot 12 : Trxvri est dativus masculini generis, ut ex sententiarum 
nexu satis liquet), of. I c. 6 p. 14. Daarom kan er zijn een 
fisTx Xoyow ^ico^xiy I e. 46 p. 110 of een kxtx Xoyov (iiouv ^Trov^x- 
(Txi, II c. 8 p. 188. En omdat al degenen die dit oxaxri^'TroTs 
deden, steeds gehaat werden door oï ixifJt^ovsg^ ovhsv ^xvfix(rTOV^ 

€Ï TOVg ov V.XTX (TTTSpflXTiKOV XOyOU fispoq^ XXXX KXTX TVIV TOV TTXVTGg 

Xoyov^ o ivTi XP^^'^^^^ yvoo(Tiv Kxt bsapixv ttoKv [jlxXXov [iktskt^xi oï 
ixifiovsc iAf^^o^fVö/ 6vepyov(Tiv, Zoo sterken nadruk legt Justinus 
op dit verband, dat hij I c. 46 p. 110 verklaart, dat ol fisTx 
Koyov (SiuffxvTsg %jO/(rT/fltvö/ f/ö"/, Kiv i^soi ho(Jt,i(Tbvi(rxv (als Socrates 
en Heraclites), en daarmee overeenkomstig II c. 13 p. 202 
hx .... TTxpx 7rx(7i KxXccg €}pyiTXi, vifAoav Tav %p/(rT/öJi/Éüv fVr/ cf. p. 200 

0V% OTl XXXOTptX ia-TI TX IlXXTUVOq mxyfJLXTX TOV XpitTTOV, 

En betreffende den samenhang met de openbaring b^ Israël 
schrijft hij Dial. o. 76 p. 258 el ovv èv ToaxTXig fiop^xig óïhxfjt^sv 

TTeCpXVepCO^^Xt TOV isOV SKaiVCf TCp ^Al3pXXfl >CXt TCp lXKa(3 KXi Tcp 

Mwyo-f/, TTcog ciTOpovfisv kxi iTTttTTOVfiev kxtx t^v tov irxTp^g tcov 
oXuv fiovXviv KXI oLv^pcoTTOv xvTOv iix TTxp^svov ysvwi^vivxi fJt^vi i6ivvy\(r^xi 
KXI TXVTX è%ovT€g ypx^xg ToaxvTxg^ f? uv vvvvoyjaxt i(TTt iixppyji^v 
OTl KXTX T^jy TOV TTXTpog (iovXfjv KXI TOVTO ysyovsv ; cf . c. 68 vv. e. a. p. 
vgl. voor alle drie II c. 10 p. 194. 

Evenwel was Jezus^ komst in het vleesch een feit van een 
geheel eigen karakter. Want vooreerst hspov i<rTi (TTTspfix Ttvog 

KXI fllfZijflX KXTX ivVXfJi^lV SöS'fJ/, KXt 6T£pOV XVTO OV KXTX %ÖJ^/V TJ^V 

At' 6K61V0V vf (AeTOV(rix KXI fiifjt^yjatg yivsTxij II c. 13 p. 202. En 
Christus is o koyog zelf, maar alle anderen hebben slechts deel 
aan Hem, I c. 46. Daarmee in verband is er ten tweede bg 
anderen slechts sprake van tov Xoyov (TTspfix^ II c. 8 p. 88 
of (T'TTOpx^ n c. 13 p. 202 offiepog, ibid. c. 10, maar bij Christus van 
TO XoyiKov TO oXov, II c. 10 p. 192 (JLsyxXeioTspx fiev ovv TTxayig 
ivS^pcoTTsiov iiixtTKxXixg ^xtvsTXi TX i^fisTspx iix TO XoyiKov TO oXov 



Digitized by 



Google 



12 

TOV (pOCVêVTX S/' T^,UXg XP^^'^^^ ysyOVSVXl KCtt (TOOflX KXl XoyOV KXl \pV%VjVi,' 

Want zooveel als kx\u^ xsi ècpbsy^xvro jcxt èvpov ol (piXotroCpyitTXvreg 
vi vofio^eryjtTXVTsg^ kxtx >.oyov fjLspog svpsoog kxi bsoopixc; ètrri TrovvibavTX 
xvTotg .... Terwijl het verschgnen onder Israël geschiedde êv 
fiopcpxig^ Dial. o. 75 p. 268 of iv iSff xv^pog of xy^puTTov, ibid. c. 68 
p. 198, of iv ISff TTvpog of iv sijcovi xtroofixravj I c. 63 p. 150, maar 
Christus later xvbpuTroq iyevsTo^ I c. 63. Dial. c. 76 p. 260 e. a. p. 
Vgl. voor andere wijzen om de aanneming der menschelijke 
natuur aanteduiden beneden. 

Het eenig karakter en de eigensoortigheid van het mysterie 

éeog (pxvspubeiq sv crxpxi^ genomen nu niet bizonder in onder- 
scheiding van de vorige openbaringen onder Israël of de werk- 
zaamheid van den Logos bij de schepping en in de menschheid, 
maar in het algemeen tegenover elk ander verschijnsel in de 
wereld der schepselen, vloeit voort uit de hoogheid van het 
wezen, dat zich met de menschelijke natuur bekleedde. Daaruit 
volgde ook, dat Zijne geboorte als mensch op eene eigene wijze 
geschiedde : ïStag irxpx t^v KOiVijy ysvetriv^ I c. 22 p. 58. xvev sTniJLi^ixg^ 
ibid. c. 21 p. 54. xtto Trxp^svov, Dial. c, 43 p. 140 of ^ix ryjg 
TTxpbsvov^ ibid. c. 43. ivK i^ xi/^puTrivov (TTTspfj^^xrog, c. 76 p. 260, 
cf. ibid. c. 48 p. 158 kxi shi rivsq .... xtto tov ^fzerspov yevovg 
ofioXoyovvrsq xvrov ^p/^rröv sivxi^ ivbpooxov Sf i? xp^puTroov yepofze- 
vov xTTocpxtvofisvoi^ oïq ov (TvvTtbsfjt^xi. Waarom er bij Hem ook ge- 
sproken kan worden van een tweevoudige geboorte. Dial. c. 106 
p. 356 fiovoysvyiq .... viv rep TTxrpi rcov bXccv ovrog, l^tcog i? xvrov 
Xoyog KXi ivvxfzig ysyêvyifAsvoq^ kxi v^rspov xvbpccTToq iix rvig Trxp^evov 
yevofiêvoq. Of. ook I. c. 23, c. 63 e. a. p. 

Zoo kan Zijne aanneming der menschelijke natuur heeten een 
iAS-f/j/, I c. 63 p. 122. Dial. c. 87 p. 304, een iv xv^puTToig yevsa-^xt^ 

1 c. 23 p. 60, cf. Dial. c. 87, een Trxpxyivstr^xi, I c. 31 p. 80, 
c. 67 p. 134, Dial. c. 139 p. 462 en een (pxv^vxi, I c. 31 p. 80, 
c. 56 p. 134, n c. 10 p. 192. Dial. c. 49 p. 162 ; gelijk ook 
zijn vorige openbaringen aldus werden aangeduid, I c. 63 p. 150. 
Dial. 58 vv. En zijne tegenwoordigheid heet 7rxpov(nx, I c. 52 
p. 120. Dial c. 14 p. 52 e. a. p. die eene Cpxvspufng is, o. 32 -p. 82. 
Dial. c. 49, c. 52 e. a. p. 

Want hij die aldus kwam en verscheen is êsog jcxi xv^pooTrog, 
Dial. c. 71 p. 246. Deze TrxpovfJix of Cpxv€pca(Ttg of sXsvtrig is eene 
dubbele. Dial. c. 32 p. 102 ivo irxpovaixg xvrov ysv^^sfr^xi, cf. c. 14 
p. 52, c. 40 p. 132, c, 49 p. 160 e. a. p. en ook reeds (cf. Dial. 



Digitized by 



Google 



13 

c. 120 p. 406 syypxCpooq Kxifrxpi Trpoo-fii^cav £/Vöi/) I c. 62 p. 120. 
De tweede is een komen uit den hemel fisrx 5ö|)^^, I o. 52. 
Dial. c. 34 p. 110 of êv Sö?^, Dial. c. 14, vgl. iv rifi èvla^cp .... 
irxpoufTiof.^ ibid. c. 31 p. 98, o. 35 p. 118, c. 49 p. 164, zoodat 
Hij dan lvlo%oc wezen zal, Dial. c. 49 p. 160, c. 86 p 298. 
Hem toch en geenen anderen geeft God %o^xv^ o\)% .... &q sxvrcf) 
Kxraxovroq rov êsov tjjv io^xv, Dial. c. 65 p. 224 (na aanhaling 
van Jes. 42 : 5 — 12), waarom ^xtriXex tovtov xvtqv fisrx io^yjg 
o\pofi€bx, ibid. o. 70 p. 244 (nadat vooraf geciteerd is Jes. 33 : 
13 — 19). Dan zal Hij c5f vkg .... xv^pcüTruv komen op de wolken, 
zooals Daniel sfiyivv(r€v (cf Dan. 7 : 13), Dial. c. 31 p. 98, en 
Tx (T0i3fj(,xTx xveyapsi van al de menschen die er geweest zijn, kxi 
Tm fiev x^icüv sv^vfTsi xCp^xptrixv, maar die der ongerechtigen (xiiKoi) 
hxKT^^frei xiccvicf, fj^erx tcov ^xvXoov ^xifiovwi/ elg ro xlcovtov Trvp 
TTf/ctt^f/, I c. 62 p. 120. Dan èviyvoctretr^e sïg ov i^siceyrviiTxre^ 
Dial. c. 32 p. 104. xïoovioy rvtv ^xtriXsixv bezit Hij dan, Dial. c. 34 
p 110, en JceKTjpvjcTO . . . fisrx rxvrx (t. w. Zijn lijden) txvtcov 
KvpievtTuv, ibid, c. 76 p. 262. 

Doch aan deze ^svrspx Txpoutnx^ I c. 52, Dial c. 14 e. a. p. 
ging eene TTpoarvi^ Dial. t. a. p. vooraf, uq xriyi^ov kxi ttx^ijtov 
civ^puTTOVj I c. 62, èv iji jcxt xTi(j(,oq jcxi xsi^yig kxi Srv^Tog cpxvii(T€(rSrxi 
iUiv^pwyfjLsvoq hri^ Dial c. 14, welke was jJ rov Trxbovq xvrov oiKovofiix^ 
ibid. c. 31, zoodat de Christus Tparov verscheen als TXTrsmg 
xv^puTToq^ iiTX moest v^pub^vxi^ ibid. c. 33 p. 108 (bij bespreking 
van Ps. 110). Bg die eerste komst zou Hij schijnen éq xvbpooTroq 
i? xv^puTTcov yevwibeiq^ Dial. c. 48 p. 168, ofiotoTx^^g i^fiiv zijnde, 
ibid. II c. 10 p. 194 en xSo^og^ Dial. c. 32 e. a. p., xti(jlo(;^ ibid. c. 85 
p. 292 en TTx^v^roq^ I c. 62, Dial. c. 34 e. a p. want wTrsp rov 
xvbpaTTêiov ysvovg oLvbpuTrog yevofievoq vTrey^^eivs jcxi ttx^siv, I c, 63 p. 150. 
Dit geschiedde niet omdat Hij êv^syjq rovrcov was, Dial. c. 88 p. 306. 
Evenals het vTSfAeive geldt dit laatste niet alleen van het (rrxvpu- 
^yjvxiy maar omvat ook ro ysvvij^iivxi, ibid. cf. c. 67 p. 228 kxi 
yxp ro XTTO^xvsiv (rrxvpoobavrx bfjt^o^oycu v7ro[Jt,6ivxt xvrov kxi ro 
kvbpu'jrov yevetrbxi kxi rotrxvrx Trxbeiv 0(tx ^is^evxv xvrov ol xto rov 
ysvovq vfj(,m. 

Evenwel komt hierbij niet duidelijk uit, of gedoeld wordt op 
het yevetrbxi als xv^puTroq i^fiiv of^oioTTx^^q, Trxbyjroc^ xio^og etc. en 
het begrip van yewy^jtg of als txi'Siov yevv^^vivxi^ cf. Dial. c. 34, 
dan wel, of ook het in die uitdrukkingen liggende element van 
Sof^pcaTTog ahxi als zoodanig en zonder meer is gemeend. Des- 



Digitized by 



Google 



14 

betreffend kan vergelijking met wat Jnstinus over de êvio^o^ 
7rxpov(rtx zegt, ons bij wijze van gevolgtrekking meerdere hel- 
derheid verschaffen. Ook moet er op gelet worden, dat Justinns 
Dial. c. 70 p. 244 het y€ve(rbxi xvbpooTroq als trufAxro'Troiyitroi^bxi 
onderscheidt van w^bviTOi; ysyovsvxi. Doch uit zijne redeneering 
over het brood des Avondmaals en de tegenstelling met xlfji^x 
blijkt, dat hij denkt aan de broosheid en het verbreken van 
Jezus' lichaam : on fisv ovv kxi èv Txvryi ryi TrpoCpyjrêi^ (t. w. Jes. 
33 : 13 — 19) Tspi rov Aprov^ óv Trxpsiujcsy i^fitv o i^ fiers pog ^p/^rro^ 
TTOistv sU ciyxfivij(riv rov re (TafAXTOTroivifTa^bxi xvrov iix rovq TTKrrsvovrxq 
sig xifTOv^ 3/' ovg )cxi Tcxbviroq ysyovs^ kxi Tcspi rov Trorvjpiov^ ó slg 

XVX[JLVyi(TlV rov XtflXTOg XVTOV TrXpèhu^CSV 6V%Xpi(TT0UVTXq TOISIV^ (pXlVSTXl. 

In Apol. I c. 32 p. 84 spreekt hij van (rxpKoxotij^sig otvbpaxog 
y^yövfv, en Dial. c. 84 p. 290 van cxpKOTrotyjbsvTX xXij^cog xxi^iov 
ysvs^bxi. Daarmee is tusschen (rxpjcoTroivj^yivxi en xvS^puTog yêyovevxi 
of shxi wel onderscheiden, maar geene verdere uitwerking dezer 
onderscheiding geboden. 

G-aan we nu nader op de beteekenis der gevonden gegevens 
voor deze studie in. En maken we daarbij allereerst de opmer- 
king, dat Justinus van xho^og e. d. g. benevens van ivio^og e. d. g. 
spreekt in verband met of ten aanzien van de gesteldheid van 
Jezus' menschelijke natuur. In de tweede plaats, dat hij de 
uitdrukking bezigt vTrefisivs to ysvvvibvivxi en soortgelijke, waarmee 
aangeduid is, dat het mensch-zijn naar Justinus' oordeel den 
Zone Gods geene Hem ontbrekende uitnemendheid toebrengt. 
Wat te duidelijker uitkomt als Justinus meermalen zegt, dat 
Jezus niet als èv'&svig maar vTrsp rov ysvovg rov ruv xvbponTrjov zich 
verwaardigde de menschelijke natuur aantenemen en te lijden ; 
cf. Dial. c. 88 p. 306. vTsp i^fiav, I ö.bO'p.llQ'^^ixTovgTrKrTêvovrxg 
sU xifTov, Dial. c. 70 p. 244. Andererzijds echter wordt het vTOfistvxi 
niet scherp genoeg bepaald, noch het begripselement otvbpuTrog 
êlvxi zonder meer of qua talis voldoende van oi.vbpooTrog yevstrbxi 
of yevvvibvivxi geabstraheerd om te kunnen beweren, dat Justinus 
ook reeds in het mensch-zgn vwofiovvi voor den Zone Gods zag; 
en om dan voorts nauwkeuriger aan te wijzen, van welken aard 
deze mocht wezen. Terwijl de scherpe onderscheiding en tegen- 
stelling der Swö Txpova'ixt de gedachte schijnt te wettigen, dat 
Justinus alle xho^ix^ xTifiix etc. met het vxpca^yjvxi vervallen achtte. 
Voorts spreekt hij niet over een straks te wachten afleggen der 
menschelijke natuur door den Zone Gods. Integendeel leert hij 



Digitized by 



Google 



15 

in overeenstemming met Dan. 7, dat Jezus straks si/rxvcc vsCpsXccv 
komen zal dog uïog xy^pcoTrm^ Dial. c 31, zoodat Hem znllen zien 
ook die Hem doorstoken hebben, ibid. o. 32 p. 104, wanneer Hij 
aller menschen lichamen opgewekt zal hebbeu en die dergeneu 
welke zulks waardig ziju, met de ci(pdxp<rix zal bekleeden, 
I c. 62; en dat Zijn koningschap eeuwig is, cf. Dial. c. 34 
p 110 ... . sU ovpxi/oy AV€p%o[JLavog kxi ttxXiv TrxpxyivofJLeyoc [jlstx 
^o^vjg xiooviov rviv fixtriXatxv è%oov juiOfpvKrxi^ cf. c. 76 p. 262, en 

C. 70 p. 244 KXl OTl fixfTlXsX TOVTOV XVTOV fJLSTX io^yjg i^O[JL€^»^ 

xvrvi j5 Trpo^^Têix (t. w. Jes. 33 : 13— 19) iviXoi. 

Inzake den bovenbesproken samenhang tusschen de werkzaam- 
heid van den Zone Gk>ds bij schepping, voorzienigheid en open* 
baring onder Israël eenerzij ds, en het aannemen der mensche- 
lijke natuur aan den smderen kant is van belang de vraag, die 
Justinus Dial c. 76 p. 268 doet: e] ovv iv TotrxvTxiq fiop<pxtg 
oïSxfiêv TTê^avspatr^xi tov êsov .... Trcog ciTopovfisv kxi im^TOVfjLsv .... 
XXI xvbpuTTOv xifTOv .... ysvv^bvfvxi fi^ ishvv^fT^xi ; Wfimt alzoo wordt 
gezegd, dat met de werkelijkheid van het eerste principieel de 
mogel^kheid voor het laatste is gegeven. Zoodat aanvaarding 
van het eerste de ontkenning van het tweede in beginsel 
onmogelijk maakt, en omgekeerd verwerping van het laatste 
consequent tot loochening van het eerste behoort voorttegaan. 
Deze redeneering uitstrekkende ook tot de mededeeling van 
o Xoyog, krijgen we, dat indien Hij zich geven kon naar een 
fTTTspiix of iiepoq^ men het recht verliest tot bestrijding van het 
beweren, dat to Xoyiwiv to èXov zich aan ons kan openbaren, 
cf. D c. 10 p. 192/194. 

Nu zgn de Apologeten en ook Justinus „intellectualistisch en 
moralistisch", Bavinok Dogm. I. p. 66. Ofschoon Dr. B. t. a. p. 
er terecht op wijst, dat bij Justinus nog andere gedachten ge- 
vonden worden met betrekking tot het werk des heils ; cf. Dial. 
c. 32 p. 102, c. 70 p. 244, I c. 60 p. 116, en het betrekkelgk 
veelvuldig spreken over to (rrxvpabvpfxiy to oltto^xvsiv^ to ttio-tsvsiv *) 

Dit intellectualistische treedt vooral op den voorgrond, waar 
Justinus handelt over het verband van de vleeschwording en de 
werkzaamheid van den Logos bij de schepping en later in demensch- 



') Cf. ook Bonwetsch H. B. E. » bd. 9 p. 647 „Der Gedanke einer Heils- 
„ökonomie, einer WiederhersteUimg der dnrch die Stinde zerstörten Öottes- 
„gemeinschaft ist . . . . Justin nicht fremd gewesen". 



Digitized by 



Google 



16 

heid. In de Apol. noemt hg Jezus telkens 5/S^ö-x;tAö^, cf. I o. 12 
p. 30, c. 19 p. 50, c. 21 p. 54, o. 32 p. 82 e. a., die ons 
f3/S<x?«/, ibid. c. 23 p. 60, II c. 10 p. 194, en in verband met 
den zin van Xoyog^ of. 1 o. 5 p. 14, en tevoren sub vooe, ver- 
scherpt hij die gedachte nog door het spreken van yvutriq^ Srsuptx, 
yvoopit^siv e. d. g., cf. II c. 8, 10, 13. Doch hoezeer ook afte- 
keuren zij, dat Justinus dezen samenhang zoo beperkt en een- 
zigdig opvat en uitwerkt, niet verkeerd is, dat hij verband 
ziet en dat aanwijst. 

Voor ons onderwerp heeft een en ander deze beteekenis, dat 
er samenhang zichtbaar wordt tusschen hetgeen van de werk- 
zaamheid van den Logos of Zone Gods bg de schepping, in de 
menschheid en bepaald ook onder Israël te praediceeren valt, 
én wat gezegd kan worden van het xvbpooTroq ysyovevxi of shxt 
des Heeren. Want ofschoon er onderling velerlei ongelijkheid 
wezen moge, behooren ze toch alle tot de „uitgaande werken 
Gods", die gelijkelijk alle of geen van alle eeiiige reageerende 
werking op God kunnen uitoefenen. Hieruit volgt, dat wie bij 
de schepping de leer der 7rXovrca<rtg, of die der Ksvmiq verwerpt, 
voort moet schrijden tot de ontkenning, dat van ééne dezer 
beide bij het simpele mensch-zijn van den Zone Gods sprake zou 
kunnen vallen. Omdat dit laatste ook slechts raakt, eenerzijds eene 
werking Gods ten aanzien van het schepsel, en andererzij ds den 
terugslag a. h. w., welken deze werking van den kant der creatuur 
op het goddelijke wezen zou uitoefenen. En omgekeerd, dat, als 
men het zijn zelf van mensch voor den Zone Gods, *t zij ver- 
hooging 't zij vemederiug acht, daarmee zichzelven het recht 
beneemt hen te veroord eelen, die zulks ook bij de creatie door- 
voeren. 

Bij deze redeneering zijn 7rXovTu<ng en ycsvoovit;^ of ook ver- 
hooging en vernedering, als gelgken behandeld, omdat zij voor 
dit punt zakelijk op hetzelfde neerkomen. Principieel ver- 
schillen ze niet, maar baseeren zich op een gemeenschappelijken 
grondslag. Doch uit ééne zelfde grondgedachte leiden ze tweeër- 
lei conclusies af, die aan elkaar vlak tegenovergesteld zijn. De eene 
meent, dat God door schepping en menschwording verrijking van 
leven en heerlijkheid, en verhooging van zalige genieting verkreeg, 
de andere stelt, dat Hij, ^t zij door beide, *t zij slechts door ééne 
der twee, verarmde aan zijn, of ook alleen aan uitstraling Zijner 
glorie. En beider operatiebasis is de, bewust of onbewust in- 



Digitized by 



Google 



17 

genomen stdling of aangenomen onderstelling, dat eenig schepsel 
zoodanige beteekenis voor Q-od hebben kan, en de macht bezit, 
in bonam of in malam partem op Hem terug te werken. 

Justinus echter zeide negatief, dat Jezus onze menschelgke 
natuur had aangenomen niet als rxvrvig ivlsviq^ en positief, dat 
Hij in het vleesoh was verschenen vwep rov ysvovg tov toov ccvbpuwav, 
terwille van degenen die in Hem gelooven. Terwijl hij ander- 
erzijds de ^svTspx wxpovfnx met hare io^x het tegenbeeld liet 
vormen van de 'Trpoor^ met hare ccTifiix. En vervolgens ligt in 
zgne terminologieën van (roofixTO'7roi}f(rx(T^xi, (Txpy,07roividvf\fXi, xvbpooTrot; 
vifJLiv ofjLoioTTxbviq of TTxb^Tog otc. opgesloteu, dat zelfs bij den term 
^vbpuTToq y€V€(r^xi of ook ysyovsvxi en shxi (cf. bv. otvipu^yjvxi^ 
I c. 31 p. 80, tegenover TrxiSiov yevvoof^svov^ Dial. c. 34 p. 110) 
scherper moet worden onderscheiden tusschen het bezitten van 
de menschelijke natuur als zoodanig, én hare aanneming inden 
toestand of de gesteldheid, als waarin de Zone Q-ods zich met 
haar bekleedde. Ofschoon Justinus deze onderscheiding niet 
klaar uitwerkt. 

Nu biedt hij nog meer elementen. Hoewel dit niet moet 
worden verstaan, alsof deze het eerst bij hem merkbaar zijn. 
Ze komen in zijn geschriften slechts óf scherper uit óf met 
meerdere volledigheid voor. 

Jezus is wel God, maar èsoc erspog rov rx ttxvtx TronjO'xvTog 
êsov^ Dial. c. 66 p. 184 ; van Dezen verschillend xpt^ficp iAA' ov 
yvccfjt^^j ibid. ; cf. c. 62 p. 210 en c. 129 p 434. Deze is o èvrcog 
ésoq^ I c. 13 p. 34, wiens wezen Justinus, nog heiden, omschreef 

als TO JCXTX TX XVTX KXi aXTXVTCOg XSl S%OV XXl TOV shxi TTXCl Toig 

oLKXoig xhioVj Dial. c. 3 p. 14, want fji^ovog ciysvv^^rog kxi oi(p^xpTog 
o ésoq Kxi iix TovTo êsog êOTi^ ibid. c. 6 p. 26; van welke om- 
schrijving hij, reeds christen, geene correctie of wijziging 
leverde, zooals die bij de leer der Drieeenheid behoort. Want 
spreekt hij hier van God, dan laat hij straks de genoemde be- 
grippen gelden niet van het goddelijk wezen gelijk dat eigen 
is aan Vader, Zoon en H. Geest, maar van den Vader, ook in 
onderscheiding van den Zoon en den H. Geest. Zoodat de Vader 
is i êeoq en o xyewviroq kxi xppyjrog 6aog^ II c. 13 p. 202, cf. ook 
Dial. c. 127 p. 428 vv., maar de Zoon è Xoyog wordt, to ysvvyjfjt^x, 
die als fiovog^ I c. 23 p. 60 en jofpiccg Xeyofisvog vkg^ II c. 6p. 182 
ïiioog Tcp iscp ysysvv^Txi niet alleen, doch ook icxrx fiovXyjv rvpf ijcsivov 
Kxi 6soq «V, uhg xuToVy Dial. c. 127 p. 430. Daarom is en heet de 

2 



Digitized by 



Google 



18 

Zoon $€0g KXl KVpiOq STepOq VTO TOV TTOiy^TyfU TOSV oXow {yjTêp ov olXXo^ 

6soq ovK 6(m\ Dial. c. 56 p. 180, en oLyysXoq èx tov vTryjpsreiv nu 
yycofiif} xvTOv ^), welke is o ttxt^p kxi ippvjrog Kvpioq roov ttxvtojv xttXco^ 
)cai xifTov TOV %pi(rrov^ ibid. c. 127 p. 430, cf. c. 56 p. 180 en 
c. 129 p. 434 xvpiov jcvpioc èfrrt dg Trxnip kxi ésog, xhiog Te xvrcp 
TOV sivxi Kxi ^wxTCf) KXI yatpicp jcxi iscp. Daarom viov xvtov tov ivTcog 

isOV fJLxboVTSq JCXl èv ^eVTSpCf, %CüpCf> €%0VT£g, Ie. 13 p 34 fjUTX TOV 

êêov 7rpo<rKuvovfi€v kxi xyxTToofisv^ n e 13 p. 202. 

Hiermee overeenkomstig geschiedde alle werkzaamheid van 
den Logos of Zoon in ondergeschiktheid aan den wil des Vaders. 
Dial. c. 56 p, 184 öwSfv .... (pvi(JLi xvtov TSTrpxxsvxt ttots j} xTrep 
XVTOV O TOV KO(TfJLOv TToivitTxq^ boven welken er geen ander God is, 

fisfiovK'^TXl KXl TTpX^Xl KXi OfllX^<rXl. Cf. C. 61 p. 206 i%€l .... TTXVTX 
'7rp0fT0V0fJLai^6(T^Xl €K T6 TOV VTTYipSTSlV TCj) TTXTpDCCf) fiovXvi[JLXTt TCXl 6K TOV 

OLTTO TOV TTXTpoq bsXvifTsi yeysvvitrbxL. Dit laatste zegt reeds, dat 
bizonderlijk ook het xv^puTroq ysvetr^xi plaats vond 3/^ Xoyov éeov 
{(rxpKOTTotvibsiq I. %p . . . .), I c. 66 p. 156 niet slechts, maar ook 
5/^ bsXvifjLXTog 6bov^ ibid. c. 63 p. 150 of kxtx tvjv tov TrxTpoq (BovXvjv, 
p. 152 en c. 46 p. 112, Dial. c. 48 p. 158 of r^ (Sov?,ifl xvtov^ 
I c. 23. Wanneer Jnstinus I c. 63 p. 150 nu zegt: vvvis hx 
b€Xvi(j(,xToq Gods ten behoeve van het menschelrjk geslacht mensoh 
geworden, vTSfieivs xxi Trxbsiv zooveel als oï ^xifiovsc xvtov èvy^pyyitrxv 
hxTsb^vxt door de xvoviToi Joden, cf. p. 152 en Dial. o. 48 p. 158 
ysvvy^bvivxi xv^pcoTrog OfJLOiO'Trxbviq )}/c^/v, frxpKX f %a?)/, kxtx tvjv tov irxTpoq 
(SovXijv v7r6fJL€iv£v, dan wordt daardoor allereerst het moment van 
gehoorzaamheid of onderdanigheid op den voorgrond geschoven, 
zooals dit in het vTrofisivxi uitkwam. 

Voorts zegt .Justinus Dial c. 127 p. 430, dat noch Abraham, 
noch Izaak, noch Jaoob, noch eenig ander mensch den Vader 

3CXI XppVjTOV JCVpiOV TCOV TTXVTUV XTTXuq KXI XVTOV TOV XplfTTOV Zag, 

want deze ovts ttoi ciCpiKTxi ovtb TrspiTrxTst ovts kxS^sv^si ovts 

kvifTTXTXl^ iAA' iv T\li XVTOV XOOpCf,^ OTTOV WOTe, fl€V€l^ i^V OpoOV KXI S^V 
XKOVUV, OVK iCpbxKfJLOiq Ovhs 00(TIV oiKKX ^VVX[Jt,6l xXSKTCfi KXI TTXVTX 
èCPopOf, KXI TTXVTX ytVOOtTKSl KXI Ovisiq ^flüJV A£A)j9"f V XVTOV, OVT€ KlVOVfJLSVOq 
O TOTTCp T€ XXCCpyjTOg KXi TCf KOffflCp OKCf, Oq ys yjV KXi TrpiV TOV KO(TflOV 

ysvstrbxt. Waarom hij vraagt, op welke wijze Deze tot iemand 



*) cf. Dial. C. 126 p. 426 theo rtfi 'xeerpi xat xvpttji TiTctyfitvoQ xat vmfptrm r^ 
/30vA)} ctlrov ovroQ óq ii^^ r^ rt A^paccfi .... 



Digitized by 



Google 



19 

zou kminen spreken, of door iemand gezien worden, yj sv 6Kx%ivtc^ 
fi€p€i yy^g Cpxysiij, hrors ys ovSs ryjv io^xv tov irxp xörov TrsfiCp^svrog 
ï(T%v(r6v o Xxog Sf/v iv S/vf .... p. 428. Derhalve zagen zij den 
naar den wil van Genen icxi deov ivrx^ viov xvtov kxi iyysXov êx 
TOV vwijpsTetv Tifi yvcofi^ xifTOVj p. 430. 

Nu ligt hierin, dat God door Zijne werkzaamheid ten aanzien 
van het creatuur geene verandering in Zichzelven ondergaat, 
ongelgk in wezen als Hij aan dat schepsel is. Vervolgens, dat 
het schepsel Gods heerlijkheid niet in zich opnemen of ook die 
verdragen kan, zooals zij in ziohzelve of voor God schittert. Dat 
dus ten derde alle openbaring van God en van Zijne io^x, ofschoon 
blijvende eene openbaring Gods en van Zijne glorie en als zoo- 
danig kenbaar, wgl zij ook geschiedt op goddelijke wgze, noch- 
thans moet plaats vinden op eene manier, welke aan de bestaans- 
wijze van het schepsel geëvenredigd is, d. w. z. in creatuurlgke 
mate en vormen. In de vierde plaats, dat al wat niet-God is 
zich te regelen heeft naar den wil van den Schepper. Wat dus 
gelden moet ook van den Zoon in zoover Hij schepsel is, d. i. 
naar Zijne menschelijke natuur. 

Maar omdat Justinus de scherpe onderscheiding tusschen God 
en creatuur gedeeltelijk liet saamvallen met die van Vader 
en Zoon (en H. Geest), zijn er in zgne voorstelling onzuivere 
bestanddeelen, die meerendeels verdwijnen, wanneer wij datgene, 
wat hij zegt van God den Vader (qua God), ook handhaven 
voor den Zoon en den H. Geest, en deze drie als God stellen 
tegenover het creatuur, en voorts, in verband daarmede, Jezus naar 
zijne menschelijke natuur, als schepsel, plaatsen niet tegenover 
den Vader alleen, maar tegenover God-drieëenig, en alzoo ook 
tegenover Zichzelven naar Zgne goddelijke natuur. Want bij den 
Christus moeten wij wel onderscheiden tusschen het „Middelaar" 
zijn (zooals Hij gedacht wordt naar beide Zijne naturen) en het 
„creatuur" zijn. Als schepsel gehoorzaamt Hij aan den wil van 
van den drieëenigen God, en alzoo ook aan Zichzelven naar Zijne 
Godheid. Hiermee vervalt de mogelijkheid, om aan eenige ver- 
nedering te denken, welke de verplichting van al wat creatuur is, 
tot onderworpenheid aan den Schepper, zoude meebrengen. Omdat 
de Zone Gods naar Zijne goddelijke natuur Creator, Heer en 
Gebieder bleef ook ten aanzien zijner eigen menschheid. En wel 
mag er ook sprake zijn van gehoorzaamheid door Hem betoond 
in het aannemen der menschelijke natuur, doch dit was een zich 



Digitized by 



Google 



20 

onderschikken krachtens gesloten verdrag of verbond, en inzoover 
dus wezenlijk ook tevens een gehoorzamen aan Zichzelven. Staat 
Jezus voorts in het heilswerk tegenover den Vader, dan is Hij 
daarbij mediator reconciliationis, wordt Hij gedacht in het bezit 
van de menschelijke natuur, en beschouwd als plaatsbekleedend 
Hoofd Zijner gemeente. 



Digitized by 



Google 



DERDE HOOFDSTUK. 



Ibenabüs. 



Irenaeus „der gröszeste Kirchenlehrer der Generation vor 
„Clemens", Dobneb I p. 465, „ist der erste Schriftsteller der 
„nachapostolischen Zeit, dem der Name eines Theologen gebührt", 
oordeelt Th. Zahn H. R. E.» Bd. 9, p. 410. „Was. . . . Rein- 
„erhaltung der Theologie von fremdartigen Einflüszen anlangt," 
zou hij ook mannen als Athanasius en Angustinus overtreffen, 
ibid. Terwijl Dobneb t. a. p. zegt : „Keiner reprasentirt wie er 
„im zweiten Jahrhundert die Reinheit und die FüUe der Ent- 
„wickelung in kirchlicher Linie." Zahn werkt t. a. p. zijne 
karakteristiek verder aldus uit, dat Irenaeus „aller apriorischen 
„Spekulation abhold, in den Thatsachen der Offenbarung wur- 
„zelnd. . . . lembegieriger Schuier der Offenbarung" was. Daarmee 
stemt gedeeltelijk overeen wat A. Habnack schrijft D. G.^ I 
p. 483 : „Man hat Irenaeus und Hippolyt mit Recht Schrift- 
„ theologen genannt." Maar dit geldt bij hem niet als eeretitel, 
omdat het niet zou willen zeggen „evangelisch" = „urchristlich". 
En „Schrifttheologen waren auch Marcion und die valentinischen 
„Schulhaupter alle gewesen", t, a. p. De fout ligt volgens Habnack 
hierin, dat „auch die Schrift des N. T. als inspirirte Urkunde 
„galt und nach der regula interpretirt werden soUte", ibid. Wat 
beteekenen zou, dat „ihr Inhalt eben damit der Verdunkelung 
„ausgesetzt war", t. a. p. Nu ware hier de vraag geoorloofd, of 
de N. T. Schrift zelve pretendeert „geïnspireerd" te wezen. 
Zoo ja, dan kan „eben damit", d. w, z. met het laten gelden 
dezer pretentie geene verdonkering van haar inhoud gegeven 
zijn. En zoo neen, dan komt genoemden mannen, bij afwijking 
op zoo cardinaal punt, niet „mit Recht" de naam van Schrift- 
theoloog toe. Zelf spreekt Irenaeus zijne beschouwing van de 



Digitized by 



Google 



22 

(N. T.) Schrift duidelijk uit adv. flaer. Hl : 1,1 , waar hij zegt, dat wg 
door niemand kennis van de dispositio salutis nostrae verkregen 
dan per quos evangelium pervenit ad nos, die dit tune quidem 
praeconaverunt, postea vero per Dei voluntatem in scripturis 
nobis tradiderunt, fundamentum et columnam fidei nostrae futu- 
rum. Daarom nee fas est dieere, quoniam {on) ante praedieave- 
runt, quam perfectam haberenteognitionem; sicut quidam aud ent 
dieere, gloriantes emendatores se esse apostolorum. Want na de 
opstanding des Heeren, en nadat zij induti sunt supervenientis 
Spiritus Sancti virtutem ex alto, de omnibus adimpleti sunt et 
habuerunt perfeetam agnitionem '). Hierom verwerpt hij ook 
het beweren van accommodatie der Bijbelschrijvers aan de ver- 
keerde voorstelling der menschen III : 12,6. Omdat si secundum 
olim insitam opinionem hominibus loquebantur apostoli, nemo 
ab his cognovit veritatem, multo autem prius (ed. Stieren annot. 
4 : pro multo minus) a Domino ; etenim ipsum sic locutum diount. 
Anders apud neminem erit regula veritatis, sed onmes discipuli 
omnibus imputabant, quoniam quemadmodum unusquisque sentie- 
bat, et quemadmodum capiebat, sic et sermo ad eum faotus est. Met 
welke woorden een waarheidselement aangeduid wordt, dat in 
Harnaoks onderscheiding tusschen „evangelisch" als schriftmaszig 
en „urchristlich" zou kunnen liggen, wijl het N. T. zich niet voor- 
namelgk aandient als oorkonde voor de kennis van het denken 
en het leven der eerste Christenen, maar, afgedacht van deze 
zaak, weten doet, wat er geloofd en hoe er geleefd moet 
worden. 

En practisch heeft Irenaeus, gelgk uit boven uitgeschreven 
aanhalingen van Zahn en Habnaok valt af te leiden, veel moeite 
gedaan om slechts Schriftgedachten te leeraren. Dat hij in de 
exegese onfeilbaar was, wordt daarmee niet beweerd, noch ook 
gezegd, dat hij voor het door hem behandelde punt den inhoud 
der Schrift ten volle ontvouwde. 

Nu stond hij niet alleen met den wensoh om uitsluitend te 
leeren wat Q-ods Woord openbaart. Want zelfs Origenes ver- 
klaart, de Prino. praef. : Scientiam quae provocat homines ad 
bene beateque vivendum non aliunde quam ab ipsis verbis 
Christi doctrinaque (O. T. niet uitgesloten) suscipiunt (scil. de 
geloovigen), cf. ook 1. Il, c. 2,2. En meermalen komt hij tot de 



') cf. ni; 16,1 bij Hagenb. § 32 6. 



Digitized by 



Google 



23 

Schrift als beslissende autoriteit. Aan de uitlegging des Bijbels 
heeft hij dan ook veel arbeids besteed. Maar hoofdfout hierin 
was bij hem, dat zijn exegese dikwerf te weinig wezenlijke ont- 
wikkeling van hetgeen in Gods Woord geschreven staat, bood, 
doordat eigen gedachten hem, zij het ook onbewust, verhinder- 
den, den waren zin der Schriftuitspraken te vatten. Wat 
te gemakkelijker geschieden kon door zijn leer omtrent haar 
sensus arcanus en reconditus, de Princ. 1. II c. 2,2; cf. ook 
Hagenb. § 33. 

Ook Justinus levert breedvoerig bewgs uit de Schrift. Evenals 
Athanasius later het Arianisme bestrijdt inzonderheid met aan 
den Bijbel ontleende argumenten. Insgelijks neemt redeneeiing 
uit, of beroep op den inhoud der Schrift, ter bevestiging van 
het beweerde of ter weerlegging van het bestredene, eene aan- 
merkelgke plaats in bij Tertullianus; cf. ook Hagenb. § 32,6 en 
§ 29,7; en ook bij Augustinus. 

Maar Irenaeus munt uit door soberheid en zuiverheid, cf. ook 
Hagenb. § 33,4 en § 26,7. Voorts staat hij meer aan het begin, 
en is zijn invloed op de ontwikkeling der kerkleer na hem niet 
onbelangrijk. Loops H. R. E.' art. Christologie, Kirchenlehre, Bd. 
4 p. 39 : „Beider (t. w. Irenaeus' en Hippolitus') „Einflusz auch 
„auf die Entwickelung der Christologie ist nicht gering gewe- 
„sen." En Habnaok schrijft I p. 496 : „Das Christenthum dieses 
„Mannes ist ein entscheidender Factor in der Dogmengeschichte 
„geworden." Hij „hat der zukünftigen katholischen Dogmatik 
„den Qrundgedanken klar vergezeichnet", ibid. Zoodat zijn „ Geis^, 
„allerdings durch den des Origines stark modificirt, in der spateren 
„Earchendogmatik herrscht", t. a. p. Anm. 2. 

Zijn hoofdwerk, dat grootendeels slechts in vertaling bewaard 
bleef, droeg den naam, è?^%og kxi ivxrpoTryi ryjg xpsvicavvfiov 
yvmsug^ cf. H praef. 2 en Zahn t. a. p. p. 401/402, en werd 
volgens Zahn waarschijnlijk geschreven „um 185, vielleicht im 
„Lauf mehrerer Jahre", p. 404. Tot schrijven zette zich Irenaeus 
^)jTf (Tvyyp»(^6iv €\bi<rfJL€vot fiijTs Xoyoov Tê%vyiv vftTKvizoTeg^ otyxTnig 5f 
y\fj(Mg 7rpoTp€7rofi€vyjg^ I praef. 2, op verzoek van een „vriend en 
ambtgenoot'' (Zahn p. 402) : quemadmodum postulasti a nobis, 
obedientibus tuo praecepto (quoniam et in administratione 
sermonis positi sumus) V praef. En van dit verzoek schrijft 
hij m praef. : Tu quidem, dilectissime, praeceperas nobis, ut 
eas, quae a Yalentino sunt, sententias absconditas ut ipsi putant. 



Digitized by 



Google 



24 

in manifestum proderem, et ostenderem varietatem ipsQ,rum et 
sermonem destruentem eos inferrem, waarom hij I praef, 2 zijn 
plan aldus schetst : KX^cog ^vvxfiig ^fiiv^ ry^v re yvoofj^viv xvroov rm vvv 
TTccpxSiSxtrKOVTuv, Xsyoo Sj^ r«v Tspi liroXsf^xiov^ xTxv^Jtrfix outrxv ryjg 
OvxXevTtvov «t^öAj^^, (rvvroficog xxi (rxCpag XTTxyyeXovfisv kxi ci(popfixg 

icC70(J(,6V y,XTX TVIV 1^fl€T€pXV [JLSTplOTVITX TTpOg TO civXTpSTTeiV xiiTVlV^ 

xKXoKOTX Jcxi ctvxpfioo'TX Tifj xXij^êiijs. iTTiieiKVwrêg rx vtt' xvtcov XêyofJLSVX, 
Cf. m praef- en IV praef. 1. 

Nu was Irenaeus een man in wien een sterke drang naar eene 
innerlgk en organisch saamhangende beschouwing werkte, zoodat 
Zahn t. a. p. p. 410 van hem zegt : „Wenn. . . . zum Theologen 
„macht. . . . nur eine in sich harmonische, aus den eigenthümli- 
„chen Prinzipien des christlichen Glaubens entwickelte Q-esamt- 
„anschauung von den Beziehungen zwischen Gott und Welt, so 
„laszt sich Irenaeus nur mit Origenes und Augustin vergleichen." 
En even verder, dat hij „sucht die gesamte dem Menschen und 
„Christen kundgewordene, aus der Ewigkeit flieszende und in 
„dieselbe wieder einmündende Entwickelung von der Schöpfung 

„bis zum Millenium teleologisch zu begreifen." Daardoor 

kwam het, dat qui ante nos fuerunt et quidem multo nobis 
meliores, in hun bestrijding van Valentinus c. s. hem niet bevre- 
digden, want non satis potuerunt contradicere his, qui sunt a 
Valentino, quia ignorabant regulam ipsorum, quam nos cum omni 
diligentia in primo libro tibi tradidimus, III praef. 2. *) 

Dies voelde hij zich bij de uiteenzetting hunner denkbeelden 
genoodzaakt (necessarium arbitrati sumus) prius referre fontem 
et radicem eorem, uti. . . • intelligas arborem, de qua defluxerunt 
tales fructus, 1 : 22,2. En dat is de leer van Simon Magus, pro- 
genitor ipsorum, Il praef. 1. Maar genoodzaakt voelde hij zich 
nog meer, om de grondfout van hun systeem bloot te leggen 
eerst, I, te weerleggen daarna, II — V; ofschoon dit laatste ge- 
schieden zou per magna capitula, II praef. 2. Die wortelfout 
was hun leer van den Bythus 2), d. w. z. hun Godsbegrip, 
waarom Irenaeus met de bespreking daarvan aanvangt. 1 : 1,1 
AeyoufTi yxp nux shxi h xopxroig xxi xKxrovofixa-roig v\pcaf4X(n rsXeiov 



>) En regnla wil zooveel zeggen als eenheidsbeginsel, maatstaf, cf . index II 
sub voce: principium, argumentum, hypothesis; en II : 7, 2 et soluta est 
ipsorom, secnndnm suam regulam, maxima blasphemia. 

2) cf. ook DOBNEE I p. 465. 



Digitized by 



Google 



25 

AïuvO' TrpoovTX, tovtov Sf xxi UpOTTocropx k»i Bv^ov KxXovfTi^ teneinde 
kennis omtrent dien Bythus aan te brengen, 1 : 22,2 uti, snbli- 
Tninimnm ipsorum Bythum cognoscens, intelligas. ... en hem 
alzoo straks als een leugenbeeld uit der menschen voor- 
stelling uit te roeien. Oportet. . , . absconditas ipsorum ooniuga- 
tiones per manifestarum coniugationum indicium et eversionem, 
Bythum dissolvere; et quoniam neque fuerit aliquando, neque 
sit, accipere ostensionem, Il praef. 2 ; cf. Il : 3,1 : Instabilis igitur 
qui est secundum eos Bythus, id quod est huius Pleroma et 
Marcionis Deus. En eindelgk stelt Irenaeus de waarheid aan- 
gaande God duidelgk op den voorgrond, II : 1,1 : Bene igitur 
habet a primo et maximo capitulo inchoare nos, a Demiurgo 
Deo, qui fecit coelum et terram et omnia quae in eis sunt, 
quem ei blasphemantes extremitatis (annot. 7 Graece iö-T^pj^/c^^Tö^) 
Iructum dicunt, om haar vervolgens in hare consequenties te 
handhaven. 

Omtrent dien Bythus leerden zij, zegt Irenaeus, 1:1,1 w'7rxp%ovTx 
V xvTov ci%oopyiTOv kxi xopxTov, xi^iov T6 KXi xysvvviTov èv VltTVX^^ i^i 
iipefji^icf, yeyovevxi èv xTTsipoig xlcotrt %pöva?v. En dat trvvuTrxpx^^y xvrcp 
Kxt "Evvotxv, welke zij ook Xxpig en Ziyvj noemen. Dat deze 
Bythus êvvofidiivxi ttote x<P* exvTov 7rpofix\6(rbxi xp%yiv ruv wxvtuv^ 
en dat hij deze TrpofioXy^^ welke hg zich voomam te verwekken, 

KX^XTTSp (TTTSpilX .... lüXl }CXTX^€(T^Xlj &q èv fM^Tp^^ T1fl (TVl^U7rxp%0V(r^, 

exvTcp 2/y^. Toen deze nu het zaad in zich ontvangen had en 
zwanger was geworden, baarde zij {x7roKVii<rxi) Nöwv ofioiov re kxi 
hov aan dengene, die hem had verwekt, kxi fiovov %upowTx to 
(jusysbog Tou Trxrpog. Dezen t^ovv noemen ze eerstgeborene, vader 
en oorsprong {xpx^v) van alle dingen. En met hem werd tevens 
{pjfJi.vrpofisfiX'i^trbxi) voortgebracht 'Ak^bsix, Nu ontwikkelde zich 
vervolgens een geheel pleroma van aeonen, 1:1, 2 rovrovg is rovg 
AloovxQ sU io^xv Tov TTxrpog 7rpo(3€(3Xiifjt^svovg, ^ovP^vj^svrxg kxi xvrovg 
iix TOV ïSiov io^x(rxi rov irxTspx^ 7rpo(3xX€tv 7rpo(3oKxg èv (Tvt^vyi^^ 
tot een dertigtal toe, Tp/%^ itetrrxfisvov slg iy^oxix kxi ^skx^x kxi 
iooisKOL&x^ 1*1) 3. De laatste van dezen was jJ Zo(pix^ die sttx^s 
TTx^og, 1:2, 2. En to TrxSrog was ^ ^^Ttj(ng tov irxTpog. Want zij 
wilde, d}gK€yov<rt, to (Jt^syebog xvtov kxtxXx^siv^ t. a. p. Omdat dit 
alleen den Nöu^ mogelijk was en nochtans hare Trpog xvtov (TTopyvi 
bleef werken, zoude zij verteerd zijn, en ware het op een 
oLvxXsXvfT^xi e\g tijv oKviv oixrixv uitgeloopen, indien zij niet r^ 

(TTYlpil^OVfTTfi KXI SKTOg TOV XppijTOV [ASysboVQ (pVXX(T(rOVfT}fi TX OXX (TVVSTVX^ 



■ Digitized by 



Google 



26 

^vctfi€L En deze kracht noemen ze ook Horos, ibid. Nu had er 
bij haar eene afscheiding plaats van de "Ey^vfiyjcrig tvv Tcp wx^si, 
door den Horos tot stand gebracht, terwgl deze Enthymesis, 
ofschoon xv€Vf4XTiK}j ov<nx, (pv(nKij rig Aioovog op(Avi Tvy^xvou^x^ toch 
dfiop(pog jcxi &v6iiaog was 5/^ ro (^vlhsv JcxrxXx^eiv^ en buiten het 
Pleroma kwam, 1 : 2, 4. Binnen het Pleroma werden nu %p/öTö^ 
KX1 irvsvf^x voortgebracht, sh ttyi^iv )cxi (rrvipiyiJLOv rov TrXijpcafixTog, 
1:2, 5. Voorts beweren zij, dat vTrsp rijg svTronxg rxvrviq het ge- 
heele Pleroma van Aeonen ^ovXifi fii^ kxi o^vufi^^ en ieder Aeoon 
afzonderligk (sïg skx^toc;), è'jrsp €}%€v sv èxvrcp kxXXkttov kxi xv^yipo- 
rxTov saambrachten (en èpxvi(rxfi€i/ot\ en dat zg rxurx xpfióiioog 
TTXê^xvreg kxi ififieXuq hoofrxvrsg een TrpofSXijfJi^x voortbrachten slg 

TlfJLVIV KXI io^XV TOV Bv^OV, TSXSIOTXTOV KXXXOQ T€ KXI XfTTpOV TOV 

UX^ipcofixrog, reKsiov Kxpirov rov h^trovv^ welken zij ook Soter noemen 
en Christus en Logos xxTpcovvfiiKug, kxi (kxtx) ttxvtx^ itx ro xtto 
TTXVTcov shxt, 1:2, 6. 

Nu zeggen zij, dat de Enthymesis iv (tkixk; kxi vKvivoofixToq 
TOTToig sK^sfipx^^xi, zoodat zij den ohrtpfiog van „Christus'' op- 
wekte, die haar binnen het Pleroma zocht te redden. Maar 
^ix ro (TVf^TTê'TrKex^oti rep wx^si vermocht zg Horos niet te pas- 
seeren {(JLvi ^uvn^bsKTxv 3f iióhsvtrxi rov 'Opov\ zoodat zij, [ji^ovvi 

XTTOXSLCpbsKTX S^OO^ bcZWeck 'TTXVri (J(,6p6l rov TTX^OVg TTOXVflspOVg KXI 

ToXvTToiKiXov vTxpxovrog^ als daar zijn Aü^tjj, (po(3og^ ctTropix, iv xyvoi^ 
Sf rx Trxvrx. Bovendien overkwam haar een irspx lixhstrig^ jj ryiq 
iTTKTrpoCpyjg stti rov ^cooTOiyjtrxvrx^ 1*4, 1. rxvrvjv <rv(rrx<rtv ^) kxi 
oiKFixv rijg vKvig ysyevyi^^xi K6yov(Tiv^ uit welke deze wereld frvvstrrviKsv. 
Want ix fJi.£v ryjg êTTKrrpoCP'^g rviv rov KO(rfiov kxi rov Ayj/u^tovpyov 
TTXfTviv ^vxviv rvjv y£V€(Fiv €l?^vj(p€vxi, SK Sf rov Cpo(3ov KXI rvig XvTyjg rx 
XoiTTx rvjv xpx^ iö-%)jx£v^/ 1:4, 2 (annot. 8 Demiurgus .... ex 
Valentinianis ipse \pvxiicog nee non regni \pv%iKov summus arbiter 
cogitabatur). „Christus", wederom tot het Pleroma opgestegen, 
wilde niet ten tweeden male nederkomen, maar zond Soter, 
KXK61V0V (scil. K6yov(ri) fiopCpcocrxi xvrvjv f^opCpaxriv rviv Kxrx yvoatriv kxi 
lx(nv rcov ttx^uv 7roiyj(rxa'^xt xvrvig. En dat deze xvrx van haar af- 



') Annot. 6 te dezer plaatse in editie Stieren: Snb coUectione seu avvrao'it 
congeriem passionmn Intelligendam puto, quibus oppressa Enthymesis narrator 
tristia scil. timor, constematio, conversio ad emn, qni vitam ipsi donavit. 
Constat enim secnndnm Valentinianornm placita ex illa congerie mnndisnb- 
stantiam ortom cepisse, ut infra Irenaens explicat. 



Digitized by 



Google 



27 

zonderde, waarop zij, <rvKXx^ov<Tx nfl xx^cf, .... rasv iyysXm^ 
voortbracht een KwifAx TrvsvfixrtKOv jcx^^ ofioicoo'iv yeyovoroav toov 
iopv(popav van Soter, 1 : 4, 5, terwijl de afgescheidene maar niet 
veronachtzaamde bestanddeelen zonder vermenging en saam- 
hechting ((jvy%êxi Kxi Tnj^xt) afgezonderd en i? citrcafixTov Trx^ovg 
sU xffoafjf^Tov T)fv v>Mv omgezet werden, ibid. Daardoor waren er 
nu volgens hen drie substanties: tov iibv sk tov Trxbovq i fiv vX^, 

TO TTvevfixTiKOu^ ovTcog êrpxTnj èiri nnv fiop^a^iv xvravj 1:5, 1, 
cf. 1 : 6, 1. 

Hiermee zijn we tot hunne leer over de wereldontwikkeling 
gekomen, die te dezer plaatse niet verder nagegaan behoeft te 
worden. Alleen dient er nog op twee gevolgen gewezen. Om- 
trent den eindafloop in zake de materie leerden zij : to ifjL^coXsuov 

TCp XO(rfl(f} TTVp SKXXfl^XV KXl ê^Xl^^êV KXl KXTSpyXffXflêVOV TCXfTXV 

xiXi^v^ (jvvxvxXü)^<r€<r^xi xvrifi kxi sU to fi^KST" shxi xupy^(T6iv^ 1 : 7, 1. 
En wat de Christologie betreft, maakten zij den Heiland tot een 
fTuv^BToq van een viertal wezens, van welke degene, die uit 
Maria was geboren, door haar was heengegaan Kx^x^rsp óicop ^ix 
troiXvivoq oi€V€i^ althans volgens sommigen {shi 5f ot X6yovTeq\ 1 : 7, 2. 
Welk beweren wederom conclusies in zich bevatte aangaande 
Jezus' lijden enz., die aan de Schrift ook desbetreffend geen 
recht lieten wedervaren. 

Als verkeerd bestreed Irenaeus van dit stelsel hoofdzakelijk, 
dat de eenheid van het goddelijk wezen verbroken werd in een 
menigte van godheden; dat de eenheid of r^xüTörif^ vandenéénen 
God en Wereldschepper of Demiurg ontkend, opgegeven of ge- 
mist werd; dat het innerlijk tegen elkaar streed, wanneer men 
eenerzgds den Bythos of Propator afgezonderd houden wilde 
van alle aanraking met umbra et vacuüm, in quibus eam, quae 
est secxmdum nos, factam dicunt conditionem, cf. Il : 4,3, maar 
andererzijds geen bezwaar maakte zulks te laten plaatsgrijpen 
bij wezens uit hem voortgekomen, ibid. en 11:2, 1 — 3; *) 
dat God volgens een zoodanig stelsel feitelijk als indigens 
gedacht werd; dat de eenheid van Jezns Christus te loor 



') cf. 3 mnndum ipse videbitur fecisse, qui canssas fabricationis eius 
praeparavit. Licet per longam successionem deornm angelos dicant factos 
vel mnndi fabricatorem a primo patre, quemadmodmn Basilides ait; ni- 
hilominus id qnod est caussa eorum, qnae facta snnt, in illum, qni prolator 
fait talis successionis, recnrret .... 



Digitized by 



Google 



28 

ging of ontbrak; dat zijn waarachtig God-zijn niet gehandhaafd 
werd of kon worden ; en evenmin zijn waarachtig mensch-z^'n ; 
en daarmee in verband, dat de realiteit der verlossing dan niet 
bestond; en dat het vleesch van de (rcartipix uitgesloten werd. 

En hij stelde tegen deze dwaalleer allereerst het jcyjpvy/u^x en 
de TTitTTig, welke de kerk, ofschoon kx^' oXijg rvic; omvfJLsvviq écog 
TTêpxTcov TYiq yvjq ^i€(r7rxpf4.€V}j^ 1 : 10, 1 van de Apostelen en hun 
leerlingen ontvangen had, ibid. en £V//c^.£A«^ (pvXx(r(T€i óög hvx ohov 
ohova-x, 1 : 10, 2 en K,vipv(r(T6i icxi 3/Sö5o*xf/ axi TrxpxSiicocriv^ óoq hv 
fjToyLX K€JCT)jfjt,€vy}, t. a. p. Want wel zijn xi kxtx tov Jco(rfiov IixXsktoi 
xvofioixi^ maar ^ ivyxfitg r^g 7rxpxSo(r6ccg [jlix tcxi jJ xvm, ibid. En 
dat is het geloof eU ivx êeov Trxrepx Trxvroycpxropx, tov ttsttoiviicotx 

TOV OVpXVOV JCXl TijV ^ijV JCXl TXg bxXX(TfTXq KXl TTXVTX TX èv XVTOiq, 

jcxi sU £vx ^p/CTöv hjtrouv, tov vlov tou èsov^ tov trxpKoAsvTX vTrsp 

TYiq VlfJ(,ST€pXg (TUTVipiXq, 

KXi eU TTvsvfAX xyiov^ to ^ix toov TrpoCpviTm Kejcj^pvxog Txg ohovof^ixg 
KXi Txq èXsvtrsig KXi tv^v èz TTxp^evov y€vi/v}(nv KXi to Trxbog xxi tvjv 
syeptriv sk vsjcpcov kxi T}jv èutrxpjcov slg Tovg ovpxvovg xvxXvi^piv tov 
xyx7rvi(A6vov %pi<TTOv l^fTOV TOV jcvpiov yi(JLOov^ icxi Tviv EK TOOV ovpxvm 
h T\(i io^ifi TOV TTXTpog wxpovfTixv xvTOV sTTi TO oLvxy^CpxKxioovxfrbxi 

TX TTXVTX^ ICXl XVX(rT}^(rXl TXfTXV (TXpJCX TfXtTVig ^V^pUTTOTViTOg, tvx XP^^'^V 
IVI(T0V Tijp KVptCfi T^flCCV KXt êscp KXl ZUTiJpi ZXl fiXfTlKsl JCXTX T)jV SvSoXlXV 

TOV TTXTpog TOV kopxTOv TT XV yovv jcxfi\pif} (cf. Phil. 2 : 10, 11a) xiTcp, 
KXl Kpi(Ttv 'Sijcxixv êv Toig 7rx(Ti 7rot}j(r}jTXij 1 : 10, 1 . ^) 

Voorts bespreekt Irenaeus de verschillende punten elk afzon- 
derlijk, te beginnen met het eerste. II : 1,1 : Goed is het der- 
halve, wanneer wg aanvangen a primo et maximo capitulo, a 



') ScMer elk woord spreekt boekdeelen; a. sk zoowel voor öfö$ als voor 
Christus Jezus ; 6. dat Gk)d genoemd wordt frotr^p TravroKparup ; c. dat daarnaast 
nog weer de uitweiding plaats vindt: die gemaakt heeft den hemel en de 
aarde en de zeeën en alles wat daarin {evccvrot^^ dus in hemel, in aarde en in 
zeeën) is ; d. dat Chr. Jezus genoemd wordt de zoon rov Qtov ; e, dat van Hem 
gezegd wordt ffccptcu^stQ^ welk woord belangrijk is zoowel om het stamwoord 
«■«pS, als om zijn vorming <rapKovy^ f. dat Jezus gekomen heet ^^rtp rm 
vifAersp»Q (rum pt at^'^ g, dat ook de H. Geest wordt genoemd en tamelijk 
breed over Zijne werkzaamheid in vorige tijden wordt gesproken; h. dat er 
sprake is van oiKovofitcCj en voorts een meerheid van oiKovoynat geleerd wordt; 
i dat Jezus geboren heet niet it» maar èK yratp^evov^ en dat deze geboorte 
als yevviia'iQ wordt aangeduid; j. dat er van zijn lijden en opstanding sprake 
is ; k, dat zijn hemelvaart genoemd wordt vi èva-ocpKOQ «vaAif\|/<c ; enz. 



Digitized by 



Google 



29 

Deminrgo Deo. ... et ostendere quoniam neque super eum neque 
post eum est aliqnid ; neque ab aliquo motus sed sua sententia 
et libere fecit omnia, quum sit solus Deus et solus Dominus 
et solus conditor et solus pater et solus continens omnia et 
omnibus, ut sint ipse praestans. Want hoe zou het mogel^k 
wezen, dat super hunc alia plenitudo aut initium aut potestas 
aut aluis Deus ware? 11:1,2—6. Ook prediken alle Schriften, 
Profeten zoowel als Evangelisten, unum et solum Deum, ad ex- 
cludendos alios, U : 27,2. Bedenkt gij allen, die talia adinveuitis (ut 
puta, si quis interrogat : Antequstm mundum facerat Deus, quid 
agebat? waarop Irenaeus ten antwoord geeft: ista responsio 
subiacet Deo II : 28,3), quum ipse solus pater Deus dicatur, qui 
et vere est, welken gij Demiurg noemt, sed et quum Scripturae 
hunc solum sciant Deum, sed et quum Dominus hunc solum 
confiteatur proprium patrem et alterum nesdat, Il : 28,4, cf. UT : 
8,1; 9,1; 12,11; 16,3; 24,1; 26,7. Deze paragraaf is de slot- 
paragraaf van het boek. En daarin staat o. m. : Nos autem 
precamur, non perseverare eos in fovea quam ipsi foderunt, sed 
segregari ab huismodi matre et exire a Bytho, et absistere a 
vacuo et umbram derelinquere, et legitime eos generari, con- 
versos ad ecclesiam Dei, et formari Christum in eis, et cognos- 
cere eos fabricatorem et factorem huius üniversitatis, solum verum 
Deum et Dominum omnium ; cf. voorts IV : 1,1 ; 2,6. Buiten 
Dezen is er geen ander God ; ceterum a Domino neque Deus 
neque magnus rex diceretur : want huiusmodi nee comparationem 
nee uUam recipit superlationem. Qui enim super se habet ali- 
quem superiorem et sub alterius potestate est, hic neque Deus 
neque magnus rex dici potest. Bij God gaat het voor Irenaeus 
derhalve om absolute begrippen. 

Deze ééne God is tevens de Schepper of Maker aller dingen. 
II : 30,9 : Solus hic Deus invenitur, qui omnia fecit, solus omni- 

potens et solus pater condens et faciens omnia ipse fabricator, 

ipse conditor, ipse inventor, ipse factor, ipse Dominus omnium .... 
solus unus Deus fabricator; cf. III : 11,1 ; IV : 6,4. En daarom qui- 
escant dicere, ab alio factum esse mundum, II : 3,2. Want alles ex 
uno et eodem Deo, II : 26,1* Mogen de dingen varia et multa zijn 
en elk op zichzelf genomen sibi invicem contraria et non con- 
venientia, niettemin zijn ze ad omnem facturam bene aptata et 
bene consonantia, evenals citharae sonus per uniuscuiusque dis- 
tantiam consonantem unam melodiam operatur, ex multis et 



Digitized by 



Google 



30 

contrariis subsistens, IT : 25,2, cf. 1 : 10,3; IV : 9,1 tinius et eiusdem 
substantiae sunt omnia, hoc est ab uno et eodem Deo. 

Wanneer dan fabricatie mondi aan geen ander toegeschreven, 
maar caussa hniusmodi dispositionis Dei gezocht wordt, dan kan 
die niet gevonden worden in behoefte of gebrek aan Gods kant, 
als miste Hij hetgeen voor leven en genieting Hem noodig ware : 
est enim dives, perfectus et sine indigentia, IV : 14,1. Daarom 
heeft God in den beginne Adam niet geformeerd qnasi indigens, 
ibid. nee opns est Deo humano obseqnio, et servitus ergaDeom, 
Deo nihil praestat, t. a. p. gel^k H^ ook den tabemakeldienst 
instelde nullius horum indigens, IV: 14,3; 17,1; cf. ook 18,1. Dies 
behoefde Hij geen hulp van engelen bg de schepping. 

Proprium est enim hoc Dei supereminentiae, non indigere aliis 
organis ad conditionem eorum qui fiunt, II : 2,5 ; cf. IV : 7,4 non 
indigente Patre angelis uti faceret conditionem et formaret ho- 
minem, propter quem et conditie fiebat. Hij toch is semper 
plenus omnibus bonis, IV : 14,3, et omnibus esse praestat, IV : 
20,6 Derhalve maakte H^ alle dingen neque ab alio motus sed 
sua sententia et libere, H : 1,1, cf. 30,9 : ipse a semitipso fecit 
libere et ex sua potestate et disposuit et perfecit omnia et est 
substantia omnium voluntas eius, (annot. 5. ld est, asola volun- 
late eius omnia habent non tantum quod sint., sed quod tanta 
vel talia sint. Mass.) ; cf . IV : 28,3 sKovtriooq. 

Maar Hg schiep en ordende alles door Zijn Woord. H : 1 1,1 : 
varia et dissimilia Verbo fabricavit, quemadmodum ipse voluit, 
omdat Hij de fabricator van alles is, ut sapiens architectus et 
maximus rex; cf. 25,l:magna cum sapientia et diligentia ad 
liquidum apta et omata omnia a Deo facta sunt, et antiqua et 
quaecunque in novissimis temporibus Verbum eius operatum 
est. ^) Daarmee overeenkomstig en saamhangend is dat Woord 
bemiddelaar van alle openbaring. IV : 6,3 : omnia .... per Ver- 
bum manifestantur. H : 30,9 : semper autem coëxistens Filius 
Patri olim et ab initio semper revelat Patrem. . . . quibus 
vult revelare Deus. 01:9,1; 11,1; IV : 6,1,4.6; 7,2; 11,1; 
IV: 20,7. Want Gods Woord of Zoon; cf. Hl: 17,4 tov vkv rov 
óeov (Ji^ovoyevovq, og kxi Aoyoq fVr/ tov Trxrpoq^ cf . ook II : 30,9 ; is 



») 11:27,2; 30,9; Hl: 8,2; 11,1 en 8: 6 rm dTrctvrm rsxvtTtig Aoroc; 16,7: 
praecognita snnt ftnirn onmia a Patre, perficiuntiLr autem a Filio, sicut 
congranm et consequens est, apto tempore; 24,2; rV:20,4; 24,1 ; V : 6,1 ; 18,8. 



Digitized by 



Google 



31 

evenals de Geest, manus Patris. 111:21,10: plasmatus est manu 
Dei, id est Verbo Dei; cf. V:6,l; Zijn mensura, IV: 4,2 en het 
visible van Dezen, IV : 6,6. Zou het echter kunnen zijn, dat agnitio 
Patris is Filii manifestatie, en dat Filius revelat agnitionem 
Patris per suam manifestationem, IV : 6,3, dan moest dit Woord 
of deze Zoon wezen God. Cf. III : 9,3. . . . secundum autem quod 
Deus erat ; 6,1 ; 12,9 : Dit is de verborgenheid, dat Hg die onder 
Pontius Pilatus leed is Kuptog tosv ttxvtcov kxi ^x^iKevq kxi ésoq kxi 
ycpiTvi^ ; 19,2 : Quoniam autem ipse proprie praeter omnes qui 
fuerunt tune homines, Deus et Dominus et Bez aetemus et 
Unigenitus et Verbum incarnatum praedicatur. . . . ; 20,4; 21,1: 
i koq ovv iy^pcoTTog eyevero ; IV : 33,4 ; V : 17,3. Vgl. ook Dobnbb I 
p. 467/468. Dat moest Hg ook wezen met het oog op wat door 
Hem bg de Verlossing tot stand gebracht zou worden. Cf. 
111:19,1; 20,2; IV: 33,4: 'Truq ivvxTxi (ru^}fvxi i ^v^parog^ si (jlvi 
o isoq viv Ty\v (TOiTvipixv xvTOov iTTi yviq ipyx(rxfisvog ; vi Tcuq iv^puTTog 
%upvi(r€i êlg deov^ el [Jt^ti o 6eoq èx^P^^^l ^'V ivöpooTrov; 20:4, cf. 38,4. 
Van hier ook, dat Irenaeus van saamstelling bij Jezus als de 
Gnostieken leerden, cf. 1 : 7.2, niets weten wil. 1 : 9,2 : rov yxp 

loOXVVOV évX 6bOV TrxVTOKpXTOpX KX( 6VX (Ji^ovoyevDi ^p/ö-Töv Ivi^ow 

}cyipv(T(TovTog^ door wien hij zegt, dat alle dingen geworden zgn, 

TOVTOV vlov öföU, TOVTOV fAOVOyevyj^ TOVTOU TTX^TCOV WOOjTijV^ Tovrov ^uq 

iXvibivov .... Tourov xo^fi^ov ttoiv^v^ tovtov sU tx ïitx èXviXuboTx, 
TOVTOV (TxpKx ysyovoTx .... n : 24,2 Verbum ergo, quod coelum et 
terra habet, ipse est Jezus ; cf. 111:11,1; 12,12; 16,2 en 9 ; 18,3 ; 
IV : 9,2 ; gelijk hij de eenheid van Jezus en Loges, unus et idem, 
meermalen betoogt of uitspreekt ; cf. III : 17,4 : tov xvptov lifiav 
lil^ov ^p/ö-Tou, êi/og Kxi tov xvtov ivToq^ IV : 9,2 ; evenals ook de 
eenheid van subject bij alle openbaringen en werkingen vóór 
Jezus' komst in het vleesch, IV : 36,4 : ünum et idem quum 
semper sit Verbum Dei, 3; 36,2: Semper enim idipsum Verbum 
Dei; 111:16,7; 6,2. V:16,l: Et quumsit unus et idem Pater, 
cuius vox ab initio usque ad finem adest plasmati suo. Semper 
humano genen dan ook adest. 111:16,6; 18,1; cf. V:18,3: 
in hoc mundo existens et in universa conditione infixus. Steeds 
adsistens humano generi variis quidem dispositionibus. IV : 28, 2 ; 
V : 1,2. Doch in novissimis temporibus homo factus, V : 18,3, 
suo plasmati unitus et consparsus (annot. 4 Grabius bene coniicit, 
hic scriptum esse w€(pvpf4^og, i. e. commixtus, intime unitus) 
111:16,6; 18,1, en cami unitus, cf. IV: 34,4; manifeste veniens 



Digitized by 



Google 



32 

V:19,l; qui fuerat annuntiatus, doch veniens omnem novitatem 
attulit, semetipsum afferens, cf. IV: 34,1, trxpKca^êlg 111:17,4. 
Zijn komst geschiedde secundum carnem, IV : 20,4 cf. 23,2 : de 
passione eius et de carnali adventu; 33,12: hominem infirmam 
et ingloriosum et scientem ferre infirmitatem;38,l ^ kxt^ xvöpcoTrov 
xvTov TTxpovfTix^ cf. III : 17,4, terwijl duos adventus eius omnes 
annuntiaverunt prophetae, IV : 33,1, zoodat Jezus wederkomen 
zal iv Tifl xvTTfi (TxpKi èv ^ Kxi cTTx^sv^ op ceue wijze, dat Hij ryjv 
^o^xv is xTTOKx^vTTTcav Tou TTXTpog, II : 16,8 ; cf. Irenaeus' lezing 
van het symbool : ryjv ix rcau ovpxvoov iv t^ Sö?^ tov TrxTpog irxpoufTixv 
xifTov, 1 : 10, 1. 

In der waarheid toch had Hij zich ook, in verband met het 
doel van Zijne komst, bekleed met de menschelrjke natuur, cf. 
V'7,1; 14,1 en 2: Habuit ergo et ipse carnem et sanguinem; 
non alteram quandam maar illam principalem Patris plasmatio- 
nem in se recapitulans, omdat hij zocht datgene wat verloren 
was. En wanneer men (quis) zegt, dat caro Domini altera was 
a nostra came, omdat illa quidem non peccavit, spreekt men 
waarheid (recte dicit). Maar als men alteram substantiam camis 
Domino affingit, iam non constabit iUi reconciliationis sermo, 3. 
Waarom ook I Cor. 16 : 50 non proprie de carne dictum est et 
sanguine. . . sed de. . . camalibus actibus 4. Deze menschel^'ke 
natuur nam de Zone Gods aan uit Maria. III : 22,2 fVf / TrepKr^vi 
Kxi VI €)g Ttiv Mxpixv xvTOv Kx^óSog. Want r/ KXi sig xvTyjv jcxn^êi^ 
indien Hij /c*j^Sfv f/c*fAAf ?^}j\p€(r^xi Trxp'' xvrijg; Hierin ligt ook, 
dat het vleesch niet vernietigd wordt. V : 14,1 : Si enim non haberet 
caro salvari, nequaquam Verbum Dei caro factum esset ; V : 3, 3 ; 12, 3 

TTXVTOOq Vj TViq (TXpJCOg V7rO(TTX(n(; .... TXVTViV . . . . ö KVplOq VlX^e ^CüOTTOiUU, 

Zakelgk wordt een en ander ook reeds aangetroffen bij schrij- 
vers vóór Irenaeus. Immers, omtrent de eenheid Gods zeide Jus- 
tinus (dien Irenaeus gelezen heeft; want in adv. Haer. citeert 
hij hem tweemaal, IV : 6,2 met een scxXag lovjrivog (pyjcnv^ en 
V : 26,2 met )wtA«^ o lovtrTivog ê(pyi; ofschoon hij woorden aanhaalt 
uit niet door ons behandelde geschriften) Dial. c. 11, p. 38 : 
ovT€ 6(TTXi TTOTS xXXcq êsog^ 00 TpvCpcav, ovT€ viv XTT* Xicüuog (fV« ovrag 
Trpog xvrov) ttXviv tov TroDjtTXvrog zxi ^ixrx^xvTog TÓhe to ttxv. Die 
ook dezelfde is als Hij, die bij Israël zich kenbaar maakte, ob^e 
iXKov (Ji^ev i^fiuv^ xX>^ov Sf x)[j(,oov yiyovf^ebx èaov^ iXX^ xvtov èiuivov tov 
è^xyxyovTX Tovg TrxTepxq v(im è)c yviq AiyvTTTov, En vgl. in dezen 
voor Ignatius zijn brief ad Magn. VIII, 2, boven geciteerd, 



Digitized by 



Google 



33 

en voor Justinus' omschrijving van Gods wezen Dial. c. 127 
p. 428, c. 3 p. 14, c. 5 p. 26, of. te voren. Ook werd vroe- 
ger reeds op uitdrukkingen gewezen, die Jezus' waarachtig 
God-Zijn, zijn tweeërlei komst enz. leerden. Inzonderheid werd 
door Ignatius de eenheid van Jezus en Zijn waarlijk mensch- 
zijn, de behoudenis des vleesches enz. duidelijk en krachtig 
uitgesproken. Zoodat Irenaeus deze waarheden veelszins slechts 
met nog meer nadruk en door breedvoeriger bewijs handhaaft. 
Wat evenwel niet zegt, dat ook hierbg geene verdere ontwikke- 
ling te merken zou z^'n. 

Letten we echter op hetgeen er bij hem nieuw is, of althans 
met klaardere helderheid voor ons treedt, omdat we dan tevens 
het voordeel hebben, zijn gedachten als een schoon geheel van 
organische structuur te leeren kennen. Immers openbaarde hij, 
die bij het systeem zijner tegenstanders zocht naar een grond- 
beginsel, IV praef. 2, en blgk van historischen zin gaf door 
ook op genetischen samenhang te letten, aldus zelf eene per- 
soonlijkheid te wezen, die behoefte had aan eenheid in zijn 
denken, en wiens overtuigingen als uit elkaar, en gezamenlijk 
uit ééne hoofdgedachte geboren waren. Al is het dan ook, dat 
Irenaeus in zijn adv. Haer. eene uiteenzetting en weerlegging van 
anderer meeningen bedoelt te geven, en dat hg deze bovendien 
geeft op verzoek van een vriend, zoodat de aanleiding tot het 
schrijven van dit werk a. w. h. buiten hem lag, en hij bij de 
uitvoering gebonden was aan hetgeen hij wilde bestrijden, dit 
neemt niet weg, dat zijn ideeën, verre van als onsamenhangende 
instanties tegen de bestreden beweringen en als losse, onderling 
niet verwante of verbonden gedachtenreeksen zich aan ons voor 
te doen, blijken een veel omvattend systeem van denkbeelden 
te vormen. Vgl. Zahn te voren. Hij bezat èn eene vaste over- 
tuiging, en welbewust datgene wat wij met den naam van orga- 
nische wereld- en levensbeschouwing aanduiden, onderwgzen als 
hij zich liet uit Gods openbaring. 

Maar welke innerlgke eenheid zijn gedachten ook vormen 
mogen, noch in den opzet van het werk, noch in de verdere 
uitwerking vertoont zij zich, als ware zg van te voren met zorg 
uitgesponnen. Zij «verraadt" zich veeleer dan dat zij zich 
„vertoont". Omdat zijn grondgedachte de diepste overtuiging 
van zijn innerlijk was (wat niet hetzelfde is als de helderst 
doorziene), heerschte zij als vanzelf, zonder opzettelijk op den 

3 



Digitized by 



Google 



34 

voorgrond geplaatst te moeten worden. Simplex sigillum veri. 

Nu is het nagaan van die gedachte te meer eisch, waar Ire- 
naeus niet maaar alleen naar Zahns woord ^eine in sich harmo- 
„nische. . . . Gesamtanschauung von den Beziehungen zwischen 
„Gott und Welt" bood, evenals ook Origenes en Augustinus, 
doch ook, gelijk Habnack zegt, aan de toekomstige „katholische 
„Dogmatik den Grundgedanken klar" voorteekende, zoodat zijn 
geest nog heerscht. Zij ligt, gelijk uit het bovenstaande reeds 
kan worden vermoed, op het terrein van de verhoudingen tus- 
schen God en wereld, nader tusschen God en mensch, en in 
verband met zonde en ellende, in de leer der verlossing. 

Habnack I p. 470 schrijft desaangaande : „denZweckgedanken 
„aber theilt Irenaeus mit Paulus, Valentin und Marcion : es ist 
„die Ueberzeugung, dasz das Ohristenthum reale Erlösung ist; 
„und dasz diese Erlösung einzig durch die Erscheinung Ohristi 
„zu Stande gekommen ist." Wanneer men nu „Erscheinung" 
niet te sterk drukt, alsof Irenaeus zou willen leeren, dat de 
Christus zijn Verlossingswerk eerst uitvoerde, toen Hij cami 
unitus was, cf. IV: 20,4 en 5; 6,7, dan kan deze formuleering 
er mee door, als in tegenstelling staande met hetgeen de Gnos- 
tieken beweerden en bij de Apologeten in het element der 
kennis op den voorgrond trad. En evenzoo wat Habnack ibid. 
p. 473 van deze „reale Erlösung" verklaart „dasz das im Chris- 
„tenthum dargereichte höchste Gut die Vergottung der mensch- 
„lichen Natur durch die Gabe der Unverganglichkeit sei, und 
„dasz die Vergottung die volle Erkenntnis und den Genusz 
„Gottes (visio dei) einschliesze" *). Doch men moet zich, zoo- 
als nader blijken zal, niet te veel door den term „Vergottung" 
van de wijs laten brengen. En tot een juist oordeel over de verdere 
ontwikkeling bij de theologische en de christologische geschillen 
is eenigszins nauwkeuriger onderzoek van wat Irenaeus dien- 
aangaande in zijn hoofdwerk geeft, niet ongewenscht. Want de 
leer der Verlossing en die van den Verlosser hangen ten nauwste 



') cf. IV : 20, 6 ^iia-ott ivtv f «jfc ovx ohv re ^v. m ^« VTrcep^iQ rtiQ f «»ƒ« Ik Tjf $ rov 
étov Trepiytvsrxt i^srox^Q' f^^rox^ $e êeov hart ro ytvaa-Ktiv Qeov Kxt ^Tro^ecvstv nfc 

XP^o-roTiiTOQ cel/r ov éavrep oi ^XtTrovrsQ ro ^uq hvrog eta-t rov ^«toc, Kcet rifQ 

^ccfjLTrporijroQ ecvrov fi^exova-tv, ovruQ oi fiAsTrovrsQ rov dsov ivroQ eivi rov êtov^ 
fjLgrtxovrtQ uhrov rifc ^afjtTrporijroQ .... f«jfc ovv (jLg^t%ova-iv oiópuvreQ ö«ov, en UI : 18,7 
indien de mensch niet vereenigd ware met God, oitK &v iilwij^vi utrcea-xetv rm 
i^^etpa-tceij en ibid. 19,1. 



Digitized by 



Google 



3B 

saam. Daarom wekt het geene verwondering, dat Irenaeus' invloed 
„auch anf die Entwickelung der Christologie" niet gering is ge- 
weest, gelgk LooFS beweert. In overeenstemming met Habnaoks 
spreken van ^Zwecksgedanken" en Zahns „teleologisch begreifen" 
zoeken we die eenheidsgedachte in het doel van Jezus' komst. Jezus 
wilde, gemeenschap en eenheid tusschen mensch en God tot stand 
brengen. Maar nu komt het er verder op aan, hoedanige eenheid 
gewensoht wordt. V praef. drukt Irenaeus zich aldus uit, dat 
Christus factus est quod sumus nos, uti ijos perficeret esse quod 
est ipse ; en V : 16,2 zegt hij : homo Verbum Dei factum est, 
semetipsum homini et hominem sibimetipsi assimilans, terwijl hij 
III : 20,2 schrqft : Filius hominis factus est, ut assuesceret homi- 
nem percipere Deum et assuesceret Deum habitare in homine, 
en IV : 30,4 : ut finem coniungeret principio, id est hominem 
Deo, cf. 34,4 initium fini. Met de onverderfelijkheid en de on- 
sterfelijkheid wordt dit nader in verband gebracht III : 19,1 : 
Non enim poteramus aliter incorruptelam et immortalitatem 
percipere, nisi adunati fuissemus incorruptelae et immortalitati. 
Dit kon echter niet geschieden nisi prius incorruptela et immor- 
talitas facta fuisset id quod et nos, ut absorberetur quod erat 
corruptibile ab incorruptela et quod erat mortale ab immortali- 
tate, t. a. p., cf III : 18,7. In III : 9,2 wordt bepaalder gezegd, 
dat Jezus filios Dei facit credentes in nomen suum, en 16,3 : 
Filius Dei hominis filius factus, ut per eum adoptionem perci- 
piamus, portante homine et capiente et complectente Filium Dei ; 
cf. 18,7 : qua enim ratione filiorum adoptionis eius participes 
esse possemus, indien wg niet door den Zoon eam quae est ad 
ipsum recepissemus ab eo communionem; nisi Verbum eiuscom- 
municasset nobis, caro factum? 19,1 zegt Irenaeus: want hiertoe 
is het Woord mensch, hx o iv^pccTrog tov Aoyov x^P^^^^ ^^' "^^^ 
óio^€7ixv Xxficcv^ vioq y&fviTxi êeov. Scherper formuleering biedt 
IV : 33,4 : Trccg xvöpccTrog ^wpj^ö-f/ f/V deov^ ei [jcvi o ésog ix^P^^^ ^k 
êtvbpoo'Trov'^ en ibid. 38,4: Wij schrijven het immers aan Hem 
toe, dat wij niet van den beginne Dii facti sumus, sed primo 
quidem homines, tune demum Dii, terwijl insatiabiles et ingrati. . . . 
antequam fiant homines, iam volunt similes esse factori Deo, 
et nullam esse differentiam infecti Dei et nunc facti hominis. 

Nu wordt de gedachte van „Vergottung'' des menschen eener- 
zijds verscherpt door den eisch, dat Jezus, om ons te kunnen 
helpen en baten, de ware, d. w. z. onze menschelijke natuur 



Digitized by 



Google 



36 

moet hebben aangenomen, V : 14,3, en andererzijds door de daar- 
mee parallel loopende voorstelling, dat Hij voor het heilswerk 
ook moest wezen waarachtig God, b. v. III : 18,7. 

In verband met het factus est quod sumus nos uti nos perfi- 
ceret esse quod est ipse, V praef., zou dit ons den weg van fei- 
telijke vergoddelijking des menschen en van monophysitisme in 
de Christologie kunnen doen opgaan. En wellicht hangt het 
hiermee saam, dat Habnack van ApoUinaris' leer (waaromtrent 
hij II p. 314 verklaart, dat „die (rxp^ ganz in die Natur des 
„Logos aufgenommen" is, en ibid. Anm. 3 „Apollinaris nimmt 
„eine zwar zusammengesetzte^ aber doch einheitliche Natur Christi 
„an. Die fj^tx (pv<ng rou Xoyov <r€(rxpKUfj(,€v>j ist seine Formel. Of. ibid. 
„p. 321 „Die ganze Position der spateren Monophysiten, durch- 
„ dacht bis in alle denkbaren Oonsequenzen, findet sich schon 
„bei ApoUinaris) op p. 317 zegt: „diese Lehre ist, gemessen an 
„den Voraussetzungen und Zielen der griechischen Auffassung 
„vom Christenthum als Religion, voUkommen." *) 

De vraag rijst, of dit juist is. En waar wij „die griechische 
„Auffassung vom Christenthum als Religion" niet anders kennen 
kunnen dan uit de geschriften dier G-rieken, terwijl voorts Ire- 
naeus één hunner oudste en voornaamste tolken is, schijnt het 
alleszins geoorloofd en wenschelijk eens na te gaan, welke ele- 
menten te dezer zake bij hem gevonden worden. 

Allereerst reeds moet het woord êsog ons niet verleiden. Want 
zelf spreekt Irenaeus het uit, dat hij in de Schrift ook weet 
van een Dii noemen dergenen qui non Dii sunt, zij het ook, dat 
dit geschiede non in totum, sed cum aliquo additamento et sig- 
nificatione, per quam ostenditur non esse Dii, III : 6,3 ; cf. ook 
vere, IV : 6,7. proprie, III : 19,2. iuste, III : 8,3. En hij meent, 



*) cf. ook LooFS H. R. E.' Bd. 10 p. 258. „Die altgriechisclie Theologie kam 
„mit ilirer physisclieii Erlösiingslelire — aber auch nur durck diese — darüber 
„(t. w. over eene „Offenbarungsmaiiifestation", in onderscheiding van Menscb- 
„werdnng") binaus; von ibr abgeseben" zoude van deze theologie en van de 
„abendlandischen, mitteralterlichen und reformierten Entwichelung" moeten 
gelden een woord van Brenz ten aanzien der „Zwinglianen'*, n. m. 1. dat zij, 
indien zij zijne opvatting der unio personalis niet deelden, komen moesten 
tot de leer van duae personae bij Christus of duo Christi niet alleen, verum 
etiam redigant eum in ordinem aliorum sanctorum. Slechts zoude door 
nawerkingen „der naiv-modalistischen Gedanken" steeds naast het Iv&goc 
asv^puTTOQ een sv otv^pwTrt^ 6goQ geplaatst zijn. 



Digitized by 



Google 



37 

dat Ps. 82 : 6 gesproken is his qui adoptionis gratiam adepti 
sant, III : 6,1 cf. 2. Ten tweede wisselt het spreken van Dii bij 
de geloovigen af met similes factori en secundum imaginem et 
similitudinem Dei, IV : 38,4 niet slechts, maar wordt er blijkens 
den samenhang gedoeld op het zich bevinden in den toestand 
der eindbestemming, der voltooide ontwikkeling, der onvergan- 
kelgkheid, der i<p^xp(nx *). Want Irenaeus handelt daar over 
de tegenstelling van o 6êoq als f^ovoq iyewviroq kxi TrpooTog ttxvtcüv 
Kxt rov eh/Xi Toiq Txtri 'jrxpxiTiog^ en het yeyevvi^^xi der ovk xyevvviTX^ 
IV : 38,3. Terwijl hij ibid. in fine het woord overneemt (Sap. 
6 : 19,20) ü^^xpfTix h èyyvg sivxi ttoisi êsov, en even te voren 
definieert : i'jroTxyvi Sf 6sov, otcpbxptnx. kxi 7rxpx[jLovvi d(p^xp(rixg, io^x 
iysvv^Toq. Om dan te vervolgen : iix rxvTyjt; ryjg Tx^soiq , . , . o yevvv\Toq 
KXi W€7r>,xa'fji,€V0(; avbpaTrog kxt^ sikovx kxi ofjc^otaxriv tov iyevvyiTOv yivsTXi 
ieov. M. a. w. er is slechts sprake van een trek van gelgkheid, 
waarbij Irenaeus zorgt het xmog eiyxi van Q-ods kant en het 
ifTTOTxyyivxt des menschen duidelijk uit te spreken. *). In de 
derde plaats weet Irenaeus, dat hetgeen door ontwikkeling wor- 
den kan wat een ander iets is, in wezen daaraan reeds gelijk 
moet zijn. Want IV : 9,2 zegt hij met het oog op Matth. 
12 : 6 : Plus autem et minus non in his dicitur, quae inter 
se communionem non habent et sunt contrariae naturae et 
pugnant adversum se; maar bij zulke zaken quae eiusdem sunt 
substantiae et communicant secum, solum autem multitudine 
et magnitudine differunt. Daarmee in verband wijst hij ten 
vierde op het onderscheid in wezen tusschen God en schepsel. 
IV : 11,2 : Et hoc Deus ab homine differt, quoniam Deus 
quidem facit, homo autem fii ; et quidem qui facit, semper 
idem est; quod autem fit, et initium et medietatem et adiecti- 
onem et augmentum accipere debet. Et Deus quidem per- 
fectus in omnibus, ipse sibi aequalis et similis; totus quum 
sit lumen et totus mens et totus substantia et fons omnium 
bonorum; homo autem profectum percipiens et augmentum ad 
Deum. Want evenals God semper idem est, zoo homo in Deo 
inventus semper proficiet ad Deum. Omdat God nimmer ophoudt 



*) cf. rV : 11, 1 apto tempore incormptelae hereditatem praestante ad per- 
fectionein hominis. Plasmavit enim exim in augmentum et incrementum 

^) cf. ook de bijstelling bij G-od ibid. 1 : yv«T«, ón n^ (itv öf<jo, »ei koctx ra 
cufTot èvrti xxt aytvv^Tojt v^aepxovrt, «&C ^poQ ietvrov^ iravrat ivvaret. 



Digitized by 



Google 



38 

den mensch wel te doen en hem te verrijken, en de mensch 
steeds weldaden van God ontvangt en door Hem verrijkt wordt. 
Exceptorium enim bonitatis et organum clarifioationis eius homo 
gratus ei, qui se fecit; et iteram exceptorium iusti iudicii eius 
homo ingratus et spernens plasmatorem en niet subiectus Verbo 
eius ; cf. II : 29,2 ; V : 12,2 : èrepov Sf fVr/ ro 7roi>j^€v rov 7roivi(7XVToq. 
II : 13,3. "Want de Vader van alle dingen multum distat ab 
his quae proveniant hominibus affectionibus et passionibus; et 
simplex et non compositus et similimembrius (annot. 10 sive 
ofiotccKu^o<; .... sive ofjioioizspvji;. Cf. Dorneb I p. 469) et totus 
ipse sibimetipsi similis et aequalis est; totus quum sit sensus 
et totus spiritus et totus sensuabilitas {vov}(n<;? cf. annot. 12) 
et totus ennoia et totus ratio et totus auditus et totus oculus 
en geheel licht en geheel bron van alle goeden (cf. Nederl. Conf. 
art. 1). Maar daarbij moet niet vergeten worden, dat deze woor- 
den van G-od gelden niet op gelijke wijze als zij van het schepsel 
waar zijn, ibid. 4 : Sensus enim capax omnium bene et recte 
dicetur, sed non similis hominum sensui; et lumen rectissime 
dicetur, sed nihil simile ei, quod est secundum nos lumini. Sic 
autem et in reliquis omnibus nulli similis est omnium Pater 
hominum pusillitati; et dicitur quidem secundum haec propter 
dilectionem, sentitur autem super haec secundum magnitudinem. 
Hij is alzoo inenarrabilis, 28, 4. IV: 39, 2. Niet vanwege indi- 
gentia vormde Hij den mensch, sed ut haberet in quem coUoraret 
sua beneficia. Want in quantum Deus nullius indigens, in tantum 
homo indiget Dei communione. Waarom het ook des menschen 
heerlijkheid (gloria) is perseverare ac permanere in Dei servi- 
tute, IV : 14, 1. Want gloria kominis Deus, operationis vero 
Dei et omnis sapientiae eius et virtutis receptaculum, homo, 
in : 20, 2. 

Dit geeft ons kennis van een andersoortig Godsbegrip dan 
dat der Valentinianen. Bij dezen ging het wezensonderscheid 
tusschen God en wereld te loor. Want door al maar afdalende 
emissies of emanaties ontstonden uit den Bythos of Propator de 
Aeonen, die zich met onze wereld konden verbinden of ook 
bezoedelen. Terwijl de Valentinianen, om nog onderscheid in 
wezen te kunnen stellen, geen anderen weg open hielden, dan 
de loochening, dat iets door den hoogsten God was voortgebracht 
en aan Hem zijn ontstaan en wezen dankte. 

Rechtstreeksche gemeenschap tusschen beiden mocht niet be- 



Digitized by 



Google 



39 

staan. Maar hiertegenover ontwikkelde Irenaeus uit en in over- 
eenstemming met de Schrift het anders-zijn van Gods wezen. 
En daardoor gevoelde hij geenerlei behoefte, God ook maar 
van het geringste afgezonderd te houden. Fecit coelum et 
terram et omnia quae in eis sunt, 11:1, 1, ook waar zij varia 
et multa zijn en sibi invicem contraria; steeds bij het schepsel 
en dat bijstaande, en inzonderheid werkzaam met den mensch, 
propter quem et conditie fiebat, zoodat ook i5 ry^g (rxpKog ÓTroarxfrtg 
niet vernietigd behoefde te worden, maar alleen elke actus car- 
nalis, die niet nit Hem is, en er voorts slechts wijziging zou 
komen in de manier van bestaan, overeenkomstig hetgeen Hij 
reeds van den aanvang desbetreflfend had vastgesteld. Want Hij 
heefti daardoor geen het minste nadeel, ongerief of iets dergelgks 
te vreezen. IV : 39, 2: non enim. tu Deum facis, sed Deus 
te facit. 

Hieruit vloeit vervolgens ten vijfde voort, dat de mensch nooit 
vere et proprie, aan God gelijk kan worden ^) maar, hoe vol- 
ledig ook ontwikkeld, steeds van Hem in wezen verschillen 
blijft. Waarom Irenaeus het worden van kind Gods, dat der 
geloovigen deel is, III : 6, 2, ook gedurig noemt het verkrijgen 
der vk^sfTtx, cf. Hl : 19, 1 ; 18, 7 ; IV : 1, 1 ; 8, 1 e. a., maar Jezus 
aanwgst als dengene, die dit tot stand brengt, ibid. Deze is 
o moq Tov $6ov^ III : 12, 9, terwijl Irenaeus uit de profetische ge- 
schriften zal aantoonen .... KXi xCrov fiovov ehxi tov viov tov deov^ 
n : 32, 4. 

Dit onderscheid in het kindschap der geloovigen krachtens 
adoptie en het Zoonschap van Jezus door generatie of secundum 
naturam, krijgt te meer beteekenis, waar Irenaeus opzettelijk 
blijken laat van een tweevoudig Zoonschap te weten. Filius . . . 
dupliciter intelligitur : alius quidem secundum naturam eo quod 



^) Wel sclirijft Irenaeus IV: 39, 2: qnemadmodnni igitur erit Dens, qni 
nondnin f actus est homo ? Quomodo autem perfectus, nuper effectus ? Quomodo 
autem immortalis, qul in natura mortali non obedivit factori? Oportetenim 
te primo quidem ordinem hominis custodire, tune deinde participari gloriae 
Dei. Doch de woorden zelve geven duidelijk aan, dat niet gedoeld wordt op 
een reëel der goddelijke natuur deelachtig worden. Cf. ibid 38, 4 boven, en 
TTT : 18, 1 : incamatus est et homo f actus, longam hominum expositionem 
in seipso recapitulavit, in compendio nobis salutem praestans, ut quodperdi- 
deramus in Adam secundum imaginem et similitudinem esse Dei, hoc in 
Christo Jesu reciperemus. 



Digitized by 



Google 



40 

natus sit filius, alius autem secundum id quod factus est, repu- 
tatur filius, licet sit differentia inter natum et factum, IV : 41, 2. 
Want wel spreekt hg op deze plaats niet over het verschil tus- 
schen Jezus en de geloovigen inzake zoonschap of kindschap, 
maar desniettegenstaande ligt in zijne woorden eene gedachte, 
die ook daar hare beteekenis heeft. En in elk geval wordt 
openbaar, dat Irenaeus met bewustheid een tweeërlei zoonschap 
onderscheidde. 

Dit brengt ten zesde noodwendig tot de gevolgtrekking, dat 
derhalve ook Jezus' menschelijke natuur creatuur bleef en immer 
blijft, nimmer veranderende of overgaande in Zijne goddelijke 
natuur ; dat Hij in het bezit kwam van beide naturen, doch dat 
deze twee nimmer zich konden verbinden of vermengen tot een 
derde, noch de menschelijke eene „einheitliche" worden met de 
goddelijke natuur. 

Al spreekt Irenaeus dit niet letterlijk en met zoovele woorden 
uit, het is de logische conclusie, die straks getrokken wordt en alle 
monophysitische gedachte veroordeelt. Zoodat de zuivere ont- 
wikkeling in dezen niet geboden werd door ApoUinaris noch door 
de Monophysieten. 

Habnaok oordeelt anders. Hij zegt I p. 607, dat de door Leo I 
„zum Siege gekommen" formule van „beiden Naturen, die in 

„ihrer Integritat verharren dem G-edanken des Irenaus im 

Grunde widerstreitet". En deze bewering schijnt hij te willen 
adstrueeren door een tusschen haakjes geplaatst citaat: filius dei 
factiis filius hominis, waarbij hij factus spatieert. Daarop dus 
komt het aan ^). Hiermee zou eene eenheid geleerd worden, 
die in de richting van het Monophysitisme wijst. Want zegt 



*) cf. ook t. a. p. p. 511 : „Wie dieser (t. w. Irenaeus) brauclit er (t. w. Ter- 
„tullianus) den Ausdruk „homo deo mixtns", wie dieser übertragt er die 
„Pradicate des Menschen anf den Grottessohn; aber er gebt weiter oder er 
„giebt viehnebr im Interesse formeller Klarheit der Ausspracbe des G^ebeim- 
„nisses eine Wendong, die da zeigt, dasz ibm die religiöse Bedeutnng des 
„Satzes filius dei filius bominis factus nicht vöUig aufgegangen ist". M. i., 
en zooals in verband met bet voorafgaande ook uit bet volgende, naar ik 
boop, duidelijk zal worden, ligt bet misverstand en de vergissing niet bij 
TertuUianus, maar is Hasnacks opvatting van Irenaeus* uitdrukking onjuist. 

Vgl. voorts nog ibid. p. 510 Anm. 2 : „Er (scil. Irenaeus) sowobl wie Melito 
„baben in der Hegel sicb an das einfacbe „filius dei filius hominis factus" 
„gehalten''. 



Digitized by 



Google 



41 

Habnack t a. p. p. 506, dat „die geschichtliche Bedeutung des 
„Irenaus in der Ausführung der Christologie" ligt, dan schrijft 
hij desbetreffend p. 507 verder, dat „die kirchliche Christologie, 
„soweit sie mit dem Q-edanken der Einheit des Göttlichen und 
„Menschlichen in Jezus Christus Ernst macht und aus dem Werke 
„Christi als der Vergottung die Gottmenschheit folgert, heute 
„noch bei ihm steht" '). 



*) Ook door anderen wordt beweerd, dat Ó hoyoQ vctp% iytvtro eerst tot zijn 
reclit komt, wanneer men aan een worden Gods denkt. Cf. b. v. Loofs H B.E.^ 
Bd. p. 258 : „Ueberblicht man diese ganze auszerlntherisclie Entwickelung, 
so ist niclit zn leugnen, dasz sie den Gedanken der Menschwerdung nicht 
erreicht haf*. Hiermee wordt niet bedoeld, dat ook deze ontwikkeling, als 
plaatsvindende in liet door zonde verduisterde bewustzijn des menschen en zijn 
gedeeltelijk afgestompte denken, zeer merkbare sporen draagt van gebrek 
aan inzicht, doorzicht en vermogen om jnist te formnleeren; dan ware dit 
volmondig te erkennen ; maar dat er een principieel verkeerde ontwikkeling 
tot stand kwam. Want „das Calvinisticmn (t. w. ünitom non est capax 
infiniti) „laszt, wenn man scharf znsieht, die Menschwerdung" immer wieder 
„nur zu einer „Offenbarungsmanifestation'' werden". Nu kwame het hier 
allereerst aan op scherpe definieering van begrippen, opdat er geweten wierde, 
wat onder „Menschwerdung" en wat onder „Offenbaringsmanifestation" te 
verstaan zg. En dit ware t-e meer onmisbaar, waar Loofs een „scharf 
Zusehen" noodig oordeelt. Maar Looi^ ontslaat zich van die moeite en poogt 
met „Menschwerdung", zelfs met „der Menschwerdung" en met „Offenbarungs- 
manifestation" te manoevreeren als met bekende grootheden, terwgl het hem 
toch opgevallen moest z^jn, dat, indien schier heel de orthodox-kerkelijke 
ontwikkeling (alt-griechische, abendlandische, mittelalterliche, reformierte, 
ja zelfs veelzins de luthersche, volgens Loofs zelven) in haar opvattingvan 
de %vccv^pu^(rte of incamatio zich zóó had vergist, dit toch wel voornamelijk 
zou saamhangen met een onjuiste voorstelling van „Menschwerdung" 

Eigenlijk had Loofs behooren te zeggen, dat genoemde ontwikkeling niet 
beantwoordde aan zijne opvatting van „die Menschwerdung", maar wel over- 
eenkwam met wat hij onder „Offenbarungsmanifestation" verstaat. Dan ware 
het geschilpunt duidelijk aan het licht gekomen. Want de strijd loopt over 
den inhoud van het begrip „die Menschwerdung" 

Desaangaande staat opvatting tegenover opvatting. En deze strijd hangt 
ten nauwste saam met eens ieders „Godsbegrip" en zijne gedachten over 
'smenschen wezen, of over den mensch in se. 

Nu is wel zooveel te merken, dat naar Loofs* meening voor „dieMensch- 
werding", om niet „Offenbarungsmanifestation" te wezen, vereischt wordt, 
dat er met de goddelijke natuur plaatsgrijpe een creatuurlijk en nader een 
menschelijk worden, eene verandering, opdat er aldus eene eenheid ontsta, 
die andersoortig is dan de eenheid door de orthodox-kerkelijke ontwikkeling 
geleerd. 

Met opzet werd hier gesproken van een creatuurlijk en menschelijk worden. 



Digitized by 



Google 



42 

Harnacks bedoeling kan niet zijn, dat Irenaeus bij Jezus 
slechts wist van eene eenheid. Want hij citeert t. a. p. p. 607 
van dezen ook : Jesus Christus, vere homo, vere deus, met welke 
woorden dus niet alleen de door alle belijders van de „beide 
Naturen" geloovig aangenomen eenheid van den Christus uitge- 
drukt, maar tevens eene tweeheid geleerd wordt. Er kan dus 



ter onderscheiding van een worden Grods. Er is toch ook een goddelijk 
worden, door de kerk beleden in haar confessie van God als actus purus, 
van yevviia-tQ ocïuvtoQ en spiratio of processio Sp. Sancti. Alleen bedenke men, 
dat evenals het wezen Gods anders is dan dat des schepsels, zoo ook dit 
goddelijk worden in wezen verschilt van het worden zijner creatuur. Men 
doet daarom verkeerd als men stelt: God: schepsel = zijn: worden. Want 
daarin schuilen twee fouten, gezamenlijk voortspruitend uit het Eleatisch- 
Heraklitisch begrip van zijn en worden. Vooreerst toch wordt aan God geen 
worden, en ten tweede wordt van het schepsel geen zijn toegekend. De 
zaak is, dat er een tweeërlei zijn zoowel als een tweeërlei worden bestaat, 
het eene goddelijk, het andere creatuurlijk ; een goddelijk zijn niet slechts, 
maar ook een goddelijk worden; en een creatuurlijk worden niet enkel, doch 
evenzeer een creatuurlijk zijn. 

Bovengenoemde evenredigheid behoort dus geschreven te worden: 

God: schepsel = goddel. zijn: creat. zijn = worden Gods: worden der 
creatuur. Degenen nu, die zich voor hunne opvatting van „Menschwerdung" 
beroepen op worden, werden, f actus, moesten allereerst bedenken, dat Joh. 1 : 14a 
in het Grieksch geschreven werd, hetwelk hysvero heeft, evenals ook Irenaeus 
voor factus yevofjLevoQ zal hebben gebruikt. En het begrip yevev^ott is wel zoo 
los of ruim of rekbaar als factus etc. In zoover er voorts niettemin het 
begrip van yevsaiQ inzit, moest men ten tweede niet vergeten, dat het in 
Joh. 1 : 14a verbonden wordt met o-ap?, welk woord niet maar aanduiding 
is van de volledige menschelijke natuur, doch tevens van den ontredderden 
toestand dier natuur, en alzoo op hare straks voorbijgaande bestaanswijze 
doelt. Waardoor de vraag beantwoord moet worden, of het denkbeeld vau 
yevea-iQ slaat op de menschelijke natuur, en derhalve van den Logos geldt 
voorzoover Hij reeds met de menschelijke natuur zich bekleedde of daarmee 
bekleed gedacht wordt, dan wel, of het Hem betreft ook reeds ten aanzien 
van het aannemen alszoodanig. 

Eerst wanneer men zoo de begrippen ontleedt en dan bevindt, dat ook 
nog zeker element van „worden" geldt van het zich eigen maken der men- 
schelijke natuur door den Zone Gods, verkrijgt men recht uit „werden" 
„factus" enz. te redeneeren; hoewel ook dan nog weer gevraagd moet worden, 
hoedanig worden bedoeld is: een zoodanig worden waarbij weZ, of een worden 
van dien aard dat er niet verandering plaats vindt. 

Deze opmerkingen bedoelen slechts het ongeoorloofde van al zulk spelen 
met „Menscht^errfwngf'" factus e. d. g. te doen uitkomen, als men uit eene 
dergelijke zegswijs inzake het mysterie ó 6so^ (pxvBpw^st^ év a-apKt redeneeren 
wil, maar nalaat, vooraf scherp op de begrippen in te gaan. 



Digitized by 



Google 



43 

slechts verschil zijn over den aard der eenheid en het karakter 
der tweeheid. Desbetreffend nn alleen het enkele factus als af- 
doend argument bgtebrengen om Irenaeus tegen TertuUianus uit 
te spelen, en aan Irenaeus de voorstelling van een „Einheit des 
Göttlichen und Menschlichen in Jezus Christus" toe te dichten 
in den zin van eene „Gbttmenschheit", is voor steekhoudend 
bewgs ongenoegzaam, en, gelet op het bovenaangevoerde om- 
trent het onderscheid tusschen het wezen Gods en dat des 
menschen, tegenover Irenaeus ongeoorloofd. 

De leer „der beiden Naturen, die in ihr er Integritat verharren" 
stamt niet eerst van TertuUianus. Wat de terminologische uitdruk- 
king betreft moge hierin eenige waarheid liggen, ofschoon Loofs 
H R.E.* art. Christologie, Kirchenlehre, Bd. 4 p. 31 schrgft: „Melito 
„hat .... als der erste nicht gnostische Theologe von dem wir 
„dies wissen, von zwei Naturen (Wesensarten) in Christo ge- 

sprochen ; en p. 36 : „Tertullian hat Melitos Formeln über- 

„nommen" ; dit punt hangt saam met de al of niet erkenning 
der echtheid van een op Melito's naam overgeleverd fragment; 
maar zakel^k komt z^* reeds voor bij Ignatius, en nog duidelijker 
bij Irenaeus. Cf. ook Loofs t. a. p. p. 36 : „Melito hat von ivo ovcnxi 
in Christo gesprochen. Die klein-asiatische Tradition bot ihm 
,dafür die materielle (ik cursiveer) Grundlage; die Formel hat 
„Melito nicht aus ihr". Irenaeus toch betoogt ten zevende na- 
drukkel^'k, dat Jezus^ vleesch aan het onze substantieel gelijk 
moest wezen, zou er voor ons verlossing zijn. V : 14, 3 : Si (quis) 
alteram substantiam camis domino af fingit, iam non constabit 
illi reconciliationis sermo. Reconciliatur enim illud quod fuit 
aliquando in inimicitia. Dat hier slechts sprake is van „caro" 
zegt niet, dat 's menschelijk onstoffelijk deel is uitgesloten, cf. 
Domer I p. 489 vv. Zijn redeneering werd straks door de Cap- 
padociers in gelgksoortigen betoogtrant aangevoerd tegen Apolli- 
naris om de volledigheid van Jezus' menschelgke natuur te 
handhaven, en bracht zoo geleidelijk tot het «o-yy^yra?^ re kxi 
(XTpsTTTcog, a%tó^/(TT6?^ T€ KXi uhixipsTooq vau Chalccdon. Deze ont- 
wikkelingsgang is duidelijk merkbaar, wanneer men slechts de 
op deze zaak betrekking hebbende gedachten saamleest en zich 
niet zonder nader onderzoek met een enkel woord of eene 
enkele uitdrukking tevreden stelt *). 

*) Habnack I p. 509: „DieseEinheit liatIrenansadunt7ioverbi dei ad plasma 
und y^commixlio et commimio dei et hominis benannt, ohne sie damit nèllier zu 



Digitized by 



Google 



44 

Is dan alzoo de eenheidsgedachte in Irenaeus' werk het doel 
van Jezus' komst; en wilde Deze gemeenschap en eenheid tus- 
schen öod en den mensch tot stand brengen ; terwijl hierbij niet 
gedacht kan worden aan eenige wezenlijke „Vergottung" des 
menschen, zoodat per consequentiam ook Jezus' menschelijke 
natuur niet tot eene „gottmenschliche" met Zijn goddelijke 
werd vereenigd; dan vloeit daaruit allereerst voort, dat Jezus 
vere et proprie, cf. III : 19, 2 ; IV : 6, 7 ; 33, 4 Q-od moest wezen, 
om deze gemeenschap en eenheid te verwerkelijken. Cf. IV: 6, 4: 
óeou sl^svxi ov^eiQ ^vvxroci^ /zf^ ovx^ ^eov io^cc^ovTog, Tovrea-riv, ocvsv 
ésov /ttj^ yivca(rK6(T^a>i rov óeov. Vervolgens ook, dat Hij aan den 
Vader gelijk moest zijn, opdat Hij revelaret agnitionem Patris 
per suam manifestationem, cf. IV : 6, 3 en 6 : omnibus igitur 
revelavit se Pater, omnibus Verbum suum visibile faciens; et 
rursus Verbum omnibus ostendebat Patrem et Filium, quum ab 
omnibus videretur; cf IV: 20, 1; 11:28, 4 en 6; 13, 3. Bavinck 
Dogm. II p. 253/254. „De eenheid van Vader, Zoon en Geest 
„wordt door Irenaeus zeer duidelijk uitgesproken, hun goddelijke 
„natuur wordt nadrukkelijk gehandhaafd, ze worden telkens 
samengenoemd". Cf. IV : 33, 7 : ivbpooTrog èysvsro o vlog rou óêou, 
en III : 21,1 : o isog ... ocvbpooTrog eyevsro. Dorner I p. 470 spreekt 
dan ook van „den Logos ganz in das göttliche Wesen her- 
einnimmen", 't welk Irenaeus zou doen. Onwillekeurig bracht dit 
mee, dat hij minder scherp op het onderscheid tusschen de godde- 
lijke personen inging, cf. Bavinck t.a p. en Dorner ibid. p. 469 — 474, 
hoewel hij den Zoon ook manus en mensura Patris noemde. 



„beschreiben ; sie ist ibm eine vollkommene ; denn er will in der Regel moht 
„geschieden wissen, was der Menscb Jesns nnd was Gott das Wort getban 
„bat". Op deze wijze maakt men zicb de overwinning gemakkelijk. Want op 
de begrippen gaat men niet in ; en men verzuimt tevens na te gaan of, en aan 
te wijzen dat bij eenig werk, door Jezus verricht, het onderscheid der naturen 
wel uitkomen moest of ook zelfs Aon. Wanneer het gaat om of over de eenheid 
van subject, hoe zou dan geschikkelijk op de tweeheid der naturen tunnen 
worden gewezen ? Of wanneer beide naturen bij eenige daad werkzaam waren, 
waarom moest dan haar onderscheidenheid opzettelijk uitgesproken worden? 

En wanneer er dan eene plaats is, b. v. HE : 19, 3, waar het onderscheid 
der naturen, indien het gehandhaafd bleef, uitgesproken moest worden, en 
door Irenaeus ook feitelijk en ondubbelzinnig aangegeven wordt, cf. later, 
dan schijnt deze buiten den regel te vallen. 

Habnack schijnt niet te bedenken, dat wanneer Irenaeus de eenheid van 
subject bij Jezus handhaaft en in het licht stelt, hiermee door hem niet 
geloochend wordt, dat „die beiden Naturen in ihrer Integritat verharren". 



Digitized by 



Google 



45 

Ten derde volgt, dat slechts Hij deze eenheid en gemeenschap 
kon realiseer en en deze kennis aanbrengen. I V : 6, 3 : Neque enim 
Patrem cognoscere quis potest, nisi Verbo Dei, id est nisi Filio 
revelante .... omnia enim per Verbum manifestantur ; gelijk Hij 
dat dan ook immer deed. U : 39, 9 : Semper . . . coexistens Filius 
Patris olim et ab initio semper revelat Patrem et angelis et ar- 
changelis et potestatibus et onmibus, quibus vult revelare Deus. 
IV : 6, 7 : Omnia autem Filius administrans Patri, perfecit ab 
initio usque ad finem, en zonder Hem kan niemand God kennen. 
Want agnitio Patris Filius, agnitio autem Filii in Patre et per 
Filium revelata. Cf. 7, 4: Hem dient bij alles sua progenies et 
figuratie sua, id est Filius et Sp. Sanctus, Verbum et Sapientia. 
10, 1 ; 11, 1. Reeds per ipsam conditionem openbaart het Woord 
conditorem Deum et per mundum fabricatorem mundi Dominum, 
IV : 6, 6. Waarom Hg ten vierde dezelfde moest wezen als die 
de wereld schiep, t. a. p. 4, of door wien zij geschapen, geordend 
en versierd werd. II : 11, 1; IV: 20, 1 cf. 4. Dus moesten ook 
ten vgfde de Demiurg en de hoogste God één zgn, II : 1, 1. Verder 
volgde er ten zesde uit, dat Jezus, om deze eenheid te bewerken, 
waarl^k mensch moest wezen, d. w. z. zich met onze menschelijke 
natuur moest bekleeden. Ten zevende: was het vleesch ontvan- 
kelijk voor het verderf, dan moest het dit ook wezen voor de 
onverderfelrjkheid, cf. IV : 18,5 : Trug r>jv (rxpKX ?^yo\j(riv slq (p^opxv 

XCCpSlV^ KXl flif jC^Tf%f/V T}jg ^mi'» T}JV OLirO TOV 7Ufia>T0q TOV KUptOV 
KXl TOV Ccl/ZXTOg XUTOV Tp€(pOfl€VljV. V : 12,3, cf. 1 : Ci^ (pbopXQ STriSeKTlKi^ 

VI ^xp^, oórag %xi i^bxp^ixq, Tixi cbg bxvxrov^ oórccg zxi i^ccviq. Het 
is immers ook geschapen door denzelfden éénen God. 

Nu spreekt Irenaeus bg Jezus telkens van eene recapitulatie. 
Reeds in zijne lezing van het symbool heet het, dat Hij weder- 
komen zal sTi ro ivxK€^xXxiü3frx^bxi rx irxvrx^ 1 : 10, 1. En dan 
voorts herhaaldel^k, b. v. III : 16, 6, omnia in semetipsum reca- 
pitulans. Maar het schgnt niet noodig, hier zijne gedachten des- 
aangaande afzonderlijk na te gaan. In stee daarvan vragen we nu 
bizonder naar de beteekenis van het gevonden resultaat en naar 
andere bij Irenaeus te vinden gegevens voor deze studie. 

Voorop gaat zgn duidelijk uitkomend begrip van de ongelijk- 
heid in wezen van God en Schepsel, bestaande allereerst in 
qualitatief verschil, zoodat God voor geene verandering te vree- 
zen heeft door verbinding of vereeniging met het schepsel. Zelf 
blijft Hij daarbij die en zooals Hij in en voor zich zelven is. 



Digitized by 



Google 



46 

Het worden en de verandering valt slechts aan den kant van 
het schepsel. 

Daarna volgt, dat de Zoon, die God openbaart, niet een lagere, 
ondergeschikte God is, maar met den Vader één in wezen en 
aan Hem gelijk. In den Zoon doet zich de eenige en hoogste 
God kennen, want zelf is de Zoon die God. Bij dit punt valt alzoo 
vooruitgang te constateeren in vergelijking met wat Justinus 
leerde. In Jezus hebben wij het met den eenigen God zelven 
te doen. 

Irenaeus werkt dit ook nader uit. Want hij zegt maar niet, 
dat manifestatie Filii is agnitio Dei, doch dat zij is agnitio 
Patris, IV : 6, 3 en dat de Zoon is docens semetipsum et Patrem 
sicut est, ut alterum non recipiamus Patrem, nisi eum qui a 
Filio revelatus, t. a. p. en 6, dat de Vader se revelavit, doordat 
Hij Verbum suum visibile maakte, terwijl het Woord ostendebat 
Patrem et Tilium quum videretur. Eene gedachte die overeen- 
stemt met wat Jezus Joh. 14 : 9 zegt : o kccpxKccg s[^6 scopxKs rov Trxrspx^ 
gelijk Johannes 1 : 14 ook schrijft: ycai è^sxo-x/ze^a, rviv io^ocv 
xi/Tov^ io^xv ix; [jLovoyevovq irxpx irxTpog, Er ligt in, dat van den 
Zoon, bekleed met de menschelijke natuur, zelfs in den staat 
der vernedering, heerlijkheid niet slechts, noch enkel goddelijke 
heerlijkheid uitstraalde, maar eene zoodanige heerlijkheid, die 
ook de persoonsonderscheidingen binnen het goddelijk wezen 
deed aanschouwen. In verband daarmede worde er opgelet, dat 
Irenaeus t. a. p. 6 schrijft, dat het Woord per ipsam conditionem 
revelat conditorem Deum en per mundum fabricatorem mundi 
Dominum en per plasma den artifex die gevormd heeft, en door 
den Zoon eum Patrem qui genera vit Filium en een weinig verder, 
dat allen (bedoeld zijn Israëlieten) viderunt in Eilio Patrem: 
invisibile etenim Filii Pater, visibile autem Patris Eilius cf. ook 
IV : 20, 5. 

Hieraan sluit zich Irenaeus' zeggen aan, dat het schepsel God 
niet kennen kan, tenzij Deze zich te kennen geve, IV : 20, 6 : 
Homo etenim a se non videt Deum. Hij echter volens videtur 
hominibus quibus vult et quando vult et quemadmodum vult. 

o OCXC»ipyiT0Q XXI OCKXTXXVITrTOq XXt OCOpXTOq OpCOfJLSVOV 6XVT0V JCXl KXTX- 

Xxfi(3xvofjC£i/ov icxi ^Wjooy/c^fvöv roig ttittoiq 7rxp€(rxsv^ wat geschiedt 
ivx t^oooTTOivitrrfi rovg ^w/JöfvröJ^ jcxi fiXsTrovrxi; xvrov iix TTKTTsug .... 
jj ccyx^anjg xórov ocva^viyviroq S/' iiq (B^sTrofisvog .... Niet kennen 
kan alverder, dan inzoover Hij zich openbaart: ro fji^syebog xvrov 



Digitized by 



Google 



47 

xvs^iXviouTTOv^ t. a. p., cf. ibid 4: secimdum magnitudinem quidem 
ignotüs est omnibus his qui ab eo facti snnt (nemo enim in- 
vestigavit altitudinem eins . . . .) secundam aatem dilectionem 
cognoscitur semper per eum per quem constituit omnia. Dit 
wil niet zeggen, dat wij van God niets anders kunnen kennen 
dan Zijne liefde, alsof deze eenigszins eene tegenstelling vormde 
met Zijne andere deugden, zooals Domer schijnt te meenen als 
hij I p. 466 schrijft: ,Gottes (quantitative) Grösze ist unmeszbar ; 
„wir sind aber an seine Liebe ge wiesen: sie ist offenbar ge- 
^worden, und sie ist das Höchste, Innerste der Gotteserkenntnisz". 
Want gelijk boven werd betoogd, stelt Irenaeus, in onderschei- 
ding met wat de Valentinianen feitelijk leerden, allereerst een 
qualitatief onderscheid tusschen God en mensch, een anders-zijn 
in wezen, en niet enkel of voornamelijk verschil van quantiteit, 
cf. ook DoBNBB I p. 468. Voorts spreekt hij in *t vervolg niet 
over een kennen van Gods liefde alleen, doch zegt algemeen, 
dat God hominibus videtur, en dat o ixccpviTog en "x^ocrxXvi'jrTog 
en Onzichtbare Zichzelven zichtbaar en KXTx^fifSxvofjLsvov kxi 
Xcopovfievov maakte. 

Maar de bedoeling schijnt te wezen, dat God niet anders ge- 
kend kan worden, dan tenzg Hij zich uit liefde tot de menschen, 
secundum dilectionem et humanitatem, kenbaar maakt, cf . lY : 20, 5 
volens videtur ; dat deze openbaring of dit zich te kennen geven 
niet kan worden verstaan en gekend, tenzij en voorzoover de 
liefde tot God des kenners hart vervult ; cf. IV : 20, 1 : Secundum 
autem dilectionem eius (haec est enim, quae nos per Verbum 
eius perducit ad Deum) obedientes ei semper discimus, quoniam 
est tantus Deus; en dat deze kennis nimmer wezen kan eene 
aan het goddelgk wezen, of beter aan Gods eigen kennen van 
Zichzelven adaequate kennis ; cf. IV : 4, 2 : Et bene, qui dixit 
ipsum immensum Patrem in Filio mensuratum: mensura enim 
Patris, Filius, quoniam et capit eum. Waaraan voorafgaat: 
XTTXVTX fisrpq) kxi rx^si 5 isog Troisi, kxi oh^ev ifisrpov Trxp^ xvrcp^ 
oTi (i^iBsv ivxpibfiviTov, Cf. IV : 20, 1 : Secundum magnitudinem 
non est cognoscere Deum: impossibile est enim mensurari 
Deum. 

Daarom kan ten derde de mensch God ook niet kennen, dan voor- 
zoover Hij zich bij die openbaring accommodeert aan 's menschen 
bestaanswijs. Dit spreekt Irenaeus uit IV : 38, 1 : Onze Heere 
kwam in de laatste tijden, ccvxKs^x^xicoffXfisvog slg xvrov rx ttxvtXj 



Digitized by 



Google 



48 

tot ons ovx ^^ oc'jToq vi^vvxrOj maar zooals wij xvrov l^siv vi^vvccizs^cc. 
Want Hij kon wel èv r^ ocCp^xprcp xvtov io^yj tot ons komen, doch 
wij oijisTTOowoTs TO fisysboi; tvji; ^o^vig xvrov (3x(rTX^€iv vi^vvxfjLsbx, En 
daarom èg wiwioig o ocprog o reXeiog rov 'Trxrpog yxXx i^fitv exvrov 
TTxpeo-x^K hetwelk was j} kxt ocvbpooTrov xvrov 7rxpov(Ttx^ opdat wij 
èt; iwo [JiX(rbov n^g (rxpjcog xurov rpx(p€vr£g en ^ix ryjg rotxvT^g 
yxKxKTOvpyixq gewend rpcoysiv kxi ttivsiv rov Xoyov rov êsov^ het 
brood der onsterfelijkheid, oTsp s(tti to 7rve\jyLX rov Trxrpog^ in 
onszelven kxtxo-x^^v ^vvijSrcü/zsv. 

Zooals hieruit blijkt, handelt Irenaeus over deze zaak in ver- 
band met de gesteldheid van Jezus' menschelijke natuur, d. w. z. 
dat hij zich den Zone Gods hierbij reeds met de menschelijke natuur 
bekleed denkt, zoodat dit zich voegen naar onze zwakheid voor- 
gesteld wordt als betrekking te hebben op den veranderbaren 
toestand dier natuur. Dit komt nog duidelijker uit, als hij t. a. p. 2 
voortgaat, dat God bij den aanvang wel ro rsKsiov aan den 
mensch vermocht te geven, èxstvqg Sf ipri ysyovoog^ aSwxrog viv 
Xxfieiv xbro^ >} Kxt Xxfim %ajpj^o-öf/, vi kxi xcopvifrxg Kxrxfrx^i^* En 
daarom o-vvsvtjTnx^sv o ubg rov ösov, ofschoon Hij rsKsioq was, met 
den mensch, ov 5/' ixvrov maat ^ix ro rov xv^poowov vviwiov^ op 
eene wijze x^P^^f^^^^^ ^^^ d^ mensch xvrov x^P^^^ ^^vvxto. Want 
ro (xBvvxTov XXI èv^esg geldt niet van God, maar vspi rov v€cc(tti 
yeyovoTX ocvbpcaTTOv^ omdat deze niet xyswi/^rog was. 

Dit leidt tot de vraag, of Jezus dan straks (wanneer de mensch op 
de hoogte gebracht zal zijn, dat hij, i^itr^etg het woord Gods te eten 
en te drinken, rov tj^^ x^xvxa-ixg ocprov^ hetwelk de Geest des Vaders is, 
èv hxvTCfi jcxrx(rx^i^ Syj/ijS'^, cf. op deze blz. boven) zich openbaren zal, 
zooals Hij het vermogen heeft, in zijne onvergankelijke heerlijkheid, 
om de grootheid (fji^eys^og) dier heerlijkheid te doen zien; en of de 
mensch, om deze te kunnen verdragen, dan niet wezenlijk „vergod- 
delijkt" of in eigenlijken zin der goddelijke natuur deelachtig moet 
wezen? Deze vraag klemt te meer door hetgeen tevoren aan uit- 
drukkingen werd geciteerd, die de gedachte van eene feitelijke 
„Vergottung" der menschelijke natuur zouden kunnen wekken, en 
door zegswijzen als deze, dat homines .... videbunt Deum ut 
vivant per visionem immortales facti et perttngentes usque in 
Deum, IV : 20, 6 en dat God, eertijds per spiritum prophetiae gezien, 
en adoptive per Filium, in het koninkrijk der hemelen videbitur 
patemaliter: Spiritu quidem praeparante hominem in Filio Dei, 
Filio autem adducente ad Patrem, Patre autem incorruptelam 



Digitized by 



Google 



49 

donante in aetemam vitam, quae unicuique evenit ex eo quod 
videat Deum, IV : 20, 5. 

Ten antwoord kan er op gewezen worden, dat blijkens deze 
aanhalingen zelve het pertingere in of profioere ad Deum door 
Irenaeus bedoeld wordt in dezen zin, dat de geloovige de 
ocbxvxtTix^ i^covi xioovm^ ccCp^xptrix verkrijgt. Daardoor komt hg Gode 
nabij {èyyvg 6aov)^ wordt hij deus en factori Deo similis ; cf. IV : 38, 3 : 
De mensch moest eerst geboren worden, daarna in groei toenemen, 
vervolgens den volwassen leeftgd bereiken, en av^pu^eig irKvibw- 
S-jfi/^/, voorts èyi(Tx^(^oci, al verder ^o^xa^yjvxi, en eindelijk JSf/v tov 
hxvTOv ^sffTToryiv. Want ieoq i (jlsXKoov opcctrbxi. En opx<nq ieov Trept- 
Tsoiviriicyi cc^^xpcrixgy d(p^xp(nx Sf èy^vg eivxi woist ésov, Geene andere 
„Vergottung'* wordt geleerd. Ylpoirsvei (jlsv èv ttxctiv o éeog, die 
ook alleen ocyewy^rog en Trpooroq tcxvtoov is en tov ehxt rotg Trxtn 
TTxpxiTtog. Maar al het overige h virorxyyi fisvsi tov ésov. En 
v'TTOTxy^ êeov^ oc(pbxp^ix. Terwgl Txpxfiovy^ i^bxp^ixq^ io^x ocyevvviToq, 
iix Txvryjg .... r^g TX^sag kxi tuv toiovtccv pvb[d.m kxi rvig roixvrvig 
iyuyy^q^ o ysvvviTOg xxi TTsvXxtrfisvog avbpooircg kxt' eixovx kxi of/^oiucrtv 
TOV xysvvyjTov yiverxi ieov. De Vader bepaalt en beveelt {svloKOwrog 
Kxi KsXêvovTOQ)^ terwijl de Zoon bewerkt en tot stand brengt, en 
de Geest voedt en wasdom geeft, tov is xvbpwTrov vipsfjix Trpo- 
KOTTTOVTOg XXI Tpoq TsXsiov civsp%Ofi€vov, d. w. z. fcXvi^iov TOV xysw^TOV 
ytvofievov. Want TsXeiog o xyevvviTog^ en dat is God. 

Alzoo blijft Godin Zgn God-zgn ten volle gehandhaafd, en 
wordt het onderscheid in wezen tusschen Hem en alle schepsel op 
geenerlei wijs geloochend. Hij blijft als xhiog van al wat buiten Hem 
bestaat, erkend; Hij geeft en voert heerschappij. En evenals al 
het overige schepsel, blijft de mensch tot in eeuwigheid het ont- 
vangende, dus afhankelijke, dus beperkte en onderworpen wezen. 

Slechts valt Irenaeus' terminologie te wraken, wanneer hg spreekt 
van een TrKvitnov tov xysyvviTov 'ysvs(Tbxi e. d. g. Omdat ook te dezen 
aanzien geldt : plus autem et minus non in his dicitur quae inter 

se communionem non habent IV : 9, 2, cf . Il : 13, 3 en 4 ; III : 8, 3 : 

Altera autem sunt quae constituta sunt ab eo qui constituit, et quae 
facta sunt ab eo qui fecit. Want Hij is infectus, zonder begin 
en zonder einde en nullius indigens, ipse sibi sufficiens, en daarbij 
reliquis omnibus, ut sint, hoc ipsum praestans ; maar wat door 
Hem gemaakt is, initium sumsit ; en wat begonnen is te bestaan, 
kan ook weer vergaan, is ondergeschikt (subiectum), en indiget 
eius qui se fecit. Necesse est omnimodo ut differens vocabulum 

4 



Digitized by 



Google 



50 

haheant apud eos etiam, qui vel modicum sensum in discemendo 
talia habent; zoodat wel Hij, die alles gemaakt heeft, cum 
Verbo suo iuste dicatur Deus et Dominus solus, maar quae 
facta sunt non iam eiusdem vorabuli participahilia ease neque 
iuste id vocabulum sumere debere, quod estcreatoris. Wijl het 
hierbij aankomt op den klank van een woord niet zoozeer, als 
wel allereerst op het in zulk een woord liggende begrip. En 
spreekt men nu van TrKvifriov rov Ö€Ov^ bsiorspov^ divinius e. d. g., 
dan verliest men ongemerkt uit het oog, dat bij ongelijksoor- 
tigheid geene vergelijking mogelijk is, en daarom ook geene ver- 
gelijkende trap mag worden gebruikt. Cf. ook Bavinok Dogm. 
II p. 20. 

Doet men dit toch, dan is het gevolg zoo licht, dat God, wel 
niet in Zichzelven, maar in de voorstelling der menschen, naar 
beneden wordt getrokken. Want wij kunnen niet in de catego- 
rieën van God, d. w. z. niet op precies gelijke wgze als God, den- 
ken, maar zijn aan onze menschelijke denkvormen gebonden, en 
gaan alzoo, bij verflauwing van het besef der scherpe onder- 
scheiding tusschen God en schepsel, lichtelijk ons God voorstellen 
als op soortgelijke wijze te bestaan als de mensch, van hem verschil- 
lende alleen in quant itatieve meerderheid. Cf. 11:28,4: Sed et 
ipsius Dei et Ennoeae eiua et Verbi et Vitae et Christi nativitates 
et prolationes annuntiare vultis; et has non aliunde accipientes, 
sed ex affectione hominum; et non intelligitis, quia in homine 
quidem, qui est compositum animal, capit huiusmodi dicere (annot. 
12: Graeca phrasis: èvlsx^^i toixvtx Xsysiv)^ sicut praediximus, 
sensum hominis et ennoeam hominis ; . . . . Deus autem quum sit 
totus mens .... non iam huiusmodi affectus et divisiones decenter 
erga eum subsequentur. 

Daarom is ook Irenaeus' formuleering V praef., dat het Woord 
Gods factus est quod sumus nos, uti nos perficeret esse quod 
est ipse, hoewel op zichzelf niet onjuist en in goeden zin te ver- 
staan, minder aanbevelens- en alzoo minder goedkeurenswaard, wgl 
het als vanzelf misverstand doet ontstaan. Alsof n. m. 1. de Zone 
Gods zich naar zijne goddelijke natuur conformeerde aan ons, 
om daarna ons, d. w. z. onze creatuurlijke, menschelijke natuur, 
te veranderen in Zijne wederom God geworden goddelijke 
natuur. Welk proces van natuurovergang dan zijn culminatie- 
punt bereiken zou in Jezus zelven, doordat beide naturen bij 
Hem een „einheitliche, gottmenschliohe" kwamen te vormen. 



Digitized by 



Google 



BI 

Naar de scherp door Irenaeus gestelde onderscheiding tusschen 
God en niet-Gk)d is zulk eene voorstelling echter uitgesloten. 
Tevens door hetgeen telkens b^' hem uitkomt, dat hij aan de 
onsterfel^kheid, onvergankelijkheid en het eeuwige leven denkt, 
wanneer hij van esse quod est ipse e. d. g. spreekt, zoodat h^* 
zijne uiteenzetting in lY : 38 zoowel b^* 3 als bij 4 laat uitloopen 
op de schriftuurlgke zegswgs: kcct sikovx xxt ifioiouiriv rov ésov. 
Cf. m 18, 1. 

Maar het is bovendien goed, nog opzettelgk er op te w^'zen, 
dat Irenaeus van Jezus duidel^'k een tweeheid formuleert, aan 
welke door Zgne „Einheit" niet te kort wordt gedaan. Hl : 
16, 6 schrgft hij : één God en Vader is er derhalve, en één 
Christus Jezus, onze Heere, veniens per universam disposi- 
tionem et omnia in semetipsum recapitulans. Nu behoort tot 
dat aUes ook de mensch, plasmatio Dei; et hominem ergo 
in semetipsum recapitulans est, invisibilis visibilis factus, et 
incomprehensibilis factus comprehensibilis, et impassibilis passi- 
bilis, et Verbum homo, universa in semetipsum recapitulans. 
Irenaeus bedoelt niet, dat de Zone Gods de hier telkens eerst 
gestelde hoedanigheden zou hebben afgelegd. Zoo iets toch ware, 
naar de door hem gegeven omschr^ving voor Gods wezen, on- 
mogelijk. En bovendien brengt het vervolg van dit citaat genoeg- 
zame opheldering : uti sicut in supercaelestibus et spiritalibus et 
invisibilibus princeps est Verbum Dei, sic et in visibilibus et cor- 
poralibus principatum habeat, in semetipsum pnmatum assumens 
et apponens semetipsum caput ecclesiae, universa attrahat ad 
semetipsum apto in tempore. Want daarbij is de redeneering 
deze, dat de Zone Gods om den principatus in de zichtbare en 
stoffelgke wereld te bekomen, aan deze gelgk worden moest, 
evenals Hij in de geestelijke, onzichtbare wereld vorst was van- 
wege Zgne verwantschap daaraan ^). Zoodat Hij dus volgens 
dezen gedachtengang opgehouden hadde princeps in de super- 



1) cf. IV : 20, 2 : In omnibtis, cf . Matth. 11 : 27, nÜiil Bubstractmn est ; et 
propter hoc idem est iudex viventinm et mortaormn .... Verbum caro f actnm 
est, ut qxLemadm.odiim in caelis principatum liabuit Verbum Dei, sic et in 
terra haberet principatum, quoniam homo iustus, I Petr. 2 : 22 ; principatum 
autem habeat eorum quae sunt sub terra, ipse primogenitus mortuorum factus : 
et ut viderent omnia .... suum regem ; et ut in came Domini nostri occurrat 
patema lux, et a came eius rutila veniat in nos^ et sic homo deveniat in 
Incorruptelam, circumdatus patemo lumine. Cf* ook IH : 16, 8. 



Digitized by 



Google 



B2 

caelestia etc. te wezen, indien Hg niet bg het visibilis etc. worden, 
tevens in visibilis etc. gebleven ware; wat Irenaeus blijkbaar 
niet zeggen wilde. En derhalve is de bedoeling, dat invisibilis 
et of etiam visibilis werd etc. Wat nu is dit anders dan, wel 
niet letterlijk naar de formuleering, maar toch zakelijk naar den 
inhoud, de leer der „beiden Naturen, die in ihrer Integritat 
„verharren"? rUium hominis fieri oportebat filium Dei t, a. p. 7; 
18, 3, vere passus ; 18, 6 : yivcotrsv .... rov civ^pcoTrov rcf éecp 18, 7. 
Blijkens den accusatief met den datief wordt niet gedoeld op 
eene vermenging, maar gedacht aan een samenhechten, zoodat 
beide vereenigde deelen geene innerlijke verandering ondergaan. 
Jezus behield de cognatio aan God en aan den mensch, want als 
fi6(nryi(; moest Hij iix rvig l^ixg Trpog iicxTspovq oiKsioryirog rovg 
x(M(poT€povQ ivxyotyeiv^ niet tot eene eenheid van natuur of wezen, 
maar siq (piXixv y.(x,i ofiovoixv. Voor geen misverstand vatbaar 
inzake het onvermengd naast elkaar voortbestaan der beide naturen 
van den Zone Gods is, wat Irenaeus ibid. 19, 3 schrijft: co(rv€p 
yxp viv ocvbpooTTOg hx Treipx^^^, ovrag jcxi Aoyoq hx io^xtr^^. ^trvxx^ovrog 
/Z£v Aoyov iv rcfi 7r€ipx^£(rbxt .... kxi (TTxvpovtrbxi kxi xTO^vitTKeiv^ 

(TVy/lVOlJLSVOV $£ TCf) XV^pOOTTCf) 6V TCfi VIKXV KXI V7r0fl€V€lV KXI ;^/JJfö'r£yfO"3'öJ/ 

KXI xvitrrxtrbxi KXt xvxXx[ifixv6(Tbxi. *). 

Wanneer Irenaeus dus zegt, dat de Zone Gods, onze Heere, 



1) Deze plaats is voor dit ptmt van niet gering belang. En het zou niet 
aangaan, haar te veronachtzamen, als viel zij „buiten den regel'*. Dan moest 
men eerst aantoonen, zijn „regel" goed gesteld te hebben. Bepaald door te 
bewijzen, dat Irenaeus het onderscheid der beide naturen verwaarloosde op 
plaatsen, waar hij dit onderscheid had moeten laten uitkomen, indien hij 
het erkende. Want dat hij sterk drukt op de identiteit van subject bij Jezus, 
zegt voor de nadere verhouding der naturen nog niets. 

Nu spreekt Irenaeus HE : 19, 3 over die verhouding. Bij het opmaken 
van den regel moet dus ook met deze plaats gerekend worden. En zelfs 
behoort zij het meeste gewicht in de schaal te leggen reeds vanwege het 
verband, waarin zij voorkomt. Want HE : 18, 1 had Irenaeus gezegd, dat 
het Woord, hetwelk bij God was en door hetwelk alle dingen gemaakt zijn 
en dat semper aderat generi humano, in de laatste tijden vereenigd was met 
Zijn formeersel (unitus suo plasmati) en passibilis homo was geworden. Dit 
geschiedde 2, omdat de ongehoorzaam geworden mensch geen herstel noch 
behoudenis aanbrengen kon, welke beide door Christus werden verwerkelflkt. 
Nu was 3 Christus dezelfde als Jezus. Daarom ook 4 dezelfde als die leed. 
Zoodat Christus zelf (ipse) in waarheid (vere) leed 5. Want Hij was mensch, 
staande tegenover Adam, en ons de „aanneming tot kinderen G-ods*' ver- 
wervende en schenkende 6 en 7. Hiervoor moest Hy meer wezen dan mensch, 



Digitized by 



Google 



53 

exsistens Verbum Patris, quoniam ex Maria .... habuit secundum 
hominem generationem, factus est filius hominis, t. a. p., dan wil 
dit zeggen, dat Hg ook werd Zoon des menschen; niet door 
eenige verandering in Zichzelven, maar door de menschelgke 
natuur er bij aan te nemen of tot z^*n eigene te maken {Hiottoisiv)^ 
zooals Athanasius later zich uitdrukt. Cf. IV : 33, 11: rviv évua-iv 
Tov Aoyou Tov isov irpoq ro irKot/r yt^ot, kurov^ en ibid. 9, 3: secundum 
id quod Verbum Dei homo erat .... secundum autem quod 
Deus erat ; IV : 20, 7 ; V : 1, 1 en 2: si Ie (ivi èy ivSrpaTog, ècpxivero 
kvbpooTTOq^ 0VT6 O ifv st' JtA)j3'£/^c» èfisive^ wvsvfix èsov, èwsi XOpXTOV 
To TTvsvfix. Dan ware er geenerlei waarheid in Hem, ov yxp 

vfv èKsivx oLTTsp icpxiv€TO ] 18,3 ; vere homo et vere Deus, 

IV : 6, 7. 

En spreekt Irenaeus IV ; 20, 4 ervan, dat per eius secundum 
camem adventum eene communio tot stand kwam, zelfs eene 
commixtio Dei et hominis, dan zijn zulke woorden opzichzelf 
niet voldoende om bg hem tot een monophysitischen gedachten- 
gang te besluiten. 

Behalve om de boven aangevoerde andere elementen, is zulks 
reeds daarom te minder geoorloofd, dat Irenaeus een paar regels 
tevoren formuleert : finem principio, id est hominem Deo coniungere ; 
cf. m : 4, 2 adunans. 

Omdat Irenaeus alzoo krachtens Zijn Godsbegrip tegen alle 
vermenging van Schepper en schepsel gewaarborgd was, voelde 
hg geene behoefte om Gk)d zoo angstwekkend van de schepping 
afgezonderd te houden, maar, juist andersom dan de Valentini- 
anen, veeleer te sterker behoefte, tusschen beiden eene aan- 
raking en verbinding aantewgzen, die haar grondslag heeft in 
de daad der schepping, heel den tijd omvat, ook het geringste 
insluit, en naar de geaardheid der schepselen en het onderscheid 
der tgden verschilt in wgze. 



n. m. 1. ook waarlgk Gk)d. Derhalve yfvua-sv aiv^pwrov tc/i fl«^. Waarachtig mensch 
moest B4J zijn, opdat de overwinning op den «vt/t«aoc rechtmatig ware, 
waarachtig God, opdat de behoudenis vast zij (/3f /3«/«5) ; k»i si fm <rvviivu^ 
6 xv^puTOQ Tip êeifij verkreeg h^ geen deel aan de i^'^etpvtec. Dies brengt hij 
beiden, G-od en mensch, door ïj l^i» wpo^ iKxrtpov^ oIksiot^^ tot ^txt» kxi ófiovot»^ 
en doet ons de adoptie verkrijgen 7. Dns is Hij niet enkel mensch 19, 1, 
maar heefb ook een hoogere generatie 2. En daarop volgt dan 3, waarin 
het wel gaat over Jezus* God-zijn, maar tevens de verhouding van beide 
Zijne naturen onderling wordt aangewezen. 



Digitized by 



Google 



54 

Unus igitur Deus qui Verbo et sapientia feoit et aptavit 
omnia, IV : 20, 4 ; omnibus ut sint, hoc ipsum praestans, III : 8, 3, 
welke indigent eius qui se fecit, ibid. Bizonderlrjk is er verband 
tusschen het Woord en de schepping; in hoc mundo exsistens 
et secundum invisibilitatem continet quae facta sunt et in universa 
conditione infixus, quoniam Verbum Dei gubemans et disponens 
omnia, V : 18, 3. Steeds was de Logos bij de menschheid tegen- 
woordig, UI : 18, 1, om haar bij te staan variis dispositionibus, 
rV : 28, 2, et multa operans et salvans ab initio eos qui salvantur, 
ibid. Nauwer nog werd deze gemeenschap, toen er eene unitio 
tot stand kwam in de volheid des tijds, V: 18, 3; Hl: 16, 6; 
oami unitus, IV: 34, 4; 111:18, 7; IV : 33, 11, en het Woord 
filius hominis, homo en caro factus est. 

Blijkens de uitdrukkingen is deze laatste vereeniging van de 
vorige verbindingen of aanrakingen onderscheiden. Maar toch 
is zij daarmee ook van zoodanig karakter, dat uit de laatste tot 
de eerste met een „deswege" kan geconcludeerd worden. Want 
in V: 18, 3 laat Irenaeus op bovenaangehaalde woorden volgen : 
et propter hoc in sua invisibiliter (annot. 1: uti editores obser- 
vant, legendum est visibiliter pro invisibiliter) venit et caro factum 
est et pependit super lignum, uti universa in semetipsum reca- 
pituletur ; cf. III : 16, 6 : nescientes quoniam huius Verbum uni- 
genitus, qui semper humano generi adest, unitus et consparsus 
suo plasmati . . . . ; cf. ook 18, 1 ; en IV : 33, 7 : tov scupiov vi[j(,odv^ 
S/' oxi rcc TTXVTX^ jcxi Txg oUovofJLixq (vgl 28. 2: semper adsistens 
humano generi variis quidem dispositionibus) xvtov^ S/' èv xvbpuicoq 
kysvero o vhq tov êsov. IV : 20, 7 : want indien quae est per con- 
ditionem ostensio Dei, het leven geeft onmibus in terra viventibus, 
veel te meer ea quae est per Verbum manifestatie Patris, vitam 
praestat his qui vident Deum. Want naar Irenaeus' Godsbegrip 
had God van dit alles geene verrijking te wachten zeer zeker, 
omdat de wereld niet geschikt was in eenige goddelijke behoefte, 
gesteld Hij mocht die kunnen hebben, te voorzien; doch nullius 
indigens ipse .... est. . . . sibi sufficiens. Hl : 8, 3 ; maar uit diezelfde 
oorzaak ook geene verarming te duchten, wijl simplex et non com- 
positus et similimembrius et totus ipse sibimetipsi similis et 
aequalis, II: 13, 3; cf. IV: 38,1. Mocht de schepping, bepaald die 
van den mensch, plaatsvinden propter munificentiam Dei, IV : 14, 2, 
zoodat h TCf) tcc f^vlieTrai ovrx èKOvaioog KTi^eiv re xoci TOietv Tspi tov ésov 
ieiKvuTxi niet alleen zijne ^vvxfAtQ maar ook Zijne kyxboTvig^ IV 38,3, 



Digitized by 



Google 



55 

en geschiedde Christi adventus propter salutem hominum, IV : 33, 1, 
dan zegt zoodanige woordenkeus en voorstelling, dat er geene 
sprake is van gebrek aan des mnnificators kant, en dat aan eene 
vermindering zijner schatten niet gedacht wordt. Deze gedachte 
is te meer onmogelijk, wanneer men leeft uit het denkbeeld: 
facere proprium est benignitatis Dei, IV : 39, 2. Wel treedt deze 
uitdrukking hier in een bepaald licht door de tegenstelling die 
volgt: fieri autem proprium est hominis naturae, maar de ge- 
dachte van eene uit zichzelf steeds werkende kracht, wordt aldus 
te sterker uitgesproken ; gelgk Irenaeus elders van God ook spreekt 
als totus f ons omnium bonorum. Il : 13, 3 e. a. Cf. „eene zeer 
overvloedige fontein", Nederl. Geloofsbel art. 1. 

VSTanneer men zulk eene voorstelling heeft, ligt het denkbeeld, 
dat de weldoener door het schenken zijner gaven uitgeput zoude 
raken, en dat de beweldadigde ontledigend en belemmerend op 
den gever konde terugwerken, buiten den kring der gedachten. 

Zoo wordt langs dezen weg bevestigd, wat wij reeds vroeger 
vonden, dat Irenaeus bij Jezus van gemis a.an heerlijkheid 
spreekt als Middelaar, als Deus incamatus, als reeds bekleed ge- 
dacht met de menschelgke natuur. Cf. IV : 38, 2 vv., vgl. Il : 22, 4, 
111:17,4; 16:6 cf. V;3l,2. Welke voorstelling ook nog daarin 
haar bew^'s vindt, dat Irenaeus niet leert, dat de Zone Gods 
eenmaal de menschelijke natuur wederom zal afleggen. Eene 
enkele uitdrukking zou zulk eene gedachte kunnen doen opkomen. 
Want als hij IV : 20, 5 zegt, dat God in het koninkrijk der he- 
melen patemaliter gezien zal worden, doordat de G^est homi- 
nem in Filio Dei voorbereidt, Tilio autem adducente ad Patrem, 
terwijl de Vader de onverderfelgkheid geeft in aetemam vi- 
tam, quae unicuique evenit ex eo quod videat Deum, dan 
konde men aldus redeneeren : indien de Zoon tot den Vader 
heenleidt, is Zijn arbeid volbracht, wanneer de mensch bij God 
gekomen is. Daarmee zou de vereeniging des menschen met 
God tot stand gebracht, en het zien van God verkregen zijn, 
zoodat eo ipso de bewerker dezer verbinding zijne beteekenis 
hadde verloren. 

Maar Jezus heeft als Middelaar bij Irenaeus rijker beteekenis 
dan van iemand, die alleen wederzij dsche vredelievendheid van 
gezindheid bewerkt, en den mensch om zoo te zeggen bij God 
introduceert. Harnace spreekt met betrekking tot deze zaak 
van „reale Erlösung'', en Loofs neemt den term „physische Er- 



Digitized by 



Google 



66 

lösungslehre*' over, H. B. E.^ Bd. 4 p. 39. Beiden verstaan er 
onder eene omzetting of verandering der menschelijke natuur 
uit den toestand van sterfelijkheid en vergankelijkheid in dien 
van onverderfelijkheid en eeuwig leven *). Desnoods liet ook dit 
zich nog denken als een eenmaal tot stand gebrachte daad, welke 
daarna onveranderlgk een feit bleef, zonder dat de bewerker 
er voortdurend de hand aan moest houden. Doch zoo onsamen- 
hangend was het verband tusschen Jezus en de geloovigen bij 
Irenaeus niet. Hij had behoefte aan, en zocht dus naar eene 
organische eenheid. Dies merkte hij, dat de Schrift Adam voor- 
stelt niet maar als een mensch gelgk anderen, doch als dengene 
uit wien heel de menschheid als eene eenheid is voortgesproten, 
en dat zij tegenover dezen Christus wederom toekent als het hoofd, 
uit wien de nieuwe menschheid als organische eenheid geboren 
wordt. Cf. III : 16, 6 : apponens semetipsum caput ecclesiae. Wel 
wordt hier blijkens principatus gedacht aan de positie van een 
gezaghebber. Maar in deze paragraaf betoogt Irenaeus, dat 
Jezus, om deze te kunnen innemen, aan de wereld, waarover 
Hij Zijn gezag uitoefenen zou, eerst in natuur verwant worden 
moest: hominem... in semetipsum recapitulans est, invisibilis 
visibilis factus .... uti sicut in supercaelestibus .... princeps erat 
Verbum Dei, sic et in visibilibus .... principatum habeat. Zoo- 
dat het hoofd-zijn der gemeente tot onderstelling heeft, dat Jezus 
organisch aan haar verbonden is. Cf. voorts voor Adam III : 23, 2 
en 1 ; 32, 4; V : 34, 2 ; voor Adam en Christus ibid. en V : 2, 1 : 
Dominus semetipsum Filium hominis confitetur, principalem homi- 
nem illum ex quo ea quae secundum mulierem est plasmatio, facta 
est, in semetipsum recapitulans ; III : 18, 1 ; V : 12, 3 ; III : 21, 10 ; 22, 
3 : Unde et a Paulo typus futuri dictus est ipse Adam, quoniam 
futuram circa Tilium Dei humani generis dispositionem in semet- 
ipsum fabricator omnium Verbum praeformaverat ; V : 16, 3 e. a. 
Jezus moest om ons van nut te zijn, worden quod nos eramus, 
en derhalve de substantie onzer natuur aannemen, suum plasma 
in semetipsum recapitulans, III : 22, 1 en 2 ; V : 14, 1 vv ; cf ibid. 



*) LooFS t. a. p. „Die Mensclilieit — das ist der Kern dieser physischen Er- 
„lösungslelire — hat dnrch den Sündenfall verloren wozn sie vordem die 
„Anwartschaft hatte, die a<p^»p(rt». Christus liat die in Adam abgebrochene 
„Entwichelung wieder aufgenommen xind zunSchst in seiner Person znm 
„Abschlnsz gebracht, mn dann der glanbigen Menschheit mitznteilen, was 
„seiner Menschheit zu Teil geworden war.'* 



Digitized by 



Google 



B7 

2 : quod fuit qui perierat homo, hoc salutare factum est Verbum ; 
per semetipsmn eam, quae esset ad eum communionem etexqai- 
sitionem salutis eius efficiens . . . ; V praef. Er was dus eene na- 
tuurlijke verwantschap en identiteit van natuur {pTrotrTxtTK; (rxpjcog) 
tusschen Christus en de Zgnen noodig. Opdat de verleider op 
rechtmatige wgze wierde overwonnen, zeer zeker ; UI : 18, 7 : si 
yccp [ivi kv^poüTCOq iviKijae rov kvri'jrxXov rov kvbpuTrov, ovx iv ^ixxiug 
èviKii^ii 5 è%^pog. Cf. ook Hagenb. § 68,4. Maar daarom niet 
alleen. Doch voomamel^'k, opdat de mensch deel aan de (^^S'^po-/^ 
verkrege, ibid.; en wel door sva(n(; aan God, of doordat God zich 
vereenigde Trpog ro 7rXx<rfix ocvtov^ ibid. en IV : 33, 1, en wg adunati 
werden incorruptelae et immortalilati, III: 19, 1, waarvoor deze 
eerst moesten worden quod et nos, ten einde het verderfelgke 
en sterfelgke wierde verslonden, en wij filiorum adoptionem per- 
ciperemus, t. a. p. 

Hiermee nu wordt de gedachte aangegeven, dat Jezus ook is 
de verbindingsschakel, die niet kan worden gemist, de geleiding 
a. h. w., door welke deze gaven steeds van God der menschheid 
toevloeien. Cf. III : 4, 2 : Die vanwege Zgne zeer uitnemende 
liefde jegens Z^'ne figmentum, eam quae esset ex virginegene- 
rationem sustinuit, ipse per se hominem adunans Deo, en geleden 
heeft onder Pontius Pilatus, opstond en in claritate receptus, in 
gloria venturus Salvator; cf V : 18, 2; 16, 2. Steun vindt deze 
voorstelling in de idee der xvxK€(px^xiu(ng, die blgkens de boven 
gegeven citaten bepaald ook op eene organische eenheid wgst, 
zoodat er leden z^*n, en derhalve onderscheid in beteekenis dier 
leden bestaat, cf. V:21, 1. En Christus is dan het hoofd. Kan nu 
in een normaal ontwikkeld, of althans volledig organisme geen 
enkel lid gemist worden, het minst van alle zou dit nog met 
het hoofd het geval zgn. En alzoo brengt de gedachte van 
eene recapitulatie door Christus; en daarmee die van de nieuwe 
menschheid, als antitype der eerste en oude, als een lichaam of 
organisch geheel; noodwendig tot de voorstelling, dat de Zone 
Gods zijne menschelgke natuur eeuwiglijk bezitten zal. 

Met dit punt hangt eindelijk ook nog samen, dat Irenaeus in 
zijne lezing van het symbool deze woorden geeft: t^v sjc toov 
oupxvcov èv ryi ^o^ifi rov Ylxrpoq 7rxpov<nxv xvrov Itti to ocvxKe^xXocicc- 
(Txcr^xt Tx TTxvTx^ 1 : 10, 1. Natuurlijk erkent hij met de gansche 
kerk, dat de Heere wederkomen zal in Zijne menschelijke natuur. 
Maar duidelgker nog formuleert Irenaeus desaangaande zelf 



Digitized by 



Google 



68 

m : 16, 8 : iix ryjv èv^xpjcov ivx^yjxf^iv xvtov. Die ook èv ryj xvrifi 

(TXpKU èv ^ KXi STTX^SV^ k>^6V(r6TXly T^V io^XV XTOKX^VTTKCiV TOV YlXTpOQ. 

Waarmee alle mogelijkheid van twijfel, of dit wel gezegd ware 
in verband met Jezus' menschelijke natuur, buitengesloten is. 

En nu houden de woorden in, dat Jezus straks, bij Zijne komst 
op de wolken, heerlgkheid, goddelijke heerlijkheid, de heerlijk- 
heid des Vaders van zich zal laten uitstralen; welke laatste uit- 
drukking blijkbaar als aanduiding van de hoogste goddelgke 
glorie dient. Die zal Jezus xtokx^vtttsiv^ natuurlgk doordat zij 
van Hem uitschittert ; cf . èv r^ Sö|j^, en III : 16, 6 : rursus venturus 
in gloria Patris. Zoodat dan de tijd voorbij is, waarin de Zone 
Gods terwille van onze zwakheid to (leysboq rvig Sö^>/%- xvtov 
omhuld houdt en tempert. 

Dit bevestigt de meening, dat IV: 38, 1 en 2 handelt over 
Jezus' komen oöx <^^ xvrog viBvvxro^ naar den toestand, waarin Hg 
de menschelijke natuur wilde aannemen; over Jezus als o 6eog 
(pxvepoo^sK; èv trxpKU als reeds in het bezit gedacht van de men- 
scheligke natuur. En niet handelt over het aannemen of hebben 
der menschelgke natuur op zichzelf en zonder meer, het enkele 
mensch-zijn, of het mensch willen zijn van den Zone Gods. In 
de tweede plaats doet het zien, dat Irenaeus niet ontkent, dat 
goddelijke heerlgkheid van Jezus door Zijne menschelijke natuur 
heen openbaar wordt en uitstraalt. En daarmede is implicite 
gegeven, dat voor zijn denken het mensch-zijn in zichzelf geene 
belemmering is voor het uitblinken dier glorie, en inzoover dus 
geene xevaa-ig bewerkt. 

Maar nu komt eene andere vraag aan de orde. Wg zagen, dat 
de menschelgke natuur, ook als zij haar reXog heeft bereikt en 
dus r€>,€tx geworden is, nochtans wezenlijk menschelijke natuur blijft. 
Ook kan zij nooit in de goddelijke natuur overgaan, omdat er 
tusschen haar en God een essentieel verschil bestaat, zoodat zij 
ook tot in eeuwigheid aan God onderworpen blijft: vTrorxyyi Sf 
èeov^ x(pdxp(rtx. Daarom moet dus ook Jezus' menschelijke natuur 
immer in wezen van Zijne goddelijke blijven verschillen. En dit 
is temeer noodzakelijk, opdat Hij de olicsiorvic; met ons niet ver- 
lieze, en alzoo het gansche werk der verlossing krachteloos make. 
Maar als dit alles nu zoo is, dan rijst de vraag, hoe hierbg de 
mogelijkheid bestaan blijft, dat Jezus de hoogste goddelijke heer- 
lijkheid door of in Zijne menschelijke natuur kan openbaren, en 
komen ev r^ io^^ tov Uxrpo^;^ doende kennen to fjt^ys^og rviq ^o^^ig xvtou? 



Digitized by 



Google 



59 

De bij Irenaeos gevonden gegevens behoeven slechts samenge- 
bracht te worden om het antwoord te geven. 

Omdat GKmIs natuur essentieel ongelijk is aan die des schepsels, 
en derhalve ongelijk ook aan die des menschen, en Hij, ipse 
sibimetipsi similis, sufficiens, iet kxtx tx xifr» uv, steeds allen alles 
verleent, kan geen schepsel, en dus ook de menschel^'ke natuur 
niet, ooit eenige de geringste nadeelige, belemmerende, reageerende 
werking op God uitoefenen, in welk opzicht ook. Geen schepsel 
kan verhooging van heerlijkheid aan God toebrengen, maar 
deze ook niet verminderen. Steeds blijft die heerlijkheid wat 
zij in zichzelve is. Maar ook kan geen schepsel deze heerlijk- 
heid ooit aan God openbaren, en Hem doen zien, wat Hij niet 
reeds kende. Evenmin echter hctar voor den Eeuwige verbergen, 
omsluieren en verhinderen, dat Hij haar zie. 

Omdat derhalve God Qod is, en als God onveranderlijk is in 
wezen, dus in heerlijkheid, dus in het zien en kennen dezer 
heerlijkheid, kan bij Hem nimmer sprake zijn van ontlediging 
of verberging Zijner glorie, ook wanneer zij heenstraalt door 
het geringste creatuur. 

Het schepsel laat God volkomen en in alles blijven die en 
zooals Hij is, wat dat schepsel ook z^*, of wat het uitvoere. Dit 
geldt tegen de leer der ttAöi/twö-/^ zoowel, als tegen die der x^ i/ojö-/^, 
onder welken vorm en met betrekking tot welk punt zij zich 
aandienen. Iets hieraan te kort te doen, is de goddelijke natuur 
aantasten, van welke Irenaeus met zooveel nadruk de aan het 
schepsel ongelijkheid des wezens uitgesproken en gehandhaafd heeft. 

In de tweede plaats wil Irenaeus niet weten van wezens 
tusschen den eenigen en hoogsten God, én het schepsel. Er be- 
staan volgens hem slechts twee : God en schepsel, Creator en 
creatura. Is nu alle mogelijkheid om aan Gods kant zelfs maar 
te denken aan vernedering of ontlediging, die het mensch-zijn 
in se voor den Zone Gods meebrengen zou; althans wat betreft 
gehinderde uitstraling of waarneming en genieting der hoogste 
goddelijke heerlijkheid; afgesneden, dan blijft alleen te rekenen 
met het schepsel. 

Dat heeft tegenover het facere van God, tot eigenaardigheid 
het fieri, IV : 39, 2, wat zeggen wil, dat het bestaat en leeft in 
volkomen afhankelijkheid van God. En dus kan het, al naar de 
werkingen Gods te zijnen aanzien rijker of minder rijk zijn, 
meer of minder genieten. 



Digitized by 



Google 



58 



m : 16, 8 : X/oj ttjv èvtrxpKov ocvxKviypiv xvrov. Die ook èv n^ xvryi 
^xpKU èv ij\ KXt BTCX^sv^ è^€V(r€TXi, Tviv io^xv xTTOKX^vTTKcav Tov UxTpog, 
Waarmee alle mogelijkheid van twijfel, of dit wel gezegd ware 
in verband met Jezus' menschelijke natuur, buitengesloten is. 

En nu houden de woorden in, dat Jezus straks, bij Zijne komst 
op de wolken, heerlijkheid, goddelijke heerlijkheid, de heerlijk- 
heid des Vaders van zich zal laten uitstralen; welke laatste uit- 
drukking blijkbaar als aanduiding van de hoogste goddelijke 
glorie dient. Die zal Jezus xwokxXvttsiv, natuurlijk doordat zij 
van Hem uitschittert ; of. èv ryi So?^, en III : 16, 6 : rursus venturus 
in gloria Patris. Zoodat dan de tijd voorbij is, waarin de Zone 
Gods terwille van onze zwakheid ro (JLsysbog Tvig ^o^m xvtou 
omhuld houdt en tempert. 

Dit bevestigt de meening, dat IV : 38, 1 en 2 handelt over 
Jezus' komen ovx ^^ xvrog yjivvxro^ naar den toestand, waarin Hij 
de menschelijke natuur wilde aannemen; over Jezus als o ieog 
(pxvspoo^sK; èv ^xpKU als reeds in het bezit gedacht van de men- 
schelijke natuur. En niet handelt over het aannemen of hebben 
der menschelgke natuur op zichzelf en zonder meer, het enkele 
mensch-zijn, of het mensch willen zijn van den Zone Gods. In 
de tweede plaats doet het zien, dat Irenaeus niet ontkent, dat 
goddelijke heerlijkheid van Jezus door Zijne menschelijke natuur 
heen openbaar wordt en uitstraalt. En daarmede is implicite 
gegeven, dat voor zgn denken het mensch-zijn in zichzelf geene 
belemmering is voor het uitblinken dier glorie, en inzoover dus 
geene jcsvatng bewerkt. 

Maar nu komt eene andere vraag aan de orde. Wij zagen, dat 
de menschelijke natuur, ook als zij haar rs^og heeft bereikt en 
dus TsXsix geworden is, nochtans wezenlijk menschelijke natuur blijft. 
Ook kan zij nooit in de goddelijke natuur overgaan, omdat er 
tusschen haar en God een essentieel verschil bestaat, zoodat zij 
ook tot in eeuwigheid aan God onderworpen blijft: vTcoTxyvi Sf 
êsov^ xüpSrxpo'ix. Daarom moet dus ook Jezus' menschelijke natuur 
immer in wezen van Zijne goddelijke blijven verschillen. En dit 
is temeer noodzakelijk, opdat Hij de oÏKsiorvig met ons niet ver- 
lieze, en alzoo het gaagche werk der verlossing krachteloos make. 
^""'^'' '^ is, dan rijst de vraag, hoe hierbij de 

dat Je zus de hoogste goddelijke heer- 
mn^HnÖke natuur kan openbaren, en 
nen ro (j^eyeboq r^q lo^viq xxiTOu? 



Maar als d?*^ 
mogelijk! 
lijkheid 
ie 




Digitized by 



Google 



59 

De bij Irenaeas gevonden gegevens behoeven slechts samenge- 
bracht te worden om het antwoord te geven. 

Omdat Gknls natuur essentieel ongelijk is aan die des schepsels, 
en derhalve ongelgk ook aan die des menschen, en Hij, ipse 
sibimetipsi similis, sufficiens, xet kxt» t» otin» av^ steeds allen alles 
verleent, kan geen schepsel, en dus ook de menschelijke natuur 
niet, ooit eenige de geringste nadeelige, belemmerende, reageerende 
werking op Gk)d uitoefenen, in welk opzicht ook. Geen schepsel 
kan verhooging van heerlijkheid aan Gk)d toebrengen, maar 
deze ook niet verminderen. Steeds blijft die heerlijkheid wat 
zij in zichzelve is. Maar ook kan geen schepsel deze heerl^'k- 
heid ooit aan God openbaren, en Hem doen zien, wat Hij niet 
reeds kende. Evenmin echter haar voor den Eeuwige verbergen, 
omsluieren en verhinderen, dat Hij haar zie. 

Omdat derhalve Qtod Qod is, en als God onveranderlijk is in 
wezen, dus in heerlijkheid, dus in het zien en kennen dezer 
heerlijkheid, kan bij Hem nimmer sprake zijn van ontlediging 
of verberging Zijner glorie, ook wanneer zij heenstraalt door 
het geringste creatuur. 

Het schepsel laat God volkomen en in alles blijven die en 
zooals Hij is, wat dat schepsel ook zij, of wat het uitvoere. Dit 
geldt tegen de leer der irXovrca^K; zoowel, als tegen die der Kevco^ig^ 
onder welken vorm en met betrekking tot welk punt zij zich 
aandienen. Iets hieraan te kort te doen, is de goddelijke natuur 
aantasten, van welke Irenaeus met zooveel nadruk de aan het 
schepsel ongelijkheid des wezens uitgesproken en gehandhaafd heeft. 

In de tweede plaats wil Irenaeus niet weten van wezens 
tusschen den eenigen en hoogsten God, én het schepsel. Er be- 
staan volgens hem slechts twee : God en schepsel, Creator en 
creatura. Is nu alle mogelijkheid om aan Gods kant zelfs maar 
te denken aan vernedering of ontlediging, die het mensch-zijn 
in se voor den Zone Gods meebrengen zou; althans wat betreft 
gehinderde uitstraling of waarneming en genieting der hoogste 
goddel^'ke heerlijkheid; afgesneden, dan blijft alleen te rekenen 
met het schepsel. 

Dat heeft tegenover het facere van God, tot eigenaardigheid 
het fieri, IV : 39, 2, wat zeggen wil, dat het bestaat en leeft in 
volkomen afhankelijkheid van Qod. En dus kan het, al naar de 
werkingen Gods te zijnen aanzien rijker of minder rijk zijn, 
meer of minder genieten. 



Digitized by 



Google 



60 

Doch nu moet er allereerst mee gerekend worden, dat al wat 
schepsel is, krachtens dat zijn zelf van creatuur, nimmer de godde- 
Igke heerlijkheid in zich kan opnemen en haar nooit zien of kennen, 
zooals zij voor het goddelijk oog uitblinkt. „Gij zoudt mijn aan- 
gezicht niet kunnen zien: want Mij zal geen mensch zien en 
leven", Ex. 33 : 20. Het schepsel vermag Gods heerlijkheid, hoe 
rijk en goddelijk ook uitstralend, slechts op creatuurlijke wijze 
te zien. Dat geldt altoos van alle schepsel. Dies ook van Jezus' 
menschelijke natuur, Facere enim proprium est benignitatis Dei, 
fieri autem proprium est hominis naturae, IV : 39, 2. vTrorxyyj 
?£ êêov, x(pSrxp(rix, 38, 3. Ulam principalem Patris plasmationem 
in se recapitulans, exquirens id quod perierat, V, 14, 2, cf. ook 3. 
Aix ry^q ïBixg wpog iKXTspoug ohetorvjTrog, III : 18, 7. Impossibile est men- 
surari Deum, IV : 20, 1 ; obedientes ei semper discimus, quoniam 
est tantus Deus, ibid. God heeft Zijne heerlijkheid inZichzelven 
en doet haar van Zichzelven uitstralen. Het schepsel kan haar 
alleen in zich opnemen. Dat moet ontvangen. Daaraan moet 
zij geopenbaard worden. Cf. III : 16,8 : tijv io^xv xttokx^vtttuv tov 
xxrpog In mate en vorm geaccommodeerd aan de bestaansmanier 
van het schepsel. Cf. IV : 38,1 : ovtoh xoopovfj^svoq^ ug xvSrpuTrog 
xvTov %upstv yi^vvxTo. Nu volgt hieruit alverder, dat deze voor 
het schepsel waarneembare heerlijkheid nog weer heerlijker zal 
stralen door een rijker aangelegd schepsel. Atx to wiwiov vanden 
mensch (rmsvviTrtxt^s Jezus met hem. Doch dit was slechts tijde- 
lijk. Het T6)^iov moest komen. En dan zou vi io^x xötov van 
Hem als van eenen rsXsm uitstralen, wanneer de mensch op 
de hoogte gebracht zou zijn, om dat te kunnen verdragen. 

Nu rust deze voorstelling op de gedachte, dat God door middel 
van het schepsel zich als God kan doen kennen, en dat het zien 
Zijner heerlijkheid qua goddelijke heerlijkheid niet als conditie 
sine qua non den eisch meebrengt van een aanschouwen Gods 
zonder bemiddeling van eenig creatuur, van een immediate zien 
van het goddelijk wezen en de goddelijke glorie, van een visio 
Dei per essentiam. Het kon den schijn hebben, alsof Irenaeus 
zulk eene visio Dei per essentiam als einddoel, waarnaar alles 
streeft, leert. IV : 38, 3 : dsoq yxp o (jls^Xoov opxrSrxi, opxtng Sf ésov 
TrspiTTODjTiKvi xCpSrxp^txg. Cf. 20,5. • 

Dit is opzichzelf te minder onmogelijk, waar hij, vanwege het 
door hem gestelde onderscheid in wezen tusschen God en crea- 
tuur gevrijwaard tegen nadeelig gevolg, die aanraking met het 



Digitized by 



Google 



61 

schepsel voor God zoude kunnen hebben, veel moeite doet om, 
tegenover het beweren der Valentinianen aangaande eene eeuwige 
scheiding tusschen den Bythos en de wereld, de nauwe verbin- 
ding van beiden in het licht te stellen. Omnia ex semetipso 
fecit. En het Woord, dat zelf de hoogste en eenige Q-od is, 
omnia continet, gubemat, disponit; in hoc mundo existens, in 
universa conditione infixus, V : 18, 3. Er bestaat dus eene onmid- 
dellijke aanraking Gods van het creatuur. Met het oog daarop 
zou een immediate zien van God door het schepsel niet 
apriori voor onmogelijk moeten gehouden worden. Ofschoon dit 
zien dan kon bleven een zich laten, een zich doen zien ; dat wil 
dus zeggen : openbaring, geaccomodeerd ook aan eens ieders wijze 
vaD zijn. Maar zou alzoo de mogelijkheid niet kunnen geloo- 
chend worden, dat Irenaeus aan eene visio Dei per essentiam 
dacht, eene andere vraag is, of hij feitelijk het alzoo bedoelde; 
of beter wellicht: of hij krachtens Zijne praemissen noodwendig 
haar leeren moest, of zij beantwoordt aan heel het gedachten- 
systeem, dat in Zijn werk voor ons treedt. 

Vóór we hierop ingaan, zij eerst de opmerking gemaakt, dat 
de term visio Dei per essentiam op zichzelven niet duidelijk is 
Vooreerst kan er van een lichamelijk, én van een geestelijk 
zien gesproken worden. Origenes maakte de Princ. I, 1 hier- 
tusschen terecht een helder onderscheid. Want nadat hij § 8 
gezegd had: Non enim (ut quidam putant) natura Dei alicui 
visibilis est et aliis invisibilis .... nulla natura cui visibilis 
sit Deus, stelde hij later, als antwoord op de tegenwerping, dat 
dan zelfs de Eengeborene Gods natuur niet zou kunnen zien: 
aluid est videre, aluid cognoscere; videri et videre corporum est, 
cognosci et cognoscere intellectualis naturae est. Al heeft deze 
duidelijke onderscheiding bij Origenes nu ook haar keerzij, en 
is niet alles goud wat hier blinkt, niettemin weten we aldus, 
waaraan ons te houden. Wijl nu God naar Irenaeus' voorstel- 
ling niet materieel bestaat, doch een geestelijk wezen is, behoeft 
hier met opa<rSrxi en opx(rfg ook slechte gerekend te worden als 
ziende op een kennen, op eene werkzaamheid des geestes. 

Wat in de tweede plaats het „per essentiam" aangaat, Irenaeus 
bezigt den term, voorzoover mij bekend is, niet. Men zou er mee kun- 
nen doelen op de essentia Dei, maar ook op die der creatuur. En 
dienovereenkomstig zou visio Dei per essentiam kunnen beteekenen : 
a. een kennen van God (gen. obi.) door middel van Gods eigen wezen. 



Digitized by 



Google 



62 

Deze kennis bezit God zelf. Doch het geschil loopt over de vraag, of 
ook het creatuur haar bezitten kan, wel niet op goddelijke wijze 
en in goddelijkea omvang, maar dan toch bezitten eene kennis 
aangaande God door het onmiddellijk zien van Gods wezen; 
b, een kennen van God door (ab) het schepsel, door middelvan 
(per) des schepsels eigen wezen. ^) Nu zou het tweede geval geen 
immediate zien van God geven. Omdat dan het eigen wezen 
des schepsels als medium diende. 

Principieel gaat de strijd dus over het eerste: of het schepsel 
God kennen zal door het unvermittelt, immediate (geestelijk) aan- 
schouwen van Gods wezen? Waardoor we ten aanzien van Irenaeus 
de vraag krijgen, of hij krachtens zgne praemissen hierop nood- 
wendig bevestigend zoude hebben behooren te antwoorden. 

In principe nu wordt deze kwestie beslist door het antwoord 
op deze andere vraag, of volgens Irenaeus God qua God uit 
eenig creatuur voor het schepsel kenbaar is? Zoo neen, dan 
bleef er geen andere weg over, dan die van het onmiddellijk 
zien. Maar dan zou ook volgen, dat er nu geene kennis van 
God op aarde bestaat. Dat alzoo God zich uit Zijne werken niet 
kennen doet, dat de Zoon Hem niet openbaart, dat wij van God 
niet weten, dat Hij is, en nog minder, wat Hij is. Slechts van 
het creatuur zouden wij dan kennis hebben. 

Het is evenwel zaak, zich hier voor verwarring te hoeden. 

De kennis, welke het schepsel bezit, is en blijft altoos crea- 
tuurlijk in oorsprong, mate en wijze; eene creatuurlijke kennis. 
Zoowel wanneer het God kent, als wanneer eenig creatuur object 
zijner kennis is. 

Nimmer wordt zijn kennen, in welk opzicht ook, gelgk aan het 
kennen Gods. Maar dit sluit niet uit, dat het schepsel God kennen 
kan. Of wanneer het creatuurlijkkarakter zijner ken wijze belette, 
kennis aangaande God te verkrijgen, dan zou men hierbij niet 
kunnen blijven staan, maar voort moeten schrijden tot de looche- 
ning van alle kennis in het algemeen. Want A kent B, C 
en al het overige alleen op de wijze van zijn eigen A-bestaan, 
nimmer op de manier van B enz. Zoodat de kennis, welke A 
van B heeft, verschilt van die, welke B van zichzelven heeft. 
Evenzeer van die, welke C omtrent B bezit. Het subjectieve 



^) cf. voor den term visio Dei per essentlam, de verhandeliiig van den 
meestal scherp en dikwerf keurig ondersclieidenden Voetins, Disp. Sel. V. 



Digitized by 



Google 



63 

spreekt in de wijze en mate van kennen een woord mee. Doch 
wanneer dit de kennis onmogelijk maakte, dan zou A niet alleen 
B niet kennen, maar ook C niet, noch iets anders. Hoogstens 
kende hij zichzelven. Dit zou evenzeer gelden van B, van C, 
en van allen die er zijn, geweest z^n of zullen wezen. Feitelijk 
was er dan geene kennis. Zelfs niet eens bg Qod. Tenminste niet 
van wat niet-God is, omdat God en schepser verschillen, en omdat 
God het creatum* niet kent op gelijke wijze als het schepsel zelf 
zich kenty hoe volledig Zijne kennis daarvan ook zij, volkomener 
dan ooit eenig schepsel zelf zich kennen zaL Hij is God en blijft 
dat, ook in de manier waarop Hij zijn schepsel kent Zijne kennis 
is eene goddelgke, ook wanneer zij zich richt op het creatuur. ^) 
Nu leert Irenaeus wel, dat er kennis is ; en ook, dat het schepsel 
God kent, zij het ook, doordat de Zoon den Vader kennen doet. 
rV : 6, 4 : Dominus autem non in totum non posse cognosci et 
Patrem et Filium dixit: ceterum (annot 2 Editores observant, 
ita scriptum esse pro alioquin) supervacuus fuisset adventus eius. 
ni: 11, 6: want H^, de Zoon, die in den schoot des Vaders is, 
Patrem, invisibilem exsistentem, omnibus enarrat. IV : 6, 1 en 4 : 
de Heere leerde ons, on 6eov êïievxi ov^etg ivvxrxi (Ji^vi ovxt i^ov 
^o^a^ovTogj d. w. z. dvev êêou fiij yiva)(nc€<rSrxi tov ésov. Maar xvto 
To yivcatryufrbxi rov êeov, ^e^tjfix ehxi rov UxTpog, En dus kan 
er alleen nog sprake wezen van een vollediger en langs 
anderen weg of op andere manier kennen van God, dat de 
onderscheiden schepselen in de verschillende tijden en straks 
in de eeuwigheid doen. Cf. IV : 5, 6 ; 20, 7. Zoodat het kennen 
in de eeuwigheid met het oog op die volkomenheid van wgze 
en mate een ipx(ng of visio heet. En nu zeide Irenaeus IV : 6, 6, 
dat de Logos per ipsam conditionem revelat conditorem Deum, 
et per mundum fabricatorem mundi dominum, et per plasma eum 
qui plasmaverit artificem, et per Filium eum Patrem qui genera- 
verit Filium. Hieruit blijkt, dat zgne voorstelling deze is, 
dat de Zoon den Vader kennen doet door middel van het schepsel. 
Qod wordt dus qua God gekend uit Zijne werken en zóó, dat 
ieder creatuur naar den aard van Zijn wezen en bestaan, op 
eene eigene wgze Gods deugden verkondigt. Er is onderscheid. 
En er is een zich bij elkander aansluiten. Waarom tö töw dfow iAöv, 
in creatuurlijke mate en vormen, door het schepsel eerst gekend 



') cf. hierb^ ook Dr. A. Kuypbb, De Engelen Gk>ds, p. 226/226. 



Digitized by 



Google 



64 

wordt, wanneer het alle de verhoudingen, waarin God zich tot heel 
de schepping stelt, doorziet, maar dan ook zóó doorschouwt,^ 
dat het daarin zelfs de persoonsonderscheidingen binnen het god- 
delijk wezen merkt. 

Is dit volgens Irenaeus mogelijk? Liggen er aanduidingen voor 
eene dergelijke gedachte in Zijne woorden opgesloten? 

Allereerst. God is Schepper in Zichzelven. Maar Hem als 
Schepper te doen kennen, vermag ook het creatuur. Of juister: 
God is in staat om zich per conditionem als Schepper te 
openbaren. Ten tweede onderscheidt Irenaeus de verschillende 
momenten : per conditionem als conditor, per mundum als fabri- 
cator, per plasma als artifex, per Filium als Pater. Dus komen 
aan de orde de onderscheiden elementen, die achtereenvolgens 
het hoofdmoment vormen der begrippen jcTKrig^ jcofj-f^og, T^x<rf^x, vkg, 
In de derde plaats leert hij een samenhang tusschen al het ge- 
schapene, zoodat conditie propter hominem fiebat, IV : 7, 4 ; cf. 
IV : 20, 4 : hic est autem Demiurgus, qui et mundum hunc attribuit 
humano generi; en de menschheid eene eenheid is, die uit den 
eersten mensch voortkwam niet alleen, maar waarbij Adam eene 
zoodanige beteekenis voor de menschen gezamenlijk heeft, dat hij 
ook de eerste moest wezen, die behouden werd. Hic est ... . Adam, 
si oportet verum dicere, primiformis ille homo de quo Gen. 1 : 26a ; 
nos autem omnes ex ipso ; en naardien wij uit hem zijn, propterea 
quoque ipsius hereditavimus appellationem. Quum autem salvetur 
homo, oportet salvari eum, qui prior formatus est homo. Aangezien 
het nimis irirationabile est illum quidem, qui vehementer ab inimico 
laesus est et prior captivitatem passus est, dicere non eripi door Hem, 
die den vijand overwonnen heeft, ereptos vero filios eius, die hij 
in eadem captivitate verwekte, III : 23, 2 ; cf. 22, 4. Voorts 23 : 1--8. 
7: Illius enim salus, evacuatie est mortis. Domino igitur vivifi- 
cante hominem, id est, Adam, evacuata est et mors. 8 Onwaar- 
heid spreken derhalve allen, qui contradicunt eius saluti, semper 
seipsos excludentes a vita, daardoor dat zij niet gelooven, dat het 
schaap gevonden is, dat verloren was. Si autem illa non est 
inventa, adhuc possidetur in perditione omnis hominis generatie. 
Waardoor ten vierde te meer beteekenis krijgt, dat Jezus onze 
menschelijke natuur, moest aannemen, V : 14, 3, doch ook, dat 
Irenaeus noodig keurt, dit aldus uittedrukken, ibid. 1 : habuit ipse 
(scil. Dominus noster) camem et sanguinem, illam principalem 
Patris plasmationem in se reoapitulans, exquirens id quod perierat. 



Digitized by 



Google 



66 

Al verder leert Irenaeus ten vijfde, dat de mensch, om deel te 
Ixebben aan de onsterfelijkheid, met God moest vereenigd worden, 
in : 8, 7, en dat Christus deze unio tot stand brengt, i^vu(r€ ... rov 
xvS^puTTOv Tcp êscf}^ ibïd., door zelf de menschelijke natuur propter 
salutem hominis aan te nemen, lY : 33, 11. Zoodat Jezus niet 
alleen God en mensch met elkaar verzoent en den mensch bij God 
binnenleidt, maar zelf ook het verbindingslid vormt, door hetwelk 
de i0^xpffix van God aan de nieuwe menschheid geschonken 
wordt, ni : 4, 2 ; V : 18, 2 ; 16, 2. En hiervoor wordt een orga- 
nische samenhang van die menschheid vereischt. 

Is ten zesde ipx<n<; 6eov wspiTrotviriKvi iCpSrxp<nxg^ IV : 38, 3, dan 
moet het gevondene nader met de visio Dei in verband gebracht 
worden, met de kennis van God, met Zijne openbaring en mani- 
festatio. 

Kan het schepsel, welks naturae proprium est fieri, tegenover 
facere als proprium Dei benignitatis, God kennen alleen door- 
dat Deze zich te kennen geeft; zich openbaart in vormen en 
mate als met de bestaanswijs van het creatuur overeenkomt; 
en is kennis van God als God uit Zijne werken verkrijgbaar, 
zoodat God zich zelfs te heerlijker manifesteert, naarmate Hij een 
te rgker gevormd schepsel voortbrengt ; en is de gansche schepping, 
nader de menschheid, en speciaal de nieuwe menschheid, één 
organisch geheel; dan straalt er van dat organisch geheel eene 
volheid van relatiën uit, waarin God zich tot de schepping stelt ; 
en het rijkst en heerlijkst openbaart Hg Zijne deugden dan door 
dat lid, hetwelk de voornaamste of schoonste positie inneemt. 
Bg een organisme als ons lichaam is dit lid het hoofd. Dat bevat 
in zich en straalt van zich uit een schoonheid, als geen ander 
lid in staat is te openbaren en in zich te bevatten. Het hoofd 
overtreft dienaangaande elk ander lid. Is nu Christus het Hoofd 
der nieuwe menschheid, en alzoo van heel de schepping, dan kan 
Hij de hoogste goddelijke heerlijkheid in zich dragen en door 
zich laten heenstralen, waarvoor eenig creatuur vatbaarheid bezit. 

Alzoo blgft het in alle opzichten eene gtan het creatuur, of aan 
zijne bestaanswgze geaccommodeerde heOTlijkheid: in oorsprong, 
in mate, in vormen enz. Maar alle schepselen kunnen de god- 
delijke heerlijkheid niet anders dan als creaturen in zich opnemen. 
Want het : finitum non est capax infiniti, geldt van hen evenzeer 
als van Jezus' menschelijke natuur. Ware hier vergelijking moge- 
lijk, dan konden we zeggen: nog te meer. 

5 



Digitized by 



Google 



66 

Zoodat Jezus naar Zgne menschelijke natuur het schepsel is, 
dat in de volste mate en in den rijksten zin dienen kan ter 
openbaring van de glorie van den drieeenigen God. 

Openbaren niet voor God, als zag Hij zelf deze Zijne heerlijk- 
heid tevoren niet. Want in zulk eenen zin kan niets aan God 
geopenbaard worden, evenmin als zich iets voor Hem verbergen 
kan. Ofschoon de Heere zelf ook in dit werk Zijner handen zich 
verblijdt, cf. Ps. 104 : 31. Maar openbaren of uitstralen voor het 
creatuur. Het schepsel toch kan, wijl creatuur, Gods Sö?öj niet in 
zich bezitten noch opvangen op eene wijze, als God zelf haar 
heeft en geniet. Finitum non est capax infiniti. Doch haar op- 
vangen alleen in den hoogsten vorm, waarvoor het innerlijk 
bestand des schepsels deugt. Een nog hoogere openbaring zou 
het doen vergaan. En alzoo kan geen schepsel Gods heerlijkheid 
in uitnemender en voller mate verdragen, dan zij uitstraalt van 
Jezus' menschelijke natuur. Want Hij is de schoonste van de 
kinderen des menschen, cf. Ps. 45 : 3a. 

Aldus heeft de voorstelling van het menschelijk geslacht als 
een organisme inhoud; krijgt Irenaeus' onverbiddelgk staan 
op de identiteit van Jezus' menschelijke natuur met de onze 
te meer beteekenis; heeft de gedachte van eene €vu(ng des 
menschen aan God, of van God Tpog to TtKxfTiix^ zin; en mag 
er inderdaad van recapitulatie gesproken worden. 

Uit dit alles vloeit voort, dat in Irenaeus' geheel van denk- 
beelden geene plaats is voor de gedachte, dat Jezus eenmaal 
Zgne menschelijke natuur wederom zal afleggen; en dat eene 
visio Dei per essentiam of immediate, niet door hem behoefde 
geleerd te worden. 

Nu zij er ten zevende nogmaals aan herinnerd, dat Irenaeus 
van Jezus' wederkomst op de wolken belijdt, dat zij geschieden 
zal Iv rif} io^ifi Tov Txrpog^ waarbij Jezus de heerlijkheid des Vaders 
openbaart ; dat de Vader zich geopenbaard heeft door den Zoon, 
en dat de Zoon Zichzelven én den Vader kennen doet. 

Trouwens, het een staat en valt met het ander. 

God kan zich door middel van eenig schepsel als God doen ken- 
nen, of niet. Zoo neen, dan is er geene kennis van Hem door 
middel van (per) eenig creatuur verkrijgbaar. Zelfs bestaat er dan 
geene mogelijkheid, dat een schepsel kennis van God bezitte. Maar 
als dit niet houdbaar is, dan volgt, dat God zich ook in den 
rijksten zin per creaturam openbaren kan, voorzoover n.m.1. het 



Digitized by 



Google 



67 

schepsel in staat is Gods openbaring te verdragen. Terwijl het 
rijkst door God gezegende creatuur Jezus* menschheid is. 

Zoo kan er van vernedering of ontlediging van den Zone Gods 
alleen gesproken worden in verband met de gesteldheid en de 
positie Zijner menschelijke natuur. Van Hem dus als Middelaar, 
zooals Hij gedacht wordt reeds met de menschelijke natuur 
zich te hebben bekleed. Niet het mensch-zijn zelf reeds is als 
vernedering te beschouwen. Want van ontlediging weet de 
Goddelijke natuur op zichzelve niet af. En toen Jezus' men- 
schelflke natuur opgevoerd werd tot de hoogste hoogte, waarvoor 
zij krachtens haar door God bepaalde wezen vatbaar was, om 
dienst te doen als rijkst ingericht orgaan ter openbaring Zijner 
heerlijkheid aan schepselen (waarinGodzelf zich verlustigt), hield 
alle vernedering of ontlediging op, zonder dat deze menschelijke 
natuur in eenig opzicht de haar als creatuur gestelde perken 
overschreed. Juist de voorstelling, dat er dan toch nog wel van 
vernedering of ontlediging moest gesproken worden, zou het 
finitum non est capax infiniti niet eerbiedigen. Dan toch stelde 
men, dat de hoogste vereeniging tusschen God en schepsel voor 
God ongepast is, alsof eenig schepsel den Schepper zoude 
kunnen compromitteeren. Deze voorstelling moest, ware zij con- 
sequent, voortgaan en, op de wijze van de Gnostieken, loo- 
chenen, dat God de wereld heeft geschapen en onmiddellijk 
door Zijne alomtegenwoordige kracht alle ding in stand houdt 
en leidt. Doch men wandelde dan niet in het spoor, waarin 
Irenaeus ons voorging, en deed te kort aan het onderscheid in 
wezen tusschen God en schepsel, dat hij zoo krachtig hand- 
haafde. 

Hij is de man, die, tegenover het Gnosticisme, de wezensonge- 
lijkheid van Creator en creatura in het algemeen scherp uitsprak 
en doorvoerde. Daarmee was de grondslag voor de volgende 
theologische en christologische ontwikkeling gelegd. Zijn gedachten 
behoefden slechts vollediger uitgewerkt te worden : allereerst 
inzake het verschil in zoonschap Gods van Jezus en in kind- 
schap Gods, dat het deel der geloovigen is ; en ten tweede bij 
Jezus zelven met betrekking tot de verhouding Zijner beide 
naturen. Zelf bood Irenaeus desaangaande niet onbelangrijke 
uitspraken. Maar veelszins kon daarbij toch ook niet anders ge- 
redeneerd worden dan per consequentiam, uit de door hem ge- 
stelde praemissen. God liet het aan de volgende tijden over, 



Digitized by 



Google 



68 

de conclusies met bewustheid, opzettelijk en breed, te trekken 
en te adstrueeren. Maar dit was ontwikkeling. Zakelijk bood 
het geen nieuws. De bloemknop brak open. De christelijke geest 
werd zich bewust van hetgeen in het gegevene lag opgesloten. 
En vanwege den drang der omstandigheden stalde hij den schat 
uit, dien hij reeds, ofschoon daarvan tevoren zich minder be- 
wust, in eigendom bezat. 

De groote man, die na Irenaeus allereerst volgt, is Athanasius. 
Maar ook deze schreef door den nood gedrongen *). De dwaling 
noopte hem. Die van het Arianisme. En deze hangt saam met 
hetgeen geleeraard was door Origenes; een man die èn veel 
goeds èn veel verkeerds in zijn denkbeelden had. Eensdeels bood 
hij aanvulling van Irenaeus. Want waar deze niet opzettelijk 
gepoogd had, recht inzicht te verschaffen in de verhouding van 
Vader en Zoon, en wel van generatie sprak, maar dit begrip 
niet uitwerkte, daar deed Origenes dit laatste wel en kwam alzoo 
tot de helderheid der kennis, dat de Vader den Zoon genereert 
in een nooit begonnen, steeds perfect, en eeuwig doorgaand 
proces, even noodzakelijk als de zon stralen moet, omdat zij zon 
is, en eene fontein water opwelt, zal zij bron kunnen heeten. 
Die gedachte ging niet weer verloren, maar hielp ook mannen 
als Athanasius, om de innerlijke noodzakelijkheid der. eeuwige 
generatie en de o(jLoov(Tia des Zoons met den Vader te beter tegen 
het Arianisme te verdedigen *). 

Doch Origenes leerde ook, dat de Zoon aan den Vader onder- 
geschikt was (subordinatianisme). En deze voorstelling staat in 
nauw verband met heel zijn systeem. Want daarin heerscht de 
idee der rangordening, zoodat de Vader de hoogste plaats 
inneemt, en de stof de laagste. Feitelijk trok hij de grenslijn 
niet tusschen God en wereld, zooals Irenaeus deed, maar op 
soortgelijken trant, licet aliis verbis, als de Gnostieken, tusschen 
geest en stof; dan voorts nog zoo, dat ook hierbij graadsgewijze 
opklimming en afdaling bestond, en het een tot het andere 
scheen zich te kunnen vervluchtigen, of door afkoeling te ver- 
dikken. Aan het wezensonderscheid tusschen God en schepsel 
liet hij derhalve geen volle recht wedervaren. Het Gnosticisme 

^) cf. LooFS, H. R E.' Bd. 2, p. 198 : Gelehrtes Interesse kat ikm (t. w. 
Atkanasius) gefehlt, oder ist bei ilmi absorbirt durch die Zeitinteressen. 
Athanasins' bedentendste Werke sind Gelegenheitsschriften. 

2) cf. een paar citaten van beiden bg Scholtkn, L. H. K.* Il p. 207, 2. 



Digitized by 



Google 



69 

overwon hij in dezen niet. En dit schijnt niet zonder beteekenis 
te zijn geweest voor de volgende ontwikkeling van het denken 
der Christenheid. Van veel, dat latere dwalingen inhielden, kun- 
nen we „Anklange" bg hem beluisteren. Alzoo is hg een man, 
wiens denkbeelden zoowel voor de ontwikkeling in de goede 
richting, als voor die der afwijkingen vruchtbaar schijnen geweest 
te zijn, zoodat het noodig is, ook daarvan nader kennis te 
nemen. 

Nu wordt hier niet beweerd, dat Origenes steeds met heldere 
bewustheid poneerde, wat er feitelijk in zijn beweren lag opge- 
sloten. Maar wat hij opzettelijk, met volle bewustheid, ont- 
wikkelde, heeft de volgende tijden niet beheerscht. 

Ten tweede is het niet altoos gemakkelgk aan te toonen, dat 
gelijkheid van gedachten bg twee schrijvers inderdaad op gene- 
tischen samenhang berust. Vaak moet met het aan wg zen van 
overeenkomst volstaan worden. Dat is bg deze studie te meer 
noodig vanwege het uitgebreide onderzoek, dat vereischt zou 
worden, om Origenes* direkten en indirekten invloed op de be- 
weringen, welke de eerste twee eeuwen na hem op het gebied 
der theologie, in zoover het onderwerp dezer studie daarbij be- 
trokken is, gehoord werden, na te gaan. 



Digitized by 



Google 



VIERDE HOOFDSTUK. 



I. Clemens Alexandbinüs, en II. Origenbs. 

I. In tijdsorde gaat nog aan Origenes vooraf Titus Flavius 
Clemens, gemeenlijk alleen Clemens, doch ter onderscheiding 
van Clem, Romanus, Alexandrinus, genoemd *). Want ofschoon 
211 nog levende, was hij omstreeks 216 reeds gestorven, 
BoNWETSCH p. 156. En hij is een schrijver, wiens gedachten 
eenige nadere kennisneming niet onwaard zijn. 

Zijn hoofdwerk, de „Trilogie des Protreptikus, Padagogus 
und der Stromateis'*, verschilt zoowel naar inhoud als naar 
vorm van Justinus' besproken werken. "Want hij richt zich 
niet tot heidenen en Joden, maar tot heidenen eerst, tot mede- 
christenen daarna. En waar o Aoyog o wpoTpsTTTiKoq tot het Chris- 
tendom zoekt te brengen, door negatief van het verkeerde af te 
manen en positief de uitnemendheid der christelijke religie daar- 
tegenover te stellen, terwijl de Paedagogus therapeutischen en 
grondslagleggenden dienst bewijzen wil ^), daar „sollen die 
„Stromateis zur Vollendung des Christenstandes durch Einfiih- 
„rung in die voUkommene Erkenntniss anleiten*', Bonw. p. 157. 
Deze laatsten, roov kxtx rvfv &?^^3rij 0iXo(roCpixv yvufrrtycm v7ro[jLvvi[JiXTOov 
<TTpu[jiXT6tg 3), zoo geheeten, „weil es auf einen systematischen 
„ Aufbau verzichtet", Bonw. t, a. p., of „von der bunten, tapeten- 



*) cf. over hem, met opgaaf van litteratuur, N. Bonwetsch in H. R. E^ 
sub voce, Bd. 4, p. 155—162. 

*) cf. Paed. I. C. 1 p. 78 D. vwv/ ^spotTTsvrtKOQ re uv xut vTro^STtxoQ xfiet itfi^^ 
éyroiJLSvoQ ocvtoq etvra^ TFXpcctvsi ro TeporsTpocfJUiBvov KS<pot/^oitoVy ruv év vtfitv tfcc^uv 
vTTta-xvoviJtevo^ rvfv ïuo'tv. xgxAjfö-&« J' ^ft/v évt Trpoa-^vu^ ovro^ hoiietri Iloti^ecyuyo^, 

^) cf. Str. VI p. 616 A. é^s $ti ijcroQ ófiov aoti ó s^^o/jloq ^ft/v t«v Kotroi xjfv 
^Aif^if ^i^ovo^ictv yvuoTiKUv ^Teoiiviiiecrwv ZrpwizxTSVi 



Digitized by 



Google 



71 

„artigen Mannigfaltigkeit des Inhalts", Hagbnb. § 26, 10 *). 
Gelijk alzoo reeds uit de titels blijkt, treedt Clemens op niet 
zoozeer als verdediger, doch als bestraflfer eerst, als opvoeder 
vervolgens, en als onderrichter eindelijk Zijn werk is minder 
apologetisch dan thetisch *). En de drie zijn „saamverbonden 
door de idee der opvoeding van het menschelijk geslacht door 
den Logos", Bavinok Dogm. I, p. 31, ^maar bevatten toch 
„geen eigenlgke indeeling", ibid. 

Maar in de tweede plaats ook : waar Jostinus reeds gewezen 
had op de werkzaamheid van den Zone Gods als Logos in heel 
de menschheid en bij elk der menschen afzonderlijk, en op Zijne 
verschijningen van oude dagen af onder Israël, mede om de 
gedachte af te wijzen, alsof ösot; ysvofjt^êvog iv^ponTroq xio^oq kxi 
TToAviToq voor onmogelijk moest gehouden worden, daar legt Cle- 
mens op die tweeërlei voorafgaande werkingen nog sterkeren 
nadruk en werkt hij die meer uit : o xvrog éeoq x(j(,(poiv li»^viK(x>iv 
XopyiX^^'» ^ ^^' '^^ ^^KXviviKviq ^i^OTOCpiag loT}jp Toig 'E^Xij(nv .... bij 
BoNW. p. 159. En Str. I, p. 282 D: 'ttxvtoov fiev yxp xhtog todv 
KxKav o êsog, iXXx toov (jlsv kxtx 7rpo)jyovfi€vov^ ig rviq re iixbviKvig rvig 
wxKxixq )cxi ryjg vex^, ruv is xxr^ èwxyxihovbvKJtM^ ug rvjc ^iKofTO^ixg, 
Txx^ 5£ KXi TTpOijyovfievug TOtg 'EAAj^ö'/v fSöS'jf tots Tcpiv jf Tov Kvpiov 
KX^stTXt KXi Tovg "EXKvjvxq. Waot èTrxi&xyooyêi kxi xutvi to ^EKKvivikov^ 
dog vo[Aog Tovg *El3pxiovg slg ^pttTTOv, Tp07rxpx(rK€vot^ei toivuv vi ^iho<TO^ix 
7rpooio7roiov(rx rov vwo Xpirrov Te)^io[A€vov, ') En de Logos niet eerst 



*) cf. Str. VT p. 617 h iitv ovv Attfiuvt rot iv^ votKt^u^ av^ovvra^ x^v rai 
TTCtpaitia'tfi VI ruv htpo^pvuv ^vrsia, ov xetra eiioi hutrrov jec;^wp<0^«/ ruv i^,Aoytvwv^ 
eï Koti KsniMvec^ rtvgQ xeti é/^tKcavai kou Ktipia kou ttstt^ov^ avvayuyxQ ^t^ofia^siQ TFOtKi^MQ 
êixv^io'fitvot, wvtypa^etvro^ roi^ d' <&C irvxsv ixt /^vif/uifv tM^ova-t xai t^'^rt rifi ra^it 
li¥tr€ r^ ^pofftt iteuuKo^ap/jLtvoti^ hta-Trxp/jLtvoic is értTti^iQ, &veifit% ^ ruv ^rpttfjuirtttv 
vifjLiv óxoivx-oM-ii^ MtfAuvoQ hx^v XMXOtKtX.roti . Cf. Str. VII p. 10^1161. 

*) Minder juist BoNW. p. 147 : „Der Protreptikns leitet das Werk ein, 
„noch in der Form der Apologie**. Beter Kuypkr, Ene. der H. Godgel. I p. 68 : 
„Zijn TTporptTrrixoQ striemt". 

*) Str. I p. 282 : Terecht noemde de Apostel Gods wijsheid ffoxvjFotKtXov^ 
TroXvfupu^ xai orokurpo'Ku^y $ta rtx^m, it» i'rtffnifiijQy iiet ffirrêUQ^ hx vpo^irrstoi^ r^v 
éavrti^ sviêiKvvfjuvviv ivvufiiv tiQ nfv iifjurtpxv tvspytff'txvy órt ffoto"» a'o<pi» Tcepce Kvptov 

Kcti fier^ etvrov ivrtv tU tov ceïuva Vóór de komst des Heeren was de 

philosopliie sh $ixai09vviiv 'E^^^ia-iv ivayxui», maar nn XP^t^^l^^ ^P^^ ^eon^etav 

ytvsrat, TFpoTruihtot rtQ over» rotg rijv Triartv h* itxoist^su^ Kecpvovfjuvoi^ Cf. ook 

p. 283 C en p. 284 D. p. 287 D : Want één is 6 rm Iv iv&pw^ro/? yt^i yeupyo^, 
6 ■ ivu^ev avetipuv f x xara^o/^tiQ Koo-fiov ret ^psTertxet awspfiotra^ ó rov xvptov kcc^^ iKOcarov 
Kcupov STTOfi^to-ecQ Aoyov. Maar 0/ xatpot xact of roxoi 0/ $6xrtxot reeg $ice<l>opotQ hyewtia-ecv. 



Digitized by 



Google 



72 

nu opKTaipav vifjLxq Tviq tt^xvv}^^ maar ivco^ev ipx^^^v. Doch nu yi^ii 
i'TToy.XvfjLavovq sTncpxvsiq TTspKravooKsv^ CoH. ed. PoTT. I p. 7. Cf. Str. 
VI p. 697 C. En de geheele opzet van zijn werk rust op de 
werkzaamheid van den Logos overal, te allen tijde, op onder- 
scheiden, in uitnemendheid klimmende wijzen, waarvan het 
hoogtepunt bereikt is, nu o ^aiog Aoyog, o ^xvapurxrog èvrcog éaoq, 

o TCfi AaCTTTOTIfl TOOV OXOOV S^KTOO^aig . . . TO XV^pCOTTOV TTpOfTOOTTaiOV XVXKX^OOV^ 

Kxi (TxpKi (sic) xvx'7rXx(rxfJLavo(;^ to <roi)TY,piov ipxfji,x rviq xv^puTrorijTog 
vTraKpivaro^ xyvoyj^aiq. Want Hij was een yvvitrioq xycovuTVjg kxi tov 
TrXxfTfjLXToq (ruvxyoovKTTVii;^ CoH. p. 68 D *). Wat aan Clemens stof geeft 
voor o cploq o êfz^og, CoH. p. 3 B. En dit zijn nieuwe lied, ibid. p. 6 D, 
heeft tot inhoud, dat nu den menschen verschenen is xvto(; ovto^; o 
Aoyo(;^ die alleen beide is, éaoi; ra kxi xv^pcoTrog, voor ons oorzaak van 
alles goeds, Trxp'* ov to av ^yjv aic&i^x(rKO[JLavoi^ aU xi^iov ^coyjv TrxpxTraizTro- 
f^a^x^ t. a. p. p. 6 D. Want de Logos die bij God was, liixtnLxKog 
aTracpxvvi^ q) tx ttxvtx iai^fji,iovpyvjTai. De Logos, die to i^vjv av xpx^f^^T^ 
TOV TTXxaxi irxpxfTxm als Schepper, to av ^yjv üi^x^av, toen hij als 
Leeraar verscheen, opdat Hij to xai ^yjv v<rTapov uq éaog %op>j%v}(rifl^ 
ibid. p. 6. Nu roept Hij avxpyoog aU (fooTvipixv, En r<x%/(rr^ aU 

TTXVTXg XV^pUTTOVq S/^SoS'f/^, ^XTTOV I^KlOV f? XVTyjq xvxTaiXxq TVjq 

TTXTpiKijg (SovX^^aoog^ pij^^TX vifJLiv a'Tray.xfJLypa tov èaov^ als irviyvi .... ^oooTroiog^ 
alpviviicyj, fV/ ttxv to TTpocruTov Tvjq y^q xao[Ji.avoq, Om wien &q airoq 
aTcaiv TX TTXVTX j}Sïf TTaXxyoq yayovav xyx^cov, Coh. p. 68/69. 

Zooals uit deze aanhalingen, in verband met de strekking van 
de Oohortatio en den Paedagogus, reeds valt af te leiden, komt 
bij Clemens sterke nadruk te liggen op de didaskalie of jJ yvu<ng ^). 



p. 309 D : Indien de G^rieksche plulosophie ro fisy^oq niq &\ii^ttecq al niet 
KccTot^fificcvtt en nog h^ua^svst Tparreiv de geboden des Heeren, iAA' ovv ye 
'jTporotpoto'KSVot^si Tijv ó$ov Tjj ^ota'i^,t)uarotTi(i $t$ota'KotXtoi, oifi^ye'Te^ o'u^povt^ovo'oi kxi to 
M^0( TpoTVTOVo'ot xati Trpoa'Tv^ovo'ae sU vecpa$ox^v na i?iiidtteci rijv Trpovoixv ^ol^ec^ovrat, 
p. 315 C : if J*' viov STTtyvuo'tQ sa-ri rov vaerpoi, vi T»fC 'Trspt^paea'gca^ niQ f AAïfv/xif$ 
KCtToeX^tQ, p. 218 A: M ^t^ioa-o^tot Trpo^ KOtrecXij^tv nfc iXii^etx^, ^linjO'tQ ovo"» iXii^ttaQ 
avXXafjL^avirat. 

*) cf. bij deze plaats Dobnbb I, p. 467—459. 

-) cf. voor Clemens' dynamilogisclie psychologie en kenleer Str. VI p. 684/685. 
KOtt iiij Tl M yvua^i^ Utwfiot 4'W%»fC rvyx»vsi XoynaiQ^ et^ tovto ia-xovfjUViiQ, êvoc $ta Tfiq 
yvaavu^ h^ éi^uvcca'totv €'^typot(pi{i ; ^/x^ft) yup ^vvotfisi^ r^<i "^vx^^-» yvtao'tQ rt Kat ópiiij, 
svptffKSTOit J'm ópfA)i fjterx rtvcc avyKOtrcc^ea'tv Kivijvt^ ovva. 6 yap ópiiijo^et^ sJq rtvot vpa^t^^ 
TTpOTtpov T»fv yvata-tv tmc rp»%€oai Xafi^uvst^ hvrtpov h T»fv ópf^^v. Iri kolti rovie 
Kocrecvotto'ufzev. hiretiij yap ro i^a^etv rov Tpa^ott frpso'^vrgpov lari^ ^vm yocp 6 TFpavfftav 

TOVTO Ó IFpOl^ai ^OVXSTOlt, [JLOtV^OtVSt TpOTSpOV^ KOtt If fjLtV yVOiVl^ CX TOV fAOt^glV^ TO Xpoiat 



Digitized by 



Google 



73 

Want ofschoon hij Paed. I p. 103 A. schrijft: vTrsp vifJLOoy è^sxsev 
aifjLx, en hij ^reich an Stellen über die E[raft des Todes Jesu", 
Hagenb. § 68, 2, wezen moge, ,tritt übrigens der Versöhnungstod 
„Christi fiir Clemens zurück", Dobneb I, p 460, 73, cf. 72. In zijn 
gedachtengeheel vormt de kennis het middelpunt. Vooreerst 
formuleert hij, dat wg tou deov Aoyou rx XoyiK» 'ttXx^ijlxtx zijn, 
Coh. p. 5 D. *) en zegt, dat ro eï^og hxtrrov o vovq is, 9 xccpxKT^jpi- 
!^ofi€^a, Str. VI ed. Potteb II p. 776 ; cf. o iv^pooTrog iierxirhcf/rfTB' 
TOLi ^oycpy bg Hagenb. § 42, 8 ; en dat de ziel Xoycp ivmfiiv Xx^outrx 
KvpixKviv (isXsTqL Bhxi ósov^ KXKOv [Ji^Bv oüsv iXXo vX^v iyvoixq ehxi 
vofii^ovfTXy bij Habnack I, p. 563, Anm. 1, zoodat de yvcoTriKog, 
wanneer men hem eens mocht voorstellen te kiezen rvjv yvmiv rov 
êsov yj ryjv (rooDipixv rvjv xhviov, gesteld eens dat deze twee niet onver- 
brekelijk samenhingen, terwijl zij txvto^ f^^xXXov êv tx^todyti zijn, 
dan oiiis kx^" èriovv li(TTx<rx(; sXoit* xv de kennis Gods, bij Hab- 
nack I, p. 564, Anm. 3. 

Om dit laatste niet mis te verstaan, moeten we er wel op 
letten, dat Clemens hier spreekt over het kennen van God. Om- 
dat het iets anders is te zeggen, dat men de kennis qua kennis 
verkiezen zou boven alles, dan dat men de kennis Gods stelt 
zelfs boven eeuwige eudaemonie. En ten tweede gaat het bij 
den passus, zooals uit het verband blijkt, om het onzelfzuchtige, 
eigenbelanglooze van dengene die de kennis Gods het hoogste 
acht. Clemens wil zeggen, dat zij door den rechten kenner om 
haar zelfswil, zonder bijoogmerken, wordt begeerd en gezocht. 
Want op het citaat volgt : 5/' xvrijv xïpsT^v Kptvxg slvxi tv^v i7rxvx(3€l3vj' 
Kvixv ryjg Tri^reoog 5/' xyxir^v sU yvu(Tiv ïSiot}jtx^ Str. IV, p. 529 B ; 
terwijl er aan voorafgaat, ibid. p. 528 D. vv. if^TrxXiv yxp xpsixq 
Tivoq 6V6K6v^ Opdat mg het eene geschiede en iets anders niet 
treffe, T^q èwKTryif^vie; s^is^^xi rijg irspi rov ésov ovk ïiiov yvco(rTi)cov. 



èe éK rov ópiiijvott^ k&k rov fioiv^oevttv if yvuo'ti. ifTtrixt h r^ sxtmifjL^ épiitj. fit^^ mv tj 
rpot%t^. &PXH ^oti èiiiAtovpyoi raayjQ XoytKiiq frpecl^tcai, if yvuo'tQ el^ iv. &rre uh ttKorui 

raVTl/l (JLOVI/I %«p«XTJfp/?'€T«/ M T»fC ^tK^ IhoTflQ T^V^IfC T^ èvTt yOtp il (MBV ÓpfJLII, 

Koc^ocrtp yvwffi^ hartv Itti reav hvrwv Ktvov(juvii, yvuffi^ $e auro rovro^ ^eot rt^ êart m^ 
\|/t;%if$ rav hvruv^ i^rot rivoQy ii rtvcav, rsXttêt^tto'a ruv avfjLxxvrcav. 

^) cf. CoH. ed. PoTTKB X, p. 78 »i f^sv yccp rov èsov sIkuv 6 Xoyoi eevrov^ xat 
vioQ rov vov yviia-io^ ó ^etOQ ^oyo^, ^«rro? upxsrvxov ^$. stxuv h rov Xoyov 6 iv^pMwoQ. 
iXij^tvoQ 6 vov^ 6 Iv iv^pMTik), 6 xotr^ sinova rov èsov KOti xae^^ ófjLotcao'tv $tcc rovro 
ygysvija^oii Aeyo/JievoQ, r^] xara K»p$tav ^pov^o'Si rt^ ègtta frapetKOC^ofisvoi Ao^^, Kat 
TOtVTIfi XoytKOQ, 



Digitized by 



Google 



74 

oLTToxpyi S' xvTCf xiTix Tvig ^€oopiX(; j? yvoofTiq xvTij, Ja, ik zou durven 
beweren, zegt Clemens, {roKfJL^frxt; yxp s'ittoiijC xv) ov 'iix (roc^ea-^xi 
(3ov^€(7^xi TViv yvcfxriv xlpvitrerxi o 5/' xirviv t>jv bsixv sTTitnynji^viv [Jt^sbeTroov 
T>jv yvucriv. Want het voeiv, êz 7vvxa'jcy}(r€ug^ eU to xsi vosiv èjcrsiverxi. 
En dit X6i vosiv^ ov7ix rov yivoo^KOVToq kxtx xvxjcpxtriv xiixfrrxrov 
ysvof^svvi^ Kxi xi^ioq ^scopix^ ^co(rx vTTOJTxcrig (jf^svsi. 

En daarom heet Jezus vooral ^iSx<rjcx^og^ die leert en verlicht 
en roept. Coh. ed. Potter p. 3 — 7, 86 ; Paed. I, e. a. ; en ö Trxihxyooyog^ 
Paed. I, 1, bezig met Trxpxivsiv^ irxihsvsiv^'TrxiixyoiyeiVyTrxpxtTKevxZsiv^ 
^epXTTsvsiv etc. Een en ander moet echter niet te intellectualistisch 
opgevat worden, want zijn doel is (SeXricoo-xi tviv \I^vx^v* ov 'Si^x^xi^ 
hoewel Hij ook als leeraar werkzaam wezen zal, Paed. I, p. 78 D. 

Er kwam toch zonde in de wereld, waardoor to è^xfjLxprxvsiv 
TTxviv èfji^cpuTov XXI KOivov is, bij Hagbnb. § 63, 2. En tegenover 
j} xpsTij als iix^€(7ig xl^vx^q (TVfJi^cpavog vtto tov Xoyov Trspi oXov rov (3iov, 
is x[j[^xpTvi[^x ir XV to irxpx rov Koyov tov èpbov, Paed. I c. 13 p. 136 
en 135, voortspruitend uit onkunde meer dan uit onmacht: to Sf 

XfJLXpTXVeiV SK TOV XyVOSlV XpiVSW OTl XP^ TTOISIV (TVVKTTXTXl j} TOV xSvVXTOV 

TTouiv, bij Hagekb. t. a. p. Onder hare gevolgen behoort ook jJ 
Xyj^ii TViq iXvi^sixg, bij Hagenb. t. a. p. En waar v\ jcxkix fA€v tviv 
xvbpooTTcov £7n(2o(r}C€Txi cp^opxv, maar de waarheid * do(T7r€p jJ [jlsXittx 
Xv(j(,xiyo[^6VV} Toov èvToov oif^sv, zich verheugt fV/ (zovvjg Tyjg ivbpooTroov 
(rcaTyjpixg, CoH. ed. Potter p. 6, laat ons daar de waarheid, xfjt^x 
(pxvuTXTifi (ppovy}(r€i, van boven uit den hemel doen nederdalen 
(xxTxyoo[jL6v), En dat deze, als een zoo schitterend mogelijk 
licht x7ro(7Ti^(Sov7x, bestrale (KXTxvyxl^siv) TrxvTifi Tovq èv jkotsi 
KvXivhov[jL6vov(; en hen van de dwaling bevrijde, tviv vTrspTXTviv 
èpsyovcrx ^s^ixvj n^v (Tvvscriv, slg (rooTvipixv^ ibid. p. 3. Want o Koyoq 
xXvibsixq of xCp^xptrixq wederbaart den mensch, voert hem tot 
de waarheid terug, is to KsvTpov Tviq (rooTvipixq^ drijft het verderf 
naar buiten, jaagt den dood weg, en bouwt sv xv^puTroig een 
tempel, opdat Hij êv xv^puTroig i^pv(rif} tov Srsov, ibid. p. 90. 

Dit brengt de Logos tot stand, wanneer men Hem volgt : dx^x 
KXi TOVTuv ê] Tiq TOOV o(p€ccv fisTXVOija-xi lxft?v, s7ro[^6voq Sjf TCji ^oycp^ 
xvbpcoTToq yivsTxi ésov^ ibid. p. 4. Hij is de (ipx(i6VTyiq bij een kamp- 
strijd, waarvan o toov oXoov ^strTrorviq de xyuvo^sTv\q is, en waarbij 
geworsteld wordt om de waarheid. En daarom xTróSvo-xfievoi Trspi- 
(pxvcoq iv Tcp T}jg xXvi^sixq (TTxSicp yvvi(7iuq xyuvi^uf^e^x. Want de 
kampprijs is niet gering : xSrxvx(rix TrpoKsiTxi, ibid. p. 77. Door 
middel toch van de kennis van den goddelijken wil wordt het 



Digitized by 



Google 



75 

reXog bereikt, >f Trpo^ tov ip^ov cog oibv ts è^ofioiootriq kxi sU rviv i^yjbeiotv 
vio^€<nav 5/^ rov vlou iiroKovrotfTTXfriq^ alt^'d den Vader io^x^ov(rx ^ix 
TOV [^êyx>^v xpxisp^^^j die ons den naam van broeders en mede- 
erfgenamen verwaardigt te dragen {Kxra^iooTxvroq fi[^xq sIttsiv)^ Str. 
n ed. PoTTBR p. 600. Zoo komt dus de fjcx^>}<ng nog in sterker 
licht te staan dan bij Justinus. *) En evenzoo komt het mora- 
lisme scherper uit. God is te aUen tijde irporpsToav vi(jlx(; stt' 
xpsTyjVy en de Logos van Gh>d werd mensch, hx S>; kxi <rv 

TTXpX XvbpOSTTOV flcAlfiq^ TT^ TTOTS XpX XV^pOüirOq ^êVijTXl èsOq, iWd. p. 8. 

Als paedagogus belooft Hij roov iv vi[jliv ttx^oov ryjv lx(nvj Paed. 
I c. 1. Zelfs vertoont dit moralisme een ascetischen trek. Str. 
n p. 395 C. : )J yiiJLsrspx (putrig, èfiTrx^viq ov<rx, syKpxreixg ieiTxi. 5/' 
^g Trpog ro iXiydissg (rwx^KOVf^^smj, (Tvvsyyi^siv Trsipxrxi vmtx hx^striv 
T\fi 3'£/f (pofTBi, Zoodat b (TTTov^xioq èXiyóhevig wel behoeften heeft 
(tö svhesq) iix re ro (roofix^ iix re ryjv ysvstriv xifryjVj maar ook geleerd 
heeft iKiyoiv iix ryjv ^oyiKyjv èyicpxTsixv i6i<r^xi, Cf. ook Paed. III 
c. 1, p. 215. Echter schrgft Clemens Str. III, p. 439 D. ook : 
jj ips^ig oif TOV (rufji,xTog ion xf v itx ro (roofix yivsrxi, Cf. ibid p. 
446 C : il syKpxTsix \pvx^^ xperyj. 

Een en ander, intellectualisme, moralisme en ascetisme, vinden 
we bijeen Paed. III c. 1, p. 214 A/B : De voornaamste (fji^syKr^ov) 
van alle (Jt^x^vifixTx is to yvoovxi xvrov. Want als men zichzelven 
kent, shsTxi èsov. En kent men God, dan i^of^oica^^frsrxi êecp. Niet 
door het dragen van goud en kostbare kleeding, maar xyxbospyoov 
Kxi oTi (jLx>^i(rTx iXiyKTTuv ^aof^svog. Zonder behoeften toch {xvsvheviq) 
is alleen God, en Hij verblgdt zich het meest, wanneer Hg ons 
ziet Kx^xpsvovTxg rep njg ^ixvoixg Ko^fi^, 

Opmerkenswaard is bij dit citaat, dat er geene plaats over- 
blijft voor Christus. Noch van Zijn persoon noch van Zijn werk 
wordt eenige melding gemaakt. Blijkens hetgeen kort hierop 
volgt, bedoelde Clemens dit wel niet zoo. Want daar zegt hij, 
dat 5 o'Vfjt^TToAiig êsoq^ xvrog viXev^spootre tviv fTxp%x r^q Q^opx^; rvig 
^ovXsixg T}jg bxvxT^cpopov KXI TTiKpxg x7rx>^Xx^xg Maar desniet- 
temin kwam onwillekeurig aan den dag, hoe geheel hij beheerscht 



') cf. CoH. p. 55 A: f*«%p< vwrehti»^ xett ^ aiifitpov xctt m tiecl^^vt^ hot/Jisvet. 
Paed. I c. 6 p. 94 D : '^tam /tAa&»fo-g«c TgAf/orifc, en ibid. c. 7, p. 108 C : 
ycoct^otyuyiu ^ ^soo's^itot, iia^^a-i^ ovo-cc êeov ^epUTrstuQj Koti Trecthva-tc etq STtyvcaa-iv uhti^eiot^, 
&yoiyifi èp^ii &voiyovffu ei^ ovpuvov. De Heere ontfermt zich, Trathvet^ Tporps-ret^ 
vov^grtt, behoudt, bewaakt en fiiv^ov iifiiv mg fx-cc^a-tcnQ lx veptovo'totQ, ^cca-tKetuv 
ovpccvuv^ S'JTceyyg^.Aêreit, COH. ed. POTTER p. 6. 



Digitized by 



Google 



76 

werd door de gedachte, dat ook de Q-rieksche wijsbegeerte eene 
gave van Q-od was ; waardoor hij vooral streven ging om ,,überall 
„Wahrheitsmomente zu finden und seine Erkenntniswelt zu be- 
„reichern", Bonw. p. 158/159, doch ook minder fijngevoelig werd 
op het punt van de schriftuurlijkheid en het christelijke der 
door hemzelven of door anderen gegeven voorstellingen. Nu doet 
het bovenaangevoerde ons zien, dat er eenerzijds overeenstem- 
ming tusschen Clemens en Justinus bestaat, maar anderzijds 
ook, dat de eerste verder ging dan de laatste. Gelijkheid is er, 
voorzoover beiden het heilswerk vooral opvatten als onderwijzing, 
die rechte en hoogere kennis aanbrengt, daardoor tot het beoe- 
fenen van een deugdzaam leven leidt, en alzoo straks het hemel- 
rijk kan binnenvoeren; en ook voorzoover beiden nadruk leggen 
op den aan Jezus' komst in het vleesch voorafgaanden arbeid van 
den Zone Gods onder heidenen en Joden. Maar verschil is er, in- 
zoover Clemens de verzoening door Jezus' lijden en sterven nog 
meer op den achtergrond laat treden, daarentegen de intellectualis- 
tische en moralistische elementen nog meer tot hoofdbestanddeelen 
maakt, voorts het intellectualisme weer enger neemt, door het bepaald 
van de philosophie te verstaan, daarmee in verband een moralisme 
leert, dat naar eenige, door zekere wijsbegeerte gestelde, regelen 
leeft, en zoo het ideaal van den z. i. waren en hoogsten christen 
omschrijven kan met woorden, waarin van geen zonde en Verlosser 
gesproken wordt, om de zaligheid te laten bewerkcD door den mensch 
zelven, langs den weg van ascese in den kwaden zin van het woord. 
In dit resultaat komt een gevaar uit, waaraan men bloot staat, 
als men, het oog richtend op den samenhang van de aanneming 
der menschelijke natuur door den Zone Gods en Zijne werkingen 
in heel de menschheid als Logos, niet tevens scherp op het spe- 
cifieke van de vereeniging unione personali let. Schijnbaar ruim 
en breed begonnen, was men feitelijk eng en bekrompen. Want 
God werkte in heel de menschheid, doch om door voorlichting 
te brengen tot Hem. Daaraan lag de onderstelling ten grondslag, 
dat de mensch nog zien, opmerken en volgen kon Omdat 
nu deze openbaring niet genoegzaam effectueerde, moest telkens 
de sterkte van het licht toenemen, en werden vanzelf het meest 
gebaat degenen, die geacht werden het scherpst te zien. Dat 
waren de wijsgeeren. En dezen lazen dan voorts de levensregelen 
af, naar welke zich de mensch te voegen had. Zoo kwam de 
werkzaamheid van den Logos neer op verlichting door de phi- 



Digitized by 



Google 



77 

losophie; kromp de menschheid in tot enkele wijsgeeren*); kwam 
het leven op te gaan in een streven om de behoeften tedooden, 
niet zooals zij beheerscht werden door de zonde, maar gelijk zij in 
zichzelve waren ; ontkende men met ter daad, dat de gansche wereld 
uit Gods hand was voortgekomen en door Hem elk oogenblik 
in stand gehouden werd, en maakte zelf zich zalig, naar den 
naam door God te kennen, wezenlijk door zichzelven te kennen : 
ixvTOv yxp Tig 6XV yvcfniy ésov slcrsrxi, ésov Sf flSo?^, ê^ofji^oico^yjtreTxi ie^. 
Hiermee zijn we aangekomen bij de principieele dwaling, waaruit 
dit verkeerde resultaat voortsproot. Om nu het goede niet kwac^d, 
noch het kwade goed te heeten, (cf. Jes. 6 : 20), dienen we scherp 
te onderscheiden tusschen datgene waarin het foutieve niet, en 
datgene waarin het wel school. Verkeerd was niet, dat men oog 
had voor Gods werkzaamheid in de geheele wereld en in de 
gansche menschheid, noch dat men bepaald den Zone Gods 
daarbij bijzonder in het oog vatte; noch dat men Hem als Mid- 
delaar Zijne komst io het vleesch op velerlei manier liet voor- 
bereiden en daarvan a. h. w. praeformaties bewerken ; noch dat 
men Jezus als Leeraar en als hoogsten Leeraar erkende; noch 
dat men Hem als voorbeeld eerde; noch dat men bij de men- 
schen en de geloovigen rekende met het element der kennis en 
des wand els; noch dat men ook de zaligheid in verband bracht 
bepaald met de kennis van God; noch dat men deze kennis in 
nauwen samenhang nam met de zelfkennis; noch dat men hier 
van eenen voorloopigen toestand sprak, die straks zoude over- 
gaan in eenen anderen, waarbij wijziging kwam ook in de ver- 
houding tot God en tot Jezus, zij het niet in wezen, dan toch 
in openbaring. 

Maar a was men te exclusief, vatte Gods werkzaamheid te 
beperkt op, zag niet genoeg in, dat God-drieëenig daarbij sub- 
ject was, en dat de Zoon hierbij meer voor ons uitkwam van- 
wege Zijne bestaanswijze binnen het goddelijk wezen als Zoon, 
èn omdat Hij straks het middelaarswerk der voldoening en ver- 
werving realiseeren zou, door als mediator reconciliationis, be- 
kleed met Zijne aan te nemen menschelijke natuur, uittevoeren 
wat dezes Middelaars was; verloor het eigenaardige van het 
o Xo'/og <rap^ èysvsTo te veel uit het oog; huldigde Jezus te uit- 



') cf. COH. p. 45 A. 'JTUiTi ufreixT^Q iv^pwrotQ^ fjLCcXi(rrcc $s rotQ rtpt Koyov^ 
sv^iaerpt^ovo'iVy ivirrccxrai ri^ ^roppotot dsVxif. 



Digitized by 



Google 



78 

sluitend als Leeraar, met voorbijgaan Zijner andere ambten, en 
vatte dit leeren nog weer te veel op in den zin van kennisver- 
meerderend, verlichtend onderwijs ; beschouwde Zgn leven schier 
alleen als voorbeeld voor onze gedraging, dacht de kennis van 
den geloovige te intellectualistisch en den wandel te moralistisch 
of ook ascetisch; stelde somtijds de zaligheid niet zoozeer het 
hoogst in de kennis van God, welke kennis dan bron van alle 
genieting zou zijn, als wel bijna alleen in de kennis. 

6. Onderscheidde men niet scherp genoeg tusschen de werkin- 
gen en openbaringen van God qua tales, én de kennis daarvan 
door den mensch. Dat zijn twee zeer verschillende zaken. En 
onderscheidt men ze, dan komt er plaats voor en ontstaat de 
eisch tot kritiek op hetgeen door den mensch omtrent Gods 
openbaring wordt gedacht en geleerd : in zake juistheid, volle- 
digheid, samenhang enz. Daarvoor is een maatstaf noodig. Alzoo 
gaat het oog open voor de beteekenis der Schrift. En deze 
behoort dan onderzocht te worden, en wel allereerst met betrek- 
king tot de vraag, of zij met eene bepaalde pretentie optreedt, 
en zoo ja, met welke, en voorts of men, en zoo ja, waarom 
men die moet of zal laten gelden. 

c. Stelde men veelszins de beslissende activiteit in de hand 
van den mensch zelven. Hij was het die, gebruik makende van 
de aangeboden hulpmiddelen en onderwijzingen Gods, zelf zich 
de zaligheid eigen maakte ; cf. Str. VI p. 662 D : vifixq i? vji^m 
xvToov (3ov^€Txi (Tcc^so'^xi. V p. 547 D: ovrs dcvsv Trpoxipetrsug rvx^iv 
(scil. T^g TsXeiOT^Toq Tov iyx^ov) olov re, ov [^y\v oih to ttxv stti rifi 
yVUf^lfj Tlfl ijfJLSTSp^ KeiTXl .... %öt/?/r/ (Tul^Of^^e^x, ovk xvsv [^svtoi tuv 
KXXoov èpyoov. 

Ook hierbij moet tot juiste beoordeeling onderscheiden worden. 
En dan is wederom niet verkeerd, dat Justinus, Clemens e. a. 
den mensch bij het werk der verlossing in zijne redelijke en 
zedelijke natuur wilden erkend hebben. Want als God in Christus 
de wereld redden komt, handhaaft Hij daarbij den mensch qua 
animal rationale et morale, omdat eerst zóó Z^'ne eere tegen 
Satan ongekrenkt schitteren kan. Daarom belijdt de Geref. kerk 
ook : „Doch gelijk de mensch door den val niet heeft opge- 
„houden een mensch te zijn, begaafd met verstand en wil, en 
„gelijk de zonde de natuur der menschen niet heeft weg- 
ogenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood; alzoo 
„werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte — cf. 11 



Digitized by 



Google 



79 

,en 12 — in de menschen niet als in stokken en blokken, en 
, vernietigt den wil en zijne eigenschappen niet, en dwingt dien 
„niet met geweld zijns ondanks, maar maakt hem geestelijk 
„(spiritualiter) levend, heelt hem, verbetert hem en buigt hem 
„tegelijk liefelijk en krachtiglgk." Dord. Leerr. Hoofdst. III en 
IV, 16. Niet onjuist is daarom Clemens' formuleering: öirf f^sv 
xyjuDf (Tcü^ijjerxi o (rco^ofisvog^ ov yxp ê(rriv i^vxo^;^ bij Hagenb. § 57, 7. 
En voorzeker : ire^vKev . . . . ö xvbpoiSTrog olKsicog sxsiv irpog éeov, Coh. ed. 
PoTTEB p. 80. Want God schiep den mensch naar of als Zijn 
beeld en gelijkenis, Gen. 1 : 26, 27. Maar als Clemens deze nega- 
tieve uitspraak nu vervolgens door eene positieve aanvult, komt 
zijn bedoeling aan het licht, en daarbij wijkt hij van de Schrift 
af : a^Xx Trxvrog [Ji^x^Xov aKovo'iwg kxi TrpoxiperiKooq (TTrsufrsi irpoq ^ccTijpiXv. 
S/o icxi Txq svToXxg bXx^sv o xv^pCfSTTog^ oog f? xvTOV opfiijTiicog Trpog 
OTTorepov xv kxi (Sov^oito rwv re xïpsrotsv kxi tcov CpsvKTccv. Vgl. daar- 
tegen : oifK ê^ ufiuv^ Ef. 2 : 86, „er is niemand die God zoekt", 
Bom. 3 : 116, Trxg o ttoicov tv^v xfjLxprixv ^ovXog fVr/ Tijg x[^xprixg^ 
Joh. 8 : 34c, d, „niemand kan tot Mij komen, èxv (ztj o Trxrtjp o 
7r€f^,\pxg (16 6XKü(rifi xvrov^ Joh, 6 : 44a, 6, want „het gedichtsel van 
„'s menschen hart is boos van zijne jeugd aan". Gen. 8 : 21, 
èxv fzij Tig ysvvfj^ifi xvü)^€v^ ov ^vvxtxi JSêiv tv^v ^x^iXsixv tov êsov^ 
Joh. 3 : 6, vf^iv êx^pi^^^l to vTcep %pi<rTov .... slg xvtov TncrTevsiv^ 
Fil. 1 : 29, „allen zijn afgeweken, xfzx j}%/55/a;3-)jo-ö5i/, Rom. 3 : 12, 
„want allen hebben gezondigd en v(rT€powTXi Tijg ^o^>}g tov isov^ 
Rom. 3:23. 

De fout hierbij is dus, dat de verwoesting, door de zonde aan- 
gebracht, te gering wordt geschat, alsof de mensch ook na den 
val nog ware op[^^TiKog tot welk van beide hij maar mocht willen 
van hetgeen te kiezen of te ontvluchten is, zoodat er sprake zou 
kunnen zijn van een sKovfTioog kxi TrpoxipsTiKccg (r7r6V(TXi irpog (TooTvipixv^ 
als hadde hij nog rifv ^rpog tov ésov Trpoxips^iv^ Coh. ed. Pottee p. 79, 
en alsof nog gold : <rov hTiv >5 ^x(nX£ix twv ovpxvcijv èxv 3"f Aj^ö-^^, 
cf. ibid., in dezen zin, dat de mensch alsnog de beslissing in 
zgne eigene macht hadde. Daarentegen zegt de Q^ref. belijdenis 
terecht: „Deze (wedergeboorte) wordt in ons niet teweeggebracht. . . 
„door aanrading of zulke manier van werking, dat, wanneer nu 
„God Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des 
„menschen zoude staan wedergeboren te worden, of niet weder- 
„geboren te worden", Dord. Leerr. hoofdst. III en IV, 12, maar 
„door eene zoodanige werking, dat alle diegenen, in wier harten 



Digitized by 



Google 



80 

„God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en 
„krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk gelooven", 
t. a. p. De macht welke in laatster instantie en ten principale be- 
slist, is niet de mensch, zooals Clemens meende. Nu leerde Clemens 
echter nog niet, watOrigenes later stelde, zooals eigenaardig uitkomt 
in een paar citaten van hen bij Hagenb. § 70, 6. Van Clemens 
luidt het : c5^ Sf ö Iccrpog bysiotv Trxpsxerxi Toiq <rvv6pyou(ri Trpog vysixv^ 
ovTcoq KXi o dsot; Tviv Süiiov (TooTv\pixv Toig fTvvspyovfn Trpoi; yvaxriv re tccci 
svirpxyixv. Hier hebben we dus het beeld van een geneesheer 
en een zieke. En de aanhaling van Origenes zegt : ro tov Xcyiicov 
iyx^ov f^tJCTov atrriv êjc re rvig TTpoxipsfreoot; ccifTov jcxi ryjg ^v[/,7ry60V(TViq 
^€ix^ ivvctfi€cü^ Tcp Tx ^xhhi(TTX Tppoahoyi^^. Daarbij gaat de mensch 
dus voor {Trpoe'Koyt.evoq)^ en wordt aan God een volgen toegeschre- 
ven. Dat wijst op een zeer verschillend gedachte verhouding 
tusschen God en schepsel (mensch), die beider voorstellingen 
beheerscht, en voor het onderwerp dezer studie van betee- 
kenis is. 

Bij Clemens is die verhouding van zoodanigen aard, dat zij 
van Gods kant een levendig verkeer en drukke werkzaamheid 
van liefderijke ontferming ten aanzien van den mensch mede- 
medebrengt. Daarom was het Clemens te doen. Want in zijn 
hoofdwerk voerde hij de gedachte „der Erziehung des Men- 
„schengeslechts durch den Logos" door *). God zelf, en nader 
Zijn Zoon, de Logos, is o irxi^xyoayoc; i^f^^cov^ Paed. I c. 2 ; *) Zijn 
werk bestaat derhalve in jJ TxiSxycüyix. Doch dat Trxüxycü'/ix 
TTxihoov è(7Tiv xyotsyvi^ (TxCpsg h rov êvof^XTog, Paed. I c. 5, p. 84 D., 
waarom wij haar bfioXayoviJt^sv shxi x'yooyviv xyx^vjv h 7rxiici)u irpog 
xpsrviv^ t. a. p. p. 87 B. ; cf. c. 7, p. 108 C. De irxihsq zijn wij, ibid. 
p. 84 D., of x^Po^ vyjTTicüv^ o zxivo^ vifisiq A^^, rpvCpspog oog Trxig, ibid. 
p. 89 B. ^) Doch wij worden irxi^sg kxi vviinoi genoemd niet irpog to 



*) cf. Paed I c. 7 p. 109 C/D: Onze paedagoog, 6 uyio^ êso^ Ijfö-owc, ^ fra^^ 
rijt; ^v^puTOTtiroQ xa^ijysfiwv Aoyo^, etvro^ 6 (pt^otv^paxoQ êsoQ ierrt "KOtilocytayoti, Coh. 
p. 63 B: ^ T»f5 vTgp^ot^XovffiiQ ^i?^v^pa>frtotQ. ibid. p. 68 B/C: ó Qeoi Ik toAAj/^ T»fc 
^tkav^poixtet^ ivrex^Tott rov iv^puTOv^ ua"7cep lx KOt^,tuQ SKTriyrrovro^ vsorrov vi fiiiTiip 
èpvic ê^tTrecrect. Paed. I c. 7 p. 108 C: ó ruv vvfTritav KijèefMovtKO^ iFOifi'tjv. ibid. 
C. 2 p. 81 A: Aoyoc ^ TTurpiKOQ (jlovoq hart iv^puTvtvav ïarpOQ ipptamifiotruv fratcovtoQ, 

') cf . p. 79/80 : éotKg $i 6 TrottBotyayoQ vnitav .... t^ 'Tearpi ocvrov rtp ês^ oüxsp 
iariv vioi avapfJLuprtiro^ .... 

') cf. C. 7, p. 108 B: »ff*«C vijt/ov^ ix^iiyopovfjtevovQj fiovov èe shai rtAêtov rov 
TTOtrspet Twv 6?mv» 



Digitized by 



Google 



81 

TrxiSxpictiSeg kxi evKXTX^povi^Tov rvig f^^x^vj^eccg, want zoodra als wij 
herboren zijn {xvxyevvii^svrsi;) bezitten we het rsXsiov {xTrsiKviCPxfJLev)^ 
oxj èv€K€v hTTev^ofJt^, iCpci}Ti(7^yjfjL€V yxp, ro Sf fVr/v èTriyvotjvxi rov óeov, 
t. a. p. o. 6, p. 92 B. ; cf. ibid. p. 93 B fiovoi .... oi Trpcorov 
cip^xfuvoi TCit3V opctjv Ty\g ^ccyj^j i}S>; rsKsioi, ^cof^sv ?£ vj^yj oi ^xvxrov 
yc6xoi)pi<r[jLsvoi. Büer geldt de regel, dat wij verlicht worden als 
we den Doop ontvangen, en (pcüTi^ofisvot vioTroiovf^^e^x, en kinderen 
(Gods) wordende, bereiken wij het rsXsiov, en rs^iovf^svoi xttx^xvx- 
ri^ofieSrXy ibid. p. 93 A. Terwijl heirs^iov bestaat in het i^rpoö-Sff^. 
Want wat ontbreekt hem nog, die Grod kent? ibid, B. 

Maar de Heere noemt Matth. 11:26 wiTnovg vifixq rovg tcüv iv 
Koa-izqj (ToCpm èiriTyfisioTspovi; slq (TccTijpixv, cf. ibid. p. 96 C.en D. 
En >J iv Xpicrrcp vyjTnorvj^; reXeiooviq êfTTiv^ ibid. p. 98 A. Zoo zijn 
wij dus in de vaag onzes levens {to ov^xp rvjg viXiKixq)^ zonder 
te verouderen {xyvipooq)^ waarbij we Tpog vovitriv xsi xKfjc,xl^ofjc,€Vj 
altijd jong en vittioi en nieuw. Want tcxivoi moeten wel wezen 
zij, die deel verkregen aan Xoyog ycxivog. En wat der xi^ior^rot; 
deelachtig is, verlangt {(piXst) rep xcp^xprcp gelijk te worden. 
Zoodat wij heel ons leven Trxi^eg heeten, omdat de waarheid die 
in ons is, niet veroudert. De wgsheid toch is xst^x^yjg^ xei kxtx 
TX xvTx Kxi ü)(TxvTooq 6xov(Tx Kxi ovTTOTs fi€Tx(3xX^ov(rx^ ibid. 89/90. 
Vgl. hierbij ook Str. II, p. 380 B. en p. 367 D., en Coh. 
p. 56/67. 

Voor den vviTrio^; is de Logos alles : vader en moeder, paeda- 
goog en rpocpsv^;^ kxi oiiev slg xv^yjcriv roig Trxiitoig a/Sff/, Paed. I, 
c. 6, p. 102 C. Want >} rpocpyj is de Heere Jezus, de Logos van 
God, TrysvfjLX ^xpjcouf^svov^ t. a. p. D., xyixl^ofievyj (rxp^^ ibid. p. 103 A. *) 
Maar evenals de wedergeboorte xvxXoycüg^ ovrco kxi vj rpo<pvi ysyova 
TCf) xv^pcoTTCfj TV€Vf4,XTiK^, ibid. p. 106 A. En zoo ttxvtx ivivvi^riv o 
Kvptog Kxi TTXVTX u(p6>^6i wq xv^pcoTTog KXI &q dsog, iWd. C. 3, p. 82 A. 
Omdat Hij ons de zonden vergeeft als God, en tot het nalaten 
der zonde irxilxycaysi cog xv^ponTcog^ weshalve de mensch terecht 
door God geliefd wordt {(piKog rep d6Cfi\ irret kxi TrXxtTf^x xvtou 
èfTTtv^ ibid. ; cf. ook ibid. c. 2, p. 81 B : de goede Paedagoog, 



^) cf. t. a. p. 103 A M rpo^)j TO yeiXei rov ^oirpoiy ^ fiovtp nr^ivofit^ot oi vifxtoi. 
ibid. p. 105 A «t«vt« ó xvptoQ tU iroXxva-tv vifiuif rwv sJ^ xitrov vsvtorevxoTcav, ii^ 
ii1 ovv T<c ^tvt^go'^Uy KeyovTtav viijlwv i?^?^ijyopstv^at ycc?^ ro etlfiei: ibid. p. 106 A/B 
T«vr^ rotvvv iifitti ret Tetvroi XP^^^V 'JFpo^tfixstMfJU^ec^ kou eU ovyyevstotv $toi ro al^ia 
uvrov «S ^.ovrpovfjLS^ot, kou tU avfjLfrce^Siav itet miv ivarpo^^v nfv lx rov Xoyov^ kou sh 
u^^apa-iav $ia rifv &ycayijv TJfv eivrov, 

6 



Digitized by 



Google 



82 
de Wijsheid, de Logos des Vaders, o ^ijfiiovpy^ifracg rov £vbpci)7roVj 

OXOV KvihsTXt TOV TT XOC(T [^XTOg ^ KXl (TCOflX KXl ^VX^V Xy^lTXl XVTOV O 

TTxvxpjcyjg rv\q xv^pccTTOTijTog Ixrpog (roorvip, 

Zooals het voorlaatste citaat zegt, bewandelt Jezus hierbij den 
weg van het irxiSxycuyyeiv, Er is hier een è^sXovrxg ttsAsiv, ov yxp 
(Sixi^sTxi f§ xvrov Tviv (TooTVipixv A<x/3f/v, Str. VII, p. 702 C. Want 
God niet xvxyKifi xyx^oTroiei, maar kxtx Trpoxipstriv svttoisi^ doch 
Tovg 6^ xvToov èTTKTTpsCpovTxq^ ibid. p. 723 D. ; cf. VI p. 662 D. 
Wijl ontferming vindt o ivvxf^svo^, jcxi o fiovXyfireK; /V%yf/, VII, p. 710 B. 

Niettemin /ctov^ r^ i^f^^srepij:, orooTfipicf, o èsog vi^eTXi^ ibid. p. 707 A. 
Niet vanwege eigen behoefte. Want Hij, en Hij alleen, heeft 
geen behoeften, Paed. III, c. 1 ; cf. Str. VI, p. 707 A ; is TsXsiog^ 
Paed. I c. 7, p. 108 B., en in alle opzichten Kpeirruv dan de 
mensch, Str. II, p. 392 B. Daarom ook k^^stxi ^f^cüv, i^vits (zopicóu 
ivruu xvrov fivirs cpvtrsi tskvoijv. Immers is er niemand, die zeggen 
durft, dat wij een deel van Q-od zijn, Hem in wezen gelijk 
(ofjioovfTiOi;)] o ésog ov^6(zixv f%£/ Trpog yi(JLxq Cpv(nx,^v (r%£ö-/i/, ibid. C. en B. 
Wordt er dus gesproken van een worden m iiia^KxXoq^ dat ons 
voldoende moet zijn, dan hebben wij dit niet optevatten kxt* 
ovfTixv. xSwxrov yxp \(rov slvxi Trpoq rviv vTrxp^iv ro ^sfrsi rep (pv(rai. 
Maar het doelt op ro xi^tovg ysyovsyxi KXi rviv roov èvruv ^eoopixv 
iyvcü>c£vxi KXi vïovq Trpotrviyopsv^bxi kxi rov Trxrspx xtto rcav oljceicüv 
KxSropxv f^ovov, ibid. p. 393 D. Doch God zorgt voor ons (KiiSsrxt) 
^v(T€i 7rXov(Tiog dóv èv èXsCf) ^tx rviv xyxborvirx^ ibid. p. 392 C. 
En het grootste blgk (iv^ei^ig) van Gods goedheid is juist, dat 
Hij, ovrccg 6%ovruv i^/zcov irpog xvrov ^ kxi 0u^€i xTnj^^Xorpio/^evocv, oficog 
K^ïSerxi^ ibid. D. Clemens denkt bij dit wezensonderscheid tus- 
schen God en ons meer bepaald aan ons stoffelijk deel, cf. 
ibid. p. 392 B/C. ; en p. 405 A. zegt hg, dat ro icxr* sIkovx kxi 
Q[^oi(io<riv niet ro Kocrx (rcüfJLx fjLv\vv6rxi^ maar ro Kxrx vovv jcxt Xoyi<rfiov. 
ov yxp ^BiMq ^vvirov x^xvxrcp ê^of^^oiovtr^xu Daardoor werd de tegen- 
stelling meer die van vleesch of stof en geest, gelijk deze ook 
samenhing met zijne gedachten over TTx^yj, xTrabsix, iyKpxrstx, cf. 
Str. III, p. 339 D., 446 C. ; Paed. I, c. 2, p. 80 A. ; eene tegen- 
stelling die door de Gnostieken sterk was gedrukt, en in Origenes' 
systeem eene voorname rol speelt. Doch dit neemt niet weg, dat 
hij opzettelijk en klaar de onderscheidenheid in wezen tusschen 
God en mensch uitsprak. Bovendien, en dat is van meer be- 
teekenis, rust het geheel zijner denkbeelden niet op de, ware het 
ook onbewust door hem gekoesterde, onderstelling van eene wezens- 



Digitized by 



Google 



83 

Genheicl of gelijkheid tusschen den Schepper en Zijn maaksel. 

Dit had bij hem hetzelfde gevolg als bij Irenaeus, n.m.1. dathij, 
na God in Zijne onveranderlijke onderscheidenheid van het 
schepsel gehandhaafd te hebben zóó, dat Deze van den kant 
zijner creatuur voor Zichzelven niets te hopen, maar uit gelijke 
oorzaak ook niets te duchten had, nu andererzijds in staat werd 
gesteld en zich genoopt voelde, om den Eeuwige in een zoo 
levendig verkeer en innige gemeenschap met het produkt Zijner 
almacht en wijsheid en goedheid te teekenen, als geen heiden 
noch gnostiek zich denken kon. 

o f^ovoq ovTooq ésog^ Coh. p. 34 B, cf. ibid. p. 46 C, is, allen 
erkennen het ook tegen hunnen wil, dank zij Tig iiroppoioc ^sm^, dat 
hun ingedruppeld is (êv€(rTocKTcci), één, ivooKsbpoq kcci iyeyvviToq^ ibid. 
p. 46 A. Daarom zeide Plato ook terecht, dat den Vader en Maker 
van dit heelal svpsiv ts èpyov koci evpovroc êig xttov s^sittsiv^ üuvoctov, pyfrsog 
yxp ov^oc(zcog è<rriv^ ibid. ; cf. Str. V., p. 586 B. En zij erkennen Dezen 

ivCó TTOV T€pl TOL VUTOC TOV OVfOCVOV 6V Tlfi IS/f XOCl ÓlKSlCf, 'TTSplOOTTlfi ivTUg 

SvToc iel, ibid. A/B. Hg is de alleen rechte maat, altijd gelijk, 
ibid. D. h koci STreJcetva tov hog Kcct vTrsp xvt^v tv^v fjt^ovocSoc, d. w. z. 
simplicissimus, Paed. I, c. 8, p. 118 A , wiens rechtvaardigheid 
dus niet buitengesloten wordt door Zgne goedheid : oti o xuTóq 
[Mvoi; uv éeoq kcci iijcocio^; io'Tiv o ccvTog koci (jf^ovog jcoct ivTug, betuigt 
de Heere, Joh. 17 : 24— 26a, Ex. 20 : 6, 6, ibid. Cf. Str. VII, 
p. 707 D : 3C0CI ovSs ^s^ovcri TrifTTsusiv shoci tov ivTug ésov^ tov èv 
TocvTOTijTi Tvig iiKociocg xyoc^ofTW^g ovToc. Hij is i%«p>jrö^, Str. Il, 
p. 361 B ; en heet de hemel Zijn troon, ouhe ovtoo TrspisxsToci, ibid. 
Evenzoo is Hg xv(xp%og^ Str. IV, p. 639 C, vTrspavu koci tottov koci 
Xpovov Kxi èvofAocTog 3coci vovi76aiq^ Str. V, p. 682 C, iyvu(TTog ibid. 
p. 688 B., ook verheven boven vi tuv yeyovoTOJv ïSioTijg^ bij 
Haqenb. § 39,4. 

Klinkt dit veelszins negatief en abstract, toch wgst het in dien 
ontkennenden vorm scherp eene niet uit te wisschen scheidslgn tus- 
schen God en schepsel aan. Maar op zichzelf ware deze reeks van 
negatief-geformuleerde uitspraken ongenoegzaam om te kunnen 
overtuigen, dat Clemens de schriftuurlijke onderscheiding hand- 
haafde. We moeten daarom ook letten op eene andere reeks, 
die meer positief luidt, en waardoor er verband van creatuur en 
God zichtbaar wordt. 

'O?k0g otKovi Koci o>^g èCp^a^fMg^ hoc Tig TOVToig %pvi<rviToci TOig ivofix<nv^ 
o êsog^ bij Hagbhb. §38,2, ip%ii tosv oXoov TocvTsMig, apx^g '^oiyjTiKog, 



Digitized by 



Google 



84 

Str. IV, p. 639 C, (pv<r€i Tr^ovcriog, Str. II, p. 392 O., zoodat rjf^ 
^sica; o'oCptocg Kcci ipeiyiq jcai iuvxfAsui; spyov ètm to iyocboTTOisiv^ ja ook 
(pv(Tiq^ dg eiTsiv^ xvT^ rov êsou, evenals die van het vuur om te 
verwarmen, kcci rov (puTog cpooril^siv^ Str. I, p. 312 B ; ocmoq van 
alles goeds, ibid. p. 282 D., doch KocKiocq ivamo^^ ibid. p. 311B. ; 
cf. IV, p. 635 A : o tccv oi'yoc^ü:v iiiiog Sötj^/?, Ooh. p. 66 B. ; niet 
ajcuv iyoc^oq^ ov rporcov to irvp ^spfjLxvriKov^ Str. VII, p. 723 O., maar 
£)cov(7tog >J Toov xyx^oov fisTocSofrig oci/Tcp^ jc^u 7rpo?iCKfi(3ocvifi tvjv a/rj^(7/i/, 
ibid. ; yvu(7Toq^ zij het ook (jlovi^ ti^ ttxp^ ocvtov ivvafiei, Str. V, 
p. 682 D., zoodat ^eiTreTcci S'f/f %ap/r/ xoct f^^ovcp rep Troep* ocvtov ^oycp 
to xyvoovTov vosiv^ ibid. p. 688 B. 

In Zijn wezen derhalve geheel van de wereld onderscheiden, 
is God toch geen ILtyvi of BuS-ö^, maar een volheid van zijn en 
leven, die vanwege den eigen aard Zgner natuur doet al wat 
Hg verricht, zonder eenigen dwang van buiten : ov yocp virvipeTim 
ye êa-Ttv ^ eU vit^ocg ^so^sv ^kovo'oc^ om h %€ipovwv sU KpsiTTOvxg 
Trpo'iovtToc VI Trpovoia.^ Str. VII, p. 723 D., maar ook wederom niet 
werkende krachtens eene innerlijke noodwendigheid, zooals het 
vuur brandt, doch eKoav blijvende, en de bewuste, vrijwillige 
Schenker van alle goede gaven. 

Hij is dan ook niet alleen de oip%yi en oiiTm van al wat ont- 
stond en bestaat, doch o ^vif^iovpyoi;] cf. Str. VI, p. 687 A: Kvpioq 
ovv Kxi TrxTVjp o KTKTTyjg TTxvTCüv. lu vcrbaud hiermee is niet zonder 
beteekenis wat hij schrijft Coh. V, p. 591 B, dat de Stoïcijnen 
ii>j}C€iv S/a TrxtTvjq Tijg ova-txg tov deov Cpx^iv, maar wij TroiyjTijv fiovov 
xvTov KxXov(j(^ Kxt Koycf TToiyjTijv, Met nadruk zegt hij dan ook 
Str. ni, p. 471 B : jcTia-Tog o Kocrfio^y en ontneemt ons aldus het 
recht tot zekeren (JLitrog tegen eenig schepsel, wijl de wereld 
van God kwam en is. Heel de wereld rust in haar be- 
staan op den wil van God. oXov Sf tov KO(7f^ov. Hemel en zon 
zijn het werk van Hem, en menschen en engelen zijn de werken 
Zijner vingeren. o(tvi ye vj ^vvx/zig tov deov, fiovov xvtov to fiovXrtf^x 
K07(j(.o7roiix. Want Hij alleen is in waarheid de eenige God. ^iXcj) 
TCf) (Sov^cr^xi iiifiiovpysi kxi t^ [^ovov è^sXvifrxi xvtov Ittstxi to ysysvyj^^xi, 
Coh. p. 41/42, cf. Str. V, p. 612 C. en ibid. p. 547 D. Zoodat 
Gods willen en roepen, verre van krachteloos te wezen, terstond 
hun inhoud realiseeren. Want wel zijn wij niet dg i Kvptog^ fTf/S>; 
fiovXofjLs^x f^€v^ OV iwxf^s^x Sf, Str. II, p. 393 C, maar God ov 
TTOTs x(r3r£V€iy Paed. I, c. 6, p. 93 C, zoodat to bsXyifJLx xvtov ipyov 
êfTTf, en dit heet wereld, en evenzoo to fiovXyjfjc^x xvtov xv^püm-oov 



Digitized by 



Google 



86 

fVr/ <rcoT>jpia^ kxi tovto 6icKXfi<nx zeKXijrxL Hg weet wie Hij geroepen 
en behouden heeft; x^xAi^xf Sf ifji^x kxi (rstrooKev^ ibid. 

Nu schreef Photius van Clemens : vXviv x%povov ^o^a^si, cf. Harnack 
I, p. 587, Anm. 3 en Hagbnbacjh § 47, 8. Beide laatsten vatten dit 
op, alsof Photius zeggen wil, dat Clemens de leer eener onge- 
schapen stof voorstond, wat echter niet noodwendig zoo behoeft 
te zijn, omdat xxpovog een anderen zin kan hebben dan „uner- 
schaffen, unerzeugt, anfangslos". Dit kan ons duidelijk worden 
als we denken aan het gezegde van Arius : yjv ttots ore ovk jJv, ter- 
wgl de Zoon toch vóór de wereld heette geschapen te zijn. Doch 
gesteld ook, dat Photius zijn uitdrukking bedoelde in den zin 
als Hagbkbaoh en Habnack haar nemen, dan rijst de vracignog, 
of Photius Clemens recht heeft verstaan. Omdat het werk, waarop 
Photius zich beroept, niet bewaard bleef, kunnen wij geen hoo- 
ger dan een waarschijnlijkheidsbewijs voeren. 

Nu moet er allereerst reeds gerekend worden met hetgeen in 
boven van Clemens aangevoerde citaten als zijne meening uit- 
komt. Ten tweede schrijft Harnack t. a. p. : „Str. VI, 16, 147 
hat er die Ansicht von der Unerzeugtheit der Welt scharf be- 
kampft." In de derde plaats gaat het in het eene door Hagekbach 
t. a. p. uit Str. VI genomen citaat *) over de ruste Gods, waarvan 
gesproken wordt na de voleindiging van de zesdaagsche schep- 
ping. Dit blijkt als Clemens den zin, door Hagenbach aangehaald, 
aldus voortzet : OTrsp oö^s sIttsiv ^sfAig (nl. dat Q-od zoude ophouden 
God te zijn), io-r/ 5' ovv JcxTXTrsTrxvKsvxi^ ro ryjv tx^iv tuv yeyovoroov slg 
TTxvrx xpovov x7rxpx(3xTai; (pv^xtrcrscr^xi T€Tx%£vxi kxi rviq TrxKxixg 
xTx^ix<; €)cx<rrou tuv jcTKrf^xTcov kxtxttsttxvksvxi j p. 684 D. Blijkbaar 
bedoelde hij dus, dat het „rusten" niet mag worden opgevat, 
alsof God na de schepping werkeloos zou wezen, omdat Hij 
zich krachtens Zijne goedheid niet aan de reeds geschapen diogen 
onttrekken kan. In de vierde plaats spreekt het tweede citaat 
bg Hagenbach genoeg voor zichzelf : Tcog 5' xv èv XP^^V y^oiTo xTi<ng 
(Tvyyevofisvov roig oi/ji Ttxi tov %pöi/öi;. Want duidelijk zegt het, dat 
de tijd zelf tegelijk met al het overige werd voortgebracht. 
Hagenbach' heeft dus wel gelijk, als hij hierbij de opmerking maakt : 
„Dies spricht allerdings gegen eine Schöpfung in der Zeit." 
Maar om Clemens' gezegde juist te accentueeren, had hij het 



*) Het luidt : ol rotvw, éa-wsp rtveQ ^oKafi^otyowt T»fv ivctTrecvo'iv rov êsov, yre'TretvTeti 
TOiuv 6 dto^. uyec^OQ yotp d)v, et fFKVvtroci rorg aycc^ospyeav, kcci tov Qsoq eïvoci tuvo'stoci. 



Digitized by 



Google 



86 

woordje „in" cursief moeten laten drukken, omdat Clemens het 
alleen over die gedachte heeft. Dit blijkt uit de woorden zelve, 
en evenzeer uit het verband. Want aan deze woorden gaat 
vooraf: de scheppingen (^yjfiiovpyicct) op de verschillende dagen, 

xjcoKov^iif fieyi(rT^ 7rup€?^vj(p^>j(rxv^ «^ acv sx, tov Trpoysvea'Tepovryj't/Tifiyiv 

è^OVTOCV XTTXVTCOV TOOV ySVOfJl^SVUV. XfJl^X VOV}[^XTt KTtffSrsVTOOV, ^AA» OVK 

iTTKrijg ovTcov ri/zicov, ov^ xv 0uvifi isiyj^coro jJ éKxtrrov ysvecrig, i^pooog 
7roivi(Txi Xsx^eKTViq t>}i; if^fiiovpi'ixg. Want er moest iets het eerst 
genoemd worden, iix tovto xpx TrpoeCpvjrev^ij TrpcorXj uit welke het 
andere, txvtcov ofJLOv €k (jLixg oiKrixg /x/f ivvxfzsi ysvofi^uv. Want 
£v olfixi TO ^ovXfifza, TOV êeov iv fJLi^ txvtot^ti. TTOoq ^ XV iv XP^^V 
etc. p. 684/685. Vgl. voorts over %pövö^ en xim Str I, p. 298 B 
en Paed. I, c. 6, p. 94 B/C. 

Heeft God dan alzoo de wereld in het aanzijn geroepen door 
eene volstrekt vrije wilsdaad, aangezien van buiten niets op 
Hem inwerken kon, en Hij innerlijk door geene leegte genoopt 
werd zekere aanvulling te zoeken, noch ook door eene benau- 
wende volheid geperst, die zich ontlasten moest in te scheppen 
wezens, dan is het geen wonder, dat Hij, aldus alleen uit drang 
van loutere goedheid scheppende, haar inrichtte op zeer schoone 
wijs, en aan haar kleeft met bijna onvernietigbare liefde, die 
steeds op nieuwe middelen zint, om Zijn schepsel in zalige ge- 
meenschap met Hem te doen leven, en die zich als ontferming 
uitstrekt tot den gevallen mensch. En aesthetisch, nader poëtisch 
man, met zin voor de muziek, als Clemens was, zag h^* het 
gansche heelal, en daarin ook wederom afzonderlijk den mensch, 
als een keurig instrument, waaruit God in volle harmonie de 
tonen van Zgn lof weerklinken doet: tovto to ttxv €Ko<rfivi<r€y 

SflfJL6>^0i)(;^ JCXt TUV (rT0i%6lUV TVjV ilxCpUVlXV €U TX^IV €V€T€iV€Vy hx Sj^ 

oXo(; o KO(rfj(,og xvTcp xpf^ovix ysvviTxi^ Coh. p. 4 A/B. De Logos van 
God, lier en cither, tx i\pv%x ópyxvXy vTrepihm^ x,07(jlov Sf rci/Sf, ja 
ook den mikrokosmos, den mensch, ^v%viv ts kxi <rcofix xvtov^ xyicji 

TTVSVfJLXTt Xp{lO(TXiieyOq, ^pX^^ei TCp ósCj), itX TOV TTOXvCpUVOV ipyXVOV KXI 

7rpo<rcf!h6t TovTcp t^ ipyxucp Tcp xi/^pccTTcp. Want gij zijt Zijn (ifiog) 
cither en fluit en tempel, jci^xpx iix Ty\v xpfiovixv, xvXoq hx to 
TTvevfjcx, vxog iix tov Xoyov, Opdat j? (J(.6v Kpejcifi, to Sf afJL7rv6\fl^ o is 
%cüpvi(rifi TOV jcvpiov, ibid. C/D. Hierbij is de mensch echter slechts 
miniatuur van wat de Logos zelf is : kx^v o jcvptog Spyxvov sijlttvovv 
TOV xv^pccTTov ê^€ipyx(rxTo kxt" ehovx TVfv kxvTov. Want zonder twijfel 
KXi xvTog èpyxvov i^Ti tov êeov TrxvxpfJLOviov êfifisXsg jcxi xyiov. o'o^ix 



Digitized by 



Google 



87 

uTTspjcoa-fzto^, ovpccvtoq ^oyog^ ibid. p. 4/6. En deze kwam nu tot ons. 
"Wat dan to ópyxuov, de Logos Gods, de Heere, jcxt ro ^(Tfix ro kxh/ou 
(SovXsTxi'j ibid. p. 6 A. Het is, dat Hij, het leven geschonken 
hebbende als Schepper fJisTx tov TrXxtrxi^ en ro èv ^vjv ^iSx^xg, toen 
Hij verscheen als Leeraar, later to cut ^v\v mocht verleenen u(; 
êsog, ibid. p. 6 B. Want Hij geniet er in, dat wij behouden 
worden, cf. ibid. p. 6 B., en ook is )cx\og vfjivog tov ósov, x^xvxToq 
xv^puTTog, ^iKXtotrvvifi oho'Sofzovfievot;, èv ^ tx Koyix TVjg x^vj^stx^ syKe- 
%xpx}CTxi^ ibid. p. 67 A. En wanneer dan ij h 'ttoKXuv évootrig tot 
stand komt, ètc TroKvCpoovtxg y,xi iixtrTOpxg oipfiovtxv Kx(iov(rx ^6iy,y\v, 
dan ontstaat er (iix (rvfzCpoovix^ êvi %oop6VT\f\ Jcxt iiSxtrKx^cp Tcp Xoycji 
êTOfJLevvj, êTT" xvTVjv TVjv x^vj^stx)/ xvx'TTxvofisvvi, Abba, Vader, zeggende ; 

en TXVTVjV o dsog TV^V CpOOVViV TVjV X^VI^lVVjV XO-TX^STXI TTXpX TUV XVTOV 

TTxilm TrpuTVjv Kxp'TTOvfisvoe;^ ibid. p. bQjbl. 

Van hier G-ods veelvuldige werkzaamheden met heel de mensch- 
heid, Vgl. tevoren en Coh. p. 66 B., ibid. p. 72 B.; Paed. IH, 
c. 13, p. 113; ibid. I, c. 3, p. 82; Str. I, p. 278, 282, 284, 309, 
312, cf. V, p. 550 en 656. In verband met Luk. 13 : 34 schrijft 
hij Str. I p. 283 C : tto^^vtpottov (jl€v ovv tvjv troCpixu jJ Trotrxjcig 

èv^SlKVVTXt Af?/^, KXi KX^' é)CX(rTOV TpOTOV TTOlOTVjTOg TS KXl TTOa-OTl/jTOg 

TTxyToog (Too^si Tivxg êv TS Tcp xpoucp, èv T€ TCf) xioovt. Inzonderheid 
zocht Hij onder Israël te redden. Want goed als Hg is, Tr^ovtnoo/; 
iAff/, door het geven Zijner geboden, door de wet, door de pro- 
feten, en 7rpo(r€%€(rT6pov ^Ivj ^ix TVfg tov vkv Trxpovtrtxg, (tu^ujv jcxi 
èXBoov Tovg vi>,£vifi€vovg, cf. Str. II, p. 392 A. 

De Vader werkt in dezen door den Logos of Zoon, en 
Deze brengt tot de kennis van God den Vader, naar welke 
kennis het innigste verlangen van den yvutTTmog zich uitstrekt. 
Cf. Str. IV, p. 529 A/B., Coh. p. 93 B., en ibid. p. 55A: Cpc^g 
o Xoyog xv^puToig, 5/' ov KXTxvyx^ofis^x tov ^eoy, Str. V p. 644 B : 
viog TTspt TTXTpog ökAi^S*;^^ h^xtTKxKog^ cf. Str. I, p. 315 C : èTTiyvootrtg 
TOV TTXTpoq S/' viov. Daarom ontvouwt de Logos de waarheid : 
XTTKoofTxg o ^oyog TViv x^vj^sixv, iSst^s Toig xvbpawoK; TO v\pog TVjg 
a-uTviptxg, Coh. p. 72 B , op veelvuldige wijzen tot behoudenis 
noodigende : Tro^vCpccvog ó J^^ooTvip y,xt To^^vTpoTog f /V xv^pccToov truTvipixy^ 
ibid. p. 7 ; cf. p. 56 D. en Str. VH, p. 702. Eeeds xvuSrsv xp%v\^6v 
cpiCTêipev vjfixg Tvjg 'TrXxwig, en wel allereerst, omdat wij door Hem 
zelven geschapen werden, cf. Paed. III, c. 8, p. 113, 1, c, 3, p. 82; 
zoodat er verband bestaat tusschen de schepping en dit heils- 
werk, cf. Coh. p. 6 tevoren. Spreekt Clemens nu van een nieuw 



Digitized by 



Google 



88 

lied, fJi^vf KXivov ovrug v'7roKx(iift(; «^ (Ty,6vo<; vi a<; ohtov, Coh. p. 6 B. 
Maar tegenover hetgeen heidensohe mythen beweren, zgn wij 
reeds van vóór de grondlegging der wereld, ol rep Sf/i/ strstT^xt 
èv xvTCj3 wpoTspov y€y€vvv\(JL€voi TCf) êscf). Want wij zijn rov ósov Koyov 
TO, ^oyijcx TrXxafixTX^ 5/' ov xp%xit!,o(JL6v^ oti èv xp%^ o Xoyoq iiv^ ibid. C. 
Zooals de woorden zelve aangeven, wordt hier geen praeëxisten- 
tianisme der zielen geleerd. Want er is alleen sprake van een 
zullen zijn, en van een xp%x)X^tv met het oog op den Logos. 
Doch nieuw heet het lied, omdat vw ivofzx èXx(i€^ ro wxXxi 
Kx^ua-ioofzspov, ^vvxfisug x^iov o Xpia-To^, ibid. D. En xvto(; j5Sj^ trot 
impyu^ o Xoyo(; XxKsi^ ibid. p. 7 C. Het verschil met vroeger is 
dus, dat de Logos zélf spreekt, zoodat dit ook èuxpyu^; geschiedt. 
Hij is nu beide (xfj(,(pu), dsoq ts tcxi ctv^puTrot;. Cf. Goh. p. 7B B : 
^oyov xxpi^OfJtfXi iffiiv rv^v yvootrtv rov êsov, raXsiOv èfjLXVTOv %xpi^ofJixi. 

Jezus moest dus waarachtig God zijn. En dat leert Olemens 
ook duidelijk van Hem. Str. VH, p. 702 A/B: de Zone G-ods 
ovK ê^KTTXTXi TTOTs Tviq xvTov TrêpiuTVjg. Ook wordt Hij uict gedeeld, 
en kan men geen stuk van Hem afsnijden (xTorsfiyofji^evog), ter- 
wijl Hij ook niet van plaats tot plaats overgaat, Txvrifi Sf uv 
TTXVTOTS y,xt fiylSxfJtfifl 7r€pi€%Ofi€vog^ ohoq vovq^ oXoq (poaq Trxrpcpov, ohoq 
oC(i^xK(jLO<;^ alles ziende, alles hoerende, alles wetende, ^wxfist rxg 
^vvxfisig êpsvvccv, cf. ook Hagenb. § 42, 8. Vgl. voorts Paed. I, 
c. 7, p. 109; Str. V, p. 566; Paed. Hl, c. 12, p. 265 D; I, c.2, 
p. 81 B.; ibid. c. 5, p. 90; Coh. p. 75 B.; Str. II, p. 367 C; 
ibid. V, p. 547 D., cf. ibid. p. 562 C : Trpoa-coTov tov Trxrpog^ in staat 
tot het TOV TTXTspx sKKxXwTTsiv^ Str. I, p. 365 B. 

Deze laatste uitdrukkingen kunnen dienen om het antwoord 
te geven op de vraag, waarom dan de Zoon en niet de Vader 
dit werk der verlossing uitvoerde, hoewel beiden in gelijken zin 
God zijn. Want nu mogen we in het algemeen zeggen, dat dit 
geschiedde in overeenstemming met de verhouding der goddelijke 
Personen onderling binnen het eeuwige wezen, zoodat de Zoon 
krachtens Z^'ne bestaanswijze als Zoon aldus werkzaam was. 
Daarom heet Hij Xoyog o TrxrpiKog^ Paed. I, c. 2, p. 81 A. en (poog 
TTxrpcpov, vkgf de xp%vi tccv oKoav^ virig xTreiJcovKTTXi & tov ósov tov 
xopxTov TrpooTvi, Str. V, p 666 B., ehoov ósov Xoyog ^siog, ibid. p. 694 A., 
de wil des Vaders, Coh. p. 76 B., dienaar van den vaderlijken 
wil, Paed. I, o. 2, p. 80 A., o tov TrxTpcpov fivjvvTvjg ïSioofjixTog, 
Str. V, p. 662 C, etc. 

Met deze onderlinge verhouding der drie goddelijke Personen 



1 



Digitized by 



Google 



correspondeert hunne werking naar buiten, en dies de betrek- 
king, waarin Zg zich tot de schepselen stellen. Dit ligt in Cle- 
mens' woord, als hg zegt, dat ro jcar^ sIkovx kxi ofiotatrtv ysyovevxt 
moet worden opgevat, alsof de mensch, en bepaald zijn geest, 
beeld van den Logos of Zoon ware, Str. V, p. B94 A: ehoov 
eljcovog iv^ponTTsvoi vovg, zoodat hij Dezen Coh. p. 75 B. ook aldus 
sprekende invoert: hop^utrxtr^ai vfixq TTpoq to xp%€Twrov (iovKofixt^ 
bx (loi zxi ifioioi ysvv\(T^6. Cf. ook Str. VII, p. 702 vv. en Coh. 
p. 62 B : vi fi€v Tov êeov shoov 5 Xoyo<; xvtov. En viO<: rov vov yvvi(Tioq 
is de goddelijke Logos, ^uroq xp%€Tv7rov ^ooq. Maar sHm tov Xoyov 
is de mensch, xXv\divoq i vovq i iv xv^puTrcp, S kxt' shovx tov èsov 
KXi iccA* èfioiO)(rtv ^ix tovto yeysvijj^xt ^syofievog, ti/i kxtx Kxpiixv 
(ppovi^ffet Tcp êstcp TTxpeiKX^Ofievog Xoycf, kxi txvti(i XoyiMq. 

Als overgang tot de bespreking van hetgeen Clemens aan- 
gaande Jezus* menschelijke natuur leerde, biedt zich hier de 
behandeling aan van wat Hagenbaoh schrijft § 42, 8 „Ihm (scil. 
„Clemens) ist der Logos. . . ., auch abgesehen von der Mensoh- 
„werdung, der ipxiepsvgy Cf. ook § 68, 2. Hij verwgst daarbij 
naar twee plaatsen uit Str. II, welke in de door mg van Clemens' 
werken gebruikte editie te vinden zullen zijn p. 380 B. en p. 
490 B/C. De eerste luidt, dat iemand aan Q-od, n.m.1. êscj} XooTvipi^ 
gelgk wordt, als hij den God van het heelal dient {^spxTsvuv) 
^ix tov xp%i6p€(ioq Acyöu», S/' ov Kx^opxTxt de dingen, die in der 
waarheid kx>^x kxi ^iKxtx zijn; terwijl op de tweede staat, dat 
het ons TrpoKsiTXi sU TsXoq xt6X€vtv\tov iCptKstr^xij een t^Aö^ dat 
bestaat in ^ r^ Trpog tov ip^ov Xoycev &q om tb ê^ofiotutrtg, kxi sU 
TVjv TBXêixv vh^stTixv ^ix TOV vtov xTroKXTxtTTxtTiq^ wclkc altijd den 
Vader verheerlijkt ^ix tov (isyxXov xpxispswq, die ons den naam 
van broeders en medeërfgenamen verleenen wilde. Nu bevatten 
deze citaten eigenlijk niets, dat Hagenbaohs bewering bevestigt. 
Want zooals deze zelf zegt § 66, 5 „gebraucht er (t. w. 
Clemens) das Subject o Xoyoq vom Menschen", (waarbij hij als 
bewgsplaats aanhaalt, Paed. I, c. 6 : ö y^oyoq to xvtov vTrsp vjfji^oov 
è^€sv xifix)^ zoodat de uitdrukking o xp%i€p€vq Xoyog Jezus' men- 
schelgke natuur niet noodwendig buitensluit. Voorts moeten wij 
zooveel mogelgk aan den Logos gelijk worden. Doch nu leert 
Clemens niet, dat onze natuur, en bepaald ons lichaam, eenmaal 
vernietigd wordt. Integendeel, o a-vfiTrx^vjq ésog heeft het vleesch 
vrijgemaakt, door het van verderf en van de dienstbaarheid des 
doods te verlossen en met de on verderfelijkheid te bekleeden, 



Digitized by 



Google 



90 

iyiov TOVTO Tifi ffxpKi KXi ct'iiiorvjTOg ycxX>^u'jrifT(j(,x TspAsK;, rvfv o&xvx<nxv^ 
Paed. ra o. 1, p. 21B. 

Wat nu Jezus' mensohelijke natuur betreft, zoo schrijft 
Clemens aangaande den Logos Gods, dat van Hem geldt, 
xv^pooTToq yevofjt^voq, en dat Hij alleen beide is, êsog t€ Kxt xu^paTog, 
Coh. p. 5 D , waarom hg ook zegt, ibid. p. 66 D : ttio-tsimtov 

XV^pWTre XV^pCCTTC}} KXI êscp^ Tt^TSVerOV XV^pUTTS TCf} TTX^OVri KXt TTpOffKUUOVfJ^SVCp 

êscfi ^ocvTi, Paed. I, c. 2, p. 80 A verklaart hij, dat de Zoon van 
Q-od den Vader is xvxfjt^xprviToq^ xv67riKv\7rToq, jcxi xwx^viq '^^ ^^%yiVf 

êsOQ fV XI/^poCTTOV (T%V\(J[,XTl X%pXVTOg, wieU TTXVTl (T^SVSl TStpXTSOV 

i^ofj(,otoyv rvfv ^v%v\v, en schrijft ibid. c. 3, p. 83 C : o Xoyog xvtoq 
èvxpyoog <Txp^ ysvofisvoq. Hij zegt ibid. c. 6, p. 103 A., dat de Logos, 
de geliefde kxi rpoCpsvg vi(jüoöv^ Zijn bloed voor ons uitgestort heeft, 
en spreekt in verband met rpoCpvi van een Tvêvfjix a-xpKovfiei/ov en 
xyix^o(jL6vyi (rxp^ ovpxvtog, en leert, dat de Logos, die de schepping 
veroorzaakte, hreiTX jcxt axvrov yevvoiL, orxv o Koyoq trxp^ yevvirxiy \vx 
mi ^êxSrifi, Str. V, ed. Potter, c. 3, p 664; vgl. I, c. 17, p. 366: 
Trpo Tvig Tov Xoyov a-xpycutrêag. Paed. I, c. 5, p. 92 A handelt hg 
over TOV ésov tov Xoyov tov 5/' tjfJLXg xv^puTrov ysvofisvov, kxtx ttxvtx 
vi(iiv xTTsiKx^stT^xi (3ovXofzv€ov^ CU Str. VI, p. 694 D. oybt tov (ruTvipog 
(TUfix .... ecg (TUfzXj etc. 

Desniettegenstaande schrijft EL/lbnaok I, p. 69B, 1 : „Noch 
„Clemens hat doketische Ansichten ohne Cautelen vertreten, .... 

„sie lassen sich beweisen Dasz Clemens Str. VII, 17, 108 

„die Doketen verworfen hat, kommt nicht in Betracht, ebenso- 
„wenig, dasz er hier und dort ausdrücklich Jesus einen Menschen 
„genannt und von seinem Pleische gesprochen hat. Dieser Lehrer 
„hat eben noch dem alten, ganz naiven Doketismus sich ange- 
„schlossen, der nur die Sinnenfalligkeit des Leibes Christi zuge- 
„stand". Het kan de vraag zijn, of hiermee aan Clemens 
genoegzaam recht wedervaart. Vooreerst nu ontkent Clemens 
het lijden van Jezus niet. Want Paed. I, c. 5, p. 91 B/C. op 
overeenkomst tusschen Izaak en Jezus wijzende, zegt hij : óvk 
STTX^s Sf fiovovy shoTug xpx o IffxxK TX TTpooTsix TOV TTX^ovg TTxpxxapm 
TCf Xoycp^ maar ook tov Kvpiov tvjv ^sotvitx xIvittstxi^ fitj (rCpxysig. 
Want fJLSTX T}jv Kt}^€txv is Jezus opgestaan fivj ttx^uv, evenals Izaak 
Upovpyixg xCpstfji^svog was. En daarmee zgn twee zaken beweerd : 

a. dat Jezus niet heeft geleden (fj^yj tx^oov\ doch niet geleden 
naar Zijne Godheid, want Isaak tov Kvptov Tvfv ^sotvitx citvtTTSTxt 
[ivj (r(pxy€ig. 



Digitized by 



Google 



91 

b. dat Jezus wel heefb geleden, want Isaak was tx Trparetx 
Tov TTx^ovg TTxpxxcifpcov TCf) XoytfS, Cf. ook 7rt(TT6V(rov Tcp TTX^ovTi^ en 
Str. VI, p. 649 C : i yxp J/' xyxTTfiv njv Trpoq ^fixg ttx^oov. 

Maar waarop Habnaok eigenl^'k doelt, wordt duidelijker, als 
hg t. a. p. schrijft : „ Ausdrücklich hat Clemens erklart, dasz Jezus 
,1 weder Schmerz noch Unlust noch Affecte gekannt und Nahrung 
„nar zu sich genommen habe, um — die Doketen zu wider- 
„legen" ; waarbij hij verwgst naar Str. VI, 9, 71, welke plaats 
in de door mij gebruikte editie zal zijn, p. 649. Daar staat, dat 
een yvamKog, zooals deze daar vooraf beschreven wordt, fj^ovot^ 
TOiq 5/« Tifv (j(,ovviv Tou ffufjLXTog y6vo(j(,€voiq TTX^etri TTspiTTiTTsiy als 
hongeren en dorsten en dergelijke, maar fV/ tov (Toorvipoq to doifix 
xTxnreiv éq voofix rxq hxyKxixg vTTtjpêffix/; slg lixfiovviv^ yeXuq xv 
elvj. Want Hij at ov iix to a-afiXy Ivvxfji^i (njv€%ofi€vov xytcj^, maar 
opdat niet degenen, die met Hem waren, x>.Xag over Hem zouden 
gaan denken. Terwql hg ibid. p. 650 A voortgaat : u(r7r€p xfisXsi 
u^Tspov ioKtjffsi Tiveq xvTov TTe^xvepjiXT^xi uTTsXxfiov. Doch Hg was 

XTX^XVXOOq XTTX^ij^j sU OV OuisV ^XpSlCT^VSTXi KlVTjfZ^X TTX^IjTlKOV^ 0VT6 
l}5öV)f, OVT€ XVTTii. 

Nu doet dit zonder twijfel te kort, aan hetgeen de Schrift 
omtrent Jezus' menschelijke natuur vóór Zijn sterven leert. Maar 
dit is nog niet hetzelfde als te beweren, dat Clemens „doketische 
Ansichten ohne Cautelen vertreten" heeft. Wat Clemens hier 
loochent is, dat Jezus evenals wij spijze genuttigd heeft, opdat 
zijne menschelgke natuur, zijn lichaam, in stand zou kunnen 
big ven. Integendeel was er een andere kracht (ivvxfJLtg ^y'«), waar- 
door het onderhouden werd en bestaan bleef {(rvvaxofisvov). Het 
gaat dus niet over de wezenlijkheid of onwezenlijkheid, maar over 
de gesteldheid, het qualitatieve van het lichaam. En nu zegt 
Clemens, dat deze hoedanigheid van dien aard was, dat Jezus 
hoegenaamd niet wist van Trxbvi {xTrx^XTrXoog xTrx^yjt;), en dat geen 
Kivtjfix TTX^nTtKov^ uoch vrcugde noch droefheid, in Hem werkte. 
Of dit dan geen docetisme is ? Ja en neen. Men behoort hier te onder- 
scheiden. Docetisme is het, inzoover de zielsangst en de lichaams- 
smart enz. van Jezus op deze wijze feitelijk slechts schijnbaar 
zouden geweest zgn. Maar geen docetisme is het in den zin, dat een 
en ander iets zoude te kort doen aan de waarheid van Jezus' men- 
schelijke natuur. Immers weet Jezus nu, verhoogd aan 's Vaders 
rechterhand, van geen honger of dorst, zoodat hg spijs en drank 
zou behoeven om zgn lichaam te kunnen handhaven. En kan 



Digitized by 



Google 



92 

er nu bij Hem sprake zgn van onlustgevoel? Niettemin bezit 
Hij toch ook nu onze menschelijke natuur in waarheid. Zullen 
ook de geloovigen straks niet opstaan in onvergankelgkheid, 
maar niettemin met dezelfde lichamen bekleed zijn als vóór hun 
sterven? Cf. I Cor. 15. Een anders-zijn naar gesteldheid heft 
de waarachtigheid der menschelijke natuur geenszins op, Str. III, 
p. 446 B. : hoe dan Trstvutrt icoci ^t^pootri jcxi rviv (rxpscx woctrxo^^i en 
al het overige, o(tx ó ^loc %pi7T0v rsKstxv rtjv Trpocr^oKoofisvyj)/ ivoe>(TTX(nv 
hoc^m^ ov TTsia-êTxi; . , . Het koninkrgk Q-ods is niet (^putrn; Kxt 
TToa-ig, (pvi7iv^ ibid. 

In het door Habnaok uit Adumbrationes aangehaalde citaat handelt 
Clemens ook slechts over de gesteldheid van Jezus' lichaam : 
fertur in traditionibus, quoniam Johannes ipsum corpus (Ohristi), 
quod erat extrinsecus, tangens manum suam in profunda misisse 
et duritiam camis nullo modo reluctatam esse, sed locum manui 
praebuisse discipuli. Spreekt Clemens nu ook nog over vl^ovvi 
en XvTTvi en jctp^fjia ttoc^vitikov^ dan moet hierbij gerekend worden 
met heel zijn beschouwing aangaande ttx^vi^ behoefte, een streven 
naar xrx^six etc. Cf. Str. III. p. 443 B : 7rx<ryi(; vihovvic; bttAvijlix 
icxTxpx^i* èTTi^vfiiX XvTTVj Tiq KXt (ppovTiq^ 5/' svietxv opsyofJLsvvi rivog. 
Vgl. ibid. p. 439 D : de ipe^iq is wel niet een werk des lichaams, 
maar geschiedt dan toch S/« ro <roo[ix. Hij was in zijn ethiek 
een Stoïcijn, geen „schriftgeleerde in het koninkrijk der hemelen 
onderwezen", Matth. 13 : 52. „Den Inhalt seiner Schrift" (scil. 
Paedagogus), heeft hij, zegt Bonwetsoh p. 157 „zu einem groszen 
Theil — 1. n en III — dem stoïker Musonius, dem Lehrer 
Epiktets, entnommen." 

Maar dit mag ons niet brengen tot het beweren, dat Clemens 
de waarachtigheid van Jezus' menschelijke natuur loochende; 
cf. ook Hagbnb. § 66, 6. En in de tweede plaats mogen we 
het oog niet sluiten voor het waarheidselement, dat Clemens 
ook nog in zijn onjuist beweren handhaafde, zij het op min ge- 
lukkige wijze. Het is, dat de Zone Gods tegenover Zgne men- 
schelijke natuur elke minuut van Zijn aardsche leven anders 
stond dan wg. Het bekleed blijven met een lichaam als Hij 
vóór Zijne opstanding bezat, was elk oogenblik een wilsdaad, 
waarin Hij Zijne gehoorzaamheid aan den Vader betoonde. 

Was Jezus dan alzoo waarachtig God en waarlijk mensch, dan 
komt de vraag aan de orde, hoe Clemens dacht en zich uitliet over 
de vereeniging van den Zone Gods met onze menschelijke natuur. 



Digitized by 



Google 



93 

bepaald met betrekking tot de kwestie, of hier, en zoo ja, in 
welken zin er gesproken mag worden van een zich schikken, dat 
de Heere deed. Is al Gods doen een iyx^OTroieiv krachtens Zijn 
natuur, en wel het meest to iix xxkoov tooi/ èirivoyi^svrav wpog tivoov^ 
xyx^ov Tl Kxi ;^p)f(rTöi/ TfAö^ iTrorehstv^ Str. I, p. 312 B/C, zoo 
ligt daarin, dat God, handelende naar den aard van Zijn wezen 
(en nog te meer waar, om zoo te zeggen, de moeilijkheden ver- 
dubbelen), zelf op geenerlei wijs aldus iets te vreezen heeft. 

Zoo onbereikbaar is Hg voor het schepsel, dat dit Hem zelfs 
niet kennen kan, tenzij Hij zelf zich kennen doe : (Jt^ovi^ Tifi Trxp' 
xvTov ^vvxfjt^t yvoo(rrog, vi ^yjrtjcrtg aeiSifjg koci ciopxrog. ^ %ocptg yvoovsoog 
TTxp^ xvTov ^ix Tov vkv, Str. V, p. 582 D. Dus is de mensch, 
of in het algemeen, het creatuur, geheel van God afhankelijk : 
XsiTTSTxi ^eicf %^p/T/ KXi (JLOvCfi TCf) ipxp xötov Xoyov TO XyVOi^TOV 
yoeiy. Wil H^* zich dan ook met den mensch inlaten, zoo doet 
Hij dit uit (pt^xv^pooiriXj zich ontfermend waar deze zondaar 
werd, steeds zich schikkend om maar te behouden : ovx co^; f%f/ 
TO S-f /öv, ovTcag om ts viv KsyeirbxL En daarom spraken de Profeten 
tot ons «^ oïov T6 viv èirxisiv vifJLxq (Txpxi TrsTreivifisvoijg^ Str. II, 
p. 391 D. Vgl. Coh. p. 53 B : « T)^^ v7r€p(ix>.Xov(rviq (piKxy^pccTixq ! 
Want niet als een leermeester zijn discipelen, noch als een heer 
zijn dienaars, ov^s dg êeog iv^pooTroK;^ maar als een vader, wg 
yiTTioog vov^eTst vlovg, zoodat vvvi TO(rovTcp Tivsg sltriv x^eooTspoi^ ovcp 
(piXxy^pooTTOTspog o isog, ibid. p. 54 A., cf p. 5 w. 

Dies kan het schepsel nimmer aan God gelijk worden. Want 
Gk)d heeft ovhfztxv Trpog i^fzxg Cpva-ixijj/ (rx^f^tv, Str. II, p. 392 B., 
en bg ons is slechts sprake van een (rvveyyt^siv weipxfr^xi kxtx 
iix^siTtv Tifl S-f/f (pyo-f/, ibid. p. 395 C. ; cf. ibid. ed. Potter, c. 18, 
p. 471; c. 19, p. 480; c. 22, p. 500. 

Op geenerlei wijs ging dan ook Jezus' menschelijke natuur 
in Zijne goddelijke over. Cf. Paed. III, c. 1, p. 214/215: maar 
die mensch, ^ trwotKog o ^oyog, oö ttoikiKKstxi^ ov tt'Kxttstxi, 
fiop0yfv s'x^^ '^^ '^^^ Xoyov. è^o(jLOiovTXi Tcp êscp. Hij is schoon, maar 
pronkt zich niet op (ov }(,xKXo>y7ri^6Txi), Het wezenlijke is de 
schoonheid. Want Hij is ook God : ésog Sf si^sivog o iv^pooTrog yivsTXi^ 
oTi ^ovXeTXi .... 6eog sv xv^puTrcp. KXi o xv^pooTTog êsog. En de 
Middelaar voert den wil des Vaders uit. Want fiso-iTtjg 5 Koyog, 
o Koivog x[i(poiv. óeov fisv vlog^ (ruT}jp Sf ÓLvbpoowuv^ van God de dienaar, 
van ons de TrxiSxycayog. Vgl. voor andere uitdrukkingen tevoren. 
Hoe hoog Clemens hier Jezus' menschelijke natuur ook verheflfe, 



Digitized by 



Google 



94 

duidelijk spreekt hij de blijvende tweeheid uit. en duidt het 
verband aan met de begrippen van „samenwonen" of „in-zijn". 
Ook ligt in de woorden, dat Olemens Jezus nu nog met de 
menschelijke natuur bekleed denkt ; of. ook Str. VII, p. 703 B : 

0^ ys Tyjv trxpjcx rviv è/zTrx^ii Cpvtrai yevofjusvviv xvxK»^ccv sU e^iv 
xTTx^sixg èTxiSsvtrsv. En dat hij nu van eenige mindere heerlijkheid 
bij den Zone Q-ods niet meer weet. 

Hij vatte het hsyua-s en [iop(pviv ^ovXov Xx^osv van Fil. 2 : 7 dan 
ook op in verband met de gesteldheid der menschelgke natuur, 
en bepaald die des lichaams, ibid. p. 215 B : ^ovXy^q ova-y^g r^g 

(TXpKOq .... ^OVXOV (lOpCpVIV TO ffXpKlKOV STTl TOV KVptOV ^Vl7iV O CLWO^TOXOq 

on èKsvcotrev exvtov^ f4>op(p}jv 'Sov^ov Xx^av. rov sKTog xv^pcoTOv ^ouXop 
TrpotrèiTTuVj wpiv io\jX€V(rxi xxt (rxpKo(popyi<rxi rov Kvptov. Maar o a-vfjiTrx^n^ 
ésoq heeft zelf het vleesch vrijgemaakt {viXeubepafrs) rviq (p^opxg Kxt 
^ovKsixq r>ig ^xvxryjCpopov kxi Tixpag xwxKXx^xg^ rvjv x^^xpcnxv 

T€pisb}JK€V XVT^, xyiOV TOVTO Tlfl (TXpKt XXt x)"SlOT)irOg ÜXX^OOTTKr flX 

TTept^stq^ Tffv x^xvxfTixv, Cf. over de eitTx^stx der menschelijke 
natuur {(rxpKog) ook Str. VII, p. 703. 

Als Middelaar was Jezus onderworpen aan den wil des Vaders : 
TO ^6^>}fj(,x TOV TTXTpoq O (jLSiTiTvig EKTsXei^ t. a. p. p. 215 B. Eu dit 
sluit in zich : dus ook naar Zijne menschelijke natuur. 

Leert Clemens eindelijk, dat wij den Vader kennen door den Zoon, 
en legt hij tusschen God, Jezus en ons een zoodanig verband, dat 
de Logos het beeld van God is, en wij naar dit beeld geschaj/en 
werden, een en ander werkt hij niet nader in samenhang uit. 

II. Origenes werd geboren te Alexandrië omstreeks 185, was 
een leerling van Clemens, en stierf te Tyrus in 264. Onder de 
theologen der eerste eeuwen onzer jaartelling is hij naast 
Augustinus de meest beteekenende en invloedrijke. ^). Van hem 
komen hier drieërlei werken in aanmerking. Een systematisoh- 
thetisch : wspi xpxoov ; een polemisch : kxtx Ks^a-ou ; exegetische : 
commentaren {ofit^txt, TOfj^oi) op onderscheiden deelen der 
Schrift. Van deze laatsten zijn slechts gedeelten over; contra 
Celsum bleef ons geheel bewaard; de Principüs alleen in verta- 
ling van Rufinus, met grootere of kleinere fragmenten in het 
oorspronkelijke, en enkele zinnen van Hieronymus' overzetting. 



O cf. over hem en UtterattiTir omtrent hem W. Möllbe in H.B,. E', sub 
voce Bd. 11. 



Digitized by 



Google 



95 

Deze laatste was bedoeld als letterlgke wedergave in het Latgn 
tegenover de door Rufinus op eigen gezag aangebrachte wgzigin- 
gen, cf. MöLLBB p. 98. Kubtz I, p. 111. De vier boeken t. a, werden 
door Origenes, zegt Mölleb t. a. p., nog in Alexandrië geschreven, 
terwgl „das apologetische Hauptwerk der griechischen Kirche, 
,»die acht Bücher gegen Celsus, ein Werk des gereifben alteren 
„Mannes" is, „unter Philippus Arabs" (244—249) „. . . und viel- 
,>leicht erst in der spatem Zeit desselben. . . . verfaszt", p. 99/100. 

Bekenen we nu met hetgeen I Cor. 11 : 196 leert, dat het doel 
(Ii/ot) waarmee ^ei kxi aipso'sig èv vfiiv shoti is, dat oï ^OKifioi (pxyspoi 
mogen worden iv vfjt^iv, dan kunnen we reeds van tevoren met 
eenige waarschijnlijkheid gissen, waar meerdere of mindere zuiver- 
heid zal worden aangetroffen. Immers, doet de „ketterij" de „op- 
rechtheid" of zuiverheid aan het Hcht komen, dan mag men ver- 
wachten, dat dit hKifiov daar het louterst zal blijken te zijn, waar 
tegenstelling met de xipevig is, en ontstaat er omgekeerd gevaar, 
dat het meer verdwgnt, naarmate de strijd verder terugwijkt. 

We vinden dit bevestigd, wanneer we terugdenken aan de 
behandelde geschriften. Want daarin was het voor een groot 
deel tegen verkeerdheid in leer of leven gemunt. De eerste 
Clemensbrief vermaande tot openbaring der vereischte christe- 
lijke gezindheid in het gemeentelgk leven; de tweede waar- 
schuwde tegen kettersche denkbeelden en eene heidensche levens- 
wijze; Ignatius had het tegen onchristelijkheid van denkwijs en 
gedraging ; ook Bamabas gaf geen thetische ontwikkeling, maar 
schreef een vermaanwoord ; Justinus verdedigde en bestreed, en 
waar hg anderszins poneerde, kwamen onjuiste denkbeelden voor, 
b. V. van de verhouding van Vader en Zoon, en inzake de hooge 
waarde, die hij toeschreef aan der heidenen kennis van de alge- 
meene openbaring Gods; Irenaeus* werk is bijna geheel anti- 
thetisch, en bij Clemens spreekt de christelgke toon het helderst 
en krachtigst, als hij óf opkomt tegen de verkeerde gedachten 
en daden der heidenen, (vooral in zijn Proptretikus), óf de voor- 
treffelijkheid beschrijft van den Paedagoog, den Logos, ja God 
zelf, (Paed. I, Str. VII, p. 702 vv.). 

Op deze wijze voortgaande en komende bg Origenes, kunnen 
we vermoeden, dat naar verhouding meer schriftuurlijkheid van 
zin en woord te vinden is in zgn contra Celsum, en dat hij daaren- 
tegen meer beheerscht zal blijken door eigen ideeën in zijn dePrinc; 
terwijl hem wellicht in zgn commentaren parten speelt zoowel 



Digitized by 



Google 



96 

de inhoud zijner eigen denkbeelden als het door hem opgestelde 
regelental voor exegese. 

Een paar voorbeelden, samenhangend met het onderwerp dezer 
studie, mogen dienen ter bevestiging van dit vermoeden, dat 
natuurlijk het bekende „granum salis" niet missen kan. 

In zijn uitlegging op het Evangelie naar Johannes tom. 2, 
n. 2, Op IV, p. 60, bespreekt hij Joh. 1 : Ic en zegt dan o. a. : 

Toov óKccv xhiov, (TiooTTX Sf xvTO 0T€ O >.oyoq èsoq ovofJia^STXi, dog ys 
itx(p€p€t KXTX TOVTOvg Tovg Towovq O êsog Kxt dsoq^ meon niet, dat 
aldus ook verschilt o Xoyog en Xoyoq {ovrug fiyjTroTs itx(p€pifji). Want 
evenals o stti Trxtri 6eoq o êsog en niet xTrXoog êsoq^ zoo is de bron 
van den in elk der redelijke wezens inzijnden Logos, o ^oyog, 
terwijl de in een ieder aanwezige logos niet wel in eigenijken 
zin gelijk als de eerste, o Koyog genoemd wordt. 

Ware Origenes hierbij nu niet beheerscht geweest door zijne 
subordinatiaansche voorstellingen, dan zou hij óf deze opmerking 
achterwege gelaten, óf ze anders gezegd en uitgewerkt hebben. 
Want dan hadde hij zich de vraag gesteld, of in Joh. 1 : Ic wel 
het lidwoord gebruikt kon worden; en in de tweede plaats, of 
zulk een vermeend onderscheid wel altijd in de Schrift, en ook 
bij Johannes, werd volgehouden. Zoo niet, dan verviel deze 
grond, om de ondergeschiktheid des Zoons aan den Vader daarop 
te bouwen. Doorlezing tot vers 18 zou hem hebben kunnen over- 
tuigen, dat deog ook zonder het artikel den Vader kan aanduiden ; 
m. a. w. dat het al of niet plaatsen van b voor dsog niet de bedoe- 
ling heeft, die hij er in meende te zien. 

Is de in t. x. door Origenes gegeven uiteenzetting der Christo- 
logie van dien aard, dat o Xoyoq (Txp^ èysvsrc van Joh. 1 : 14, 
dan had moeten luiden: j5 ^^X"^ Koyog aysvsTO^ daar schrijft hij c. 
Gels. II, 31, p. 413 B correct : é Trxa-yjq xTLtTsooq wpcaToroKOq xvsi^tjCpuq 

(TUflX KXt ^pVX^V XV^pUTTiViJV. 

Origenes was een man met groote begaafdheden. Sterk van 
wil en in het bezit van buitengewone werkkracht, heeft hij een 
massa arbeids gepresteerd, die bewondering wekt. Oorspronke- 
Igkheid en genialiteit worden onder zijne gaven erkend. Dornbb 
I, p. 635 spreekt van „sein reicher Geist", en p. 636 van „sein 
origineUer Geist'' ; Bavinok: Dogm. I, p. 60 van „genialen blik en 
diepe denkkracht" ; Kuypbe, Ene. I, p. B9 „deze geniale Theo- 
loog" ; terwijl Loofs H. E. E^., Bd. 4, p. 413 van zijn systeem 



Digitized by 



Google 



97 

zegt, dat het „die Grondlage der folgenden Entwiokelung 
„worde ;. . . . ein groszes System. . . . dessen Einheitlichkeit ihn 
,,nioht lange überlebt hat." Kan dit laatste verwonderen, wan- 
neer Origenes daarin, zooals Loops het oitdrokt, „die apologeti- 
„schen ond die kleinasiatischen Traditionen, aoch gnostische ond 
^ydynamisch-monarchische, korz die mannigfachsten Anregongen, 
„die seine Zeit ihm bot, verworben hat"? t. a. p. En zoo dit het 
vermoeden niet wettigen, dat aan het systeem zelf innerl^ke 
eenheid ontbroken heeft? 

Hij gaf het in zijn Trepi ipx^^- Waarom Habnaok, tot de be- 
spreking daarvan overgaande, ook schrijft : „S. vor AUem das 
„systematische Haoptwerk t.«" I, p. 561, 1. Ook hier moet 
voornamelijk met dit werk gerekend worden. 

No gaat het bij ons onderwerp principieel over deverhooding 
van Schepper en schepsel in den Middelaar, meer bepaald ten 
aanzien van de vraag, of Jezos' menschelijke natoor op eenigerlei 
wijze vernederend of ontledigend kon terogwerken op de goddelijke. 
In Hem kwam de hoogste eenheid tot stand, die beiden, Creator 
en creatoor, samen konnen vormen. Maar hoe hoog deze vereeniging 
zich ook verheiBFe, en als top voor al het lagere onbereikbaar zij, 
andererzij ds wordt zij toch door al dat andere gedragen : zij 
staat niet in volstrekten zin geïsoleerd. Integendeel hangt zij 
met de andere aanrakingen, verbindingen, vereenigingen tosschen 
ti-od en schepsel of mensch derwijze samen, dat zij, hoezeer van 
dat alles onderscheiden, toch ook slechts om zoo te zeggen eene 
ap8ui:e, en wel de hoogste, species is van het genos : gemeen- 
schap tosschen God en schepsel. Ook zij toch is een opos Dei 
ad extra. 

Dit is het belangrijke pont, dat vooral door Jostinos en Clemens 
Alexandrinos, en ook door Irenaeos, werd gehandhaafd. En hieroit 
mag de conclosie afgeleid worden, gelijk deze door genoemde mannen 
op honne wijs ook reeds gedeeltelijk getrokken werd, dat, indien 
Grod geene verandering kan ondergaan door inwerking van den 
kant des schepsels, noch in positieven, noch in negatieven zin ; 
geene verandering die Hem a. w. h. zoo omhoogvoeren, en geene 
verandering die Hem naar beneden zoo trekken, zooals het Gnos- 
ticisme zich dat scheen te denken ; dat dan ook het mensch-zijn op 
zichzelf geene vernedering of ontlediging voor den Zone Gods 
mag heeten, evenmin als verhooging. Deze termen gelden van 
den tweeden Persoon als Middelaar, dos reeds als bekleed (zijnde 

7 



Digitized by 



Google 



98 

of gedacht) met de menschelijke natuur. En dan zóó, dat tegen- 
over den diepsten trap van vernedering de hoogste verhooging 
staat ; dat gene ophoudt met deze. 

Het was Gods goedheid, dat Hij deze nauwe vereeniging met 
Zijn schepsel wilde aangaan, evenals Hij uit goedheid schiep 
en verzorgt. En die goedheid werd nu ten toppunt gevoerd. 
Doch vernedering of ontlediging bracht zij Hem toch niet aan. 
Tot zoover ons gevonden resultaat. 

Maar dit resultaat kon niet verkregen worden, dan bij hand- 
having van het schriftuurlijk onderscheid zoowel als verband 
tusschen God en creatuur, het ernst maken met het eerste vers 
der Schrift : In den beginne schiep God den hemel en de aarde. 
In dit vers toch wordt de absolute onderscheidenheid uitgesproken, 
maar ook de grondslag aangewezen, waarop de hoogste eenheid 
denkbaar en bestaanbaar is. De nauwste vereeniging en het 
innigste verkeer zijn niet mogelijk, dan bg de welbewuste poneering 
en handhaving van het onveranderlijke onderscheid in wezen. 

Dit was aan den dag gekomen in de stelsels der Gnostieken. 
En nu geeft ook Origenes omtrent dit punt niet zoo zuiveren 
klank als vóór hem te beluisteren viel. Inzoover zijn we bg 
hem aan een keerpunt gekomen. Meermalen en ten aanzien van 
verschillende zaken sprak hij de onderscheidenheid in wezen 
tusschen God en schepsel uit. God is onlichamelijk en onzicht- 
baar, cf. c. Gels. VI, 69, VII, 38. Met maar zóó, dat Hij, ut 
quidam putant, alicui visibilis est en voor anderen onzicht- 
baar, doch er is nuUa natura die God zien kan. Naturaliter 
videri impossibile est. Dit geldt niet minder van den Zoon 
dan van den Vader : quod ad naturam pertinet deitatis, hoc 
inter patrem et filium constat, de Princ. I, c. 1, 8 Maar nu 
staat zien hier in tegenstelling met kennen : aliud est videre, 
aliud cognoscere, en doelt op stoffelijkheid : videri et videre cor- 
porum est, cognosci et cognoscere intellectualis naturae est, ibid. 
cf. c. Gels. VI, 69 iw» kxi o dsog Kxb'' vifJLxg rep (Ji,yt iivxi ^ccfix 
oiopxTog ètrriv. En Origenes loochent niet, dat God gekend kan 
worden : ron; Sf bsoopytrinoig axpit^ ^sapviToq^ d. i. vop. ibid. VII, 42 

7r€(pVK€ êsog (JL6V iv^pOiTTüi yiVÜ)ffK€(r^Xl, otvbpOOTTOV ys ^pV^V| STl ov(rx 

BV (ToofiXTi yivcü^Ksiv Tov isov. ibid. 38: Wij zullen zeggen ovk olv 
iAA^ T/v/ vi Tcp KXTX Ttjv sKSivov TOV vov shovx ysvofJtfSvcp Kxrx}*xfi(3xv€(r^xi 
TOV isov. En daarom doet de christen alles eU to [jLviixfioiq xvToy 
êTi eïvxi sv Tifi (TxpKi^ cix^' èv fiovcp Tcp TTvsufJLXTi, Vgl. de Princ. I, 



Digitized by 



Google 



99 

c. 1, 9. Hieruit blijkt, dat te dezer plaatse de nadruk valt 
niet zoozeer op de onderscheiding van Gtod en schepsel, als wel 
op de tegenstelling van geest en stof, welke dan in verband 
staat met den afstand tusschen Creator en creatuur, de Princ. I, 
c. 1,6: non ergo aut corpus aliquod, aut in corpore esse putandus 
est Deus, sed intellectualis naturae simplex, ibid. II, c. 2, 2 : 
Solius Trinitatis incorporea vita existere recte putabitur ; c. Cels. 
III, 40 ^ Kotvyj èvvoix xtxitsi èvvosiv on ésog ovlx[A.oog strriv vXtj 
CpS'^prjf, öySf Tifzxrxt sv d\pvxoii v^xig vtto iv^puTroov fiop(povfzsvog, 
alsof deze Hem afbeeldden of zekere overeenkomst met Hem 
hadden. 

Hg weet niet van profectus, de Princ. I, c. 2, 10, en kan het 
kwade niet in zich opnemen, wat alleen van Hem geldt. NuUa 
natura est quae non recipiat bonum vel malum, excepta Dei 
natura, quae bonorum omnium fons est, et Christi, ibid. I, c. 8, 3. 
Ook is Hg niet vatbaar voor verzoeking: Deus tentari non 
potest. Opp. ni, p. 967a. Verheven boven ^ ovfrtx. c. Cels. 
VII, 38 vovv Toivuv i\ BTTSKeivoc vov KXi ovjtxg Ksyovreq shon xtt^ovv 
XXI xopxTov T6 ifTOüfJLXTOv Tov Toov okoov êsov. iu loauu. tom. 19, n. 1. 
Opp. IV, p. 287 E : want niemand denkt God of ziet Hem {^eoopsi)^ 
en daarna de Waarheid, maar eerst de Waarheid, /V ovrooq ihbift 
èiri TO Èvi^stv r^ èvfriof, yj rifi sTSJCstvx Tyjg ov(nx<; ivvxfJLSi KXt ^vtrsi 
TOV deov. Maar als we nauwkeurig op deze voorstelling letten, 
zien we, dat hier het onderscheid tusschen ons en G-od gedacht 
wordt als een gradueel verschil. Er wordt eigenlijk niet ontkend, 
dat wij in Gods wezen kunnen inzien, maar dat wij dit recht- 
streeks zouden vermogen. Wij moeten eerst een trap opklimmen. 
Origenes vervolgt met het beeld van den tempel: ovrug ol TxvTsq 
{jficav xvxfix^fioi i fiovoyevvi^; ia-Ti tov ósov, waarbij Zijne mensche- 
lijke natuur de eerste of laagste trede is, o ys olov 7rpuTo<; jcxTcoTspa 

TO XvbpCOTTlVOV XVTOV^ ^ S'TTl^XlVOVTeq O^SVOf^SV^ KXt TX i^Yi^ XVTOV èvTX 

Ty^v TTxtrxv xvx(3x^ficav öSöï/, zoodat wij opklimmen S/' xvtov ovToq 
Kxi xyyeKov kxi tuv Xoittuv ^vvxfiscov. Cf. ibid. 1, n. 29. Opp. IV, 
p. 31 O. : in of bg den Vader te zijn is niet mogelgk, a^jj ^^x(txvtx^ 

WpOOTOV KXTOobsV XVX(3xiV0VTX^ èwi T}JV TOV vloV ^€OT}JTX, S/' fjg Tiq 

XBtpxyooyvjbvivxi 'Svvxtxi kxi sti tviv TrxTpixyjv fJLXKxpiOTyjTx, want de 
Zoon heet deur. Of. p. 56/57. 

Dit is dus iets anders dan Clemens leert, wanneer hij, uitspre- 
kende dat de éóne, zelfde God niet alleen goed maar ook recht- 
vaardig is, schrgft : eTrexeivx tov kvog xxt vTrsp xvtviv tviv fji^ovaix. 



Digitized by 



Google 



100 

Want alzoo wordt gehandeld over het innerlijk bestand (s. v. v.) 
van het goddelijk wezen. Maar Origenes doelt op de verhouding 
tasschen God of o èsog^ en den geloovige. En dan zegt hij eigen- 
lijk alleen, dat het oog van dezen laatste vooraf moet gewend 
worden, voordat het *t goddelijk licht in zijn vollen glans ver- 
dragen kan. 

Deze twee gedachten : die der rangordening of van het gra- 
dueel-verschillende, en die der tegenstelling van stof en geest, 
gaan door het gansche systeem van Origenes heen, en hebben 
daarin eene belangrijke beteekenis. 

God is ook onveranderlijk, c. Gels. 1, 21 : Joden en Christenen 
beiden handhaven to xtpstttov ts ivx^^Koiccrov rov êeov^ waarna 
Ps. 102 : 28a en Mal. 3 : 6a worden geciteerd, die meermalen 
hiervoor dienst doen. Origenes spreekt dit dikwerf uit in verband 
met het aannemen der menschelijke natuur door den Zoon. Vgl. 
reeds zijn opgaaf van het symbool de Princ. praef. 4: mansit 
quod erat Deus; of. c. Cels. IV, B, en ibid. IB fzcti/^cci/sru on 
o Koyog Tifi ov(rt^ fji^vm Xoyoq^ ovhev fi€v TXtrx^i (^v ira(TX^i '^o trufix 
y\ VI \pv%vi^ ibid. 18 ov ^vjttov ipsv^sTXi rv^v êxvrou Cf,v(ny o ^oyog^ 
ay,x(TTCfi Tpo^tf4>o^ y€vo(ji,€voc^ aq x^P^^ xvtov Trxpx^s^xtr^xu Hom. 8 
in Gen. Opp. II, p. 83: Verbum in inoorruptione permansit; cf. 
voorts DoBNEB I, p. 640,4. 

Vervolgens laat ook Origenes het niet bij negatieve bepalingen 
blijven, maar voegt daaraan positieve toe. de Princ. I, c. 1, 6 
noemt hij God mens ac fons ex quo initium totius intellectualis 
naturae vel mentis est ; cf. ibid, I, c. 8, 3 ; en hij formuleert het 
symbool: unus Deus est, qui omnia creavit atque composuit, en 
zegt daarbg zelfs : quique cum nihil esset, esse fecit universa, 
ibid. praef 4, gelijk het woord XTiSffiv en afleidingen daarvan 
meermalen door hem worden gebruikt. 

Niettemin is zijne voorstelling van de betrekking tusschen 
God en de wereld eene andere dan die van Clemens. Loofs 
karakteriseert zijne kosmologie als „dynamisch-emanatastisch", 
H. E. E^ art. Arianismus Bd. 2, p. 8. En Mölleb schrijft p. 107 : 
„In dieses allgemeine Schema des kosmischen Prozesses, der 
„wesentlich ein Prozesz der Entauszerung des Geistes und seiner 
„Rückkehr zu seinem Ursprung ist. . . . sucht nun aber derkirch- 
„liche Ohrist Origenes die positieve Füllung und Ausführung 
„einer geschichtlichen Heilsglaubens hineinzuführen." 

In overeenstemming met deze karakteriseeringen kunnen we 



Digitized by 



Google 



101 

n.m.1. de vraag stellen, of Origenes in zijn systeem plaats overhield 
voor de gedachte van schepping, in onderscheiding van het begrip 
emanatie, genomen als werking eener vrije wilsdaad Gods. Wel 
zegt hij de Princ. I, c, 2, 6 : ego arbitror quod sufficere debeat 
voluntas patris ad subsistendum hoc quod vult pater, en bezigt 
hij andere woorden of voorstellingen om de schepping aan te 
duiden. Maar desniettegenstaande is een nader onderzoek omtrent 
zijne beweringen over het allereerste ontstaan der dingen niet 
overbodig, om te weten, of hij daarbij boven het begrip van causa 
emanans, alrtx^ ip%y, uitkwam, en zich verhief tot dat van xt/ö-tj^^. 
Vooraf zg er echter op gewezen, dat correlatie van be- 
grippen in Origenes' systeem niet zonder beteekenis is. Sicut 
lux nunquam sine splendore esse potuit, ita nee Filius quidem 
sine Patre intelligi potest, bg Doener I, p. 643, 5 ; de Princ. I, 
c. 2, 4 : Est ita aetema ac sempitema generatie, sicut splendor 
generatur ex luce ; ibid. I, c. 2, 10 : Quemadmodum pater non 
potest esse quis si filius non sit, neque dominus quis esse potest 
sine possessione, sine servo, zoo ook kan Q-od niet almachtig 
heeten, of er moeten personen wezen, in quos exerceat potenta- 
tum. In formeelen zin kunnen we zeggen, dat het opmerken 
dezer wederkeerigheid ten grondslag ligt zoowel aan zijne uiteen- 
zetting der eeuwige generatie, als aan zijne leer van de begin- 
loosheid zij het niet dezer wereld, dan toch van het zijn van eene 
wereld in het algemeen. Hiermee wordt niet bedoeld, dat Origenes, 
haar ziende, de gevolgtrekking maakte : derhalve is de generatie 
eene eeuwige; dus is het ondenkbaar, dat God ooit alleen zou 
hebben bestaan, zonder een niet-God naast zich ; veeleer dacht hij 
in zijn onbewuste zieleleven de generatie als eene eeuwige; 
werd daardoor gedisponeerd op deze correlatie te letten; en dit 
hielp hem wederom in de helderheid van het bewuste denken, 
om de eeuwigheid der generatie zoowel beter te verstaan, als 
uiteen te zetten en te handhaven *). Anders toch zou hij eerst 
die correlatie scherp in het oog gevat en geanalyseerd hebben, 
daarna hebben aangetoond, voor hoever de toepassing bij God in 
zake creatie en generatie doorging, en voorts nog nagegaan hebben, 
waarin de onderscheidenheid van toepassing bij deze twee bestond. 
Maar aldus wordt de beteekenis van het bewuste denken en van 
het heldere begrip niet tot een nihil, noch voor eenigen denker 



^) cf. hierbij Kuypke, Ene. I, § 13. 



Digitized by 



Google 



102 

zelven, noch voor wie na hem komen. Er is in het zieleleven 
wisselwerking. Valt dit niet te ontkennen, dan mogen we in 
dezen ook teruggaan tot Olemens, die Str. I, p. 312 B het dui- 
delijk uitsprak, dat de natuur zelve van het vuur een zoodanige 
is, dat zij verwarmt, en dat het licht moet schijnen om licht te 
wezen. Of. ook VII, p. 723 O. Ook maakte hij er reeds de toe- 
passing van; en bepaald bij het goddelijk wezen. In tweeërlei 
opzicht. Vooreerst zeide hij, dat het aldus evenzeer G-ods natuur 
is om actief het goede te bewerken : ro AyxboTroisiv. . . . (pv(Tig^ éq 

èlTTSlV^ XVTij TOV dsOV ^ uq TOV TTUpog TO ösp/ZXlVeiV^ KXl TOV (pODTOg 

(part^siv, t. a. p Wat hij zoo sterk doorzette, dat hij schreef, dat 
God, iyxöog wi/, £/ TTXvo-erxi ttots xyxbospycov^ jcxi rov êsog ehxi TTXvtrerxt, 
Str. VI, p. Hiermee werd geen aanvangloosheid der schepping 
geleerd. Want Olemens ziet op het reeds geschapene, waaraan 
God zich niet zou kunnen onttrekken, om niet op te houden 
Q-od te wezen. Maar gemakkelijk kon men concludeeren : indien 
Q-od, om Q-od te blijven, met x'yx^oepysiv moet doorgaan, dan kan Hij 
daarmee ook niet begonnen zijn. Met betrekking, nu niet tot G-ods 
goedheid, maar tot Zijne almacht, redeneerde Origenes in dezer 
voege dat, als men niet aannam, dat er vóór den aanvang dezer 
wereld andere waren geweest, men aldus beweren zou, dat G-od in 
die voorafgaande eeuwen niet almachtig was, maar later dit was 
geworden, en dus profectum accepisse videbitur, daar er niemand 
aan twijfelt, of almachtig te zgn is beter dan dit niet te wezen, 
de Princ. I, c. 2, 10. Voorzoover in Olemens' woorden ligt op- 
gesloten, dat God ten aanzien van het creatuur niet maar werkt 
overeenkomstig Zijne natuur — wat alleszins juist is — maar 
ook met noodzakelgkheid en om God te kunnen wezen, opera 
ad extra verrichten moet, was hetgeen Origenes hier leeraarde, 
slechts logische gevolgtrekking. 

In de tweede plaats kan men in zekeren zin zeggen, 
dat Olemens deze correlatie van begrippen bij het goddelijk 
wezen toepaste in de verhouding van Vader en Zoon. Str. V, 
p. 544 ov% o wxTT^p XV6V viou^ x(zx ye rep ttxt^p viov TTXTvip. Hab- 
NAOK I, p. 579 Anm. zegt : „die „Gleichewigheit des Sohnes mit 

„dem Vater, hat Olemens betont", waarop hij dan deze plaats 

citeert. Maar er ligt meer in, n.m.1. ook de noodwendigheid der 
generatie, zal de Vader vader kunnen zijn. Daarom de onver- 
bogen vorm van het zelfst. nmw. en het weglaten der lid- 
woorden. Deze bedoeling valt te meer in het oog, wanneer we 



Digitized by 



Google 



103 

vlak aan deze woorden voorafgaande lezen : ovts ^ yvacrig xvsv 
in<rr€oog^ ov^" j} 7rt(rri^ xvev yvafreoaq. Daaruit blijkt, dat Clemens, 
strikt genomen, hier niet spreekt over God, maar over een vader 
en over een zoon. Zoodat toepassing bij Grod, hoezeer rechtmatig, 
toch slechts per consequentiam geschiedt. Het gaat hier om de 
correspondentie der begrippen vader en zoon. 

Zoo was in dezen voor Origenes de weg niet alleen gebaand, 
maar ook reeds betreden. Als daarom Loofs H. E. E'. Bd. 4, 
p. 43 schrgft : „in seiner Logoslehre freilich ist Clemens ein 
^Vorlaufer des Origenes gewesen'', kan dit ook speciaal van dit 
pant gelden. Nu is het voor ons moeilijk uit te maken, voor 
hoever deze ontwikkeling der begrippencorrespondentie door 
Clemens van invloed is geweest op Origenes. We kunnen alleen 
vermoeden. Maar bg Clemens komt het spreken over deze 
begrippencorrelatie op verschillende plaatsen voor : Str. I, V, 
VII; ze komt bg hem voor met betrekking tot onderscheiden 
zaken : van vuur, van licht, van ouder- en kinderverhouding ; 
ze wordt toegepast inzake de verhouding van geloof en kennis, 
en bg Gknis natuur of wezen ten aanzien van het iyxboTroieiv 
of iyx^oepyetv; en er wordt daarbij gewezen op verschil: ov% 
o isoq xKuv ocyx^og^ ov rpoTrov to Trup bspfAxvrixov. Al hetwelk 
ons weten doet, dat Clemens niet maar even en schier zon- 
der nadenken over haar sprak. In de tweede plaats bleek 
Origenes een ontvankeljjken geest te bezitten. Doener I, p. 63B : 
„sein edler reiner Wahrheitssinn erkannte auch das Recht, das 
„die verschiedensten bisherigen Richtungen für sich hatten." 
Habnaok I, p. 563 : „die Relativiteit der Betrachtungsweise .... 

„ist dem Origenes gelaufig." Dat zal zeker ook reeds in zijne 

jeugd zoo geweest zijn, den besten tgd om in zich op te nemen. 
En „in sehr jugendlichem Alter genosz Origenes den Unterricht 
„des Clemens," Möllbb. Ten derde speelt het wederzijdsche van 
begrippen in Origenes' systeem een niet beteekenislooze rol. 

Dit verder latende voor wat het wezen moge, gaan we nu 
nader op het gebruik in, dat Origenes van deze begrippencor- 
respondentie maakte inzake de verhouding van Schepper en 
schepsel. Het is dit, dat eigenlijk alle dingen er reeds altijd 
moeten zgn geweest. Evenals men geen vader wezen kan zonder 
een kind te hebben, noch heer zonder bezitting, ita ne omni- 
potens quidem Deus dici potest, si non sint, in quos exerceat 
potentatum. Opdat derhalve God almachtig blijke, omnia sub- 



Digitized by 



Google 



104 

sistere necesse est. Want als men zeide, dat er eenige eeuwen 
of spatia, of hoe men het mocht willen noemen, waren voorbij- 
gegaan, cum nondum facta essent quae facta sunt, sine dubio 
hoc ostendet, quod in illis saeculis vel spatiis omnipotens non 
erat Deus et postmodum omnipotens faotus est, ex quo habere 
coepit in quos ageret potentatum. En alzoo zou Q-od blijken 
vooruitgegaan te zijn et ex inferioribus ad meliora venisse : si 
quidem melius esse non dubitatur esse eum omnipotentem, quam 
non esse, de Princ. I, c. 2, 10. sttsi ys ovk s(ttiv ots TrxvToycpxroop 
oiix jji/, xsi sbxi Sf/ TXVTX 5/' x TrxvroKpxrap iö-r/, ibid. 

Origenes wil alzoo Gods onveranderlijkheid handhaven. Bij 
Hem kan niet van vooruitgang gesproken worden. Hij komt niet 
in betere conditie. Terecht. Over het motief, dat hierin aan het 
licht treedt, en de waarheid der door Origenes voorgestane zaak, 
is geen ongunstig oordeel geoorloofd. Anders staat dit met de 
wijze, waarop Origenes deze handhaving wil doen geschieden 
en met de gedachte, waarop zijne bewering feitelijk rust. Deze 
grondgedachte is, dat het existeeren van schepselen voor Grod 
noodig is, om Grod te zijn. Ware dit juist, dan zou er nood- 
zakelgk uit volgen, dat er niet maar altijd, d.w.z. zonder begin, 
dingen hadden moeten bestaan, doch dat alle schepselen er immer 
geweest waren. In zoover zegt Origenes dan terecht : omnia 
subsistere necesse est. En wanneer Q-ods onveranderlijkheid en 
almacht eischten, dat er beginloos creaturen existeerden, moest 
men consequenter stellen, dat deze almacht, om almacht te zijn, 
alle dingen had geschapen, waartoe zij in staat was, en wel in 
den hoogsten vorm als zij dat vermocht; zoo eerst bleek niet 
maar Gods potentia of Kpxrog^ maar Zijn omnipotentia of ttxv- 
TOxpxTopix ; en in de tweede plaats dies ook, dat alle deze schep- 
selen, aldus op de voor Gods almacht hoogstmogelijk realiseer- 
bare wijze bestaande, onveranderlijk waren; opdat God niet 
veranderen mocht met het veranderen der creaturen. 

Nu was Origenes niet consequent. Want hij loochende de 
verandering in de wereld niet; leerde integendeel zelfs, dat er 
een proces van wereldsuccessies doorliep na het vergaan van 
eene bepaalde wereld, zóó, dat eene voorgangster oorzakelijk de 
bestaanswijze harer opvolgster bepaalde, de Princ. III, c. 5, 3 : 
Pleegt men ons de tegenwerping te maken: si coepit mundus 
ex tempore, quid ante faciebat Deus quam mundus inciperet? 
dan antwoorden wij daarop met inachtneming van de regula 



Digitized by 



Google 



106 

pietatis en zeggen, quoniam non primum cum visibilem istum 
mundum fecit Deus, coepit operari, sed sicut post corruptionem 
huius erit alius mundus, ita et anteqnam hic esset, fuisse alios 
credimus *) ; ibid. 11, c. 1, 3. . . quae varietas in huius mundi fine 
deprehensa causas rursus diversitatum alterius post hunc futuri 
occasionesque praestabit; cf. ibid. II, c. 2. 

Maar op deze wgze werpt hij zijn voorgaande redeneering 
dan ook principieel onderstboven. Want als Gods almacht niet 
uitsluit, dat er gedurig een ontstaan plaatsgrijpt eener nieuwe, 
bepaalde wereld, waarom dan wel, dat er is een beginnen 
te existeeren van eene wereld überhaupt? En wanneer Gods 
onveranderlijkheid niet gekrenkt wordt door de wisselingen 
in eene bepaalde wereld en bg de opvolging der onderscheiden 
werelden, waarom dan wel, als er een ontstaan voor een niet-God 
in het algemeen zou zijn? Het geldt hier toch eene principieele 
kwestie. Is er eenig niet-God, dat in zijn komen tot existentie 
en in zgn varieerend verloop Gods almacht en onveranderlijkheid 
ongedeerd laat, waarom is dit het geval dan niet met een ander 
creatuur, ja met alle schepselen gezamenlijk? 

Evenwel, Origenes erkent dan nu eenmaal, dat er verscheiden- 
heid is in het ontstaan en in de wijze van bestaan der verschil- 
lende schepselen, en leert zelfs, dat er wisseling van werelden 
plaats vindt. Z. i. wordt daardoor dus niet te kort gedaan aan 
Gods onveranderlgke almacht. Maar hiermee hebben we het 
begrip van schepping nog niet gekregen. Want als de eene wereld 
door hare varietas, welke zij tegen haar einde bezit, causas occa- 
cionesque presteert voor de diversiteiten der volgende, dan kan 
het ontstaan van die nieuwe wereld slechts in oneigenigken zin 
schepping heeten. In den grond der zaak is er zelfs geen telkens 
scheppen der stof te handhaven, de Princ. II, c. 2, 1 en 2 : Si 
ergo posset quis ostendere rationem qua possibile esset eas (scil. 
rationabiles naturas) omnimodo carere corporibus, consequens 
videbitur, quod natura corporea ex nihilo per intervalla tempo- 
rum procreata, sicut cum non esset, effecta est, ita et esse desi- 



^) Hieronymns' vertaling heeft zakelijk hetzelfde: Nobis autem placet et 
ante hnnc mundtim alitim fuisse mundum et post istum alixim futurum. 
2iij vervolgt dan: Vis discere qnod post corruptionem hxiins mnndi alius sit 
futurus? Andi Isaiam loqnentem, cf hoofdst. 66:22. Vis nosse qnod ante 
fabricam istius mnndi, alii mnndi in praeterits fuerint ? Anscnlta Ecclesiasten, 
cf . hoofdst. 1 : 9, 10. 



Digitized by 



Google 



106 . 

neret cum usus eius ministerii praeterisset. Maar wanneer het 
onmogelijk is, dit op eenigerlei wijs te bevestigen, n.m.1. dat eenige 
andere natuur dan die van Vader, Zoon en H. Geest praeter 
corpus leven kan, dan necessitas consequentiae ac rationis coarctat, 
dat men aanneme, principaliter quidem creatas esse rationabiles 
naturas, doch dat men de stof slechts in zijn denken (opinione 
quidem et intellectu solum) van haar gescheiden kan nemen en 
als vroeger of later geschapen zich voorstellen. Zooals men ziet, 
gebruikt Origenes hier de uitdrukking „cum non esset", evenals 
in het symbool : quique cum nihil esset, esse fecit universa. Doch 
we hebben het nu niet met zulke losse gezegden te doen, maar 
met zijn argumentatie. Daardoor leeren we zijn systeem kennen. 
En dan blijkt, dat we, om zoo mogelijk tot het begrip van 
schepping te komen, van de telkens bestaande werelden al maar 
terug moeten, tot we eindelijk mochten komen bij de allereerste. 

Echter kan er van een eerste wereld op Origenes' standpunt 
niet gesproken worden. Want volgens zijn redeneering moet 
dit proces onbegonnen zgn. Of althans, is er een eerste wereld 
geweest, dan moet deze nimmer zijn beginnen te bestaan, maar, 
temporeel genomen, „anfangslos" zijn. 'iroog ys ovk cctottov to, f^^ 
è%ovT<x, Tl Tccv wpaTTOVToov os^vTcp Tov isov, slg To 6X61V f A>f AuS'fv^/ ; Aan- 
gezien Hij toch iramer TrxvroxpxTup was, ist sbxi 5f/ txvtx 5/' x 
TTXVTOJcpxrap 6(rTi jcxi xst vjv vtt^ xvtov xpxTOVfievx^ xp%ovri xvrop 
%pcofi€ux, de Princ. I, c. 2, 10. 

Hiermee is dan ook gezegd, dat er in het geheel zijner denk- 
beelden, tenminste voor zoover hij argumenteert, geene plaats 
voor gedachte aan schepping overblijft. Dit begrip verstaan in 
den zin als de christelijke kerk het bedoelt, en zooals o. a. ook 
Clemens het duidelijk liet uitkomen : als een door God bewust 
en vrij in het aanzijn roepen van het creatuur. Want een ont- 
staan van een niet-Ood is bij Origenes niet denkbaar *). Het ver- 
band, dat hij tusschen Grod en wereld leert, en de beteekenis 
welke hij aan de existentie dezer laatste voor God toekent, en 
alzoo zijn Godsbegrip, laat zulks niet toe. Een wereld moet 
bestaan, zal God almachtig kunnen wezen. En zal Hg niet 
almachtig zijn geworden^ dan moet Hij zonder begin een niet-God, 
eene wereld naast zich hebben gehad. Daardoor kon er nog slechts 
geleerd worden, dat God causa of xmx is, niet van het ontstaan 

') Dit is ook liet geval met de redeneering van J. H. Scholtbn, De Lew 
der Hervormde Kerk, 4de druk, H. p. 218, cf. ook p. 242. 



Digitized by 



Google 



107 

van eene wereld überhaupt, maar hoogstens van eene bepaalde 
wereld, en voorts, dat Hg de bestaansgrond is van hetgeen 
existeert, in den zin, waarin Sohleibemaohkr, Der Christliche 
Glaube § 36, schrijft, dat „die Welt in der schlechthinigen 
Abhangigkeit von Gott besteht". Of. ook § § 40 en 41 *). 

Want sprekende over het ontstaan der dingen, verwerpt Orige- 
nes dat in het algemeen. Mogen de afzonderlijke dingen en 
werelden er komen en veranderen, er is toch nimmer een oogen- 
blik denkbaar, vóór hetwelk alleen OtoA bestond, zonder eenig 
creatuur naast of buiten zich, en waarop nu een niet-God van 
Hem existentie verkreeg. Terwijl hij in de onder ^) gegeven 
aanhalingen slechts verdedigt, dat alleen God „ongeworden'' is, 
maar al het overige door Hem tot aanzijn kwam. Welk laatste 
dan echter behandeld wordt als een „einmaliges" feit. 

Zoo kromp ten aanzien van het ontstaan der creatuur über- 
haupt de verhouding van Otod tot de dingen in, en werd er 
vrede genomen met het vage, dat alles, behalve God, ysv^rov 
is, en wel bepaald aan God zijn ontstaan dankt. Daardoor kwam 
vanzelf de terminologie van „geworden" en „ongeworden" meer 
op den voorgrond, en werd het laatste het eigenlg k-kenmerkende 
van Gods wezen tegenover het ysvirrov der creatuur. 

Aldus wordt het Arianisme verklaarbaar : „ó vh^ ovk itrrtv ocysv- 
j^vyfrog^ ov^e (Ji^poq xysyvyfrov .... wahrend wir von Gott lehren, er sei 

') Blllijklieidslialve mogen hier enkele andere citaten van Origenes plaats 
vinden, de Princ. I, c. 3, 1: Et omnes qnidem qni qnoqnomodo providentiam 
esse sentinnt, Detun esse ingenitom qni nniversa creavit atqne disposnit, con- 
fitentur, eomque parentem nniversitatis agnoscnnt. ibid. 3 : Quod antem 
a Deo nniversa creata sint, nee sit nlla creatnra qnae non ab eo lioc ipsnm 
nt esset acceperit, ex mnltis scripturae assertionibns comprobatur, repndiatis 
atqne depnlsis his qnae a qnibnsdam falso perhibentnr vel de materia Deo 
coaetema, vel de ingenitis animabns, qnibns non tam snbsistendi natnram, 
qnam aeqnalitatem atqne ordinem a Deo insitnm volnnt. Cf. ibid. II, c. 1, 4, 
waar Origenes bepaald tegen ben polemiseert, die een materia ingenita, of, 
zooals er in de latijnscbe vertaling (alleen?) bijstaat: non ab ipso Deofacta 
conditore omninm, leeren. Evenwel wordt hiermee slechts gehandhaafd, dat 
alles aan God zijn oorsprong dankt, maar niet gezegd, op welke wijze Hij 
de dingen voortbracht. En gebmikt Origenes termen als creare (xr/fg/v) 
e. d. g., en zegswijzen als „cnm nihil esset", dan moet niet vergeten worden, 
dat deze voorstellingen en woorden nn eenmaal overgeleverde kerkelijke 
bezitting waren. Zoodat voor de rechte kennis van Origenes' beweren 
hooger waarde heeft op zijn bewijsvoering te letten, dan nadmk te leggen 
op door hem misschien meer nit gewoonte gebezigde zegsmanieren, die nn 
eenmaal algemeen golden. 



Digitized by 



Google 



108 

oLvxp%oq^\ Arius' brief ad Euseb. bij Hagenb. §89, 1. Cf. Bavinok 
Dogm. II, p. 260/261, 279. „Eunomius, een volgeling van 
„Anus, zou geleerd hebben, dat hij God evengoed kende als 
„zichzelven. Gods wezen bestond volgens hem alleen in dei^^fv- 
y^vvi<Tix^ en daarin had hij van het Goddelijk wezen een klaar, 
„duidelijk, adaequaat begrip ; God was zichzelf niet meer en den 
„mensch niet minder bekend dan in dit praedicaat werd uitge- 
„drukt", ibid. p. 19. Vgl. Doeneb I, p. 853 vv. *). 

Wanneer Origenes nu zegt, dat de dingen, ^fx God almachtig 
is, er altijd moeten zijn geweest, opdat men bij Hem niet van 
ontwikkeling of vooruitgang kunne spreken, gebruikt hij het 
woord TrxvToXfjXToup, waarvan de zin, op zichzelf reeds niet duis- 
ter, nog duidelijker wordt als hij vervolgt, dat zij xei vtt* xvtov 
KpxTOVfisvx^ xpxovTi xvTC;) xpu[i6vx warcu. Hierdoor komt uit, dat hij 
aan eigendom en gezagsoefening dacht, maar zich de vraag niet 
stelde naar het innerlijk wezen van wat bestaat. Ten gevolge 
daarvan kwam hij tot eene bewering, die feitelijk de absoluut- 
heid Gods ontkent, en den Almachtige van het schepsel afhan- 
kelijk maakt. Immers was naar zijn voorstelling God niet reeds 
en ten volle, op goddelijke wijze, in Zichzelven almachtig, maar 
berustte Zijn omnipotentia op de verhouding, waarin Hij tot 
een reeds existeerend creatuur staat. Ware er geen schepsel, 
dan kon God niet almachtig heeten. Ontstond er daarna een, 
dan werd God TrxvTOJcpxrccp, en zoude aldus ex inferioribus ad 
meliora zijn voortgeschreden. Om aan dit laatste te ontkomen, 
leerde nu Origenes, dat er beginloos naast of buiten den 
Almachtige een niet-God, hetwelk uit Hem geworden was, had 
bestaan. Maar op deze wijze werd geen herstel aangebracht in 
de principieele fout, dat het bestaan der schepping eene zoo- 



^) Loofs in H. R. E^, axt. Arianismns. Bd. 2 p. 10 schrijft;: „Zweierlei ist 
„konstitutiv für die Gedanken des Arins : die wohl anf verstarkte aristo- 
„telische Einflüsse in der Sclinle Lncians znriickgeliende Betoming der 
„Aseitat (des ^yswiirov stmi) als des wesentlichen Merkmals der Gottlieit 
„imd die niclit nnr von einem Tertullian, sondem auch von Origenes ilin 
„nntersclieidende AbleTiimng aller emanatisclien G-edanken." Naar de wijze 
waarop Loofs zich. xdtdmkt, weet lüj das niet, doch. vermoedt slechts, dat in 
Lncianus' school van „verstarkte aristotelische Einflüsse" moet gesproken 
worden. In den tekst werd een allereerst voor de hand liggend aanknoopings- 
pnnt in Origenes' gedachten aangewezen. Zou toch ook hierbij niet van 
toepassing zijn: „In history things get beaten ont to their true issues"? 
James Orr, The Christian View of God and the World. 4th ed. p. 43. 



Digitized by 



Google 



109 

danige beteekenis voor God gedacht werd te hebben, dat Hij er 
iets door ware, hetwelk Hem als God zou betamen. Niet reeds in en 
voor Zichzelven zou Hij op de volkomenste wijs zijn, wat Hg 
als G^d behoort te wezen, maar dit kon Hij eerst zijn door de 
existentie van het creatuur. Alsof het bestaan des schepsels als 
integreerend deel tot het almachtig-zijn van God behoorde. 

Hierdoor moest het nadenken over het allereerste ontstaan van 
een niet-God wel terugwgken. Dat werd rugwaarts verlegd van 
wereld op wereld tot in het eindelooze, waardoor het wel voor 
ons denken begint te schemeren en wij den draad verliezen, 
maar dat toch geen de minste oplossing biedt. En daarmee samen- 
hangend moest ook achterwege blijven het indenken en het uiteen- 
zetten van de wijze, waarop het allereerste ontstaan geschiedde. 
In Origenes' systeem ware zoo iets anders zeer van pas geweest, 
om het onderscheid in de generatie des Zoons en de creatie der 
schepselen aan te wijzen, en alzoo het waarachtig God-zijn des 
Zoons helder in het licht te stellen. Maar zulks deed Origenes 
niet. En vandaar de mogelijkheid, dat er verschil kan bestaan 
over de vraag, of de Zoon door den wil, of uit het wezen des 
Vaders is gegenereerd. Cf. Doenbb I, p. 666. Op deze plaats, 
n. 19, zegt DoBNBB o. a. ook: „Vielmehr leitet er ja nicht einmal 
„den XJrsprung der Welt von einem liberum arbitrium Gottes 
„ab". Inderdaad treedt God als God, als zellbewust, vrijwillig 
handelend wezen, bij het ontstaan der dingen terug. Hij wordt 
niet in vollen zin erkend als causa creans, ofschoon Origenes 
soortgelijke zegsmanieren moge bezigen, maar van Hem wordt 
gesproken op eene wijze, die de voorstelling van causa emanans 
wekt. 

Dit doet verstaan, waarom in Origenes' systeem eigenlijk alles 
vloeibaar is en een vast innerlijk wezen mist. Want evenmin 
als hij nadacht over Gods natuur, zette hij zich, om op de 
essentie der creaturen in te gaan. Zijn deed eigenlijk geen enkel 
schepsel iets, worden kon het schier alles, de Princ. I, c. 6, 3 : 
Ex quo, ut opinor, hoc consequentia ipsa videtur ostendere, 
unamquamque rationabilem naturam posse ab uno in alterum 
ordinem transeuntem per singulos in omnes et ab omnibus in 
singulos pervenisse, dum accessus profectuum defectuumve varios 
pro motibus vel conatibus proprüs unusquisque pro liberi arbi- 
trii facultate perpetitur. ibid. Il, c. 8, 3 voug Truq ovv ysyove 
^uX^i xö:/ \pv%}j KOLTop^absKTx yivsTKi vovg .... requirendum est 



Digitized by 



Google 



110 

ne forte ook de naam „ziel" (^t>%>;), a refrigescendo de statu 
diviniore ac meliore diotum sit et translatum inde quod ex 
calore illo naturali et divino refrixisse videatur, en alzoo in 
hoc quo nunc est statu et vocabulo sita sit. Hierbij valt te 
rekenen met hetgeen hij ibid. II, c. 1, 4 schrijft: Qualitates 
autem quatuor dicimus : calidam, frigidam, aridam, humidam. 
Quae quatuor qualitates v^ifi .... insertae, quia materia propria 
ratione extra has esse invenitur quas supra diximus qualitates» 
diversas corporum species efficiunt. ibid. II, c, 2, 2 : Materialis 
ista substantia huius mundi habens naturam quae ex omnibus 
ad omnia transformatur. In hun oorsprong toch waren eigenlijk 
alle dingen gelijk. 

Nu bereidt de voorstelling van emanatie vervolgens allicht 
voor op, en leidt over tot de gedachte, dat hetgeen emaneert, 
zich zelf emancipeert. En wanneer het voor ons bewustzijn sche- 
meren gaat omtrent de scheppingsdaad van God, waardoor Hij 
het zijn en zóó-bestaan Zijner creaturen volkomen zelfbewust, 
naar de keuze enkel van Zijn eigen believen, krachtens de be- 
staanswijs van Zijn wezen, bepaalt, dringt zich andererzijds 
ongemerkt het denkbeeld naar voren, dat het creatuur zelf eigen 

lot en leven regelt, de Princ. II, c. 1, 3 quoniam diversos 

motus rationabilium creaturarum variasque sententias causam 
dedisse diversitatis mundo huic. ibid. I, c 8, 2 : Causa diversitatis 
ac varietatis in singulis quibusque creaturis ostenditur ex ipsarum 
motibus vel ardentioribus vel frigioribus, secundum virtutem vel 
secundum malitiam, non ex dispensantis inaequalitate descendere. 
Want de goede en rechtvaardige en almachtige Schepper van 
alle dingen had, toen Hij in den beginne schiep wat Hij wilde, 
nullam aliam creandi causam nisi propter seipsum, id est boni- 
tatem suam. Omdat Hij derhalve zelf de oorzaak is van hetgeen 
geschapen worden moest (creanda), in quo neque varietas aliqua 
neque permutatie neque impossibilitas inerat, aequales creavit 
omnes ac similes quos creavit, quippe cum nulla ei causa varie- 
tatis ac diversitatis existeret. . . . libertas unumquemque voluntatis 
suae ad profectum per imitationem Dei provocavit vel ad defec- 
tum per negliglentiam traxit, ibid. II, c. 9, 6. Zoo was het dus 
niet allereerst Q-od, die naar de volheid van Zijn Goddelijk wezen 
alles geeft, op eene wgze dat Hij, ofschoon een ieder schepsel 
rijk en zalig doende zijn, niettemin de grootste verscheidenheid 
aanbracht, om door al die variëteiten en diversiteiten één volheer- 



Digitized by 



Google 



111 

Igke wereld te laten vormen, doch bleek het schepsel de diepste 
oorzaak, welke de schoone straalbreking van het kleurloos uit 
God voortkomend licht bewerkte. Wel deed God het. Hij bracht 
de afwisseling tot stand. Maar als rechter, als belooner, als tucht- 
meester. Deus vero per ineffabilem sapientiae suae artem omnia 
quae quoquomodo fiunt, ad utile aliquid et ad communem omnium 
transformans ac reparans profectum, has ipsas creaturas quae a 
semetipsis in tantum animorum varietate distabant, in unum 
quendam revocat opens studiique consensum, ut diversis licet 
motibus animorum unius tamen mundi plenitudinem perfectionem- 
que consumment atque ad unum perfectionis finem varietas ipsa 
mentium tendat. Want één kracht is het, quae omnem mundi 
diversitatem constringit et continet, atque in unum opus varios 
agit motus, ne scilicet tam immensum mundi opus dissidiis sol- 
veretur animorum, ibid. Il, c. 1, 2. Aldus ging dies het schepsel 
voor, en kwam God als controleur achterop. Cf. ook vtt" avrov vjv 
KpxTOVfj(,€va, Eene voorstelling van de verhouding tusschen God en 
wereld, die niet uitlokt om veel met Hem te doen te hebben, 
maar de begeerte kweekt, zoo weinig mogelijk gemeenschap met 
Hem te oefenen, en zooveel als mogelijk is aan Zijn oog en 
hand te onttrekken. Geheel anders dan bij Clemens' voorstelling. 
Was alzoo nagelaten om scherp op het ontstaan der dingen 
door Gods scheppende almacht te letten, nu werd de varietas 
van het bestaande te meer onderwerp van nadenken, om daar- 
van de allerdiepste oorzaak buiten God in het willen doen en van 
het schepsel te zoeken. Schrijft Origenes toch ibid. H, C. 1, 1: 
consequens nunc videtur .... proprie de ipso mundo pauca 
repetere, id est de initio eius ac fine, vel his quae tusschen den 
aanvang en het einde door de goddelijke voorzienigheid dis- 
pensantur, of over hetgeen vóór de wereld er W8ts, geschied is, 
of nadat zij vergaan is, zal gedaan worden naar men meent, 
dan zegt hij : in quo hoc primum evidenter apparet quod omnis 
status eius, qui est varius ac diversus; m. a. w. hij zal slechts 
handelen over den status, maar het ontstaan maakt geen onder- 
werp van afzonderlijke bespreking uit, dan voorzoover eene 
voorgaande wereld oorzakelijk inwerkt op de verscheidenheid 
van haar opvolgster. En aangaande den oorsprong der ver- 
schillen in de schepping vraagt hij t. a. p. : oiru S>f woikiXcotxtov^ 
KocTf^ov rvy%xvovToq^ xai rofravrx iixCpopx Koyiy,» irspis^ovroq^ ti ixxo 
%pvi Xtysiv ahiov yeyovsvxi rov wTrorrrviVxi xvtov^ vi to ttoikiXov Tijq 



Digitized by 



Google 



112 

iTTOTTTooffsu^ Tuv 01)% ofJLOiOin; TVji; evotiot; iiroppsovróov ; Cf. ibid. O. 3, 1 : 
lapsus autem varius intellectualium naturarum provocaverit Deum 
ad istam variam diversamque oonditionem mundi. 

En omdat Gods werkzaamheid en wil te kort kwamen bg 
het ontstaan der schepping en ten aanzien van den mensch, 
moest Origenes deze wel, als ter vergoeding, tegenover de 
materie, of in het algemeen met betrekking tot de essentie der 
dingen, overdrijven, en tamelijk wel laten ontaarden in willekeur, 
cf. tevoren en de Prino. II, c. 1, 4: materiam ergo intelligimus, 
quae subiecta est corporibus, id est ex qua inditis atque insertis 
qualibatibus corpora subsistuut .... Haec tamen materia, quam- 

vis secundum suam propriam rationem sine qualitatibus 

sit, bestaat echter nimmer zonder eigenschappen. . . . recipiens in 
se qualitates quas ipse voluisset imponere. Samenhang tusschen 
de materie en hare hoedanigheden is er dus niet. Wel kan men 
nergens materie aantreflFen zonder eigenschappen. Maar innerlijk 
is er tusschen beide toch geen verband. Er wordt gesproken van 
imponere, inserere e. a., als ging het hier zoo mechanisch toe 
als men slechts verkoos. 

Zoo wreekte zich de fout, om niet allereerst Gods natuur in 
de volheid van haar goddelijkheid duidelijk zich voor te stellen, 
en dan na te gaan, welke verhouding tusschen God en creatuur dus 
niet bestaanbaar is. Maar zoude zij niet kunnen samenhangen met 
verzwakking van het besef van beider wezensonderscheidenheid ? 
Is er voorts ook zoo weinig verband tusschen essentie en exis- 
tentie, dat, terwijl de laatste als een kwestie van to be or not 
to be voor Gods almacht wordt behandeld, de eerste absoluut 
van het goddelijk wezen kan verschillen? En zoude er van al 
die golvingen in het essentieele der schepselenwereld niet nog 
zekere zwakke deining waarneembaar zijn bij, en spoelen tegen 
het goddelijke? 

Origenes wil van verandering bij God niet weten. Die verwerpt 
hij opzettelijk en beslist. En insgelijks spreekt hij meermalen uit, 
dat de Zoon naar Zijne Godheid bleef zooals Hij was, toen 
Hij de menschelijke natuur aannam en leed. Zie voor een en 
ander tevoren. Zelfs schrijft hij van Jezus' ziel, en van de 
redelijke ziel in het algemeen, c. Gels. IV, 18 si S' fV/ Tviglyi(rov 
^v%yig ^Xf/,(3av€i rtg rijv [jlstx^oK^v^ avryjg eU <too[jlx è^öovcrvig, Trevirofji^bx 
'TTuq Xeysi (AsrafioKviy ; Want als men daarbij denkt aan haar wezen 
{pv(rixq\ ov ^iSorai, Niet alleen niet stt' èjcsii/yjg^ maar ov^s Trspi oi,XXov 



Digitized by VjOOQIC ^ 



n3 

XoyiKVi^ ^v%ï1^« Wel staat tegen dit laatste over, wat hg zegt de 
Princ. II, c. 8, 3 : 'jrxpx nji/ otTroTrrosviv xai Tyiv xpv^iv rvfv xtto 
Tov t^vjv Tcp TTvevfiXTi ysyovsv fi vuv yevofJLév^ ^^X^? ^^^^ ^^' Sfxr/xjf 
TTj^ èTTxvóiov T^q i^' iTTsp v\v êv ip%ift. En ibid. 4 schrijft hij o. a.: 
quod si ita est, decessus ipse mentis ac devolutio videtur mihi 
quod non aequalis omnium sentiendus sit, sed vel plus vel 
minus in animam verti, en dat sommige mentes servare aliquid 
etiam prioris vigoris, maar andere niets of slechts zeer weinig. 
En van hier zou het komen, dat sommigen van de geboorte aan 
ardentioris acuminis, anderen echter tardioris, enkelen ook ab- 
tusissimi et penitus indociles zijn. 

Maar we hebben aldus niettemin, dat bg G-od ganschelgk van 
geene verandering sprake kan wezen, en dat de substantie der 
ziel, moge ze dalen en verminderen kunnen, toch nimmer in die 
des lichaams overgaat. 

Doch nu blgft te vragen, of misschien ook het stoffelijke zich 
zoo verfijnen en vervluchtigen kan, dat het 'tgeestelgke nabij 
komt, en of het geestelgke zich dan ook schier tot het goddelgke 
te verheffen weet. 

Gk)d schiep twee generales naturas ; een zichtbare, d. w. z. 
lichamelgke, en een onzienlgke, quae est incorporea. Beide 
diversas sui recipiunt permutationes. De onzichtbare, quae rati- 
onabilis est, animo propositoque mutatur, omdat zg begaafd is 
met libertas arbitrii; et per hoc aliquando in bonis, aliquandoin 
contrariis invenitur. Maar de lichamelgke substantialem recepit 
permutationem : unde et ad omne quod moliri vel fabricare vel 
retractare voluerit artifex omnium Deus, materiae huius habet 
in omnibus famulatum, ut in quascumque vult formas vel species 
prout rerum merita deposcunt, naturam corpoream transmutet et 
transferat, de Princ. Dl, c. 6, 7; cf. ibid. 9, 4 en 6. 

De lichamelijke is de mindere. Bg Jezus toch diende de ziel 
als bemiddelingssubstantie, want het was niet mogelijk Dei naturam 
corpori sine mediatore misceri, ibid. II, c. 6, 3. ') En qualiteitloos 
in zichzelve als zg is, kan er alles van haar gemaakt worden. 

Vooreerst ten aanzien van de gesteldheid eener wereld, de 
Princ. m. c. 6, 4 . . . cum varietate et diversitate mundus indi- 
guit, per diversas rerum facies speciesque omni famulatu prae- 



*) Vgl. ook ibid. I, c. 1, 6: ita mens nostra ctim intra camis et sanguinis 
claustra concluditur et pro tabs materiae participatione liebetior atqn 

obtosior redditnr. 

8 



Digitized by 



Google 



114 

buit se materia conditori, ntpote Domino et creatori suo, quo ^ 

diversas caelestium terrenorumque ex ea duceret. Of. ibid. Il, o. ' 

1, 4, en ibid. c. 3. 

In de tweede plaats met betrekking tot de lichamen der rede- 
lijke wezens, al naar deze verdienen en de plaats is, waar zij 
verblijven, ibid. II, c. 2, 2 : De materieele substantie dezer wereld 
heeft een natuur, quae ex omnibus ad omnia transformatur, cum 
ad inferiores quosque trahitur, in crassiorem corporis statum 
solidioremque formatur, ita ut visibiles istas mundi species vari- 
asque distinguat : cum vero perfectioribus ministrat et beatiori- 
bus, in fulgore caelestium corporum micat et spiritalis corporis 
indumentis vel angelos Dei vel filios resurrectionis exomat: ex , 

quibus omnibus diversus ac varius unius mundi complebitur 
status. Of. ibid. III, c. 6, 4. Dit gaat dan ook bizonder bij de 
opstandingslichamen door. Of. c. Oels. IV, 69 S/ö re t^v dm(rrx(nv 
Tccv ysKpcov i'TToisxof^svoi^ [JLsrxfioXxq ^a/zsi/ yiv€(r^ai ttoiotijtuv tuv 
èv (Toof4,a(riv. Zij staan spiritualia op, de Princ. II, c. 10, 1 ; cf. ibffl. 
III, c. 6, 4 w. En Opp. II p. 534/635: het lichaam is niet 
onaardig (Kxjcag) een rivier genoemd. Want het is noodzakelijk 
T^v ^y%>fv êv Towoiq (FccfixTtJcoiq v7rxp%ov(rav^ Ke%pvi(Tbxt <tu[jlx(ti xxtxX- 
XviXon; Toiq TOTToig . . . ., maar die het koninkrijk der hemelen be- 
ërven Kxi èv TOTTOig liacpspovfTi wezen zullen, kvxyicxiov^ XP^^^^^ 

(TU/ZXCri TTVSVflXTlKOK;^ 0V%1 TOV sl^OVg TOV TrpOTSpOV iCpXVlt^OfJLSVOV^ K^V 

sTTi TO êvio^orepov ysvyiTXi xvrov ij rpoTr^, Of c. Oels. IV, 57; V, 
19, 22, 23. 

Inzonderheid ook ging Jezus' lichaam in eene hoogere bestaans- 
wijze over. c. Oels. III, 41 oficog ys hToatrxv oi èyKx^ovvrsg, dat j 

Hg, dien wij meenen en vast overtuigd zijn xpxvibsv shxi Q-od ! 

en Gods Zoon, ovroq o xvroXoyog êcm re ^ xvrofroCpix ts jf xvToxXvibsix. 
Doch zijn sterfelijk lichaam en de menschelijke ziel daarin nfi 
Trpog èxsivou oö fiovov xoivuvi^ xKXx re hcotrêt t€ xvxxpxirst rx (Aeyt^TX 
Cpx[iev TrpofreiXviCpevxi Kxi T^q sKstvov bsorvirot; KSKOivuyviKorx sk êeov 
f4,€Tx(3€(S}jx€vxi. Dit is zeer sterk uitgedrukt. En hier wordt be- j 

paald aan wezensomzetting gedacht, of ten minste aan wisseling 1 

van qualiteiten, zooals uit het vervolg blijkt. Maar daarbij wijzigt ' 

Origenes dan de uitdrukking. De Grieken leeren zelven, zegt hij, 
een xwoiog vKv\^ TroioTviTxq xf/,0t(rjcoiz€Vij owoixq o ^^fjnovpyog (Sov^sTxt 
xvrifj TTspiTi^svxi, Maar indien dan de uwoKstiJLSwi 7rx(rxiq 'Troioryitriv vXij 
van eigenschappen wisselen kan {xfjLstlSsiv), hoe is het dan niet 
mogelijk, ryjv (rxpxx rov Ivifrov x(A61'^x(txv iroiOTvirxq zoodanig yeyovsvxi^ 



Digitized by 



Google 



115 

OTTOixv ixpifv ehxi tj^v èv ce\bepi re TOt^ ivoarspoo avrov TOTTOig woXitsvo- 
fisviiv^ ovKSTi i%ov<rxv rx rvig (rapxiKyjg ourbsvsiocg /S/ös, en die Celsns 
fj(.i»pcaT6pa noemt? ibid. en 42. Cf. ibid. VI, 76—77. Opp. HE. 
Hom. 16 in Jerem. p. 226 : Ik zon zeggen, dat ik mijne hope 
niet stel op een mensch; als ik op Jezus Christus hoop, weet 
ik niet van een mensch {ovx. o/5<»); niet alleen xvbpaTrov ovk oïSx, 
maar (roCptav oïB»^ rviv auroiiKxiofrvvviv^ xvbpooTrov^ door Wien alle 
dingen geschapen werden (cf. Col. l : 16). Want al Tv\p)(i o (tcctvip^ 
on ov è(pop€(r€v, iv^pcoTToq fiv^ &\>: s\ kxi ffv ivbpooTrog^ nu is Hij 
geenszins een mensch (cf. Il Cor. 6 : 16) ; 5/' oturov ben ik ook 
niet meer een mensch, wanneer ik Zijne woorden xKoXovbco. Ja 
Hij zegt: Ik heb gezegd: Gij zgt Goden en allen kinderen des 
AUerhoogsten. Evenals Hij derhalve de Eerstgeborene uit de dooden 
is, zoo is Hij irpooTOTOKoq van alle menschen geworden, slg êsov 

Aangaande de geestelijke substantie z^' aangehaald de Princ. 
IV, 36. Daar redeneert Origenes aldus: omnis qui participat 
alicuius, cum eo qui eiusdem rei particeps est, sine dubio unius 
substantiae est, uniusque naturae. Dat is zoo met de oogen, 
ofschoon het een scherper ziet dan het ander, en dat is zoo 
met het gehoor. En evenzoo omnis mens quae de intelleotuali luce 
participat, cum omni mente quae simili modo de intellectuali 
luce participat, unius sine dubio debet esse naturae. Als derhalve 
de hemelsche virtutes intellectualis lucis, id est divinae naturae, 
per hoc quod sapientiae et sanctificationis participant, participium 
sumunt, en de menschelijke zielen aan hetzelfde licht en dezelfde 
wgsheid deel hebben, dan zijn ook zij (et ita) unius naturae ad 
invicem uniusque naturae. De vertaling van Hieronymus heeft hier : 
intellectualem rationabilemque naturam sentit God, Zgn eenge- 
boren Zoon, de H. Geest, de engelen, machten en overige virtutes, 
en de interior homo, die naar het beeld en de gelijkenis van God 
geschapen is. Ex quo concluditur Deum et haec quodammodo 
unius esse substantiae. Rutinus' overzetting handelt vervolgens 
over de onverderfelijkheid en de onsterfelijkheid, en heeft daarbij 
ook: quoniam ipsa P. et F. et Sp. Si natura, cuius solius intel- 



^) de Princ. TTT, c. 6, 9 vertaalt Hieronymus: en God zal alles in allen 
zijn, nt nniversa natura corporea redigatur in eam substantiam quae omnibus 
melior est, in divinam scil. qua nulla est melior. Rufinus echter zet het in 
neutraler zin aldus over: Tune ergo consequenter etiam natura corporea 
illum summum et cui addi lam nihil possit recipiet statum. 



Digitized by 



Google 



116 

lectualis lucis universa oreatura participium trahit, incorrupta est et 
aetema, valde consequens et necessarium est, etiam omnem sub- 
stantiam quae aeternae illins naturae participium trahit, perdu- 
rare etiam et incorruptibilem esse et aetemam, ut divinae boni- 
tatis aetemitas etiam in ea intelligatur dum et aetemi sunt hi 
qui eius beneficia consequuntur. Ook hierbij is diversitas pro 
intentione sensus vel mentis capacitate. Alioquin consideremus 
si non etiam impium videtur ut mens quae Dei capax est, sub- 
stantialem reoipiat interitum : tanquam hoc ipsum quod intelligere 
Deum potest et sentire, non ei sufficere possit ad perpetuitatem. *) 

Echter wil Origenes toch een absoluut onderscheid tusschen 
Grod en schepsel handhaven. Maar hij brengt het in verband 
met het louter immaterieel zijn van God, terwijl de overige 
wezens steeds aan eenige stoffelijke substantie verbonden zijn. 
de Princ. I, c. 6, 4: Als men oordeelt, dat bij het einde de 
materialis of corporea natura zal te gronde gaan, nullo omnino 
genere intellectui meo occurrere potest, quomodo tot et tantae 
substantiae, vitam agere et subsistere sine corporibus possunt, 
cum solius Dei, id est P. F. et Sp. Si. naturae id proprium sit, 
ut sine materiali substantia et absque ulla corporeae adiectionis 
societate intelligatur subsistere. Of. ibid. II, c. 2, 2, waar hij zegt, 
dat men de materieele substantie slechts bij wijze vanabstractie 
van de rationabiles naturae scheiden kan, en daarbij aan een eerder 
of later ontstaan denken, maar dat alleen de Triniteit een onlichame- 
lijk leven leeft, en de overige wezens nunquam sine ipsa (scil. 
materiali substantia) geleefd hebben noch leven. Alleen de ziel was 
dan ook naar het beeld des Scheppers gemaakt, maar geenszins 
het lichaam. Want volgens ons oöis (tooijlx oêsog^c. Oels. ¥111,49. 
Of. ook de Princ. I, c. 1, 5 : Quid autem in omnibus intellectualibus, 
id est, incorporeis, tam praestans omnibus, tam ineffiabiliter atque 
inaestimabiliter praecellens, quam Deus? Ouius itaque natura 
acie humanae mentis intendi atque intueri, quamvis ea sit pu- 
rissima mens ac limpidissima, non potest. 

Op deze plaats spreekt Origenes ook van camis et sanguinis 
claustra, waardoor 'smenschen geest gehinderd wordt, gelijk hij 
ibid. c. 7, 6 oordeelt, dat er geen andere vanitas is quam cor- 



*) cf. hierbij ook c. Cels. V, 39 óvrtvoc (scil. Ssvrepov ésov) rp Iiivov nu^.ta^a Teepet 
r/FKvetv ^v^ifv ^'^XV H^^tuo'^ect xeet yivuv^xt ^ecfisv^ fiovov rs^emQ x^P^^^* $s$vvijfASvov 
rifv ^pecv fisrox^v tov ecvro^oyov Kat rifc ecvrovo^tx^ xott rifc etvToiiKetioavvvi^^ 



Digitized by 



Google 



117 

pora, en ibid. ü, c. 9, 7 handelt over een veroorzaken der ver- 
scheidenheid door een ieder der hemelsche, aardsche of onder- 
aardsche wezens, praecedens nativitatem corpoream. Zijn waar- 
deering van het stoffelijke, of het voor de geestelijke wezens 
noodzakelijke der materie, schijnt dus niet altgd dezelfde geweest 
te zijn. 

Bij de behandeling dezer (p. 113 gestelde) vraag moet ook nog 
gerekend worden met eene van den Vader op den Zoon en dan 
op den H. Geest, vervolgens op de schepselen naar hun onder- 
scheiden bestaanswijze afdalende rangordening, die verband houdt 
met eens ieders wezen. 

Opmerkelijk is reeds Origenes' redeneering c. Gels. VI, 64 : 

4AA' öÖS' OVtTlX^ fl€T€%€l O isOg, [ISTSX^'^OCl yxp [IXXXOV fl (JL6T6X61. Eu 

aan Hem hebben deel degenen die den Geest van God bezitten. 
Op gelijke wijze heeft onze Heiland geen deel aan de gerechtigheid, 
maar zelf de gerechtigheid zijnde, fiers x^txi door de rechtvaardigen. 
Doch o TTspi Tvi^ ovtTix^ Xoyog is TroXvg KXi ^vtr^scopvjTog, En wel het 
meest, èxv iji Kvpiag oitrix^ fj hrcotrx rs xtrufixrog ^. Opdat gevonden 
mocht worden, ofiTrejceivx oitnxg itm 7rp€(rfi€i^ kxi ^vvxfiei o 6eog^ fisTxSiiovg 
ovtTixg oU fi€rx^iiu(ri kxtx tov èxvrov Xoyov, kxi xvrcp Xoycp, dan wel, 
of ook xvTog êtrri ov(nx, behalve dat Hij rifi Cpv(rst xopxTog heet, als 
er van den Heiland gezegd wordt, dat Deze het beeld des on- 
zienlijken Gods is. (ry^fixiverxt ys sk rvjg xopxrov (poovviq o xtroofjLxrog. 
Ook moet men nagaan, f/ ov(rixv fisv ovcnav Xsktsov kxi 'i^exv 'ihsm 
Kxi xp%yiv TOV (JLOvoysvvi kxi ttputotokov Trxtryiq Kria-eag, Doch è'rrsKsivx 
TTxvroov TovTuv is o TTXTVjp xvTov KXi isoq. Op dczc wijzc toch wordt 
de scheidslijn zwevend, en krijgen we de voorstelling van het 
relatieve en trapsgewijs benaderbare. Als Origenes daarom ook 
c. Gels. VIL, 16, na aanhaling van Plato's woord, dat het moei- 
lijk is om God te vinden, en onmogelijk om Hem daarna ten 
volle te benoemen, schrijft : wij toch zeggen, dat de mensche- 
lijke natuur niet xvTxpKvig is om God 07ru(r7rorxvovv te zoeken en 
Hem jcx^xpug te vinden, fiij (3ovi^)j^€i(rx door Dengene die gezocht 
wordt, en die gevonden wordt roig ofio^oyovcrt fisrx tq Trxp* xvrovg 
TToisiv oTi ^sovTXi XVTOV, CU Zichzelvcu openbaart oU xv Kpivifi evXoyov 
shxt iCp^vivxi, van nature geschikt als God is (ug TrsCpvKs) om door 
den mensch gekend te worden, en &v^poo7rov ^v%vi sti ov(rx êv 
(TUfixrt om Hem te kennen, dan komt daarin eene bedenkelijke 
strekking uit. Vgl. deze plaats met wat Clemens schrijlt, beide 
bij Hagbnb. § 35, 9. 



Digitized by 



Google 



118 

Maar om nu bij de Triniteit te beginnen, allereerst de Princ. 
I, c. 2, 13 : zoo nu meen ik, dat men ook van den Heiland 
niet onjuist (KxXooq) kan zeggen, oti shav iyx^oryjTog tov deov itrriv^ 
iAA' ovjc xvTo ocyxbov. En tx%» re vlot; xyxboi;^ maar ov% ag XTr^ug 
xyxbog. En evenals Hij het beeld des onzienlijken Gods is en 
ycxTx TovTo isug^ maar niet Degene, omtrent wien de Christus 
zelf zeide : opdat zij U kennen, den eenigen waaraohtigen God 
(of. Joh. 17 : 3), zoo is Hij ook sIkoov oLyx^OTviTot;^ iAA' ov% ug o 
TTXTvjp xTTxpxXxKTcog oLyxbog, Cf. in Joan. tom. 2, n. 6. Opp. IV, 
p. 60 c. : indien alle dingen ^ix maar niet vtto tov Xoyov ge- 
worden zijn, doch vtto jcpsiTTOvog kxi fjisi^ovog Trxpx tov Xoyov^ wie 
zou Deze laatste dan anders zijn ^ o TrxTrip; En c. Cels. VHI, 
16 schrijft hij : want het is duidelijk, dat wij, die zeggen, dat 
ook de zinnelgke wereld het eigendom is van Hem, die alle 
dingen schiep, tov viov ovk hx^poTspov tov TrxTpog^ xXX" vTróSssa-Tspov 
(cf. Joh. 14 : 28) noemen. Hij is dan ook ^evTepsvovtrvjg (jlstx tov 
ósov Tcov oXm Tifiyjg waard, c. Cels. VH, 57. Hierbij moet echter 
vergeleken worden c. Cels. V, 39 : als wij van isvTspog 6eog spreken, 
laten zij dan weten, dat wij tov ^svTspov deov ovk xXao ti Xsyofjc^eu 

dan TV]V TrspiSKTlKVIV 7rX(r(iOV ipSTOOV XpSTVlV TS TVIV WSpiSKTlKOV TTXVTOg 

ovTivotrovv Xoyov toov kxtx (pv(rtv kxi TrpoyiyoviASvug yeysvviiAsvuv kxi 
sU %iOJf(r/jt*öi/ TOV TTxvTog^ Xoyov, Cf. voorts de Princ. H, c. 6, 3 — 6; 
Opp. ni, p. 177 en 648; c. Cels. IV, 16 en 16. 

Ook over den H. Geest spreekt Origenes in gelijken zin, terwijl 
hij dan tevens op de schepselen overgaat, de Princ. I, c. 3, 6 : 
want de God en Vader, alle dingen frvv€%oov^ cp^xvei sU skx7tov 
Tav ovTuVj [isTX^ihovq eKX7TCf3 XTTO TOV l^iov TO slvxi, Waut Hij is zijnde. 
Maar è^^XTTcov Trpog tov TrxTspx o vhg, (p^xvcuv stti [jlovx tx XoyiKX. 
Want Hij is de tweede in vergelijking met den Vader (^evTspog 
TOV TTXTpog), En ir; i^ttov is de H. Geest, fV/ fiovovg Tovg xyiovg 
^iiKvovf/^svov, Diensvolgens is fjt^si^cov vi ^vvx[jt,ig van den Vader 
TTxpx TOV VIOV en den H. Geest; TrXeiuv die des Zoons Trxpx to 
7rvav(j(,x TO xytov ; en wederom iix<pepov(rx iixKT^ov tov xyiov irvsvyi.XTog 
jj ivvxfiig TTxpx TX xKXx iyix. Cf. ook ibid. 8. Vgl. voor den H. Geest 
in Joan. tom. 2, n. 6, Opp. IV, p. 60/61, bij Haöbnb. § 44, 6. 

Bepaalder in verband met de schepselen zegt hij in Joan. 
tom. 1 n. 19 Opp. IV, p. 19 D: indien de Eerstgeborene van de 
gansche schepping het beeld des onzienlijken Gods heet, xpxvi 
xvTov O TTXTvjp S7TIV. Op gelijke wgze (of/^oicog) is ook Christus 
xp%ii TCOV KXT^ siKOvx ysvofisvuv deov. Want indien de menschen 



Digitized by 



Google 



119 

kxt" shovx zgn, doch het beeld kxtx tov Trxrepx, dan is to kx^o 
Tuv civ^pcoTTCüv i %pt(rTO^^ omdat zij niet zijn koctx to ov scttiv ehav^ 
maar kxrx rvjv ihovx. Vgl. ibid. torn. 13, n. 25, p. 235 : wij 
zeggen, dat de Heiland en de H. G-eest Txvran/ fisv rav yevvirm 
V7r€p€%€iv, OV (Tvyxpio'Si maar vTrepf^x^Xovtrifi vTrspoxifi, vTrspexofisvov 
TO^ovrov >} KXt ttKsov xtto tov TTXTpog, oo'cfi V7r€p6%€tv Hij zelf en de 
H. Q^est Tcov XoiTTuv^ ov Tcov Tv%ovTcov, Vgl. ook zijn spreken van 
bsioTspx (pvtrig de Princ. I, c. 5, en Opp. IV p. 282 A, cf. p. 31 C ; 
p. 246 B, p. 450 e. a. 

Omtrent „beeld" moet hierbij in aanmerking komen c. Gels. 
Vm, 49, dat de ziel, en voornamelijk de redelijke, Trpxyfix rifiioo- 

TSpOV is TTXVTOg O'CüflXTOg. s] JCXl TO XXT' shoVX TOV KTKTXVTOq ^V%^ 

(i^ev %cüp€ij ovhxfioog ye to (TOiiix, Want volgens ons is God niet 
een fraiix. Cf. Opp. H, p. 67; IH, p. 941. Vgl. ook de Princ. 
II, c. 6, 3: substantia anima inter Deum oamemque mediante, 
want non possibile erat Dei natnram corpori sine mediatore 
misceri. 

In zake Gods heerlijkheid schrijft Origenes in Joan. tom. 32, 
n. 18 over Joh. 13:31, Opp. IV, p. 450: ik oordeel, dat Gods 
Zoon het afschijnsel (xTrxvyxtTyLoi) is hXviq Tvjg Sö|)f^ van God (cf. 
Hebr. 1 : 3), maar (p^xveiv xtto tov xTrxvyxtrfjt.XTog tovtov tvi^ oXviq 
io^vjg fji^epiKx xTTxvyxtrfixTx op de overige redelijke schepping. 
Want ik acht niet, dat iemand het afschijnsel van de volle 
heerlijkheid Gods kan %ü)pvi(rxi dan de Zoon. 

En betreffende Gods wil, ibid. tom. 13, n. 36, p. 246: 
(jLOvoq ys o vlog ttxv to ^sKvifix ttoisi xupvi<TXi tov TXTpo^j omdat 
Hij ook Zijn beeld is. En dit geldt ook van den H. Geest. Doch 
de overige xyix zullen wel niets tegen Gods wil (^êXt^fjc^x) doen; 
en alles wat zij doen zullen, geschiedt naar den wil (fiovKviiAx) 
van God; maar toch iv ^ixpKsi Trpog to kxtx to ttxv ^sXvjfjc^x 
Twroo^yivxi. En het eene heilige [jlsiII^ov vi ttXsiov vi èKTOTrooTspov %cop}j(r€i 
van den Vaderlijken wil <TvyKpi7€i hepovj en wederom Trxp" ifcetvo 
icTTXi Tl iKXo iixcpspovTm %copovv^ maar den ganschen wil van 
God zal Hij doen, die zeide : mijne spijs is, dat ik doe den wil 
desgenen, die mij gezonden heeft (cf. Joh. 4 : 34). 

Uit een en ander zien we, dat als Origenes c. Cels. UI, 34 zegt, 
dat wij Tifiviv iJs^sT* ev%m aan God brengen aq ^ix ijs^stx^v ivTog 
Tvig TOV xysvviTOv ocxt Tvig tuv ysvviTcov ttxvtuv Cpvtrecüg^ die ons de 
weldaden des Vaders aandraagt en als Hoogepriester onze gebe- 
den naar tov stti ttxcti ieov heenbrengt, dit f/^sTX^v ov<rvi cpvtrig in 



Digitized by 



Google 



120 

zijn voorstellingswijze iets anders en meer beteekent dan „Mid- 
„delaar, die beide naturen bezit." 

Het bovenaangevoerde doet ons zien, dat Origenes zich G-od- 
drieëenig en alle schepselen in onderlinge verhouding denkt als 
een scala, waarvan de Vader bovenaan staat, in de tweede 
plaats de Zoon komt, een derde trede door den H. Geest bezet 
wordt, en voorts de schepselen gesteld zijn, hooger of lager, al 
naar hun doen en verblijf is ; dat deze hoogere of lagere positie 
in nauw verband staat ook met eens ieders essentie; dat Orige- 
nes wel absolute onderscheiding tusschen God en schepsel wil 
handhaven, doch hierbij de tegenstelling van geest en stof op- 
neemt, zoodat hij alleen voor God de loutere immaterialiteit hand- 
haaft, maar zelfs voor de hoogste geestelijke schepselen eenige 
stoffelijkheid noodig acht om te kunnen leven en zich bewegen; 
dat hij anderszins de stof ook weer als iets laags en hinderlijks 
beschouwt ; dat vanwege de innerlijke essentieloosheid der din- 
gen, alles zich kan veranderen, naar beneden en naar boven; 
dat bij Jezus zelfs van eo^neU 6sov fierx^e^viKsvoci gesproken wordt. 
Wanneer wij nu bedenken, dat Origenes, zooals Loops zegt, in 
zijn systeem „die mannigfachsten Anregungen, die seine Zeit 
„ihm bot, verwoben hat" H. R. E^, Bd. 4, p. 43 ; of. ook Dobneb 
I, p. 635 vv. en Harnaok I, p. 563 ; m. a. w. dat hij niet zelf, 
los van anderer denken, een gedachtengeheel uitspon, maar 
veeleer als vereenigingspunt diende, waarop meerdere geestelijke 
stroomingen uitliepen, welke hij dan zoo goed zoo kwaad het 
ging ordende en althans schijnbaar tot een geheel liet samen- 
werken; zoodat er, om de volgende ontwikkeling te begrijpen, 
in zijn systeem niet allereerst en allermeest te letten valt op 
zijne verbinding der verschillende denkbeelden, maar op rich- 
ting, strekking en gang dier gedachten, in zoover zij bg hem 
merkbaar zijn (omdat niet zoozeer Origenes' verbinding als wel 
de stroomingen zelve nawerkten); dan kunnen we in zijne voor- 
stelling punten aanwijzen, die in de volgende tijden helder of 
althans klaarder voor het bewustzijn kwamen te staan, en bij 
de onderscheiden geschillen gekeurd werden. 

Over de eeuwige generatie en de ö/c^ööyo-/^ des Zoons behoeft niet 
gesproken te worden. En op zekere overeenkomst van het latere 
Arianisme met wat Origenes betoogde, werd reeds gewezen. Doch 
grondgedachten, die in dit systeem uitkomen, moesten, als er 
van nawerking sprake mag zijn, leiden tot Monophysitisme, 



Digitized by 



Google 



121 

gelijk dit in verschillenden vorm later werd voorgedragen. 

Dit stelsel toch ving aan met de feitelijke loochening der creatie, 
en hield logisch desaangaande niets over, dan het begrip van 
voortdurende emanatie. En deze onderstelt gelijkheid in wezen. 
TO yeysvvviiJLêvov sk r^q o'xpKog, (rxp^ êcTTt^ kxi to ysyswviiievov sk tov 
TvevfjLXTog^ TTvsvfji.x ê<m, Joh. 3 : 6. Cf. ook Matth. 7 : 17 en 12 : 33. 
Ook leidt de idee van emanatie als vanzelf over tot de gedachte 
van een zich onbehoorlijk losmaken, van insubordinate gedraging. 
En deze werd openbaar in Marcellus' beweren. Terwijl het in 
Origenes' stelsel zittende denkbeeld van rangordening zijne ge- 
deeltelgke, welbewuste systematiseering vond in de hierarchiae 
coelestis et ecclesiastica van Pseudo-Dionysius. 

G-aan we nu tot Origenes* Christologie over. 

Hg denkt de geestelgke wereld, en bepaald ook de mensche- 
Igke zielen, praeëxistent, d. i. bestaande vóór hare vereeniging 
met het stoffelgke; de Princ. I, c. 7, 4 en 6*}. God schiep haar 
zonder verscheidenheid : aequales creavit omnes ac similes quos 
creavit, ibid. II, c. 9, 6, zoodat de causa diversitatis ac varietatis 
in singulis quibusque creaturis niet ontspringt ex dispensantis 
inaequalitate, maar ex ipsarum motibus, ibid. 1, c. 8, 2. En 
daarom Raphael, Qabriel, Michael hunne officia promeruisse non 
aliter putandum, quam ex suis quemque meritis et pro studiis 
ac virtutibus quae ante mundi huius compagem gesserint, susce- 
pisse, ibid. 1. Gelijk de rechtvaardigheid van den Schepper naar 
Origenes meent, ita demum lucidius ostendetur, si causas diver- 
sitatis unusquisque vel coelestium vel terrestrium vel infemorum 
in semetipso praecedentes nativitatem corpoream habere dicatur, 
ibid. n, c. 9, 7. Want lapsus varius der redelijke wezens pro- 
vocaverit Deum ad istam variam diversamque conditionem mundi, 
ibid. c. 3, 1. Ofschoon secundum propriam naturam incorporeae 
ibid. I, c. 7, 1, werden de zielen om der zonde wil aandegdel- 
heid, d. w. z. het lichamelijke, onderworpen, ibid. 5. Of hiermee 
te rijmen zij, wat Origenes ibid. II, c. 2, 2 schrgft, dat alleen 
de natuur van Vader, Zoon en H. Geest praeter corpus leven 
kan, zoodat de noodzakelijke conclusie is : materialem substan- 
tiam opinione quidem et intellectu solum van de redelijke natu- 
rae separari et pro ipsis vel post ipsas effectam videri, maar 



*) cf. ook Dr. F. E. Daubanton, Het Voortbestaan van het menschelgk 
Geslacht, p. 10 vv. en p. 59 w. 



Digitized by 



Google 



122 

nunquam sine ipsa eas vel vixisse vel vivere (cf . ook ibid. I, c. 
6, 4), zij daargelaten. 

Dies bestond ook Jezus' ziel vóór Hij op aarde verscheen in 

Joan. torn. 30, n. 17 Opp. IV, p. 331 bij Joh. 8 : 426 vi fiev 

Tov Ivitrov ^vxvi èv rifi locurvig T\jy%ocvov(rx tsXsiotviti èv iscp kxi rep 
TTXijpufiXTi yjv, KXi eKs&sv è^eKviXvbvix rep iTrefrrxX^xi xtto tov vxTpoc 
xveXx^e To sk Mxpixt; (roofji^x. Daarin is verschil met de overige 
zielen. xXKxi ye o\J% ovTcog ê^iiX^oj/^ d. w. z. ovk xTre^TxXfJLSvxi 
noch VTTO TOV dsov (3ovXyj/zxTog 7rpo7r€/z(p^€t(rxi, Oorspronkelijk ver- 
keerde zij in gelijke conditie als de overige zielen. Maar door 
haren brandenden ijver hield zij zich zoo vast aan, en werkte zich 
zoo in den Zone Gods in, dat zij onlosmakelijk zich met Dezen 
verbond en als geheel in Hem zich overzette, de Princ. II, 
c. 6, 3 : Omdat de Eengeborene Gods het onzienlijke beeld is 
van den onzienlijken God, participationem sui universis rationa- 
bilibus creaturis invisibiliter praebuit, op zoodanige wijze, dat een 
ieder slechts zooveel deel aan Hem kreeg, quanto erga eum 
dilectionis. inhaesisset afifectu. Maar cum pro liberi arbitrii facul- 
tate varietas unumquemque ac diversitas habuisset animorum, 
zoodat de een ardentiore, een ander tenuiore et exüiore erga 
auctorem suum amore teneretur, illa anima, van welke Jezus 
zeide, dat niemand haar van Hem nemen zou (cf. Joh. 10 : 18), 
ab initio creaturae et deinceps inseparabiliter ei (als Wijsheid en 
Woord Gods en de Waarheid en het ware Licht) atque indisso- 
ciabiliter inhaerens et tota totum recipiens atque in eius lucem 
splendoremque ipsa cedens, facta est cum ipso principaliter unus 
spiritus. Vgl. ibid. 5 : de ziel van Christus ita elegit diligere 
iustitiam, ut pro immensitate dilectionis inconvertibiliter ei atque 
inseparabiliter inhaereret, zóó, dat propositi firmitas et afifectus 
immensitas et dilectionis inextinguibilis calor omnem sensum 
conversionis atque immutationis abscinderet. 

Hieruit blijkt allereerst, dat Joh. 1 : 14a aldus eigenlijk had 
moeten luiden : j5 ^^%>l Xoyog sysvsTo, Want naar deze voorstelling 
neemt niet de Logos de ziel, of de menschelijke natuur, aan, 
maar is het die bepaalde ziel, welke zich onafscheidelijk met 
den Logos vereenigt. Wel bezigt Origenes ook te dezen aanzien 
juister zegswijzen; cf. c. Gels. EL, 31 , de Princ. I, c. 2, 1, e. a. p. ; 
maar de hier gegeven uiteenzetting past in zijn systeem of 
het geheel zijner denkbeelden over liberum arbitrium, daarmede 
in verband over meritum, en alzoo in het algemeen over de 



Digitized by 



Google 



123 

onderlinge verhouding van het werk Gods en dat der creatuur. 
Nu is een Christologie en verzoening zooals de Schrift beide 
leert, hiermee onbestaanbaar. Want het verlossingswerk wordt op 
deze manier uit Gods hand verlegd, en ten principale aan het niet- 
God, bepaald aan deze ziel, ter beschikking gesteld. En welbezien 
gaat het bij Origenes eigenlijk alleen om dit laatste. Want hij 
heeft geen bezwaar tegen het denkbeeld van de onveranderlijkheid 
dezer ziel en van hare onafscheidelijke vereeniging met den Zone 
Ghods. Cf. c. Cels. VI, 47 €Ï ys rep rviXiKOVTCf vicp rov dsov ^vovcr^xi 
CpxtrKOVTS^ Tifi iy^pcfL f^€TO%ifi êKêivov Tv\v Tov l>}(rov ^ü%)fv, ovK èri 
%üipit^Q(j(^€vviv xtt" iKstvov xvTy\v^ ovhev ^xt[jLoc(rTov. En dan wordt gewe- 
zen op I Oor. 6:17. En de Princ. II, o. 6, 5 schrijft hij na 
het tevoren geciteerde : wat bij Jezus' ziel in arbitrio erat positum, 
id longi usus afifectu iam versum in naturam. Waar Origenes 
de vastheid aan Gods vrijmacht ontnam, voelde hij te sterker 
behoefte, deze punten opzettelijk en krachtig uit te spreken. 
Vandaar de veelheid van woorden; inseparabiliter, indissocia- 
biliter, inconvertibiter etc. Ook verwierp hg de meening, dat 
deze ziel zoude hebben kunnen zondigen, t. a. p. : fuisse qui- 
dem in Christo humana et rationabilis anima credenda est et 
nullum sensum vel possibilitatem eam putandum esse habuisse 
peccati. Dus mag het schepsel wel zoo gesteld zgn, dat het 
niet zondigen kan. Maar ten finale moet de grond daarvoor 
in het schepsel zelf liggen. En het mag onveranderlijk zijn. 
Doch niet God moet het dit doen zijn. Zelf moet het zich dat 
maken, de Princ. III, c. 1, 6 oti ye èpyov fifisTspov ro (3iu7xt 
KxXooq ècTTi. Vraagt Celsus, of het Gode dan niet mogelijk ware 
geweest, om door Zijne kracht de menschen zoo te scheppen, dat 
zij geene STrxvop^cccng behoefden, iAA' xiro^si^ a-Trovixiovg kxi reXeiovg^ 
ovhs TJjv xp%viv vTO(rrx(nig tvj^ Kxjcixg ; dan antwoordt Origenes, dat zulk 
een vraag wel minkundigen en zwakhoofden (JStuTxg kxi ci^vvxtovq) 
kan verbijsteren {(rvvxp7rx(rxi\ maar niet rov hopmrx rifi ^vasi toov 
TrpxyfiXTuv, Want xfsrrig fisv èxv iveXifiq ro sjcovfriov^ xvsiXsq xvrvit; jcxt 
T>jv oixrixv. c. Cels. IV, 3. En dit heeft meer beteekenis dan hand- 
having der vrijheid in formeelen zin. Cf. de Princ. II, c. 1, 2: 

wij meenen, Deum. ... ita haec singula dispensasse ut rati- 

onabiles subsistantiae non contra arbitrii libertatem vi in aliud 
quam motus mentis sua ageret, cogerentur, et per hoc adimi ab 
his videretur liberi facultas arbitrii : quod utique qualitatem iam 
naturae ipsius immutabat. Blijkbaar was bij hem de tegenstelling : 



Digitized by 



Google 



124 

contra arbitrii libertatem vi, én motu mentis. Een derde, zóó, 
dat God reeds van hun allereerste roerselen op de motus 
animae bepalend inwerkt en ze nochtans als motus animae vol- 
komen handhaaft, kwam niet in zijn geest op. Waar hij nu toch 
leerde, dat Jezus' ziel de capacitas mali (of. ibid. I, c. 8, 3) verloor 
(vgl. ook zijne meening aangaande eene iwoKXTX<rT»(rii; Trxj/rav), daar 
bleef er niets anders over, dan dat die ziel, d. w. z. het schepsel 
zelf, zich deze deed verliezen, zelf zich dus onveranderlijk maakte. 
Zoo werd het schepsel in positieven zin causa suae immutabilitatis. 
Hoe dit mogelijk is, hoe het veranderlijke zichzelf tot grond 
der onveranderlgkheid kan maken, valt niet gemakkelijk in te 
zien. Origenes poogde het toe te lichten door eene vergelijking, 
ibid. n, c. 6, 6 : Ad pleniorem tamen rei explanationem non vide- 
tur absurdum si etiam similitudine aliqua utamur, hoewel er in 
re tam ardua tamque difficili geen overvloed aan passende voor- 
beelden is. Maar hij schijnt dan toch iets gevonden te hebben, 
dat naar hij meent, zijn beweren kan verduidelijken. Het is het 
beeld van een stuk ijzer in het vuur. Tamen ut absque aliquo 
praeiudicio dicamus, ferri metallum capax est frigoris et caloris. 
Dit is dus het punt van overeenkomst met wat hij van het 
redelijk schepsel leert (ibid. I, c. 8, 3 : secundum nos nihil est in 
omni rationabili creatura, quod non tam boni quam mali sit 
capax). Nu begint het betoog. Si ergo massa aliqua ferri semper 
in igne sit posita, in al de poriën en aderen het vuur in zich 
opnemende, et tota ignis effecta, si neque ignis ab ea cesset 
aliquando neque ipsa ab igne separetur, num quidnam dicemus 
hanc quae natura quidem ferri massa est, in igni positam et 

indesinenter ardentem posse frigus aliquando recipere? Maar 

het puntje, waarom het allereerst gaat, is, dat het ijzer in het 
vuur blrjve. We kunnen de vraag laten rusten, hoe het in het 
vuur kwam, omdat ook de zielen niet zelve zich gascha- 
pen hebben, maar voortgebracht werden. Doch die zielen, capaces 
boni malique, konden nu zelve zich bepalen, door aan het goede 
zich te houden, of tot het kwade zich te keeren. Van het ijzer 
moet dus aangetoond worden, dat het de macht bezit om zelf 
zich in het vuur te houden, of daaruit te nemen, en dat het, 
beslissende in het vuur te blijven liggen, alsnu het vermogen 
verliest ooit ofte immer zelf er zich wederom te kunnen uitleggen. 
Origenes vervolgt : quinimo (quod verius est) magis eam, evenals 
wij dikwijls zelf in ovens hebben waargenomen, totam ignem 



Digitized by 



Google 



125 

effectam dicimus, quoniam nee aliud in ea nisi ignis oernitur: 
maar ook als men contingere atque attrectare tentaverit, non 
ferri sed ignis vim sentiet. Dit is onjuist. Het ijzer behoudt zijn 
zwaarte, en haar zou men voelen, wanneer mei^ het ijzer wilde 
oplichten of verschuiven. Ook van koud ijzer immers merkt men 
eerst door soortgelijke poging het gewicht. Hoc ergo modo etiam 
illa anima quae quasi ferrum in igne, sic semper in verbo, semper 
in sapientia, semper in Deo posita est (door het telkens herhaalde 
semper verraadt Origenes nog te beseffen, waar het op aan- 
komt), omne quod agit, quod sentit, quod intelligit. Deus est: 
et ideo nee convertibilis aut mutabilis dici potest (dus, dit moest 
betoogd worden), quae inconvertibiütatem ex Verbi Dei unitate 
indesinenter ignita possedit. Origenes komt alzoo op de in- 
oonvertibilitas uit. Maar hij vergeet, dat het te doen was om 
den grond van het indesinenter. Krachtens de vereeniging met 
het Woord Gods wordt de ziel wel verwarmd. Maar om zonder 
ophouden verhit te worden, moet zij indesinenter in vereeniging 
met het Woord leven. Derhalve moet hiervoor de waarborg aan- 
gewezen worden. Daarna spreekt het inconvertibile dan van zelf. 
En voor de ziel heette de oorzaak te liggen in de propositi firmitas, 
effectus immensitas en dilectionis inextinguibilis calor. Nu was 
het beeld van het ijzer in het vuur uitteraard o^hgeschikt hier 
a. h. w. voorbeeldige adstructie te leveren , omdat het ijzer 
volkomen passief is, en zelfs de gedachte niet wekken kan van 
iets dat zelf zich in het vuur houdt of daaruit neemt. In- 
zoover haalde Origenes met dit beeld een streep door zijn voor- 
afgaande redeneering, en stelde het vlak omgekeerde daarvoor 
in de plaats. Als christen eert hem dit, maar dat hij deze 
verwisseling niet bemerkte, verheft hem als denker niet. Voorts 
zegt Origenes, om de uitnemendheid van Jezus boven alle 
anderen uit te drukken: ad omnes denique sanctos calor aliquis 
Verbi Dei putandus est pervenisse : in hac autem anima ipse ignis 
divinus substantialiter requievisse credendus est, ex quo ad 
caeteros calor aliquis venerit. Ook hier is het niet de ziel, die 
bij de warmte komt, maar calor .... pervenisse, requievisse. Iets 
anders dan Origenes tevoren had betoogd. We vinden dus, 
dat deze Christologie het zwaartepunt verlegt uit Jezus' 
goddelijke natuur in Zijne menschelijke. Want niet de Logos 
vereenigde zich onafscheidelijk met de menschelijke natuur, 
en deze met zich, maar de ziel hing den Logos aan zóó sterk, dat 



Digitized by 



Google 



126 

zij zich onlosmakelijk met Hem verbond. Het is de principieele 
omkeering van de juiste verhouding tusschen God en niet-God. *) 
En dit in het eigenlijke punt van de z. g. n. Antiocheensche 
school en bij den „Nestoriaanschen strijd". 

Deze ziel moest als bemiddelende substantie dienen tusschen 
God (den Logos) en het stoffelijke (het lichaam). Want recht- 
streeksche gemeenschap van beide laatsten was niet mogelijk: 
non possibile erat Dei naturam corpori sine mediatore misceri. 
En zoo nascitur Deus homo, illa substantia media existente, cui 
utique contra naturam non erat corpus assumere. Anderzijds kon 
zg ook met God vereenigd worden, omdat zij eene redelijke 
zelfstandigheid was. Sed neque rursus anima illa, utpote substantia 
rationabilis, contra naturam habuit oapere Deum, in quem .... 
velut in verbum et sapientiam et veritatem tota iam cesserat. 
En omdat zij geheel in den Zoon Gods was, of Dezen geheel in 
zich opnam, heet zij met het door haar aangenomen vleesch 
Gods Zoon, Gods kracht, Christus: unde et merito pro eo vel 
quod tota esset in filio Dei vel totum in se caperet j&lium Dei, 
etiam ipsa cum ea quam assumserat carne, Dei filius et Dei virtus, 
Christus et Dei sapientia appellatur: et rursum Dei filius per 
quem omnia creata sunt Jesus Christus et filius hominis nominatur, 
de Princ. Il, c. 6, 3. 

Ofschoon Origenes nu ook andere voorstellingen geeft, ontleenen 
we het recht, om op deze woorden den nadruk te leggen, hieraan, 
dat hg te dezer plaatse thetisch uiteenzet, en dies zelf uitwerkt, 
vrij zijne uitdrukkingen kiest, en door geen apologetisch of 
ander dergelijk motief beheerscht wordt. 

Voor ons van belang om op te merken is allereerst, dat zijn 
denken zich bij den Christus blijkbaar in de kategorieën van 
het substantieele bewoog. Doch nu wilde hij Gods hoogheid 
handhaven, door Zijne onbemiddelde aanraking van het mate- 
rieele te loochenen. Moge misceri (Kspxvva-^xi? cf. ivxKpxvsi 

^) cf. tegenover Origenes' beweren het zeggen van Angustüms, EncMr. 
ad Lanrent. 36: Mc onmino granditer et evidenter Dei gratia commendatur. 
Quid enim natura limnana in lioniine Cliristo meruit, nt immitatem personae 
xmici filii Dei singnlariter esset adsumpta ? . . . Nempe ex qno esse homo 

coepit, non aliud coepit esse homo, qnam Deifilins nullis praecedentibus 

meritis .... ut intelligant homines per eandem gratiam se iustificari a 
peccatis per quam factum est ut homo Christus nullum habere posset 
peccatum. Deze gedachte sprak Aug. meermalen, en in onderscheiden werken, 
uit, cf. bij Habnack, m p. 117. 



Digitized by 



Google 



127 

c. Cels. m, 41) zien op de bepaalde vereeniging, welke in Jezus 
tusschen het Goddelijke en het creatunriijke tot stand kwam, 
niettemin zou deze ontkenning een beginsel in zich bevatten, 
dat leiden moest tot loochening van alle rechtstreeksche bemoeiing 
Gods met de stof. Daarmee ware dan gezegd, dat niet Hij de 
Schepper der materie wezen kon, noch haar Onderhouder. Hij 
zoude er te hoog voor geweest zijn. 

Zelve kwam deze gedachte uit de heidensche wijsbegeerte en 
het gnostieke stelsel. En haar vrucht kan het beweren van 
Arius geweest zijn, dat God den Zoon in het aanzijn riep om 
door Hem de wereld te scheppen, wijl deze 's Heeren xvTovpyix 
niet verdragen kon en Zijner onwaardig was, cf. Dobnkr I, p. 
819. Ook heeft zij misschien nagewerkt in Marcellus' voorstel- 
ling, bij welke Gods voorzienigheid overbodig scheen te wezen; 
gelijk ook de Antiocheensche school haar lauweren niet heeft 
behaald door eene levendige teekening van Gods „almachtige en 
„alomtegenwoordige kracht", vgl. Heidelb. Catech. vr. 27. Zg 
brengt er toe, om tusschen God en wereld geen innig verkeer, 
maar verwg dering te denken. 

Nu meende Origenes er met de idee van bemiddeling te kunnen 
komen, niet beseffende, dat hij aldus het onderscheid relatief 
maakte, d. w. z. het absoluut verschil tusschen God en schepsel 
ophief en alzoo feitelgk beider gelijkheid in wezen onderstelde. 

Dit een en ander was niet geschikt om monophysitische neigingen 
tegen te gaan of in eene goede richting te leiden, maar kon 
wel bevorderlijk zijn aan willekeurige, d. w. z. niet uit eigen 
gronddenkbeelden voortvloeiende of daartegen ingaande, negatie 
of affirmatie. 

Van deze Christologie, waarvan hier twee grondgedachten 
besproken werden, schreef Loofs H. R. E^., Bd. 4, p. 46 : „die 
„origenistische Christologie hat nicht den Einflusz gewonnen, 
„den sie verdiente; der fruchtbare Gedanke, dasz die Seele Jesu 
„das Mittelglied gewesen sei zwischen den Logos unddemLeibe 
„Jesu, ist so gut wie ganz in Vergessenheit geraten." 

We mogen vragen, welken invloed zoodanige Christologie ver- 
diende, en waarin de vruchtbaarheid der gedachte van zulk eene 
bemiddeling bestaat? Want het is niet, dat Origenes aldus de 
organische inrichting der menschelijke natuur tot haar recht laat 
komen. Maar hij beweert, dat Jezus' ziel met Zijn lichaam in 
eene vereeniging kon treden, als aan Zgne Godheid onmogelijk 



Digitized by 



Google 



128 

was, onderwijl deze laatste wel met die ziel op overeenkomstige 
wijs zich te verbinden vermocht. Voorts mag betwijfeld worden, 
of Origenes' Christologie wel zoo invloedloos is geweest. Wanneer 
men bij het nasporen van dien invloed maar niet voornamelijk 
op terminologieën let, doch, naar den eisch voor historische be- 
schouwing, allermeest rekent met de in deze of gene bewoor- 
dingen en gedachtenontwikkelingen werkende idee. 

Verwondering behoeft het nu niet te baren, dat Origenes 
a. w. h. bg wijze van reactie tegen den gang van zijn gansche 
systeem, zich meer dan eens gedrongen voelde uit te spreken, 
dat de Zone Gods naar Zgne goddelijke natuur niet veranderd 
was bij de aanneming der menschelgke : mansit quod erat (zijn 
lezing van het symbool); c. Cels., UT, 14 o Ivifrotjg vïog oov èeov 
Kxi Trptv svxybpu7rvi(rxi tb ivxv^puTnjcrccg, e. a. ; en daarmee in 
verband opzettelijk en duidelijk de tweeheid Zijner naturen te 
leeraren, de Princ. I, o. 2, 1 : Primo illud nos oportet scire, quod 
aliud est in Christo deitatis eius natura, welke is de eengeboren 
Zoon des Vaders, et alia humana natura, die Hij in de laatste 
tijden pro dispensatione suscepit. Vgl. ibid. Il, c. 6, 2 : met alle 
vreeze en eerbied contemplandum est, ut in uno eodemque ita 
utriusque naturae veritas demonstretur, dat niets onwaardigs en 
onvoegzaams in divina illa et ineffabili substantia sentiatur, noch 
andererzij ds quae gesta sunt falsis illusa imaginabus existimen- 
tur. Cf. ibid. 3; c. Cels. I, 66; II, 9; Opp. II hom. 8 in Gen. 
p. 836; n hom. 29 in Luc. p. 967a; in loan. tom. 6 Opp. IV, 
p. 142 D e. a. p. c. Cels. I, 66 s%€iv ti ^storspov sv rep (SXsTrofis- 
fji^evcp xv^puTTCfi^ oTTsp ijv Kvptooq viog dêov, deog ^oyoq. Deze tweeheid 
deed aan Zijne eenheid niet te kort. c. Cels. Il, 64 o lyi<rovg slg 

Hij is deur, weg, brood etc. 

Maar nu moest inzake den aard dier eenheid de richting van 
zgn denkwijs zich wel doen merken. En dat deed zij in het 
spreken van substantia animae inter Deum camemque mediante, 
of media existente; van een tota totum recipiens atque in eius 
lucem splendoremque ipsa cedens, facta est oum ipso principali- 
ter unus spiritus; van het ijzer in het vuur, alsof men bij eene 
poging om het aan te raken of tot zich te trekken, alleen de 
hitte van het vuur gewaar worden zou. c. Cels. I, 66 schrijft 
hg: (Tvv^sTOv ti %piifix cpxfji^ev xvrov yeyovevxi^ en ibid. H, 9 rede- 
neert hij : als wij zeggen, dat ook wij niet aannemen to ^Xsttoijlsvov 



Digitized by 



Google 



129 

TOT€ KXi xi(r^}jrov Tov l}j(TOu o'CüfAX sbxi dsoVy aXK ov^6 Ttjv ^y%)fv, dan 
doen wg dat, ov xupil^ovreg rov viov tov êeov xtto tov iKjtrov, èv yxp 
fixKitTTX fisTX TV\v olKOvofjt^ixv ysyevijTXi TTpog TOV Koyov TOV isov ij ^v%vi 
icxi To (TUfix l>i(rov. Want indien naar Paulus' woord o KoX^a/zsvog 
TCf) xvpicp sv wvsvfix i^Tt^ hoe zal dan niet TroXXcp bsioTspug tb fiei^ovag 
kv zijn TO 7roT€ (tvv^stov Trpog tov Xoyov tov dsov\ Vervolgens krijgen we 
e. Gels. ni, 41, waar hij zegt, dat Jezus' sterfelijk lichaam kxi jJ xvbpu- 
Ttuij iv xvTcp \pv%}j, door de wpo^ Iksivov koivcüvix niet alleen, maar ook 
èvutrig en ivxKpx^i^j tx fuyttrTx verkregen heeft xxi Tvig sjcstvov 
deoTijTog KêxotvcovvjKOTX êlg óêov [isTxfisfi^Tcevxi. En daarb^* beroept 
hij zich op de qualiteitloosheid der materie, door de Grieken 
zelven geleerd. Echter spreekt hg daarna van tx Tvig (rxpKiKvjg 
&(r^ev€ixg titx die vervangen werden, opdat Jezus' vleesch zooda- 
nig konde zijn, als het, iv xl^spi ts toic xucaTspu xvtov TOTroig ver- 
koerende, behoorde te wezen. Al verder leert Origenes, dat er 
een ^v^KXTxISxtng van den Zone Gods was, toen Hij demensche- 
lijke natuur aannam, c. Gels. IV, 15 frvyKXTxfixivuv êtr^' ots Tcp 

flVl ivVXflSVCf! XVTOV TXg (J(,Xp(JLXpvyXg TB TVIV XXfji^7rpOT>ITX Tijg ^eoTijTog 

fiXsTTsiVj 0ÏOV61 (Txp^ yivsTXi^ (TcofixTiKCüg XxXov(j(,€vog, totdat degene die 
Hem aldus is Trxpx^e^xiJs^svog kxtx ^px%v vto tov Xoyov fiêTsapi^o/zsvog, 
Sw/j^S"^ XVTOV KXi TViv (om zoo te zeggen) xpoxj^ovfjc^êvijv (JLopCpviv 
bsx^rx^rbxi. Hierin ligt dus, dat zij tgdelijk is en voorbijgaat ; c£. 
ibid. 16, 18. Maar de wijze waarop zg volgens Origenes weg- 
genomen wordt, wekt bedenking. Duidelijker nog zegt hg c. Gels. 
VI, 68: Hij werd vleesch hx xup^^ifi vto tcov [ji^vi ^vvxfjc^evcav xvtov 
fiXsTTSiv %x^o Xoyog Jfv . . . . ïv xvTOvg TOiijtr^ TrpcoTOv fiopCpoo^yjvxi kxtx 

tov XoyOV TOV y€VO(J(^€VOV (TXpXXj KXt flSTX TOVTO XVTOVg XVxfiilSxiT^ STTt 

TO Jistv XVTOV oTTsp vfv TTptv ysvviTxi (Txp^. Vgl. hierbij ook c. Gels. 

in, 28 XTT' 6KSIV0V Vip^XTO bêlX T6 XV^pCOTTiVll (TVVVCpXlVeCT^Xl (pV(Tig, 

opdat de menschelijke r^ Trpog to ^eiOTspov icoivoavipjL yevviTxt beix ovk 
êv fiovcp TCf) Itjo-ov, iXXx ts 7rx(rt TOig (ji^stx tov tckttsvsiv xvxKxfi(3xvov(rt 
(3iov, ov lvi70vg eiiix^sv. Hier hebben wg derhalve de voorstelling 
van een natuurproces zooals Habnaok t^n onrechte meende bij 
Irenaeus aan te treffen. G£. Habnaok I, p. 507, 517. Dit kon 
Apollinaris brengen tot zijne constructie om van Süö, die niet 
T6K61X mochten wezen, zoo mogelijk h te maken, dat als (Ji^sfroTvig 
dienst moest doen. En desnoods mag ook het Monophysitisme van 
dezen gedachtengang de rechtmatige erfgenaam heeten, gelijk Har- 
NACK insgelijks ten onrechte van Athanasius' theologie beweert ; cf. 
Habnack II, p. 375/376, en voorts later. Want aldus moest door 

9 



Digitized by 



Google 



130 

„Vergottung" eene „einheitliche" natuur ontstaan, die als „öott- 
menschheit" pleegt aangeduid te worden. Cf. verder in Joan. 
torn. 1, n. 20 Opp. IV, p. 20 )5/a/v, ovtcü (zouov vpooTov xvrov x^P^^^^ 
lvvx(ji.6voiq^ ibid. p. 9, en in Matth. torn. 12, Opp. III, p. 547/548. 

Tamelijk veelvuldig komt hiermee in verband Fil. 2 : 7a in 
Origenes' werken voor. c. Cels. IV, 15 iix CpiXocvbpoimixv sxvrov 
€K€vcü(r€V, Ivx ^«pjfS'j^j/^/ jJt' xv^puTOüv ivvyibTfi, Vgl. voorts o. a. de 
Princ. praef. 4 (opgaaf v. h. Symbool) ; ibid. Il, c. 6, 1. Opp. III, 
p. 129, 175, 214, 505; IV, p. 505 e. a. 

Aan wezensverandering mag hierbg niet gedacht worden, c. 
Cels. IV, 15 o Xoyoq r\fi oikthji, (ji^svuv Xoyot;^ oiiisv fiev 7rx(T%€t uv 
7rx(T%ei To (roi)[jLx ii j5 ^^%yi' En ibid. 14, handelende over anthro- 
pomorphismen in de Schrift, zegt Origenes in het algemeen: 
[jt^evcüv yxp Tifi ovtri^ irpsTTTO^j (tv/kxtx^xivsi ti/i Trpovoi^ Tsrifi oiKovofjt^ojL 
Toig xv^puTTtvoig Trpxyfixtriv, Toch heeft het sK6voo(r6v in positieven 
zin beteekenis. de Princ. Il, c. 6, 1 : ista natura exinaniens se 
de statu maiestatis suae homo factus ; cf. Opp UI, p. 129 : want 
indien Hij, hierheen nederdalende , zich ontledigd heeft, Kxt 

K€VU(TXg eXVTOV €XXfJi(3xV6 TTXKlV TXXJTX xCp* UV iKSVCOCTSU 6XUT0V, 6KU1/ 

}C€vmxq exvTov. De Zoon des menschen kwam ovk sv Tifi 5ö?^ 
xvTOv^ ibid. p. 547, want ovk ewpewsi tov èv Sö|^ (pepetv rxg xfixprixg 
vilJLoav KXi i^vvyj^iivxi vspi vifiuv^ p. 548. Het ziet dus op gemis aan 
heerlijkheid. Maar dit niet op eene wijze, alsof de menschelijke 
natuur per se deze io^x omsluierde, doch de ontlediging staat in 
nauw verband met den gezonken toestand dezer natuur. Cf. c. 
Cels. I, 56 T/iV 5f erspxv (scil. sTrtivifJi^ixv) svho^ov kxi fiovov bsiorepxy^ ovhsv 
s7n7r€7rXey[Ji,6vov n/i ^sonjTi 6%ov<rxv xvbpooTfOTTxbsq. Hom. 6 in Ex. 
Opp. II, p. 147a onderscheidt Origenes tusschen glorificari en 
gloriose glorificari. Het eerste geschiedde reeds, toen Jezus het 
vleesch uit Maria aannam en zoeken kwam wat verloren was. 
Maar het vond plaats humiliter. Verum. . . . cum venerit in gloria 
patris. ... in maiestate sua. . . . cum ergo refulgebit in maiestate 
patris sui et post adventum humiütatis, secundum nobis in gloria 
ostendet adventum, tune. . . . gloriose glorificatur, wanneer allen 
den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. In Matth. tom. 12, 
Opp. in, p. 548 ysvofisvot; ug xvrot Trpog to y&f€(rbxi xörovg ag 
xvTog, (TVfifiopCpovg nig shovog tt^c 5ö?j^^ xÖTovy aangezien Hij tevoren 
ysyoi/s (Tvfji^f/fOpCpog TC}) 7U(JLXTi TVfq TX7r€iva(r6Ci)g j}jt*a;v, ^vijcx iKsvatrsv 
hxxjTOv^ eens dienstknechts [Aop(pyiv aannemende, xttokoAkttxtxi t6 
STTi TJjv TOV dsov fiopCpvjv^ KXi TTOtsi xxjTOvg <rvfji,fiop(povg XÖT1/I. Toen Hij 



Digitized by 



Google 



131 

onder ons kwam „wonen" (of. Joh. 1 : 14) ovjc ifieivev stti rvfg Trpcorvj^ 
f^opcpyjg. Maar nadat Hg ons op den KoyiKov v\pviXov berg gebracht 
heeft, èisi^ev i^fiiv tjjv êvio^ov fiopCpvjv kxvrov zxi tviv Xoci^Trporyirx 
Toov èvivfAxruv xurov. 

Hieruit zien wij, dat Origens èv fiop(pi(i isov^ Fil, 2 : 6, onder- 
scheidde van b. V. ofioovcrtog óscp , gelijk ook later Calvijn terecht soort- 
gelijke onderscheiding maakte. Aldus kreeg hij ruimte voor een posi- 
tief begrip van ksvovv. Inzake zoodanig positief begrip zijn vooral 
belangrijk de ontwikkelingen van den diepzinnigen Hilarius Picta- 
viensis. Maar Origenes redeneerde hierbij op eene manier, dat de ein- 
digheid des schepsels uit het oog verloren werd ; iets dat uit zijne 
vage, zwevende, voorstellingen van het wezen der dingen en het 
onderscheid tusschen God en schepsel gemakkelijk verklaarbaar is. 

Aangaande de verhooging zegt hij in Joan. tom. 32, n. 17 
Opp. IV p. 446, naar aanleiding van Joh. 13 : 31 en 32, dat de 
v'7r€py\pu(rig Jezus alleen naar Zijne menschelijke natuur betrof. 
Want de Logos, die in den beginne Trpog tov êsov G-od was, 
ovK 67riB€%€Txt To Ó7r€pv\pa^vjvxt, En de verhooging van den Zoon 
des mensohen, yevofjt^svyf xvrcp io^xa-xvri tov êsov èv rq) exvrov ^xvxrcp^ 
xvrvi yjv f4,viK€Ti srapov xvtov shxt tov Xoyov, iXXx tov xvtov xvrcp. 
De Logos kon dus naar Zijne goddelijke natuur niet verhoogd 
worden, en daarom geschiedde dit alleen met den Zoon des 
menschen. Maar nu formuleert Origenes de verhooging in minder 
schriftuurlgke bewoordingen. Want hij stelt, dat het eerst be- 
staande onderscheid der naturen {vlot) door de verhooging weg- 
viel. Nu kwam er identiteit. 

Als we vervolgens vragen, of Origenes ook in de eeuwigheid 
aan Jezus' menschelijke natuur beteekenis voor de geloovigen 
toekent, dan kunnen we verwijzen naar zijne bespreking van 
Joh. 8 : 38, waarbij hij zelfs aan de goddelijke natuur des Heilands 
hare beteekenis ontneemt, in Joan. tom. 20 n. 7 Opp. IV, p. 
315 toch zegt hij : men zou kunnen vragen, of de engelen een- 
maal TX TTXpX TCp TXrpt zicU Zullcn oitXêTl ilX (JLS7tT0\J KXl VTTVJPSTOV. 

Want als iemand, den Zoon ziende, den Vader aanschouwt 
die Hem gezonden heeft, èv vicp th; op^ tov TrxTspx, Doch 
wanneer men den Vader en hetgeen bij den Vader is, zien zal 

ig o vlog^ olovsi ofioiui; Tcp vicp xÖTOTrTVjt; è(TTxi tov TTXTpoc; en van 
hetgeen des Vaders is, ovksti x'tto TVjg shovog èvvom tx irepi tovtov 
ov vi ehcüv. En ik meen, zegt Origenes, tovto slvxt to tsXo^^ wanneer 
de Zoon het koninkrijk overgeeft rqj éscji ^cxi TrxTpi, en dan ytvcTxt 



Digitized by 



Google 



132 

o isog rx ttocvtx sv %x(Tty. Betreffende de engelen leerde hij alzoo 
een zien van den Vader, dat eenmaal komen zou, nuUo mediatore 
ao ministro intercedente. Doch zijn redeneering doelt er op, dat 
dit ook van de andere wezens geldt. Omdat hij nu over engelen 
sprak, was Jezus mensohelijke natuur reeds als vanzelf buiten- 
gesloten. Dit wil niet zeggen, dat zij afgelegd werd ; immers raakte 
de Logos ook Zijn goddelijke natuur niet kwgt; alleen verloor 
zij haar beteekenis voor het overig schepsel. En niet alleen zij, 
maar zelfs Jezus goddelijke natuur. Dit is de noodzakelijke con- 
clusie van eene rangordening, welke trapsgewijs van den Vader 
afdaalt. Zij toch stelt als postulaat van volle genieting der eeu- 
wige zaligheid eene visio Dei per essentiam. 

Dit punt van de beteekenisloosheid der goddelijke zoowel als 
der mensohelijke natuur van den Zone Gods voor de eeuwige 
zaligheid, kwam vooral aan het licht in hetgeen Maroellus leer- 
aarde. Maar deze ontwikkelde het op eene andere wijze, en 
meende daarbij zijn steun in I Oor. 16 : 28 te bezitten, op welken 
tekst ook Origenes zich hier baseerde. 

Bespreken we daarom ten slotte Origenes' leeringen over 
den te wachten eindtoestand. Van dezen moet onderscheiden 
worden de afloop eener of dezer bepaalde wereld. Vgl. wat dit 
laatste betreft, de Princ. II, c. 3 ; ibid. c. 9 ; ibid. III, o. 6. Doch er 
zou volgens Origenes ook eindelijk stilstand in die gedurige 
wisseling van werelden komen, cf. ibid. I, c. 6. Hij zegt daar 
§ 2: semper similis est finis initiis. En evenals er daarom unus 
omnium finis is, zoo unum omnium intelligi debet initiimi; en 
gelijk multorum unus finis, zoo ook ab uno initio multae diffe- 
rentiae ac varietates, die wederom door de goedheid Gods en de 
onderwerping van den Zoon en de eenheid des H. Geestes in 
unum finem qui sit initio similis revocantur. Cf. ibid. III, c. 6, 4 : 
maar wanneer res ad illud coeperint festinare ut sint omnes 
unum, evenals de Vader met den Zoon unum is, consequenter 
intelligi datur, dat, waar allen één zijn, iam diversitas non erit. 
Vervolgens in verband met I Oor. 16 : 28 : ut universa natura 
corporea redigatur in eam substantiam .... in divinam scil. (ver- 
taling van Hieronymus) of: ut ... . summum et cui addi iam 
nihil possit recipiet statum (overzetting van Eufinus); cf. ibid. 
c. 6, 9. Opmerkenswaard is nu allereerst, dat de dingen uit God 
schijnen uit te gaan en in Hem weer teruggebracht worden, 
waarna alles één zou zijn, gelijk het tevoren was. Dit geeft 



Digitized by 



Google 



133 

eene voorstelling, alsof alles met Gk)d en onderling eenswezens 
is. In de tweede plaats ligt erin, dat niet God de dingen doet 
zijn, maar dat deze zelve zich van Hem losmaken. Dit schijnt 
onbehoorlijk, en daarom wordt door God daaraan een eind gemaakt, 
doordat Hij alles wederom tot Zichzelven terugbrengt en op- 
nieuw één met zich doet zijn. Hierin spreekt zich de idee uit, 
dat het niet-God zich emancipeert, in plaats dat het door God 
geschapen wordt, waarop reeds gewezen werd. 

Vlug gaat het bij dezen terugkeer niet toe. Non ad subitum sed 
paulatim et per partes, infinitis et immensis labentibus saeculis, cum 
sensim et per singulos emendatie fuerit et correctie prosecuta. 
Hierbij zal groot verschil in tijd wezen, praecurrentibus aliis et 
velociori cursu ad summa tendentibus, aliis vero proximo quoque 
spatio insequentibus, tum deinde aliis longe posteriis. En zoo 
komt het dan eindelijk, eindelgk tot herstel van den laatste: et 
sic per multos et innumeros ordines proficientium (cf. hiervoor 
de Princ. I, c. 6, 3) ac Deo se ex inimicis reconciliantium 
pervenitur usque ad novissimum inimicum qui dicitur mors, ut 
etiam ipse destruatur ne ultra sit inimicus, ibid. III, c. 6, 6. De 
schepselen zelven moeten het dus bewerken. Dat gaat in Origenes' 
gansche systeem door. Zij hebben de beslissing in handen. En 
daarom moet het zoolang duren. Anderzijds echter mogen we 
ons oog niet sluiten voor de gedachte die hierin uitkomt, dat ten 
slotte niets het tegen Gods genade kan uithouden. Moge Origenes 
haar op onjuiste wgze uitwerken, niettemin leert hij het onuit- 
puttelgke, het onvermoeibare, en juist daarom onweerstaanbare 
van de genadewerking Gods. c. Gels. VIII, 72: Wg zeggen rvig 
XoyiKVjg 0v(T€ug oXvig Kpxryitrcci ttots tov Xoyov Kxt fi€TXTOtvi(TXi eU n/jv 

êxvrOV TSXSlOTViTX^ STTXV SKXfTTOg ^iXlfl %p1^(rXfJ(^V0g Tlfl S^0V7l^ 6XV\TXl 

X (3ovX€Txi Kxi ysvvfTxi iv oU êlxsro. En wij beweren, dat het niet 
waarschijnlijk (shog) is, dat evenals sommige lichamelijke ziekten 
en wonden alle medische kennis en bekwaamheid te boven gaan, 
ovTCcg eTTi rccv \pv%ccv êhxi n rav xtto ycxzixg xivvxrov vtto tov stti 
wx(Ti Xoyov KXi kov bêpxTrsvbvivxi. Want Trxvrcav rcav èv rifi ^vx^ 
KXKUv ivvxTüirspog èv o Xoyog^ kxi jJ iv xvTCf) bspXTTêix^ 7rpo(rxyêi 
KXTX fiovXy\(Tiv èeov sKX(rTcp xvrvfv. Hier hebben wij, zooal niet 
de, dan toch eene zenuw van Origenes' leer der xTro^cxTxvrxfTK; 
TrxvToov. Geene krankheid der ziel is bestand tegen de genees- 
kracht van den Logos. Nu heeft deze plaats iets eigenaardig- 
bekoorlijks, wanneer wij bedenken, dat Origenes c. Gels. schreef. 



Digitized by 



Google 



134 

tegen het jaar 250, toen hg dus reeds boven de 60 jaar oud was, 
en voorts bedenken, dat dit 8^'® boek het laatste is van dit werk, 
en dit 72**® hoofdstuk bijna het laatste van dit boek, dat er 76 
heeft. Waarschijnlijk bezitten we geen latere werken van hem. Is dit 
zoo, dan roept het scheidende woord van dezen weldra, tengevolge 
van mishandelingen, hem om zijn staadvastig christen-blijven 
aangedaan, ten grave dalenden, bejaarden man, die zulke 
onschriftuurlijke meeningen had gepropageerd, op deze zonder- 
linge wijze al de eeuwen door aan zijne „Nachwelt" toe, dat 
zij ziek is aan boosheden (ttxvtuv toov iv Tifi \l^v%^ xxkoov), maar dat 
toch de Logos een geneesmeester is, voor wiens behandeling 
geene krankheid ongeneeslijk blijkt, toegepast als ze bij een ieder 
wordt naar den wil van God. 

Origenes laat er hier nog op volgen, dat hij tweeërlei einde 
van de verkeerdheid zelve denkbaar acht, tusschen welke hij te 
dezer plaatse niet beslist, wijl zulks niet tot het onderwerp be- 
hoort. KXl TO TSXog TOOV TCpXyfJiXTCCV dvXipS^VjVXi SfTTl TViV KXKIXV. 

TTOTspov ys cc(rT€ fivi^Xfiifl fivjSxfiag in xifTVfv sTTiTpxTnjvxi ^vvx(r^xi, 
yj (jLVi^ ov Tov TTxpovrog 6(m Xoyov iiSx^xt. Maar de profetieën 

TTOXXX TTSpt TVjg TTXVTS^OVg XVXlp6(TSU(; TUV XXKCOV KXl ^lOpSrCO<r€Ug TTXfTViq 

^^%yi<? £v xTToppviTotg Xsyovvi^ waarna Zef. 3 : 8 — 13 aangehaald wordt. 
Alle redelijke wezens zullen dus hersteld worden, de Princ. 
ni, c. 6, 6 : Cum ergo restitutae fuerint omnes rationabiles 
animae in huiuscemodi statum (vgl. p. 132), tune natura etiam 
huius corporis nostri in spiritalis corporis gloriam perducetur. 
Deze leer hangt samen met Origenes' opvatting van „onderwer- 
ping", waarvan in I Oor. 16 : 24—28 gesproken wordt. Hij meent^ 
dat daar een subiectio salutaris is bedoeld, de Princ. 1, c. 6, 
1 schrijft hij : quae ergo est subiectio qua Christo debent esse 
omnia subiecta? Ego arbitror, dat het eene zoodanige is, als 
waarmee wij ook zelven aan Hem onderworpen wenschen te zijn, 
en waarmee Hem onderworpen zijn ook de Apostelen en alle 
heiligen, die Christus gevolgd zijn. Subiectionis enim nomen 
qua Christo subiicimur, salutem quae a* Christo est, indicat 
subiectorum. Cf. ibid. IH, c. 5, 7 : indien dus bona et salutaris 
accipitur ista subiectio qua subiectus esse dicitur filius patri, 
valde consequens et cohaerens est, ut et inimicorum quae dicitur 
filio Dei esse subiectio, salutaris quaedam intelligatur et utilis. 
Zoodat, evengelijk als wanneer de Zoon aan den Vader onder- 
worpen heet, perfecta universae creaturae restitutie declaratur, 



Digitized by 



Google 



135 

zoo ook salus subiectorum et separatio perditorum er onder ver- 
staan worde, wanneer er staat, dat de vijanden aan den Zone 
Gods onderworpen zijn *). En zoo schrgft hij dan ibid. 6 nog, dat 
de eengeboren Zone Gods in consummatione saeculi insemetipso 
complectens allen, die Hij aan den Vader onderwerpt en die door 
Hem veniant ad salutem, cum ipsis et in ipsis ipse quoque 
subieotus dicitnr patri : dnm omnia in ipso constant et ipse est 
caput omnium et in ipso est salus et salutem conseqaentium 
plenitudo. 



^) Soortgelijke opvattiiig van „onderwerping" in I Cor. 15 wordt door 
Scholten geleerd, als hij L. H. K*. H, p. 97, 1 schrijft: de vvorxyti en het 
CTTOTxma^aet is van zedelijken aard. 



Digitized by 



Google 



VIJFDE HOOFDSTUK. 



Athanasiüs. 



Was bij Origenes de tegenstelling niet zuiver : God en crea- 
tuur en erlangde dientengevolge ook hun onderscheid in wezen 
zijn recht niet, Athanasius maakte wederom tot allereerste onder- 
scheiding die tusschen Schepper en schepsel. En haar hand- 
haafde of verdedigde hij o. a. in een drievoudig opzicht : met 
betrekking tot God en niet -God in het algemeen, reeds in zijn 
Xoyog icxTx *EAAi^i/cyv of adv. Gentes, en in zijn hoyoq TTêpi rvfg 
èvxvbpooTryifTsoijt; of de Incam. ; nader ook aangaande het Zoonschap 
van den Logos en het kindschap der geloovigen, vooral in zijn 
geschriften tegen Arius; waarvan de voornaamste zijn: contra Aria- 
nes, en, ook betreffende den H. Geest, zijn Epistulae IV ad Serapio- 
nem; en eindelijk inzake Jezus' goddelijke en Zijne menschelijke 
natuur, bepaald ook in ad Epictetum Episcopum Oorinthi Epistola. 

Te dezen aanzien staat hij op een ander standpunt dan Origenes, 
en op hetzelfde als Irenaeus en Clemens van Alexandrië. 

Nu zegt Habnaok II, p. 207: „Athanasius hat mit derselben 
„Sicherkeit wie Arius die Kluft befestigt zwischen Geschaffenem 
„und Ungeschaffenem. Darin liegt bei Beiden der Fortschritt zur 
„Klarheit. Aber Arius zog die Grenze so, dasz der Sohn auf die 
„Seite der Welt gehort, Athanasius so, dasz er, zu Gottgehörig, 
„der Welt gegenüber steht." En p. 217 nog: „Daneben ist 
„Beiden das Interesse. . . . für die strenge Unterscheidung von 
„Schöpfer und Geschöpf gemeinsam." Dit houdt dus in, dat 
Athanasius en Arius over de onderscheiding van God en schepsel, 
en over beider verhouding, tamelijk wel gelijk dachten, maar 
dat hun strijd slechts gold de vraag, of de Zoon aan den kant 
der schepselen, dan wel aan dien van God stond. Omtrent de 
juistheid dezer meening kan twijfel bestaan. Zeker leerden beiden, 



Digitized by 



Google 



137 

dat God anders was dan het schepsel. En de strijd liep ook 
hierover, of de Zoon God was, of niet. Maar de vraag kan 
r^zen, of er ook verschil tusschen hen was over den aard der 
onderscheiding van Creator en creatuur. Zelf schrijft BLabnaok 
p. 217 onder 1, dat bij Anus' Christologie, die hg als „rein 
adoptianisch" karakteriseert, moet gerekend worden met een 
„Metaphysik" welke „beherrscht" is „von dem Gedanken des 
jfGegensatzes der einen, unaussprechlichen, weltfemen Gtottes, und 
„der Creatur. Die Ausführung", zoo gaat hg voort, „entsprioht 
„desshalb vollkommen den philosophischen Ideen der Zeit und 
„der einen Halfte der Ausführungen des Origenes. Um eine 
„Schöpfung überhaupt zu ermöglichen, musz zuerst ein geistiges 
„Wesen geschaffen werden, welches die Erschaffung einer geistig- 
„sinnlichen Welt vermitteln kann". Vgl. voor dit laatste p. 207, 3 : 
„Aber auch Arius selbst kam doch trotz alles Straubens auf eine 
„mittlere Substanz zwischen der Gottheit und der Creatur hin- 
„aus, weil nach ihm Gott ein solches Wesen nothwendig brauchte, 
„um überhaupt schaffen zu können." Arius n.m.1. leerde in zijn 
êxXsix: ijv yxp fiovog o êsog, kxi ovttco vjv o Xoyo^ xxi vj <ro(pix, shx 
^£?^vi(rxg ^fixg ivifiiovpy}j(rxi^ tots ^vj TSTroii^Kev svx rivx^ dien God Logos, 
Wijsheid en Zoon noemde, Ivx ^fixg Sr xötov ^vifiiovpyvi(rifi^ bij Atha- 
nasius c. Ar. I, 5. Dit wordt verder uiteengezet en door Athanasius 
aan kritiek onderworpen c. Ar. II, 26. We kunnen daaruit dus 
beider gevoelen en gedachtengang omtrent het punt in kwestie 
te weten komen, en gaan er dies nader op In. Vervolgens, zegt 
Athanasius, zoude men hun (der Arianen) onverstand (n.m.1. bij hun 
voorstelling van den Zoon) ook op deze wgze kunnen weerleggen : 
€1 Kxt o Koyog Tvig yevvjTVig <pv(r€ug i(m^ TOog t^üt^^ xSvvxtov Tvy%xvov(r}^g 
%cüp€iv TViv Tov ésov xvTOvpyixv, fJLOVog xvTog h TTXvrav jJSvvjjS'j^ Trxpx 
TVjg xyevvjTOv kxi XKpxtv^frrxTVig ovtrixg tov isov ysvsfrbxi^ ug vfisig 
Af^fTf; De Arianen beweerden derhalve, dat de yfi/i^rvj (J)ü<r/^ krach- 
tens het zijn van yswiTVj^ de rechtstreeksche aanraking Gods niet 
kon verdragen, en dat God daarom eerst den Zoon schiep, op- 
dat Deze, een zooveel minder wezen zijnde, de wereld er zou 
kunnen doen komen. Maar, zoo luidt Athanasius' tegenwerping, hoe 
kon die Zoon, welke volgens uw zeggen ook een <pv(ng yevvjTVj 
bezit, door Gods onmiddellijke schepping {xvrovpytx) ontstaan? 
Hij gaat aldus voort : xvxyjcvi yxp yj tovtov ^vvxfievov, xxi Trxfrxv 
ivj/x(r3rxt, vf TTxayfg ctSvi/xrou rvy^^vöüöT^^, fivj ivvxtrbxt fivj^s tov ^oycv. 
f/V 7xp 6(TTt Toov yevvjTccv Kxi ovTog jcxSr' iffixg. Wat van Hem geldt, 



Digitized by 



Google 



138 

geldt van allen, wat waar is van allen, gaat door bij Hem. 
Indien Hij n.m.L met die allen betreffende het bedoelde punt op 
ééne lijn staat. En dat zeiden de Arianen Athanasius zet z^n 
betoog voort : ttccXiv Sf, s) itx ro x&vvxrov êhxt ryjv ysvr^rvfv (pvtriv 
(i€TX(T%€tv Tvig Tov èsov xvTovpyixg, [JL€(TtTov %petx ysyovsv^ xvxyy,yi wxfrx^ 

yêVVjTOV KXl KTKTflXTOg ÓVTOg TOV XoyOV^ fl€(rOV %p6iXV shxi KXl iTTl TVf^ 

Tovrov ivifiiovpyixg, iix ro ehxi ivx kxi xvtov tvj^ y€vy\Tyig 0v(r€ag, rijg 

flVI ^VVXflSVVig (J(,STX(T%€IV TVj^ TTXpX TOV isOV €pyX(TtXg^ XXXCC flSCTOV ^êOflêVVjg, 

Indien er voor de overige schepselen behoefte aan een bemidde- 
laar ontstond vanwege het geworden karakter hunner natuur, 
dan moest er ook tusschen God en den Zoon een „mittlere Sub- 
stanz^^ intreden, als deze Zoon met die creaturen datzelfde 
karakter droeg. Maar daarbij kon het niet blijven. Omdat ook 
hij, die tusschen den Zoon en God bemiddelen zou, wederom 
zelf tusschenkomst noodig hadde, omdat naar der Arianen zeg- 
gen alleen God (de Vader) xysvyfrog was. Dit zou alzoo doorgaan 
eindeloos, maar juist daarom ook het bestaan eener schepping 
onmogelijk maken, xfv êicêtvov 5f rtg €vpê^i(i fi€<rog, TrxXtv erspov 
%p€tx fisfriTov 5/' êxêtvov, kxi ovtco rig sTTXVx^xivm rcj} ^oyitTficp^ svpvi(T6i 
TTOXvv i%Xov èTTippsovrm (JLetriroov kxi ovroog xivvxrov v7ro(TTv\vxt tv\v 
KTKTiv^ xsi TOV fistTiTOv ^sofisvvjv, KXl TOV [JL6V0V fivj ^vvxfisvov y€Vê(rSrxi 
Xoopig sTêpov fi€(riTov^ ^ix to irxvTxq ehxi TVjg y^yvjTvig (pvtTsoog^ TV\g 
fivj ivvxfjt^evvjg f^£TX(r%êiv TVjg Txpx (jlovov tov èsov spyx(rtxg^ dog 
vfisig XsysTs. Op deze wgze komen Athanasius en Arius dus lijn- 
recht tegenover elkaar te staan. Niet maar alleen betreffende 
de vraag, of de Zoon met den Vader deszelfden wezens is, doch 
ook aangaande de meer algemeene en dieper liggende kwestie, hoe 
de verhouding van God en wereld is. Daaromtrent leerde Arius, 
dat er tusschen beiden afstand was, verwgdering, scheiding, 
zoodat rechtstreeksche of unvermittelte gemeenschap onbestaan- 
baar was. Hier hebben wg dus inderdaad een „weltfemen 
Gott'', van wien Habnaok spreekt, en eene „Kluft zwischen 
„Geschaffenem und Ungeschaffenem". Maar waar Athanasius de 
onhoudbaarheid dezer bewering zoo logisch en uitvoerig aantoont, 
volgt, dat hij eene gansch andere meening koesterde. Want als 
de wereld niet door een fi€<nTvig^ die minder ware dan God zelf, 
geschapen werd, rest niets anders, dan dat zij, voorzoover men, 
evenals Athanasius, handhaaft, dat zij geschapen is, door eene 
onmiddelijke, rechtstreeksche werking van God zelven tot aan- 
zijn kwam, door de xvrovpyix des Allerhoogsten, of de Txpx fiovov 



Digitized by 



Google 



139 

Tou kou èpyxfTix. Niet maar naar een deel, doch geheel en in 
alles. Dit zegt echter, dat er geen sprake is, niet mag zgn, 
zelfs niet wezen kan, van een klove en eene „Weltferne" Gods. 
Zelfs het o. i. laagste creatuur staat met God in zoo nauwe 
betrekking als maar mogelijk is. 

Nu rust de voorstelling van den aard der verhoudingvan Schepper 
en schepsel op het, bewust of onbewust, gevormde denkbeeld, dat 
men van Gods wezen heeft, op ons ^Godsbegrip''. Ook de desbetref- 
fend van beide tegenstanders uitkomende gedachten moeten wg dus 
nader beschouwen, temeer waar Habnaok eigenlijk op dat „Godsbe- 
grip" doelt. Wanneer nu iemand stelt, dat bemiddeling noodig is 
en tot stand komt, onderstelt hij, dat zulks mogelijk is, dat er tus- 
schen de twee uitersten een middelterm bestaat, en dat dus 
de twee te bemiddelen termini niet absoluut, d. i. niet omni ex 
parte, verschillen. Er moet dan in een of ander opzicht soort- 
gelijkheid aanwezig zijn. Leert Arius al verder, dat de wereld, 
wgl ysvviTvi^ het vermogen niet bezat {(jlvi ivvccf^svvi^) Trxpx Tvig iysvvirov 
zxi oizpxiv6(rTXTv\q ov(nxg èeov yevefrbxi^ zoodat een minder heerlijk 
wezen noodig wa^, dan beweegt hij zich op substantieel, op essen- 
tieel terrein. Eenerzijds is Gk)ds wezen te sterk, te groot, te schitte- 
rend, en andererzijds dat des schepsels te nietig en zwak, dan 
dat beiden rechtstreeks met elkaar te doen konden hebben. 
Daarom is er behoefte aan eene substantie die bemiddelend 
tusschen beiden in staat. Dat wil dus zeggen, dat Arius prin- 
cipeel de absoluutheid der essentieele onderscheidenheid van God 
em schepsel ontkent. In den diepsten grond zijn beiden wezens- 
geiyk, en bestaat er volgens hem dus geene „Kluft" en geen 
„weltferner" God. Ook hierbg wordt niet gezegd, dat Arius 
zich zulks bewust was, en zulks bedoelde. Maar het is te doen 
om de gedachte, die in zijn beweren inzit. Want in het verdere 
verloop der geschiedenis heeft niet Arius, heeft niet zijn bedoe- 
ling, heeft niet de helderheid van zijn bewustzijn doorgewerkt, 
maar de idee, waarvan hij met meerdere of mindere bewustheid 
een tgdlang als tolk fungeerde. „In history things get beaten 
out to their true issues". Arius ging op het essentieele niet in. 
Hij had, zooals uit dit citaat bl^kt, genoeg aan de tegenstel- 
ling ysvviTov en iyevyfrov. God was ongeworden, alles buiten 
Hem geworden. Daarmee stelde Arius zich tevreden. Het iyevviToq 
of xysvvviToq en xhm ehxt van God scheen Zijn wezen voldoende 
te onderscheiden en te bepalen. „De xyewyitrix drukte, integen- 



Digitized by 



Google 



140 

„stelling met alle schepsel, Gods eigenlijk wezen uit." Bavinck 
Dogm. II, p. 279. Doch ysvvxv en yiv€(r^xi doelen alleen op 
het ontstaan en op de existentie, maar geven geene aandui- 
ding van het innerlijk wezen, de essentie; althans niet dan 
betrekkelijk. En xysvvvi^ix is weinig meer dan negatief. Het 
loochent een ontstaan, leert daartegenover een bestaan, of 
ook een noodzakelijk en a se bestaan ; desnoods valt er een zijn 
van causa voor al het overige dat bestaat, uit af te leiden ; doch 
tot middelpunt van het denken dient daarbij het existeeren, 
niet de essentie ^). Vgl. Doener I, p. 853 : „Gott selbst ist ihnen 



^) Wanneer in de Christelijke Theologie gesproken wordt van aseitasDei, 
bedoelt men daarmee allereerst nittedrukken, dat God zelf de grond van 
eigen wezen en bestaan (essentie en existentie) is. Daarbij richt zich de 
voorstelling primair op de volheid van 2jijn Goddelijkheid, en nit deze 
volgt dan ten tweede de gedachte van existentie. 

Als er nn soms geredeneerd wordt: wetenschap is remm dignoscere 
causas; bij God kan niet van causa, in den zin van causatus, sprake zijn; 
derhalve is er van Hem geene eigenlijke wetenschap bestaanbaar ; dan schijnt 
er eenige mindere helderheid te heerschen. 

Want ongetwijfeld kan Gk)d niet gekend worden als een wezen, dat van 
niet-bestaan tot bestaan (exiteeren) gekomen is, en dat verandering in Zijne 
wijze van existentie kent. Omdat Hij nimmer is beginnen te bestaan, maar 
de Eeuwige is en heet. Doch bij de wetenschap gaat het niet voor- 
namelijk om het bestaan, en om het ontstaan en de wijze van ontstaan, 
doch ten principale om het innerlijk wezen van hetgeen bestaat. Heeft nu 
iets den grond van zijn essentie en existentie niet in zichzelf, dan ja, moet 
er gezocht naar datgene, wat die grond wel is, opdat aldus uit dit laatste 
het eerste worde gekend. Maar ware iets in vollen zin zelf grond van 
eigen wezen en zijn, dan zou *t voor de wetenschap voldoende zijn, het 
te kennen en te doorzien als zelf zijnde grond van eigen essentie en existentie. 
Aan eene zoodanige kennis werd hierdoor geenszins haar wetenschappelijk 
karakter ontnomen. Omdat nu God dit wezen is, heeft men van Hem in zui- 
veren zin wetenschap, als men Hem als zoodanig kent, als het wezen, dat 
zelf ook, in rechten zin verstaan, causa sui heeten mag. 

Ware dit onjuist, dan zou volgen, dat God ook zelf zich niet weten- 
schappelijk kent. Omdat Hij nu eenmaal niet uit iets anders voortgekomen 
is, noch verwekt kon worden. 

Zegt men, dat wij van dit zoodanig-bestaan Gods slechts menschelijke 
kennis kunnen verkregen, dan is dit waar, maar bewijst niets tegen haar 
wetenschappelijk karakter. Of men loochene alle menscheHjke wetenschap. 

Bracht men voorts in, dat wij God ook hierin, zij het dan op menschelijke 
wijze, slechts zeer ten deele kennen of „verstaan", dan kan ook dit niet 
ontkend worden, maar deert wederom het wetenschappelijk karakter dezer 



Digitized by 



Google 



141 

„(t. w. den Arianen Aëtius en Eunomius) nichts weiter alsdiese 
, absolute Einfachheit, das Seyende schlechthin." Men ging zich 
dus Gods wezen niet indenken, en had voor de onderscheiding 
tusschen het wezen des schepsels en dat van God al wat men 
begeerde, in eene bevestiging of eene ontkenning van yiv€(rSrxi. Dit 
herinnert aan Origenes. Cf. ook Habnaok II, p. 218 : , Aber rich- 
„tig ist, dasz die kosmologisch-cansale Betrachtung des Origenes, 
„diese eine Seite des complicirten Systems, von Anus (Lucian) 
^angeeignet ist.'' Volgens de wet der historie werd deze echter op 
eenzijdiger manier, of wil men, meer ontdaan van daarmee niet 
samenhangende of ook strijdige elementen, toegepast. In eene 
verdere ontwikkeling vertoont zich de eigenlijke drijfkracht van 
een beweren in onomsluierde naaktheid. „The strands of thought 
„that are incompatible with each other get separated ; coniiicting 
„tendencies, at first unperceived are brought to light; opposite 
„onesidednesses correct each other; and the true consequences of 
„theories reveal themselves with inexorable necessity", James Orr, 
a. w. p. 43. Deze gedachtengang was bij Arius nog niet tot zijn 
volle consequentie gekomen. Feitelgk werd de wezensgelijk- 
heid tusschen God en schepsel geleeraard door de bewering in- 
zake bemiddeling. Vervolgens dacht men eigenlijk alleen over 



onvolledige kennis niet, doch spreekt alleen nit, dat zij zeer gebrekkig en 
nog o! zoo veelszins stukwerk is. 

Eindeiyk nog. Dit beweren loochent niet alleen de mogelijklieid, dat w^ 
van God wetenschappelijke kennis hebben, maar in principe ook, dat wij 
eenige wetenschap, welke ook, bezitten kunnen Want wetenschappelijk 
ken ik iets niet dan reeds, als ik maar weet, dat het hieruit of dsiaruit 
voortkwam, maar wanneer ik het innerlijk wezen en de organisatie en 
werkwijze van z^jn causa doorzie. Doch om dit te vermogen, moet ik 
wederom de oorzaak van deze causa kennen; en zoo gaat het voort, tot ik 
bij God uitkom. Indien men tenminste Hem als Schepper van alle dingen 
erkent. Om dus de dingen waarlijk te kennen, en daarvan in vollen zin 
wetenschap te bezitten, zou ik van God wetenschappelijke kennis moeten 
hebben. Is dit niet mogelijk, dan vervalt ook het wetenschappelijk karakter 
der overige kennis. 

De fout van de besproken redeneering is, dat men niet bij Gk)d begint; zich 
bij het schepsel met halve wetenschap tevreden stelt; en deze laatste als nu 
de eigenlijke wetenschappelijke kennis eert Omgekeerd moet vastgehouden, 
dat de kennis, welke wij van God kunnen bezitten, nu afgedacht van de 
zonde en hare verwoestende gevolgen, allerminst niet-wetenschappelijk is, 
doch, ware deze spreekwijs geoorloofd, een hooger wetenschappelijk karakter 
draagt dan de kennis van welk creatuur ook. 



Digitized by 



Google 



142 

de existentie en de wgze van bestaan. Maar dan voorts ook nog: 
waar men het schepsel yswirov noemde en God aysvy^rov^ was men 
uitgegaan van het creatuur, om daarnaar den Schepper af te 
meten. Welk ander gevolg kon dit hebben, dan dat men ten slotte 
ook weer bij het schepsel moest uitkomen? En nu schrijft Doh- 
NEB I, p. 869, 9 : „Interessant ist es zu sehen, wie diesen Aria- 
„nem (scil. Aetius en Eunomius) die für die Unendlichkeit, Ab- 
„solutheit Gottes so abstract kampfen, Gott unter der Hand zu 
„einem in sich verschlossenen Individuum, der Sache na.ch zu 
^einer endlichen Einzelheit wird. Hier wurzelt die nicht eben 
„„kühne" aber „kühle" und irreligiose Behauptung des Euno- 
„mius, dasz er Gott erkenne, wie Gott sich selbst." 

Na aldus op overeenkomst tussohen het Arianisme en Orige- 
nes gewezen, en de strekking van boven besproken beweren 
aangetoond, benevens het minder juiste der vergelijking, welke 
Habnagk tusschen Athanasius en Arius maakt, aangeduid te heb- 
ben, stellen we de bespreking der consequentie dezer Ariaansche 
gedachte voor de vraag onzer studie tot later uit, om ons voor- 
loopig alleen met Athanasius' voorstelling bezig te houden, en 
alzoo ook zijn van Origenes* en Arius' Godsbegrip afwijkende 
gedachten over het goddelijk wezen in het licht te stellen. 

Zgn c. Gent. werd met zijn de Incam. „bis lang allgemein fiir 
eine um 318 verfaszte Jugendschrift des Athanasius gehalten", zegt 
LooFS H. E. E^ Bd. 2 p. 199. Echter vond dit gevoelen bestrij- 
ding bij B. SoHULTZE en J. DRasEKK. Maar Loofs oordeelt t. a. p., 
dat „Drasekes Grimde noch viel unzureichender" zijn dan F. Hübèbts 
verdediging. In c. Gent. laat Athanasius al dadelijk het kruis van 
Christus op den voorgrond treden, terwgl Origenes in het eerste hoofd- 
stuk van TT.x. het xtrcofiarov Gods bespreken ging. Hij zal xTrdyysXXaiv 
T6 ypx(p€tv TVfv xxTx Tov (TCüTyjpx xpKTTov TTifTTiv, Mogcu dc Griekcu 
ons uitlachen, ovtev sTêpov vj tov (rrxvpov tov %pt(rrotj Tpo^epovTê^^ 
laten zg dan weten tov (TTXvpov [jlv] ^Kx^v\v xXXx bspxTsixv T\jg 
xTKTsoog ysyovsvxi^ cl. In c. 2. spreekt hij nader over God, en 
schrijft dan: o fiêv yxp tov ttxvto? ''Svjfjt^iovpyo^ kxi TrxfifSxcriXsvg èsog^ 
o vTTepêKstvx TTXfTVjg ovfrtxg kxi xvSrpcoTrtvi^g sTTivoixg vTTxpxc^v, ^t^ Si^ 

Xyxbog KXt VTTSpKXKog WV, ilX TOV ÏSlOV XoyOV tov (TCCT^pOg YlfAOOV lV\(TOV 

%pi<rTov, To xv^pcoTTivov ysvoq y,XT \'hixv shovx TSTrotviicev, *) God schiep, 



^) Athanasins geefb ook wel de voorstelling, dat de menscli geschapen 
werd naar liet beeld des Zoons : de Incam 13 Ó^iv 6 tov êiov Aoyo^ J<' iavrov 



Digitized by 



Google 



143 

goed als Hij was en ifTrspKx^og, den mensch naar Zgn beeld. 
Dit teekent reeds dadelijk de volheid van Gods wezen en het 
vriendelijk karakter Zijner verhouding tot wat Hij formeerde. 
Daarom heeft ook het „boven alle zijn en menschelijke voor- 
stelling verheven'* een anderen zin dan bij Origenes. Of. o. 30 : 
tot de kennis en het nauwkeurig begrip {iKpi(3yi KacrxT^yj^tv) van 
deze Waarheid oök oiXXoov atmy i^fitv XP^^^^ ^^^' i^fiuv »vtoov. Want 
de weg tot God is niet woppoobsv ii e^oobev vii^oov^ evenals Hijzelf 
vTTèpava icxvrm bestaat, maar ligt in ons, ymi <x0' iiiim svpêiv rviv 
ip%yiv ^vvxTov, Hiermee wordt er op gedoeld, dat wg Gods beeld 
zgn. c. 35 en 40 zegt Athanasius vTrspsKsivx ttx^tvi^ ysvvjrvig ov(nag, 
c. 35 : goed en den mensch liefhebbend jcxi zviSofisvog roov vtt^ 
ctvTov ysvo[JL6voov ^v%cav als God is, ... 40 kcc^xttsp ipiTTog x,v^€pvyiTv\:; 

Tlfl /S/f 0-ö(J)/f KXt TCf) ÏSlCf} XoyCfi TCp KUptCf) l^flCOV KXl (TCCTVlpi ^/J/O'TCJ, TX 
7rxVTX%0V ilXKv(3€pV^ (TCOTVJpiCag KXI ilXKOfTfiei KXl TTOlSt oog XV XVTCfi 

KxXug i%£/v 5öX£/. Niets is verre van God töt^, maar fj^ovyi r^ (pva-et 
is alles Hem ver, e. Ar. Hl, 22. Zoo komt Gods wezen dus het 
middelpunt van denken en redeneeren te vormen, de Deer. Nic. 
Syn. 22 tö, hog .... ov^sv hrepov ii ryjv ov<rtxv xvrov rov ivrog 
(njfixivsi. Met betrekking tot ofioovcriov gaat hij op ova-ix nader in de 
Synodis 53 : het öfioiov ziet niet op de oif<nxt, maar op de (rx^if^^Tx 
en de Trotoryjrsg, En sprekende over oötnxt kan men niet of^oicn^gj doch 
moet men rxvrorijg bezigen. De eene mensch is aan den anderen 
ifiotog niet naar zijn wezen, maar naar zijn gestalte en karakter ; 
T^ yxp ox)(Tiof, ofjioCpvsig si(ri. En hij heet aan een hond niet xvofj^oiog 
maar hrspocpwig. Zoo is tq ofioCpveg ook ofAoov<riov, en to hspo^vêg 
ook érepoovtriov. Zegt men nu ofjLOiov xxr' ovcrtxv^ dan ix fisrov^ixg 
rovTc Xsysi ofiotov. Want to ofiotov Troianjg io-r/i/, i^rtg r^ ovfri^ TTpotTysvoir" 
XV, En TX fx fi6T0\j(Tixg^ ovx, xKy^^si^^ aAA' ofJLOiootTsi Tv^g oLXvjbsixg 
KeysTxi ofjiotx. God die alles €}g to sivxt is (rvvTsbsiKag, is niet (rvvbsTog 
ix TToioTviTog KXl oiftrixg, ad Afros Episc. Epist 8. De mensch heeft 
wel tot l^iov TO èv XP^^V yevvxv^ ^tx to xTsXsg Tvjg (pvtTsoog^ êsov is 
xiiiov TO ysvvyjfiXj iix to xei tsKsiov Tvig (pvfrsag^ c. Ar. 1, 14 Schetst 
Athanasius c. Gent. 28 met een paar trekken het goddelijk 
wezen, dan komt daarbg Zijn volheid en volmaaktheid uit: e\ 



Maar van eene afdalende rangordening wist hij niet af. Dat blijkt uit den 
strijd, dien Mj heel zijn leven voor de waarachtige Godheid des Zoons 
heeft gevoerd. 



Digitized by 



Google 



144 

yxp TTspi êeov >,oyog s(tti^ (JLvfisvog xvtov sTriSsx shxtj ^AA' xÖTXpxyj zxi 

TTXy^pVl SXVTOV KXl 6V XUTCfJ TX TTXVTX (TV(TTViy£tV^ KXt (IXXKOV XVTOV TOIQ 

7rx7iv kTTihi^ovxt, Niets dus van een ijle abstractie, die alleen met 
negaties meent te kunnen aankomen. En niets van eene „Kluft" 
of eene „Weltfeme". Want alles bestaat tezamen in God, en 
Hij geeft aan allen. 

Maar andererzijds verschilt Hij in wezen van het schepsel 
zeer. c. Ar. I, 28 : Schepselen kunnen afnemen en toenemen, maar 
der christenen geloof xrpsTrrov jcxi rsKetxv icxt isi mxvroog èxov&xv 
ryjv (jLXKxpixv óïhs rpixSx, aan welke het niets wil toevoegen: oirs 
£i/Sfj^ TOT€ TXüTviv ysysvyjfT^xi Xoytt^sTxt, De geheele Triniteit is één 
God : bxvi sU i^og. Daarom is ook de Geest geen schepsel, f^vih roig 
7Coiyi[JLX(Ti avvxptSrfisiTxi. Want geen iXXorpiov èTif4^tyvvTXi ryi rpixSij 
maar zij is ocSixipsrog xxi of/^otx exvryi^ ad Serap. I, 7; cf. ibid. 
2, 26, 28. Dus kan er bij God ook geen sprake zijn van 
vergelijking: èeog x(TvyKpiTov hri %pxyiix. Want voor verge- 
lijking wordt soortgelijkheid vereischt: ïv yusv Toig ofioy€V€(nv 
of^oKoyovfisvug (piXsi rx rr^g (rvyKpKrsoog yiv6(Tbxt^ KXt ovjc èv roig 
6T6poy6V6(rcy. Niemand dus èeov (rvyxpivoi Trpog xi/SrpuTrov^ evenmin 
als den mensch met de redelooze creatuur, c. Ar. I, 57; cf. de 
Deer. Nic. Syn. 10 ro yxp wXeov kxi bXxttov ov tvjv ^v(riv iKKvjv 
iêijcwtnv. Zoo is het derhalve niet mogelijk rov ^vj/ziovpyovvrx roig vt" 
XVTOV y€vofi€votg (TvyKxrxpi^fietVj de Deer. Nic. Syn. 18. Daarom moet 
ook de gedachte der Arianen verworpen worden, alsof een 
geringer wezen, hun (JLSfriTvig^ zou kunnen scheppen. Beroepen zij 
er zich op, dat Mozes van Godswege voor Israëls volk tegen 
Pharao optrad, dan moeten zij niet vergeten, dat hij gezonden 
werd ^ix^ovvi^xt yt^ovov pviiixrx Tpog tov Xxov Kxt Trpog rov ^xtriKex, 
Maar dit is iets geheel anders dan scheppen. è%6i Sf ToX^yjv t^v 
^ixCpopxv, Want to fiev itxKoystv roov ysyijroov cog ^ovXcoi/ ê(TTi, doch 

TO ^VlfJUlOVpysiV KXt KTtt^SlV flOVOV TOV 6sOV BfTTt KXt TOV l^tOV XoyOV KXI 

Tijg (ToCpixg, En daarom zou men ook niemand anders kunnen vinden 
die schept, dan alleen God en Zijn Logos. Want alle dingen iv (roCpi^jL 
ysyovsv^ en zonder den Logos is hoegenaamd niets ontstaan. Wat 
toch is scheppen ? tx fiyj ivTx sig to eivxt KxXefrxt, c. Ar. II, 27. Vgl. 
ibid. 31 xpK€t TO (SovXsaSrxt Kxt to spyov yivsTxi, Athanasius had alzoo 
vanwege zijn Godsbegrip ruimte voor schepping; en het blijkt, dat 
zij hem helder voor den geest stond. Zij is iets anders dan gene- 
ratie. Tegen de Arianen n.m.1. voerde men aan, dat de Vader niet 
vader was geworden, maar eeuwig dit was. Omdat bij God van 



Digitized by 



Google 



14B 

geen worden mocht gesproken. Dit geldt dan ook van de schepping, 
werd hierop geantwoord. En dus moet ook deze eeuwig zgn, 
of anders behoeft Gk)d ook niet eeuwig vader geweest te zgn. 

iAA' i^oVj 0x<rt^ KXi iet TTOtyfnjg itmv o êsog^ KXt ovk hrtysyovsv xvrcf 
rov iyifiiovpysiv fi ivvxfAig, if ovv sTsiSij iyiiJLtovpyog hriv^ £iiix ior/ 

T£ TX TTOlViflXTX, KXt OU dsflig sItTSIV Ovis STTl TOUTCCV^ OVK flV TCptV ySWl^VI^ 

c. Ar. I, 29. Dwaze Arianen, zegt Athanasius to Tronifix 

s^ubêv Tov TTOtowTog ioTiv . . . • O 5f vtog ïStov ry^Q ov(Tixg ysuwj/zx iariv. 
En daarom ook het schepsel ovx, xvxyKvi &€i shxi^ want de Schepper 
werkt hs fiovXsrxi^ doch to yevvvifji^x ov (SovXvfa-êt vTroKstrxi maar 
Tvig ovtrtxg ètrrtv /S/ötj^^. En dan komt de belangrijke uitspraak : x«/ 
TTotvjTyjg fi€v XV s\vi Kxi KsyotTO^ xf V fiviTroo ^ Tx ipyx^ terwijl de naam 
van vader niet gebezigd kan worden als er geen zoon is, ibid. 
Aldus vervalt vanzelf alle gedachte van behoefte of noodzake- 
lijkheid voor GU>d van het bestaan eener schepping, o yt^v yxp 6sog 
KTit^st^ KxXoov TX [JLVi ovTx elg TO shxi^ ovtsvog ê7ri$€OfA€vog, de Deer. Nic. 
Syn. 11. Integendeel is Zijne goedheid, die van geen afgunst weet, 
de oorzaak, de Incam. 3 o èeog yxp xyxbog ia-Tt, fixXXov 5f 'JTviyyi 
TVjg xyxboTviTog vTTxpx^i» xyx^cp is irepi oxihsvog xv yavono (pSrovog. 
En omdat Hij dus ook aan niets het bestaan benijdde, schiep 
Hg alles i? ovk óvtoov^ en wel hx tov Ihov hoyou^ onzen Heere 
Jezus Christus. Evenzeer vloeit uit die goedheid voort, dat God 
Zgn schepping bestendig leidt. ibid. 1 3cxi oTt o xyxbog ttxtvip 

TOVTCp (scil. TCf) ^Oycp) TX TTXVTX ilXKOfTfASt 3CXI TX TTXVTX UT^ XVTOU 

KtvêiTxi jcxt sv xvtlp ^cüOTToisiTxt. Cf. c. Gcut. 2 CU 40. De Logos 
werkt hier Tcp sxvtov vsvfixTi jcxi Tifi hxvTov Trpovot^^ c. Gent. 44 ; 
cf. ibid. 46 (tvvoov 5f dg (roCpix, xxt cog Xoyog tov wxTspx ^Ksircav^ 

ii^fllOVpySi TO TTXV KXt (TWlfTTVl KXi it€KO(Tfl€l KXt ivVXfAtg 5f OOV TOV 

TTXTpog^ TX óXx slg TO slvxt kx^pOTOist. 

Alzoo treedt de Logos hierbij om zoo te zeggen op den 
voorgrond. Of wil men anders : God (de Vader) schept, onderhoudt, 
ordent en leidt TCfi Xoy(»i of itx tov Xoyov. Doch opdat Athanasius nu 
toch niet feitelgk zou uitkomen bg wat Arius leerde van bemid- 
deling, en dus bij eene „Kluft" tusschen den „weltfemen" God 
en het creatuur, moest hg hetzelfde spoor volgen als waarin 
Irenaeus en Clemens Alexandrinus gewandeld hadden, en aan den 
Zoon de goddelgke natuur toekennen in volkomen gelgken zin 
als aan den Vader, beiden slechts hierin onderscheidende, dat de 
Vader vader, maar de Zoon zoon is. 

Negatief is de Zoon geheel onderscheiden van het schepsel. 

10 



Digitized by 



Google 



146 

Reeds in zijn beide vóór den Ariaanschen strijd vervaardigde 
geschriften sprak hij dat uit. c. Gent. 40 tov tov ciyxSrov %xi 6sov 
Tooy oXuv ^uvTX Kxi ivepytj èsov xvroXoyov Xsyoo^ og &KXo(; f/^sv s(tti tuv 
ysvijTcov, en dan heel de schepping, l'Stog 5f Kxt fiovog tov iyxbov 
TTXTpoq vTTxpx^i Xoyoq^ die dit heelal ordende en door Zijne eigene 
voorzienigheid verlicht; cf. de Incam. 1. Maar nog meer deed 
hij dat in zijn werken tegen de Ariaansche dwaling, c. Ar. 1,31 
61 is ug ''A^Tsptcp yip6(T6 TO, [JLVi TTOtiifJiX iAA' x€i iv^ oLyevviTOv shxt .... 
mogen ze dan niet eenmaal doch ToXXxKig hooren, dat ook de 
Zoon x,XTx TxvTViv TViv ijcSox^lv xysvviToq XV XêxSrsiij, Want Hij is 
geen van de ysvijTX^ noch een ttoiviijlx^ iXXx Kxt xi^tug (T\jva(TTt rep 
TCXTpi. ibid. 58 &XKog is de ivi(Ji.iovpyo>3v, xXXx zijn de iyjfAiovpyyifixTX. 
Gene is God, maar rx ysvtjTx zijn uit niet gemaakt, de Deer. 
Nic. Syn. 29 rr^g yxp ovtrixg tov TXTpog oóg yevwii^x wxKiv^ ovTug 
TTxp xvTCfi sfTTiv xiStoog. Waut deze naam ov Trxpxtpei Tyjv tov Xoyov 
^V(rtv, ovie ttxXiv to kyivviTOv wpog tov vlov s%6i to (rtjfixtvofievov, 
xXXx TTpog tx iix TOV vlov ysvofievx, ibid. 19 : aangezien de Logos 
geen %ti(T(jlx is, slpvjTxi xxi è(TTi [Jt^ovog uit den Vader. Dat is hier- 
uit te weten: to shxi tov vlov sk Tvig ov(rixg tov wxTpog. ovievi yxp 
Toov yev^Tcov V7rxp%6t tovto, Cf. ook ad Serap. Il, 2 — 6. 

Positief is Hij waarachtig God. Want vooreerst is er geene 
bemiddeling tusschen God en schepsel mogelijk, c. Ar. U, 26, 
de Deer. Nic. Syn. 8. Ten tweede kreeg men anders schepsel- 
vereering. c. Ar. I, 8 : Wie heeft hun gezegd, oti tvjv eig TVfv ktktiv 

XXTpSlXV xCPsVTSg^ KTKTIJLXTI JCXt TTOnjflXTt TTXXlV 7rpo(r€p%€(r^€ KxTpevsiV', 

Cf. ad Episc. Aegypti et Libyae, 13 : maar dezen, den Heere 
een KTt<rfix noemende, xxi oog KTitrfixTi ^xTpsvovTsg xvTcp^ tI iix^spov^iv 
'E}^?^}jvoov; Cf. ook ad Serap. I, 29. „Als Theologe ist «r (scil. 
Arius) Polytheist", Harnaok II p. 217. Cf. ook anderen bg 
Scholten, L. H. K*. H, p. 375, 1. 

Ten derde is Hij, anders dan de schepselen, uit het wezen 
Gods gegenereerd in zoo vollen zin, dat o kapxzug — tov vlov — 
scopxKs TOV TTXTspx. (cf. Joh. 14 : 9). Dezen tekst haalt Athanasius 
vaak aan. Reeds c. Gent 45 : ttoX?^ TrXsov fi€t!^ovt cpxvTXfricf Kxt x(rvy)cpiTcp 
vTTspoxv TOV Xoyov Tijv ivvxfjiiv opmTsg^ êvvotxv Xxfi(3xvofi€v kxi tov 
ciyxSrov TXTpog xvtov, gelgk de Heiland zelf zegt: die mij gezien 
heeft, heeft mijnen Vader gezien. Cf. Ar. I, 9, 12, 61; II, 17, 
22, 82; de Deer. Nic. Syn. 12, 16; ad Serap. II, 9; III, 3; de 
Synodis 45, 48 ; ad Afr. Episc. Epist. 7 ; e. a. p. Maar ook 
redeneert hg daaruit, c. Ar. I, 36 : Want indien de Logos TpsTTTog 



Digitized by 



Google 



147 

zxi dXXoiovfjiêvog is, waar vindt dat dan zijn grens ? toi xpóc (rrvjtrsTXt 
Kxi TTOiov xvTOv To TsXog s(TTi TVji; i7riSo(T€cog ; Of hoe zal de ver- 
anderlijke ofjiotog kunnen zijn aan den Onveranderlijke? Troog Sf 
o Tov rpsTTOu kupxKcog^ ècopxKsvxi Tov ctTpsTTTov vo[j^i(T6i6v \ Nog vollediger 
doet hij zulks ibid. 21 : welaan, laat ons zien tx tov Trxrpog^ 
opdat wij ook het beeld kennen, el xvtov èa-riv. De Vader is 
eeuwig, onsterfelijk, ^vvxrog. Licht, Koning, TrxvrojcpxToop^ God, Heer, 

KTKTTyjg JCXt TTOlVlTVig, TXVTX êhxi ^61 €> TTfl ehovt, hx XKVi^COg o TOV 

vïov soapxKoog \iifi tov irxTapx. 

Vgl. voor dit punt voorts ad Serap. I, 16: de Zoon is geen 
deel des Vaders, en daarom genereert Hij ook niet, evenals Hijzelf 
gegenereerd is. aAA' o\og ia-Tiv oXov shuv kxi x7rxvyx(Tfji.x. Daarna 
gaat Athanasius voort : jcxt èTrt Tyjg ^eoT^jTog (jLOvy^g o ttxtvip jcvpicog è<TTi 

TTXTVJp^ JCXl O Vlog KVptCOg VÏog èo-Tt, KXt eTTl TOVTOSV S(TTViy,6 TO irXTVJp X6l 

TTXTyjp^ KXi TO vlog oUi vlog. KXt dcTTrep ovk xv eiy) ttots o txt^p vlog, 
ovToog ovü XV TTOTS ysvoiTO o vbg ttxt^p. Of. ibid. IV, 6: er is geen 
andere God dan de Vader gekomen. De Zoon toch is geen 
andere God. Want Hij is de Eengeborene. En daarom is f^ovog 
Kxi sU de Vader, omdat Hij Vader i%^ (jlovov jcxi ivog vbv. En fV/ 
fji^ovijg TVig ^soTVjTog to txtjjp kxi to viog hTjjxsv xei kxi €(tti. Broeders 
zgn Vader en Zoon niet. c. Ar. I, 14 xXK o ttxtvjp xp^yj tov 
vlov jcxi ysvvviToop èa-Tiy kxi o TXTvip TXTvip icTTi KXI ovx y'ö^ Tivog 
ysyovs^ kxi o vkg ye vhg s(tti kxi ovk ctSe^Cpog. Maar de Zoon is 
waarachtig God, bizoovtriog met den Vader. ibid. 9 vhg xKij^tvog 
(pva-si KXI yvij<nog èfTTi tov TTXTpog^ ïStog Tvjg ovtrixg xvtov^ eengeborene 
Wijsheid en waarachtige Logos, kxi (jLovog tov êeov ia-T tv ^ geen 
schepsel noch maaksel, maar ïSiov Tvig tov wxTpog ova-txg yevvvuJLX. 
ito êeog èa-Ttv xX^^tvogy xX^^tvov TTXTpog ofjioov7tog vTTxpxoov. Eindelgk 
nog ibid. Hl, 4: zij zijn twee, omdat de Vader vader is kxi 
ov% o xvTog viog, en de Zoon zoon is kxi ov% o xvTog TXTijp, Maar 
fAix jj (pvatg. Want to yewy^jLX is niet xvofJLOtov aan Dengene, die 
gegenereerd heeft. Doch Hg is Zijn beeld, Kxt ttxvtx tx tov 
TTXTpog TOV vtov èa-Tt. Daarom is de Zoon ook geen ander God. 
ov yxp è^u^sv fVfvöj^&j^. Anderszins zouden er vele goden zijn: 

êTTSl TTXVTUg KXt TTOXKOl, ^£V^g TTXpX TVfV TOV TTXTpOg èTTtVOOVfJl^SVijg 

^€OT>}Tog. \Vant indien de Zoon ook sTspov èa-Tiv dg ysvvyn^x, x^Xx 
TxvTov 6(7Tiv dg 6êog. En Hij en de Vader zijn hv t^ ïStoTy^Tt kxi 
ohetOTijTt T>}g Cpv(T€Cog Kxt Tifi txvtotijti Tijg (JLtxg ^soTviTog. Cf. voorts 
Haenaok n p. 209-214. 

Verdere bewijsvoering is hier voor deze zaak niet noodig. 



Digitized by 



Google 



148 

Maar nu volgt hieruit, dat Gods aanraking van het schepsel 
reohtstreeksch wordt. „Gott ist Sohöpfer in directester Weise", 
Habnaoz II, p. 208, 1. 

Wanneer Haknaok op deze woorden laat volgen: „Damit ist 
aber der Logos abgethan", is dit minder juist uitgedrukt, omdat 
alleen de verkeerde elementen, welke tot nu toe zich in der 
mensohen voorstelling van den Logos en Zijn werk hadden doen 
kennen, waren uitgezuiverd, en , Logos" niet enkel beteekent: 
Scheppingsbemiddelaar in denzin vanPniLO. Hiermee in verband 
is ook minder juist, wat Habnaoz even tevoren zegt: „Die Welt- 
„sohöpfung hatte — abstract geredet — auch ohne den Logos zu 
„stande kommen können". Want omdat er volgens Athanasius voor 
een „Mittelwesen" tusschen God en wereld geene plaats bestaat, 
en de Logos in evengelijken zin als de Vader God is, behoeft 
er niet „abstract geredet" te worden om te zeggen, dat de 
schepping der wereld ook „ohne den Logos" tot stand zoude 
hebben kunnen komen. Immers is zij in dezen zin zonder den 
Logos „zu Stande gekommen", wijl de Logos zulk eene bemid- 
delingspositie bij de wefeldschepping niet innemen kon. Maar 
omdat andererzij ds de Vader met noodzakelijkheid den Zoon 
genereert, evenals het licht zonder te stralen geen licht wezen 
kan, en Hij geheel Vader is, moest Hij ook bij de schepping der 
wereld vader blijven en als vader haar verwerkelijken, zoodat 
de Zoon of Logos daarbij noodwendig moest werkzaam zijn, en 
wel als de Zoon des Vaders. In dezen zin genomen kon de 
„Weltschöpfung", ook niet „abstract geredet", zonder den Logos 
„zu Stande kommen". 

Tpixg Toivvv &yix icxt reXsi» èa-riVj b Trxrpi kxi vicp kxi xyicp 
TTVêVfjLXTt ^eo^oyovfjisvjj^ ov^av oLKKorpiov vi è^ubsv STnfityvvf/t^vov ixov(rx^ 

iijf^iovpystv ov(TX, ofjioix is sxvrifi scxi xStxtpsTog hri r^ CpV(T€i, KXi fzix 
Txvryjg j} èvepyeix. o yxp ttxtvip ^ix tov Koyou èv Trvevfixrt xyicp tx 
TXVTX TTOisi. }cxi ovTcog j} svoT^g T^g xyixg rptx'Sog (Tcol^erxi, ad Serap. I, 28. 
Dit onmiddelijke van de eigen werking des Goddelijken wezens 
gaat steeds door, en geeft dientengevolge van Gods kant een leven- 
dig verkeer met de wereld, rep sxvtov kxi óciStcp Koycp 7roiyj(rxg rx ttxvtx 
y.xi omimxq tjjv ktio-iv^ ovjc a(p'^K€V xvry^v r^ éxvTJjg CpvtTsi (pspetrbxi 
Kxi %€ifji.x^€(r^xt, maar, goed als Hij is, rep êxvrov Koycp, xxi xvTcp 
ivTi êecf)^ Ti^v (rvfjiTX7Xv itxjcvISepv^ji, xxi Kx^i7Tvi(riv^ opdat de schep- 
ping, verlicht door de vjyefAovix Kxt Trpovoix jcxt itx)coa-f4,jj(ng van 



Digitized by 



Google 



149 

den Logos, (iê(ixioog ^tx/zsvstv Ivvvj^ifi, daar zij toch deel heeft 
(irs ivi , , . . fji,€TX^xfi(3xvov(Ta) aan den waarlijk zijnden Logos van 
den Vader, en door Hem aan het zijn geholpen werd {^oij^ovfAsvij 
5/' xvTov f/V To 6hxi\ c. Gent. 41. En ibid. 42 geeft Athanasius daar- 
van nog deze nadere uitwerking : Hij dan, de almogende en geheel 
volmaakte {7rxvT6K€io(;\ heilige Logos van den Vader, sTri^xt; tok; 
TTOLfji Kxi TTXvTxxov Txq IxvTov ^wxfjLsiq è0X7rKoo(Txq^ en verlichtende 
al wat waarneembaar of onzienlijk is {tx te cpxivoi^svxKXi tx xopxTx 
7rxvTx)j sU sxvTOV (Tvvex^i ^^i (rv(T^iyy€i^ jXj^Sfv spm^ov tj^^ sxvtov 
ivvxfiecai; gelaten hebbende, maar alle dingen kxi ^ix ttxvtcov kxi 
aKX(TTOv /S/f XXI i^pocog o(zov TX hxx ^ccoTTOioov KXI iix^v^xTTcov^ zelf 
onbewogen (xKivyjTog) bg den Vader blijvende, maar alle dingen 
Tifi axvTov (TV(TTX(T€i bowegende, zooals het telkens Zijnen Vader 
goed dunkt (Jog iv l^xtTTOv Tcp sxvtov ttxt^i ^okij\). Want dit is het 
onbegrijpelgke {TxpxSo^ov) Zijner Godheid, dat zij met één en 
denzelfden wenk {vsvi^xti) ttxvtx ofJLOv kxi ovk sk ^ix>(ttvi[zxiü)v iAA' 
oApoug oKx TX T6 óp^x KXI TX TTepiCpspvi^ hetgeen boven en wat in 
het midden en wat onder is, het vochtige, het koude en het 
warme, tx (pxivofjievx kxi tx kopxTx irspixyai kxi ^iXKOdfi^si kxtx t^jv 
€KX7Tov (pv<nv. Nadat hij vervolgens in 43 en 44 de beelden van 
een %opogy van een lichaam en van een staatshoofd bijgebracht en 
uitgewerkt heeft, schrijft hij 45, dat men, evenals men, opziende 
naar den hemel, en de wereld en het licht der sterren aanschou- 
wende, denken gaat (èv^vfjLSKrbxi) aan den Logos, die dit alles 
regelt (^ixko(tijl€iv\ zoo ook noodzakelijk, voowTsg Xoyov êsov^ denkt 
{vo€iv) aan God, Zijnen Vader, i| óv Trpoiav^ ehoTcog tov sxvtov 
TTXTpoq spyLVivsvg kxi ót,yysKoq XsysTxi. Hij, de Logos, toch is de 

XVTO<rO(piX^ XVTOKOyOg^ XVTÓSVVX/Zig ïilX TOV TTXTpog, XVTOCpCCg, XVTO' 

x^jj^stx^ xvTÓiiKXioavuij^ xvToxpsTvi^ ja beeld en afschijnsel en x^P^^'^Pi 
en om het kort saam te vatten, KxpTog TsKsiog tov TrxTpog^ ibid. 46. 
Daarbij werd Hij nog, in deze wereld komende, xvToxyixtriJLoq kxi 
xvTo^ctiJj en deur en herder en weg en koning en leidsman Kxt 

STTl TTXtTl (TCOTVjp KXI ^UOTTOlOq KXI Cpug KXI TTpOVOtX TOOV TTXVTCOV. Eu 

TOiovTov xyx^ov KXI ^vi[j^iovpyov vlov sxoav i? sxvtov o TXTijp, ovk éiCpxvyj 
XVTOV Totg ysvviToiq iwEKpv^s^ maar alle dagen weer {otrviiJLspxi) tovtov 

iTTOKX^VTTTSl TOiq TTX^l ItX T^q TCüV TTXVTCCV S/' SXVTOV (TVCTTXtTSCOq KXI ^COViq, 

Alzoo kreeg ook Athanasius evenals Irenaeus en Olemens Alexandri- 
nus door het welbewust uitspreken van een absoluut onderscheid in 
wezen tusschen God en schepsel, ruimte voor de gedachte van beider 
zoo innig-mogelijke gemeenschap; en werd hij evenals zij aldus 



Digitized by 



Google 



150 

onwillekeurig genoopt, de levendigste bemoeiing van Gbd met 
Zijn creatuur te leeren. Immers behoefde nu niet voor bezoedeling 
Q-ods door verbinding met hetgeen Hij zelf wrocht, gevreeëd 
te worden. En de voorstelling, alsof rechtstreeksche gemeenschap 
van den Allerhoogste met welk creatuur ook, onmogelijk en 
ongepast ware, — cf. Origenes: non enim possibile erat Dei 
naturam corpori sine mediatore misceri, de Princ. IE. c. 6 3 — 
bleek dan dwaasheid : isi tov fji^s^irov i^^rov/zsvov ov^e j} KTKng (TV(rTyp/xi 
iwijcrsTXt iix TO /Zij SüVAO-S"^/, dg Af/fTf, fijjisv/» rcou ysvifTOov fixtTTX^xi 
Tijv ctKpxTov %f/jOöJ TOV iy6VJj(Tov^ dc Dccr. Nic. Syn. 8; cf. Ar. ü, 
24 — 26. Het schepsel, als aan God ongelijksoortig, brengt Hem 
niets toe. Omgekeerd ontving en ontvangt het alles uit Zijne 
hand. Maar daarom juist ook vermag het Hem niets te ontne- 
men. Dies kan Hij zoo vrij en veelvuldig en onmiddellijk met 
het creatuur zich inlaten en bemoeien als Hemzelven belieft. 
Met de schepping werd daarvoor de grondslag gelegd, en op deze 
rust de voorzienigheid. Inspanning kost het Hem niet: fjiovov 
j}9"£A>fa"f, T€ vTreo'rjj rx ttxvtx^ ts rep (SovKfj/zxri xvrov ov^eig avSfea'TjjKSj 
c. Ar. n, 24. God werkt hierbij naar het wezen en den aard 
van ieder creatuur : o/zou yxp rep vev/zxrt xvrov ro i^sv ipbov ojg 
ip^oVj ro Sf TTspKpepsg xsptxyêrxi. ro ^s i^strov ug icrri Kivstrxi, ro 
bspfJLOv ^spfJLxivsrxi jcxi ro ^yjpov ^vipxiverxi, kxi rx oKx ag i%£i Cpv^soog 
^cüOTTOistrxt Kxi avvKrrxrxi Txp ctvrov, c. Gent. 42. 

Hiermee is het fundament voor de beantwoording van de 
vraag dezer studie afgewerkt. In zekeren zin rgst nu voorts het 
gebouw van zelf. Want de unio personalis van den Logos met 
de menschelijke natuur, ofschoon de hoogst-denkbare vereeniging 
tusschen God en schepsel, vormt toch met al de andere verbin- 
dingen tusschen hen, één geslacht, één genus. Ook zij valt buiten 
het goddelgk wezen. En kan nu geen enkel schepsel, krachtens 
zijn creatuurlgk bestaan, eenigen verand erenden invloed op God 
uitoefenen, dan ook Jezus' menschelgke natuur niet. Immers was 
en is ook zij schepsel, en is de persoonlijke vereeniging, welke 
de Zone Gods naar Zijne goddelijke natuur met haar wilde aan- 
gaan, ook nog maar eene, hoewel de nauwste, verbinding van 
den Eeuwige met Zijn maaksel. 

Er is samenhang tusschen de schepping en de voorzienigheid eener- 
zijds, en het bezitten der menschelijke natuur door den tweeden 
Persoon der goddelijke Drieëenheid andererzijds, waarom er uit 
gene tot het laatste te redeneeren valt. Werd dit verband reeds 



Digitized by 



Google 



IBl 

aangeduid door Justinns, en kwam het ook uit in wat Irenaeus en 
Clemens Alexandrinus leerden, meer opzettelijk wordt het uitge- 
sproken door Athanasius. de Incam. 8: Deswege Trxpxyivsra^i de 
onlichamelijke en onverderfelijke en onstoffelijke Logos Gods sU 
Tyfu vifASTSpxv %copxVj ovTi ye fjf^xjcpxv dov Tporepov, oiiisv yxp xvtov ksvov 
vTroXsXstTTTXi Tjjg KTi(r€Cog (JLspog, Doch Hij vervulde alle dingen ^ix 
TTxvrm^ zelf bij Zijnen Vader zijnde. Maar Trxpxyiverxi (rvy^cxTX- 
(Sxtvcov T\fi f/V viiJ(,xq xvTov cpiKxvbpcoTnojL XXI èTTiCpxveiiji. Vgl. ad Adel- 
phium Episc. Epist. 8 : indien de Logos een schepsel ware, zoude 
Hij het geschapen lichaam niet hebhen aangenomen om het levend 
te maken. Want ttoix roic xTKri^xa-i irxpx xrifTiixToq hrxi jSoij^six^ 
waar dit ook zelf <rcoTiipix behoeft? iAA' fVf/S)^ KTitm^q uv o Koyog^ 
xifTog ^yjfjiiovp'/og yeyovs rm KTtcrfJiXTCov, ^ix tovto kxi ètti o-yvrfAf/f 
Toov xloovav TC KTKTTOV xvTog sv€iv(TXTo (Tcofix, opdat Hijzelf als 
Schepper het wederom vernieuwe jcxi ivx)cTyj<rxi Ivuvj^ifi, Doch 
uitvoeriger handelt hij hierover de Incam. 41. Nadat hij toch 
tot 32 eene meer thetische uiteenzetting gegeven had van Jezus' 
aannemen der menschelijke natuur, van Zijn lijden, dood en 
opstanding, begon hg met 33 den bestrijders te antwoorden. 
En wel zóó, dat hg 32 — 40 ryjv iTrta-rixv touv lou^xioov poogde te 
overwinnen, en met 41 tviv toov 'EK^yjvuv %Xsvy\v begon onder- 
handen te nemen. Daarbij nu zegt hij o. a. r/ yxp xtottov vj ri 
%Ksvy^g TTXp* vifJLtv &^iov, ii Trxvrcog ort rou Koyov êv (tooij(,xti TreCpxvspoaa'xi 
>,6yo[j(,6v\ Maar hiervan zouden zij ook zelven erkennen, dat het 
niet ongerijmd is, als zij maar waarheidlievend waren. Wanneer 
zg oKoog loochenen >>oyov shxi êeov, TrspiTToog Troiova-t, omdat zij dan 
spotten met hetgeen zij niet kennen. Doch indien zij erkennen, 
Aöyov shxi 6eov^ dat Deze de ^ye/zav van alles is, en dat de Vader 
h xvTCfi de wereld gemaakt heeft kxi rifi tovtov Trpovoi^ rx oKx 

Cp»Tll^6(Tbxi KXI ^CüOyOV€l7^Xt KXI slvXl KXI STTl TTXVTCCU XVTOV ^XfTlXsVSlV^ 

zoodat Hij uit de werken Zgner voorzienigheid gekend wordt^ 
en door Hem de Vader, dKOTrei^ 'TrxpxKxXoo^ of zg niet, zonder het 
te weten, zichzelven bespottelijk maken? De Grieksche wijs- 
geeren noemen de wereld (fooijlx yLsyx. En terecht. Als dan h Tcp 

KOVfJLCfi^ a-cofJLXTi ivTi^ o Tov deov Koyoq sctti kxi sv oXoig kxi TOig kxtx 
[zspog xifToov 'TTXtTiv i^T/jSf/Sj^off, wat verwonderlgks of ongerijmds 
(^xvfixTTOu yj otTOTTov) is er dan in, el kxi sv ivbpccTcp (pxfiev xvrov 
è7n(3êl3viK€vxi ; Want indien het ongerijmd is oXoog êv (too(axti xxjtov 
ysvsd^xi^ dan zou het ook ongergmd zijn, bv rep ttxvti tovtov sTt- 
fis/SiiKsvxi, en alles t^ Trpovoicjf, bxvtov CpcoTi!^€iv kxi kivsiv. Want ook 



Digitized by 



Google 



152 

het geheel is een (7U(z». Doch indien Tcp Kotr/zcp tovtov ê'jrilSxtvêtu 
xxi èv o^Cf) xvTov yvccpi!^€(r^xi TrpsTTsi^ dan voegt het ook wel, dat 
Hij in een mensohelijk lichaam verschijnt {èynCpxive&^ai), kxi vto 
XVTOV TOVTO (pcoTt!^€(r^xi Kxi èvspysiv. Want to toov xv^pooTToov yevog 
is een [i^spoq van het geheel. En indien het deel xTrpêTrsg strriv 
ipyxvov XVTOV ysvstrbxi Trpog t}jv tv\<; ^eoTijTog yvoatriv^ dan zou het 
oLTOTTouTXTOv zijn, 5/' oKov Tov KO(Tfiov yvupül^efTbxi TOVTOV, Athanasius zet 
in 42 deze redeneering dan voort, ook door vergelijking met het 
menschelijk lichaam en zijn leden. Op deze wijze wordt met klem 
bedoeld verband gehandhaafd, en daardoor verliest het bezit der 
menschelijke natuur door den Logos zijn schgn van volkomen 
geïsoleerd te staan, en blijkt, dat van het een tot het ander ge- 
concludeerd mag worden. Ten tweede heeft waarde, dat Athana- 
sius op de eenheid der schepping wijst, zoodat de menschen ge- 
zamenlijk daarvan een deel zijn ; dat hij deze eenheid aanduidt 
met den naam van lichaam, (rco[zx^ waarmee de voorstelling van een 
uit leden bestaand geheel gegeven is; dat hij, van den samen- 
hang der menschen sprekende, het woord ysvog bezigt, waarin de idee 
van het organische ligt; en eindelijk, dat hij handelt over een 
ipyxvov Trpog tviv T^g ^€OTyjTog yvu(nu en een S/' o^ov tov xocrfjt^ov 
yvoiipi^€(Tbxi van den Logos, dat is dus van Q-od. Moge Athanasius 
deze gedachten hier niet uitwerken, dit vermindert hare waarde 
niet. Vgl. voorts voor den samenhang van schepping en vernieu- 
wing ook nog ibid. 1. 

De organische eenheid van het menschdom treedt ook duidelijk 
aan het licht, als hij ibid. 9 schrijft, dat de Logos daarom zich 
een lichaam, dat sterven kan, aanneemt, hx tovto tov fV/ ttxvtcov 

KoyOV fA€TX^x(30V^ XVTt TTXVTOOV hxVOV yeVfjTXl TCji ^XVXTCf) KXl llX TOV 

èvoi)cyj(rxvTx Koyov iCp^xpTov ^ixfji^etvif} en voortaan het verderf ciTro 
TxvToov Txvcr^Txi Tifi Tijg oLvx(TTX(T€oog %xpiTt, Eu dc onverderfelijke 
Zone Gods, ^ix tov ofzotov Toig irxai a-wavj heeft allen terecht met 
de ^Cp^xpa-ix bekleed in Zijne belofte van de opstanding. Het ver- 
derf des doods heeft kxtx toov ctv^pcoToov ovksti xoapxv terwille van 
den avoiKyj(TXVTx Xoyov iv TovTotg iix tov hvog (ToofjLXTog, Want als een 
koning zijn intrek neemt in één huis binnen de stad, strekt dat 
de geheele plaats tot eer : ohijfTxvTog slg (jlixv Tm èv xvTift (scil. 
T^ TToXei) ohiccv, TTxvToog jj ToixvTVi ToXig TtfJLyjg TCoXk^g kxtx^iovtxl 
Of. c. Ar. n, 69 : indien de Zoon een schepsel ware, èf^^svsv o xv^pooTog 
oiiisv viTTOv ^vijTog^ fivi (TvvxTrTOfJLsvog Tcp dêcp. Want geen schepsel 

(rVVyjTTTS TX KTKTf^XTX TCp ds^^ ^JjTOVV KXl XVTO TOV ^VVXTTTOVTX. Eu gCCU 



Digitized by 



Google 



153 

deel der schepping zou haar (raryjpix kuDnen wezen, ^eofisvov Kxt 
»vTo (TcoTjjptccg, Cf. ibid 41 en UI, 33. Nu moge naar aanleiding van 
deze plaatsen reeds hier eene tweevoudige opmerking gemaakt 
worden, waarvan later breeder sprake komt. Zij is, dat Athanasius 
spreekt van een (TvvxTrrstv des menschen aan God, van een verbin- 
den dus, schakelen of schalmen, en niet de voorstelling geeft 
van een overgieten of uitstroomen der goddelijke natuur in de 
menschelgke. Dit raakt de kwestie der „Vergottung". Ten andere 
wordt de voorstelling van c. Ar. Il, 69 verduidelijkt door wat 
Athanasius de Incam. 9 zegt, inzoover we uit deze laatste plaats zien, 
dat Hij, die Q-od en mensch samenvoegt, gedacht wordt als zelf 
het verbindingslid te vormen, en dus als blgvende beteekenis te 
hebben. Een en ander herinnert aan Irenaeus, maar zegt iets 
anders dan Origenes leerde. 

Werd tot nu toe gehandeld over het andersoortig karakter van 
de voorstelling, welke Athanasius ontwikkelt aangaande Q-ods wezen 
en dat der creatuur, daarna over de verhouding des Scheppers tot 
Zijn maaksel, en eindelijk over het verband tusschen de schepping 
en de voorzienigheid én de aanneming der menschelijke natuur door 
den Zone Gods, zoo kome vervolgens aan de orde het nadrukkelijk 
door Athanasius gehandhaafde onderscheid van Jezus' Zoonschap 
en der geloovigen kindschap Gods. Eensdeels strekt dit ter beves- 
tiging van wat tevoren werd gezegd, en anderdeels bereidt het 
de bespreking van Athanasius' andere denkbeelden voor. 

Jezus en de geloovigen, of ook in het algemeen de menschen, 
verschillen in hunne verhouding tot God, op eene wijze, dat 
Jezus de hoogere is, de uitnemende. Dat had ook Origenes ge- 
leerd, en Arius wilde het in zeker opzicht niet loochenen. 
Maar Origenes' voorstellingen wekken de gedachte van het rela- 
tieve, gradueele. De Zoon is het beeld des Vaders, wij zijn 
naar den Zoon geschapen als êlxoveg r^g shovog, Opp. III, p. 941, 
en wel alleen naar de ziel, c. Gels. VIII, 49. De Zoon is o^ijc 
Tvig io^m Tov êeov kTrxxjyxayt^x^ maar van dit afschijnsel der volle 
heerlijkheid bereiken (JLspiKx oi,7ra,vyxfT(ixTx de overige redelijke 
schepselen, Opp. IV, p. 450; cf. voorts boven. Vraagt de door 
Celsus sprekend ingevoerde Jood, wat Jezus boven anderen voor 
heeft, indien Trxg xv^pcoTrog kxtx bsixv Trpovoixv ysyovcag utog êart 
êsov^ dan antwoordt Origenes, dat naar Paulus' woord wel een 
ieder fjf^vjKêri vtto Cpo^ov Trxilxycoyovfji^svog aKKx S/' xvro to kxKov xipovfievog 
vhg è(Tri dsov, ourog ys TO^Xcp kxi fixapcp iixCpepsi vxvrog tov itx ryjv 



Digitized by 



Google 



164 

ciperijv xpyj/zxTi^ovTog vbv rov dsov, ofmq mTCspst Trijyyj xxi ip%yj rosv 
TOiovTcov Tuyx^^^h ^' CJels. I, 59; cf. ibid 66; V, 37 etc. Duide- 
Igk leert Origenes hier de groote voortrefielijkheid van Jezus 
boven alle anderen. Maar toch stelde hij niet scherp tegenover 
elkaar : God en mensoh, doch hij deed het voorkomen, alsof er traps- 
gewijze benadering tusschen den Vader en de stof mogelijk was. 
De ontwikkeling echter door Athanasius over het goddelijk wezen 
gegeven, sloot vanzelf alle gedachte van bemiddeling uit. Boven- 
dien verwierp hij haar opzettelijk, door de onbestaanbaarheid der 
Ariaansche meening te betoogen. En daarmee was natuurlijker- 
wijs gegeven, dat de Zone Grods in volkomen gelijken zin als 
de Vader Q-od moest heeten, slechts hierin van Dezen onder- 
scheiden, dat Hij, alleen, geheel en louter, Zoon was. Doch dit 
moest noodwendig tot de conclusie leiden, dat derhalve het 
Zoonschap Gk)ds van den tweeden Persoon en het kindschap 
Gk)ds van de geloovigen verschillen in wezen, Vgl. wat hij den 
Arianen tegenvoert, c. Ar. 11, 20 : gij zegt, dat yevyy^izx en Trot^fici 
hetzelfde (ravrov) zijn, als gg schrijft ysvvyi^svrx vi Trotyj^evrx, k^v 
yxp ÓTTspexV '^^^ ci^^cov rifj 7u^Kpt7€t o vhg^ iAA' ovisv yirrov ètm 
KTKTfix &(T7r6p Y^Ksivx, Waut ook wel èv xvroit; toiq cpvtrsi ktkt/zx^iv 
svpstv hriv érepx hrspuv v7r6p6%ovTx. Vergelijking immers eischt 
soortgelijkheid {pi^oysvoq)^ ibid. I, 67. En daarom iXXov kxi arspoovfriov 
xvTOv (scil. Tov vkv) ivTog Trespa, ryiv rcov ysvviroov (pv(Ttv^ ttoix rviq 
ov7ixq xvTov (TvyKpKTig il ofioioT^t; Trpoq tx ysvjjTX] ibid. Alzoo is er 
ov^sfJLix (Tvyysvsix rep vtcp Tcpog Tovg xyysXouq^ ibid. 55. Spreekt 
Hebr. 1 : 4 van een ycpsirrm^ dan wordt daarmee slechts onder- 
scheiding bedoeld: f^t^yj^efiixg Sf ovcr^i; r^g (rvy/svsixg^ Svk xpxtrvyicpt- 

TtXOOg 6A£%9"J^ TO KpSlTTUV^ X^XX ^tXKplTlJCCOg^ llX TO XKKXTTOV T^g TOVTOV 

Cpv(rsag xtt' hsivccv^ ibid. Ware Hij bloot schepsel en mensch, zoo 
konde Hij ons niet baten, want dan vermocht Hg ons niet tot 
kinderen Gods te maken. c. Ar. I, 39 ovk xpx xvbpooTrog kv 
va-re pov ysyove óeog^ maar God zijnde, is Hij later mensch geworden, 
hx (ixKKov i^f^xg ^€07roni7^. En indien allen, die vkt re kxi êsoi 
heeten, ^ix tov Xoyov vïo7roivibv\(Txv Kxt èbsoTroiyi^vitrxv^ doch de Logos 
zelf de Zoon is, dan is het openbaar, dat allen het zgn door 
Hem, maar dat Hij het vóór allen is, (ixKT^ov ia f/^ovov xXvi^tvog 
vkg XXI fJLOvog èx tov xXyi^ivov ésov^ ésog iXfj^ivog fVr/, die dit niet 
verkreeg als belooning Zijner deugdsbetrachting, ov^s x>,Xog uv 
TTxpx TxvTXj xKKx ^vfjsi xxT ovcTixv uv TXVTX. Of. dc Syuodis 45 : 
wetende, dat de Logos geen schepsel is, maar sk tj^^ ovtnxg 



Digitized by 



Google 



155 

yevvviiJLX^ en dat het wezen des Vaders de ip%yi en wortel en bron 
is van den Zoon, axi xvToxXvi^viq ofAOioryig ^v tov "yswvifTxvToq^ ovx 
cog hepoCpvijg, ua^Trep vi(iei<; 6(T(1€v^ van den Vader gescheiden, (Xcopi^o- 
(isvog s(TTi), maar dog i? xörov vhg icSixtperog V7rxp%€t^ evenals het 
schijnen ten aanzien van het licht. Of. ook de Deer. Nic. Syn. 30. 
Vgl. voor den H. Q-eest ad Serap. I, 23 Totx ofjt^otoryjg vi ïSiOTijg 
TOV %pKr/zxTog KXt Tijg a-cppxyiSog Trpog tx %pto/Z€vx kxi 7(ppxyi^0[i,6vx ; 
En ibid. 24 : daarom ook èv oig ytvsTxt, ovtoi ^sotoiovvtxl el Sf 
^soTTOêi, ovK xfJLCPi^oKoVy oTi vj TOVTov Cpv(rtg hov 6(TTiv, c. Ar. II, 41 : 

Waarom wordt volgens u geloof gepredikt (j? Tna-Tig 

TxpxSi'SoTxi) in één Schepper en in één schepsel? Als dit toch 
geschiedt, ivx trwxCpbcciJLev lyi bsoTy^Ti^ waartoe is dan het schepsel 
noodig? e] Sf hx èvco^ccizsv Tcp vl^, KTKTfiXTi Svti, dan is volgens 
u het noemen van den Zoon bij den Doop overtollig, o yxp 
xvTOv vh'7roiv\(rxQ êeog hxvog hTi Kxt vj(zxg .moTroivitrxi, Als de Zoon 
een schepsel ware, dan zoude, i^ixg ova-ijg r^g Cpvascog toov Xoytjccov 
yvTKTyLXTm^ geenerlei hulpe van Hem aan het schepsel toekomen, 
5/^ To TTXVTX Sf/uS"^/ Ty\g TTxpx TOV deov %xptTog. Of. ibid. 69. de 
Deer. Nic. Syn. 20 : de bisschoppen hebben, wat zij reeds 
gezegd hadden (t. w. op het Ooncilie te Nicea) nogmaals 
duidelijker willen uitspreken en schrijven, door den Zoon ofzoov(riov 
aan den Vader te noemen. Opdat zij niet alleen ofioiov tov viov 

ciXXX TXVTOV Tlfl hfAOlU(T€l SK TOV TTXTpOg SÏVXl (7Vl(JLXlV00(Tl XXt XKXVIV OVtTXV 

Tviv TOV viov Ofioico(riv xxi xTp€\pixv iei^atri irxpx tvjv iv vifiiv Xsyof^sv^v^ 
viv 6^ xpêTvig YiiJLstg (vanwege de onderhouding der geboden) 
7rpo(r?^xf4,l3xuofji€v. c. Ar. I, 37 : want hetgeen & Ttvog kxtx cpvtriv 
is, xKyj^tvov "/evvvifjix, maar die i? xpsTijg kxi %xpiTog alleen zoo 
heeten, hebben avTt Tvjg Cpv<r€ag tv\v h tov Kx^siv %xpiv, en zijn 
aAAö/ dan hetgeen aan hen gegeven is, zooals de menschen die 
KXTX (AeTo%viv den Geest ontvangen, c. Ar. UI, 18 : als de Zoon 
slechts in tijd van ons verschilt, dan moet Hij ons oiJ(,oiog heeten 
en T^v xvTv\v %a;/?av bg den Vader hebben als wij, en niet Een- 
geborene noch (JLOvog Koyog of des Vaders Wijsheid worden ge- 
noemd, maar gelijken naam dragen als wij. ItKxtov yxp ccv so-ti 
cpvtrig (JLix^ TOVTuv ehxi kxi to ivofix koivov^ ook al mogen zij onder- 
ling in tgd verschillen. Eindelijk nog c. Ar. I, 16 : ... civxyKVi 
Ksystv TO 6K TVig ovtTixg tov irxTpog ïBiov xvtov (TVfATrxv shxi tov viov. 
Want TO oXoog iJ(,€T6%6(Tbxi TOV ósov is even gelijk als te zeggen, dat 
Hij genereert. En wat beteekent genereeren anders dan: Zoon? 
Aan Hem nu, den Zoon, i^$t6%si tx ttxvtx kxtx tv\v tov Trvsvf^xTog 



Digitized by 



Google 



156 

yivof^^svijv TTxp' xvTov %xptv, en hieruit wordt het duidelijk, Sri 
»vToq f4,€v 6 vtog ov^evog /z€T€%€Ij to Sf SK Tov TTxrpog (Jt,6T6%o(j(*€vov is 
de Zoon. Want xvrov tov vkv f4.€Ts%ovT€g, tov êeov fji£T6%etu ^^o/zsSrx, 
waarna D. Petr. 1 : 4 wordt aangehaald. Deze plaatsen mogen ten 
bewijze volstaan. 

Doch nu rijst de vraag, of door de, ook reeds in bovenbijge- 
braohte aanhalingen geleeraarde, ^soTrotyjcrig der geloovigen toch 
niet weer in den grond der zaak het beweerde, en juist hier 
zoo scherp uitgesproken onderscheid in wezen van den Zone Gods 
en van de geloovigen (en alzoo dat tusschen God en schepsel) 
wordt opgeheven? Van deze vraag is de bespreking te belang- 
rijker, omdat zij wederom geldt het vroeger reeds bij Irenaeus 
behandelde punt der Grieksche „Auffassung vom Christenthum 
als Religion'', Habnaok II, p. 317, of „die Grundauffassung 
vom Heil", ibid. p. 44 vv. Hiermee hangt ook samen de 
kwestie, of Habnaok ibid. p. 376/376 terecht schrijft : „Der 
j^Monophysitismus, welcher bei dem Satze bleibt, dasz, unbescha- 
„det der Homousie des Leibes Christi mit unserem Leibe, der 
„Gott-Logos diesen Leib zu seinem Leibe gemacht und desshalb 
„in die Einheit seines Wesens aufgenommen habe, ist zweifellos 
„der legitime Erbe der Theologie des Athanasius und der zu- 
„treffende Ausdruck des griechischen Christenthums," behalve 
dat volgens Anm. 1 andere elementen de consequente doorvoe- 
ring dier gedachte verhinderen zouden. 

Nu zegt Habnaok ibid. p. 46, 1 : „Dasz der Gedanke der 
jfVergottung der letzte und oberste gewesen ist, ist nicht erst in 
„der Neuzeit erkannt, wohl aber jetzt in seiner Bedeutung 
„geschatzt worden. ÏTach Theophilus, Irenaus, Hippolyt und 
„Origenes findet er sich bei allen Vatem der alten Kirche und 
„zwar an hervorragende Stelle bei Athanasius, den Kappadocier, 
„Apollinaris. . . ." Hij plaatst dus te dezer zake Irenaeus, Origenes, 
Athanasius, Apollinaris op ééne lijn. Doch uit hetgeen van de 
leeringen van Irenaeus, Origenes en Athanasius hier behandeld 
werd, valt wel af te leiden, dat zulks minder juist is. Want de 
gedachten van Irenaeus en Athanasius aan den eenen kant, en die 
van Origenes, Apollinaris en de Monophysieten andererzijds, ver- 
schillen niet onbelangrijk. Veeleer ware er op een tweevoudigen 
ontwikkelingsgang te wijzen; de een over Ignatius, Irenaeus, 
Athanasius zich bewegende naar de kerkelijke beslissingen tegen 
monophysitische en monotheletische beweringen, en de ander loo- 



Digitized by 



Google 



167 

pende over (örostieken ; en in zekeren zin) Origenes, Apollinaris, 
Monophysieten en geestverwanten. Bij deze laatste reeks werd fei- 
telijk gedacht tiit de grondidee, dat God door het niet-Gk)d traps- 
gewijs of bg geleidelijken overgang essentieel te benaderen was; 
eerstgenoemde rij handhaafde het wezensonderscheid tusschen 
beiden. Alleen moeten we ons eenerzij ds niet door uitdrukkingen 
van de wgs laten brengen, aan den anderen kant ons niet met 
woorden en betuigingen tevreden stellen. Er behoort voorname- 
lijk op den geheelen gedachtenloop, en op de leiding gevende 
of hoofddenkbeelden die aan het licht treden, gelet te worden. 

Omtrent het nu te behandelen punt sohrgft Harnaok ibid. 
echter ook: ^Man hat indesz wohl darauf zu achten, dasz diese 
„Vergottung im Sinne der griechischen Kirche keineswegs rund 
„bedeutet „werden wie Gott"". Dit is niet onjuist. Doch Habnacz 
gaat voort : „Ueber den Gedanken der Unverganglichkeit hinaus 
„haben die Griechen überhaupt keine deutliche Vorstellung mit 
„dem Gedanken des Heilsgutes (der Seligkeit) verbunden, und 
„dies ist eben das Oharakteristische" ; cf. ook ibid. p. 46. Laten 
we nu echter de kwestie der duidelijkheid terzij, dan valt toch 
niet te ontkennen, dat bij Origenes, Apollinaris, Monophysieten 
wel iets meer te merken valt dan de leer eener onvergankelijkheid. 

Bij het gebruik door Athanasius van ^soTroistv en zijn aflei- 
dingen gemaakt, krijgt Troteiv soms den zin van „behandelen als", 
c. Gent. 27 ov xTrodTpscpovrxi i^sv oi ioKvi(ri(ro(pot tv\v Sf Trxp" xvtov 
y€voiJL€vv\v KTKTiv TTpofTWJvovfTi T6 bso'^ToiovfTi. Uit „aanbidden" blijkt, 
dat baoTToisiv niet ziet op eene met de xr/o-/^ plaatsgrgpende ver- 
andering. Cf. ibid. 29 o\ rvjv ktktiv bsoTTOiovvrsg^ en bpvi^Ksix kxi 
^eoTToüx^ ibid. cf. 40. Soms doelt het op eene bewerking van 
iets. c. Gent. 13 : Betreffende de afgodsbeelden ov% ^ vKij ryjv 
T6xy^v ^^^ ^ T€%vvi Tviv vKvjv sy,o(T(j(,v\(T6 Kxi s^ SOTTO ivi^sv^ CU daarom zou 
het veel meer zin hebben (itKxtorêpov) den Tf^v/i^^ te aanbidden, 
dan hetgeen door hem werd gemaakt. Hieronder valt de ^soTroivjtng 
der geloovigen, want bij hen vindt verandering in bestaanswijs 
plaats, de Deer. Nic. Syn. 14 : Want de Logos werd vleesch, 

hx KXl 7rpO(r€V€y}C1fl TOVTO VTTSp TTXvrav ICXl YlfJiSig sk tov TTvsvfjt^xrog xvtov 
f4^TXKXf^(3xV0VT£g, ^eOTTOlVj^VjVXt ^VVVJ^£0f4^€V, XX^Cü^ OlfK XV TOVTOV TV%0Vr6q^ 

si [j^vi TO KTKTTOv y\(zoov xvTo^ èus^v(rxTo (Tüj/zx. Maar zooals uit de 
woorden zelve te zien is, wordt niet gedacht aan eene omzetting 
onzer natuur in de goddelijke. Het 'jrpotrsvsywfi vTsp wijst op 
verzoening door offerande, en het ^soTroivj^vjvxt wordt niet voorge- 



Digitized by 



Google 



168 

steld als een soort physisch proces, van Jezus' Q-odheid op Z^*ne 
menschheid uitgaande en vervolgens zich voortzettend bg de 
geloovigen, maar verbonden aan deelgenootschap aan Jezus' 
Geest; terwijl het verband van Jezus' beide naturen hier voor- 
gesteld v7ordt onder het beeld van een kleed {êvsSv^aTo). Duide- 
lijker drukt Athanasius zich uit als hij voortgaat : want aldus zijn 
v^ij ook dv^pooToi êsov Koitcov y,xi èu xpicrTcp ivbponTroi beginnen te 
heeten {%pvifjiXTi!^€iv). Maar evenals wij ro ttvsvizx Kxfil3xvovT€(; ovk 
iTToXKvfAsv Tijv ïltxv exvTcov ov7ixv^ zoo was ook de Heere, om on- 
zentwil mensch wordende x^/ o-«/t*^ ^opscrx^;^ oiïlsv vittov êeog. 

Want OVK ViKKXTTOVTO T^ TTSpi^OXlfl TOV (F0O[l,XTO(;^ iX)sM KXl i^xXXov 

s^eoTToisiTo TovTo Kxt x^xvxTOv xTTSTsksi, Wozonsovergang is daarmee 
afgewezen, de ,, vergoddelijking" van het lichaam nader bepaald 
als een daaraan verleenen van de onsterfelijkheid, en de voor- 
stelling van de menschelijke natuur als een kleed, waarmee de 
Heere zich omhulde, gehandhaafd. 

Athanasius paralleliseert het bsoTroieiv voorts met vloTrotsiv, en 
spreekt daarbij van een Xsys^^xi of %pv\(AXTi^siv. c. Ar. I, 38 y.xi 

e] TOV fisXTlü)(TXl %^p/V XXTXJBslSviKSV^ OVK XpX /ZKT^OV i(r%f TO ^€y€(r^xi 

vlog KXi êeog^ xWx (jlxKXov xvto<; vïo7roiv\(T6v ^f^xg rcfj TrxTpt KXt è^€0'7roiJj(r€ 
Tovg civ^puTovg ysvof^svoq xv^puTTo^;, Ook hier zgn de woorden niet 
duister en willen zeggen, dat de Zone Gods ons den naam van 
„Zonen en Goden" heeft doen dragen; cf. ibid. 39. ibid. 34 
zegt Athanasius, dat wij gedoopt worden niet in den naam van 
„Ongeworden" en „geworden", noch van Schepper en schepsel, 
maar vai^ Vader, Zoon en H. Geest ; ovrco yxp TsKsiovyLsvoi %xi y\(JL€iq 
ay, TTOiviizxToov <5vTf^, vhTroiovfJLsbx Koittov .... Dit bedoelt niet, dat wij 
ophouden schepsel te zijn, maar dat God ons tot Zijne kinderen 
aanneemt. Of. c. Ar. II, 64 7v^KXTx^xvrog tov Xoyov viottoisitxi kxi 

XVTVi Vj XTKTig 5/' XVTOV . . . TTj^ Sf X,Tl(T€00g TTpOOTOTOJCOV ^IX T1/\V TOiV TTXVTCCV 

vioTTOtvia-ti/. Voor vloTrotvia-ig bezigt Athanasius ook vhbsvix. c. Ar. I, 
39 0VT6 yxp vïobetTix yevoiT^ xv %a;p/^ tov xXy^bivov vlov. Voorts 
dient zich deze terminologie blijkbaar aan als schriftuurlijke uit- 
drukking. Want nadat hij ibid. Joh. 10 : 36 geciteerd heeft, vervolgt 
Athanasius, dat, indien allen, zoovelen als vïoi ts y,xi êeot èKXvi^via-xv 
hetzij op aarde, hetzij in de hemelen, 5/a tov Koyov vi07rotvi^vi(rxv 
Kxi 6^€07rotvibvi<rxVj dat dan de Zoon fiovov xvTog x^vj^ivog vkg xxi 
/zovog €)c TOV xKv\èivov êsov isog XAVf^tvog stTTi, dic dit niet verkreeg 
om Zijne deugdzaamheid, niet xXKog m irxpx txvtx^ xKXx Cpvasi 
KXT èvtrtxv uv TxvTx. Behalve van een tweeërlei zoonschap, wordt 



Digitized by 



Google 



159 

hier dus ook van een tweeërlei zgn of heeten van ósog gesproken, 
o. Ar. III, 25 : En evenals wij vki scai óeot iix rov èv vifiiv Xoyov, 
zoo zullen wij ook in den Zoon en in den Vader zijn, en ge- 
rekend worden {vo(jLii^6iv) in den Zoon en in den Vader Iv yfy^vj^o-^öt/ 
^ix To SU ^fitv shxi TTvsviJLx^ dio in den Logos is, welke weer op 
Zijn beurt in den Vader is. 

Zegt nu Athanasius ibid. 33 : sv rep XP'<^V Trxvreg !^coo7rotovfji€^Xy 
ovKeri cog yv\ivvi<; iXXx Xoittov XoyoQbei7v\<; Tv\q (rxpKog iix rov tov èeov Xoyov 
og 5/' viiJ(,xg eysvsTo (rxp^, dan klinkt dit sterk, maar geeft de samen- 
hang aan, dat terwille van den Logos ons vleesch eene zoodanige 
verandering ondergaat, dat het niet meer sterven kan, en daarin 
aan den Zone Q-ods gelijk wordt. Of. de Incam. 5 èxvroig xhioi 
Tvig sv TCfj ^xvxTcp (pbopxg yeyovxfriv ivrsg ijlsv .... icxTX ^vtriv cp^xproi^ 
X^ptTi 5f T}jg TOV }^oyov (jLsrovtrixg tov kxtx (fivcnv èKCpvyovTsgj sï 

(l6fJL6VV\K€l(TXV KXXOl, Waut 5/^ TOV (TWOVTX TOVTOig XoyOV KXl fl KXTX 

(pva-tv cpbopx TovToov ovx. iiyyi^ev, Athanasius spreekt dan ook van 
een heiligen, c. Ar. III, 39 kxi hx xvTovg xyixtrifi kxi ^eoToivia-ifi 
ysyovev o Koyog trxp^» Of. ibid. II, 10 : Gods Logos evsKX tov xyix^eiv 
Tviv 7xpy.x ysyovav xv^pcoTrog, Bij bespreking van Joh. 17 : 20 in 
c. Ar. m, 20 luidt het : lifiav f^ev ovv xvofJLoiog ècrTiv o Xoyog^ tov Sf 
TTXTpog 0/zoiog, Daarom is Hij Cpvasi kxi 4Aj^9"f/f sv (jlstx tov sxvtov 
TTXTpog^ doch wij zijn xKXviXm ofjLoysvsig. Want wg zgn allen uit 
één geworden, kxi i^ix ttxvtoov xvbpooTcm ii ^vtrig. sv Tpog xXXv\Xovg 
Tifi ^ix^sasi yivoi^sbx^ s%ovTsg vToypxfiiJLOv tvjv tov vkv Trpog tov wxTspx 
Cpva-iKVjv svoTviTx, op gelijke wijze als Math. 11 : 29 van de irpcfLOTVig 
sprake is. ovx Ivxê^Krco^cafisv. xSvvxtov yxp. Staat erin Joh. 17: 21 
x^«^, dan ov txvtotvjtx ^sikvv7iv, iAA' sikovx kxi TrxpxSsiyfjix tov 
XsyofAsvov .... ibid. 21, Cf. ibid. 23 ovk strofjt^bx mirsp o vlog, oiiSs 
ïcroi xvTcp, xXXo yxp kxi xKXo hi^sv. 

Wat de menschelrjke natuur der geloovigen betreft, wordt alzoo 
door Athanasius het wezensonderscheid van de goddelijke ook 
bg deze ^soTroivjcrig gehandhaafd. Want zg ziet niet op eenigérlei 
omzetting in Q-ods wezen, maar deels op verandering van ver- 
derfelijk, sterfelijk en onheilig in een toestand van heiligheid en 
eeuwig leven, en deels op de aanneming tot, en den naam van 
kinderen Gods. Voorts komt zij tot stand door den H. Geest, 
die in Jezus en in Zijne geloovigen woont, ad Serap. I, 24 ^ix 
TOV SV xifTcp TTvsv/zxTog, (TvvxTTTOvTog ^fjixg Tcp TTXTpi^ wordt n Petr. 
1 : 4 vervuld, (tvvxtttsiv echter is aaneenhechten ; eene innerlijke 
wezensomzetting Ugt er niet in. Of. ibid. 25 : in den H. G^est 



Digitized by 



Google 



160 

is de rpixq rsXei». In Dezen toch o Xoyo^ tv\v ktktiv io^ctl^eiy ^eoTCotoov 

Sf KXl VIGTTOICOV TTpOJXySi TCp TTCCTpt. TO Sf (FVVXTCTOV TCp Xoycp T^V XTIO'IV 

zon niet zelf tot de schepselen kunnen behooren. kxi to vïottoiovv 
Sf T^v XT/0-/V, ovK iv eh/[ ^svov tov vhv. Aangezien we dan een 
anderen Geest moesten zoeken, hu kxi tovto êu sjcsiv^ avvaCp^ifi 
T^ Aöy^. Doch dat is ongerijmd. Derhalve is de Q-eest niet van 
de yevi/iT»^ maar ü^iov ryjg tov Txrpog ^sonjTog^ èv ^ Kxt rx yewjrx 
o Xoyoq ^soTToiei, En Hij, in wien de schepping ^eoTroisirxi, kan 
niet zelf buiten de Godheid des Vaders wezen. 

Op geenerlei wijs wordt ook hierbij de scheidslijn tusschen 
Gods natuur en die der menschen gevierd of minder strak ge- 
trokken. Of. ad Afr. Episc. 7 lif^sig kxitoi ijlv\ ivvxf^svot ofiotoi kxt" 
ovtTixv TOV êsov ysvsdbxi, Oficog i^ xpsTVjg (SsXTiovfAsvoi^ fiifiovfjLS^x tov 
deov, XO('pi<TxiJL6vov jcxi TOVTO TOV Kvpiov. Of. ibid. 8 en de Synodis 53 *). 

Waar nu de Zone Gods onze menschelijke natuur aannam, 
moest uit hetgeen boven besproken werd voortvloeien, dat ook 
bij Hem de menschheid niet „in die Einheit seines Wesens auf- 
genommen" kon worden, weshalve het Monophysitisme althans 
niet van de door Athanasius gestelde en tot dusver ontwikkelde 
praemissen de logische consequentie mag heeten. Maar hg had 
straks zijn eerste beweren kunnen verloochenen. En daarom 
moeten we de vraag enger stellen en onderzoeken, of hetgeen 
hij inzake de vereeniging van Jezus' beide naturen leerde, onaf- 
wijsbaar tot Monophysitisme brengen moest. 

Nu is dienaangaande de reeds de Incam. 17 en 18 door hem 
gegeven ontwikkeling opmerkelijk, ov yxp Sj^ wspiasKXeKTiJ^svog fiv èv 
TCf) a-cofjiXTL Dit geeft de voorstelling van een inwonen, en rust 
op de gedachte van het begrensde of beperkte van Jezus' 
lichaam, ov^e iv (too(jlxti (isv iiv, iXKxxo(T6 is ovk vjv. Ook ontledigde 
Hg niet het gansche heelal {tx oKx) van Zijne werking (èvspysix) 
en voorzienigheid, om alleen Zijn lichaam te bewegen, maar to 
TTxpxio^oTXTov, Xoyoq «v, ov (njv€t%€TO fA€v VTTO Tivog, doch omvat 
veeleer zelf alles. En evenals Hij, in de geheele schepping tegen- 
woordig zijnde, ixTog (jlsv è(rTi tov TrxvTog kxt^ ov(nxv, iv Trxtri Ï£ 
fVr/ Txig hxvTov ivvx[zsfTi^ terwijl Hg alles ordent en in alle d ingen 
Zgne voorzienige werking tot alles uitbreidt, elk daarvan af- 



*) Vgl. voor dit ptint breeder: „Die Vergottungslehre des Athaiiasitis niid 
„Joliannes Domascenns. Yon Lic. tlieol. K. BobnhHüser" in „Beitrage znr 
rörderung cliristliclier Theologie". 1903. 2 Heft. 



Digitized by 



Google 



lei 

zonderlgk en alles gezamenlijk levendmakend, het geheel om- 
sluitend en zelf niet omsloten, maar êv f^^ovcp rep exvTov TrxTpt oXoq 
cov Kxrx TTxvrx^ zoo was Hij ook in Zijn menschelijk lichaam en 
maakte het levend, maar deed dit tevens ook rx oXx. Kxt êv roig 
TTXrriv êytvero kxi è^co tcov oXoov vjv. xxi iiro tov trufJLXTOq Sf ^ix roov 
èpyav yvoopül^ofJLsvog^ ovk xCpxvy^q yjv kxi xtto r^g toov oXav svepysixg, 
Athanasius vergelijkt hier dus het bezit der menschelijke natuur 
van den Logos met Zijne werkzaamheid bij de providentie, en stelt 
beide, ten aanzien van eenige denkbare reactie op Hemzelven, 
gelijk; en evenzeer de door Hem bij beide uitgeoefende energie, 
waarvan ^uoTotetv als het hoogste geldt. Eene zoodanige beschouwing 
draagt geen monophysitisch stempel en kweekt geene daaraan 
verwante denkbeelden. Athanasius bezigt daarna den mensch 
tot voorbeeld, wiens ziel wel over de dingen buiten het lichaam 
denkt, maar toch aan het lichaam gebonden is. ov 5j^ roiovrog viv 
o TOV éeov Xoyoq sv rep xv^pooTTcp. ov yxp (Tvvslèiero rep (foo(jlxti^ maar 
beheerschte het veeleer, zoodat Hij èn daarin was èn in alle 
dingen èn daarbuiten alleen in den Vader rustte {xvsttxvsto). 
Dit was echter het verwonderlijke, oti kxi ug ivbpairog èToXirevsTo 
Kxi aq Xoyog rx ttxvtx è^oooyovsi^ kxi aq vloq rep Txrpi (jvvfjv. Waarom 
Hij ook niet sTxtrx^ toen de maagd baarde, ov^e sv (tu/^xti oöv 
if^oKvsTo^ xhhoL (ixXKov Kxt ro (TUfJt^x viyixt^sv. (Alzoo spreekt Athanasius 
hier slechts van een xytxi^siv). En als de zon verlicht maar zelve 
door niets verduisterd wordt, iroXXcp ttXsov o Trxvxytoq tov dsov 
Koyoqy die Schepper en Heer is ook van de zon, sv (tooijlxti 
yvoipi^of^svoq ovk sppvTrxtvsTo. Maar veeleer, xCp^xprog «v, Kxt to 
fTo^y^x ^vviTov Tvyxxvov ü^caoTroisi kxi sKx^xpi^s^ cf. I Petr. 2 : 22. 
Motief was hier derhalve de wensch om de onveranderlijkheid, en 
alzoo ook de waarachtige Godheid van den Logos te doen uit- 
komen ; twee punten die Athanasius spoedig met alle kracht tegen het 
Arianisme zou verdedigen. Maar tevens wordt aldus openbaar, 
dat hij Jezus* menschelijke natuur op geenerlei wijze de crea- 
tuurlijke perken liet overschrijden, en voorts hoe helder en scherp de 
onderscheiding tusschen God en niet-God hem voor den geest 
stond. Wanneer nu, zoo vervolgt hij even verder, 18, o] Tspt 
TovTov b6o>^o'yoi van Hem zeggen, dat Hg at en dronk en geboren 
werd, zoo weet dan, oti to (jlsv troofAX ug frooiJLx stiktsto kxi kxtxX- 
KviKoig sTps(psTO TpoCpxig^ xvTog is o <rvvav Tcp (tcüizxti ósog Xoyog tx 
TTXVTX iiXKoa-fjf^aVy KXI 5/' év slpyaZero sv Tcp (too(zxti, ovk xv^pcoTTOv 
sxvTov, xX>.x dsov Koyov èyvccpi^s. Wat nu uit deze denkwgs als 

11 



Digitized by 



Google 



162 

logisch gevolg mag getrokken kunnen worden, zeker geen 
monophysitische voorstelling; en evenmin eene op Nestorius' lijn 
liggende gedachte. Dit blijkt duidelgker als er gezegd wordt: 

Kxi TTx^x^^} ^^X ^'^spov Tivoq ccX>,x Tov jcvptov )}v, cn omdat, iv^pcoTrov 
yevoi^svov^ sTrpsTre xxi t»vt» ag Trepi dv^pooTrov Ksye^bai^ ha iXvibsioi^ 
K»i i^vi ^avTxariif a-af/^x 6%osv Cpatvyjrat. 

Zou Athanasius dan later, ofschoon in andere zaken vrg wel bij 
hetzelfde gevoelen blijvende (cf. Harnack II p. 205 en Bomhauser 
a. w. p. 15), op dit punt wel niet juist van „Entwickelung", 
macu: dan toch van verandering van inzicht geweten hebben? 
öaan we ter beantwoording hiervan eenigszins nauwkeurig zijn 
ad Epictetum Corinthi Episcopum Epistola na. Deze bisschop had 
hem een geschrift doen toekomen {èvTv%cav roig Trxpa rifi vifi ^êoorsfisiq^ 
9rpöö-«;^9'£/o-/v vTrof^wiiAoctri)^ waarvan hg in c. 2 zakelijk den 
inhoud weergeeft. Het bevatte onderscheiden meeningen. Maai* 
deze haCpopoog i^sv elptifievx^ fjt^ixv ie ryjv iixvotxv kxi tviv xvT>fv ixovrx 
TTpog cctrefisiav fi>,e7rov(rxv ivvxfitVj 3. Hoe Athanasius erover oordeelde, 
blijkt, als hij de verzuchting slaakt: x fjt^yjis ypx(p}ivxt i^êXov^ 
opdat geene heugenis daarvan tot de nakomelingen yevviTxi, 
Wie heeft ooit zoo iets gehoord ? Tcoiog ^iviq iipsv^xTo .... 2. Hierop 
volgen dan de beweringen. Welke Hades heeft het uitgebraakt, 
ofAOovtTiov êiTTsiv TO isc Mxpixg (TuiAX Tifi TOV Xoyov beoTviTt'^ Dus krasse 
verwerping van alle gelgk- of eenswezensheid der menschelijke 
natuur aan de goddelijke. Athanasius gaat voort : of dat de Logos 

sU (TXpi^X KXi i(TTeX KXi TpiX»<; XXI OXOV (TCafAX (ASTX^e^MTO 3CXI j}AA^%)^ 

T}jg liixq (pm6Cd(;\ Zag het eerste gevoelen meer op „Q-leiohbe- 
schaffenheit^' der menschelijke natuur met de goddelijke, het 
tweede leerde eene verandering der laatste in de eerste. Het derde 
sprak van docetisme: en wie heeft het in de kerk of o>,aq bg 
de christenen gehoord, bri ö^e^si sext ov Cpv^st (raf/^x Tra^opeiuv o 
>^oyo^; (cf. 7 TO Ï£ S'fo'f/ X€yo[j(,evov (pxvTXfrix iari. Dit zou ook de be- 
houdenis tot schgn maken : Söxj^ö-^/ êipKTxeTxt kxi jJ (ramjpix ....). 
De vierde meening dacht, oti jJ ^soTi^g xvtvj j} ofioov(nog Tcp 'TrxTpi 
besneden en xTeM<9 sk tsXsiov geworden was, en dat niet het 
lichaam, maar xvtvi ii ^yjfiiovpyog ov(nx Tvit; (rocpixg aan het hout 
hing. Deze bewering stemde overeen met de tweede. Doch ter- 
wgl de laatste nadruk legde op de verandering in de menschelgke, 
zeide zij, dat de goddelijke gekruisigd werd. Ten vijfde komt 
een gevoelen, dat meer de aandacht vestigde op het ontstaan ot 



Digitized by 



Google 



163 

den oorsprong van Jezus' menschelijke natuur: wie zou hemeen 
christen noemen die zeide, ort ovk h Mxpix^ iAA' h rvig hxvrov 
ovtTixq fisTSTToivi^sv èxuTcp (TCöfAX TTccSryjTov o Xoyoq ; Zakelgk verschilt dit 
van 2 en 4 niet. Hierbij werd een grond aangegeven, n. m. 1. dat 
men anders ov^csri rpixSx iXXx rerpxix èv r^ beorviTi (ppovei. Zoodat 
de aanhangers van dit gevoelen dus zeiden : rvit; ov(Tixq mg TptaSog 
slvxi Tviv a-xpKXj viv sv6iv(TXTo SK Mxptxg O SwTj^p. lu dc zesde plaats 
werd meer gewezen op het voorbestaan van Jezus' mensch- 
heid, wat dus van 2, 4 en 5 niet wezenlgk onderscheiden is: 
jccjf vsooTspov ehxi to ffco[j(,x Tviq Tov Xoyov ^soryjTog^ xXXx (rvvxiiiov xvTCfi 
iix TTXVTog ysysvvitrbxi^ sTreiByj h rtjg ov^txg rvi<; ^o(pixg ^vpsffTVf, Korte- 
lijk spreekt Athanasius hiertegenover dan de tweeheid zoowel als de 
eenheid bg Jezus uit: hoe durven die naam-christenen er aan 
twijfelen, of o sk Mxpixg wposXbuv Kvpiog vht; fjt^ev rifi ovtriof, %xi 0u(T€i tov 
deov ètrriy maar ro kxtx a-xpax uit het zaad van David en uithet vleesch 
der heilige Maria? Dit gevoelen sprak „van het lichaam der God- 
heid van den Logos", Athanasius in 6 : „lichaam van den Logos", 
en even verder : x yxp to xv^pcowivov eTTXcrx^ (rcofix tov Koyov, txvtx 
a-vvuv xvTcp o Koyo^, slg ixvrov oivscpepev^ opdat wij Tvit; tov hoyov 
^eoTijTog f^sTxtrx^iv ^vvyj^oofisv. Eindelijk ten zevende degenen, die 
in lateren Nestoriaanschen trant scheidden, zoodat de Christus 
die aan het vleesch geleden heeft en gekruisigd is, fi}j shxi xupiov 
sext (TooTvipx Kxi ésov Kxt viov TOV TTXTpog^ CU dic zeiden sU xv^paTrov 
xytov dg stti evx Tm TrpoCpviTm sXviKvbsvxt tov Koyov kxi [J(,vi xvtov 
oLvbpooTTov ysyovsvxi^ door uit Maria het lichaam aantenemen, maar 

sTspov shxt TOV ^p/cTöv sixi sTspov TOV TOV ésov Xoyov , of ook : 

xKKov shxi TOV viov sext xXXov TOV 6êov Xoyov, 

Bespreken we nu Athanasius' bestrijding dezer gevoelens ; doch we 
beperken ons daarbij en voortaan niet uitsluitend totditgeschrifk.Ge- 
lijk Athanasius reeds de Incam. 1 gezegd had : (avi voiAi(r\ng^ oti (pvvscog 
xsco?^v^t^ (Toüfix TTsCpopescsv o (TooTvip, zoo schreef hij ook ad Maxim. 
Philos. 3 : zeker heb ik mij ook dacffover verwonderd, hoe sommigen 
het ook maar in hun hoofd hebben durven halen {ttooq o^mq sc^v 
ivvoiio'xi T6ToX[j(,vis^xvtv\ OTI (pv(r€öt)g xiU)Xovbtci^ ysyevviTXt xv^pcoTrog, Immers 
ware aldus ttspittvi Tvig Mxpixg vi fivfffifj. Want de natuur weet er 
niet van, dat eene maagd x^P^^ xv'Spog baart. En er kan daarom 
evenmin sprake vallen van eene soort hemelsche, praeëxistente 
menschheid : slscoTug scxtx^vcóvovtxi sxvtoov al degenen die meenen, 

TTpO TVig MxpiXg Sivxt TVIV isc XVT^g (TXpSCX SCXt TT po TXVTffg TtVX io-X^^^^^i 

^^X^^ xv^pooTTtvtiv TOV Xoyov^ sext èv xvTifi Trpo TViQ eTTtiyjfitxg xai 



Digitized by 



Google 



164 

yey&fv\(Tb»i^ ad Epict. 8. Athanasius redeneert hier uit Joh. 1 : 14; cf. 
ibid. 4. Aan verandering der goddelgke natuur te denken, is 
ongeoorloofd : ivocXXoiotyrog ov(rx )cxi irpêTTog, ibid. 5, cf. 7, 8, e. a. p. 
Maar evenzoo gaat het niet aan, dat men de menschelijke 
ofioova-tog aan de goddelijke denke. Wat behoefte toch was er 
dan aan de èTriSijfitx van den Logos, hx j} to éxvrov ofioovtriov 
èu^uffirrxij of met verandering Zijner eigen natuur, lichaam werde? 
Want de Godheid neemt Zichzelve niet aan om zich te bekleeden 
met hetgeen haar in wezen gel^'k is, ibid. 4. En hebben de 
Vaderen te Nicea van ofioovviog gesproken, ou to (too(ax xXK xvtov 
Tov viov ofAoov(nov elpyjKxvi rov Trxrpog^ en zij beleden, dat Deze 
uit het wezen des Vaders, maar het lichaam uit Maria was, t. a. p. 
8- Anders ware ook de Vader met dat lichaam gelijken wezens : 
êl ofjt,oov(noq o Koyoq T^ (roofJLXTi sx, yvig èxovri rviv 0v^iv, en de Logos 
eenswezens is met den Vader, ofioovvtog s(ttxi kxi xvTog o Txrvip 
TCf) (Tcófjt^xTi, dat uit de aarde is, ibid. En dat zoude het recht 
benemen, den Arianen euvel te duiden, dat zij den Zoon een 
schepsel noemen, omdat men alzoo zelf den Vader met de 
creaturen deszelfden wezens zou laten zgn, ibid. Nu willen de- 
genen die dit leeren, naar hun voorgeven de Drieëenheid hand- 
haven. Want als wij het lichaam ofioov(nou aan den Logos noemen, 
beweren zij, fji^svei vi rpixg rptxg, omdat de Logos dan ovisv ^svov in 
haar invoert. Doch als w^' zeggen, dat het uit Maria aange- 
nomen lichaam een menschelijk lichaam was {xvbpotyjnvov)^ dan 
TSTpxg ivTi rpixioq yivsTXi iix tviv tov a-cofixTO(; Trpo^^yjscfiVj wijl het 
lichaam dan in wezen van haar verschilt, ibid. 8. De hoofdfout 
dezer redeneering ligt hierin, dat zij van de mogelijkheid 
uitgaat, alsof bij öod toevoeging kon plaats vinden, en dus wederom 
in het foutieve Godsbegrip. En waar Athanasius hierop wijst, treedt 
in het licht, hoe klaar de onderscheiding tusschen God en 
schepsel voor zijn bewustzijn stond. Hij antwoordt, dat als zij 
van oordeel zijn anders een rsrpxg te krijgen, ttoXv ttXxvccutxi^ to 

TODjfJt^X (TVVe^KTOVVTSg TCp TOlijTlflj XXI VTTOVOOWTSq ivUXV^Xl TVfV ^eOTifTX 

7rpo(r^>l}cyiv Kxfifixveiv^ ibid. 9. Weten zij dan niet, dat de Logos 
(Txp^ ysyoys niet ^ix t^v TTpoa^yjiojv S'sötj^tö^, maar opdat jJ (rxp^ 
xvxa-T^; ibid. Bovendien zou hun beweren niet baten, zegt Athanasius. 
Want toen te Nicea het ofioovirtov werd beleden, sloot dit in, dat 
de Zoon een ander was dan de Vader. Dies zou ook hier op 
gelijke w^'s te redeneeren z^'n, en dan juist had men een 
Viereenheid ov voomiv^ ottco^ sxvtok; TrepiTriTTToufriv .... iq yxp 



Digitized by 



Google 



166 

o ülö^, volgens de Vaderen bi^oovtnog aan den Vader zijnde, ovk 
i(rrtu xitrog o Trovrvip, maar vhg Trpog Tarspa hsysTxt ofioov(rtogj zoo is 
ook TO o(jt,oov(Tiov (Too[Jt,a> van den Logos ovk xurog o Koyog^ iAA' erepov 
Tpog Tov Xoyov. En dus, sTspoxj ivrog^ kxt* xirovg, hrat vi xvtojv rpixg^ 
rerpxg. Dit betreft evenwel slechts hun verkeerde voorstelling 
van de Triniteit : oit yxp jj iXvibivvi Kxt ivroog tsXsix sext xSixtperog 
Tpixq ^6%6rxi TTpotT^yiyyiv, maar de van hen iTrmvomJLevvi. En hoe 
kunnen zij nog christenen zijn, oï hepov Trxpx tov óvtx ieou sti- 
voovvTeg; ibid. 9. Zoo is derhalve Jezus' menschelijke natuur bij 
haar vereeniging met den Logos menschelijke natuur gebleven, 
ad Adelph. 3, naar aanleiding van Matth. 8 : 2, ovt€ iix t}^v (TxpKx 
èvofJt,tv€, dat de Logos van God een schepsel was, outs iix to ehxi 
TOV Xoyov iyi[Jt,iovpyov TXTijg xr/cfw^, i^ovbsvei tviv a-xpjcx, vfv êv^sivfisvog 
flVj maar als in xTiffTCf) vxcp tov KTKrnjv tov ttxvto^ TpotreKuvetj en 
werd gereinigd. Zijn lichaam was aan het onze gelijk: x^/A^/Sf/v 
(scil. (i(p€t\€, cf. Hebr. 2 : 16, 17) ofi^otov ^f^iv (Tcofix^ waarom Maria 
ook i^^yjbcog vtoksitxi: tv" i^ xvTVig tovto ^x^ifi kxi cbg litov v'jrep vhjloov 
xifTo 7rpo(Tevsy}(,ifi, ad Epict. 5. Vatbaar ook voor den dood : ttxvo-ovtxi 

Sf TCXl 0/ sÏTOVTSg, fl}j 61VXI isKTtSCiJV bxVXTOV T}jV ^XpKX^ X>.KX TVj^ 

xbxvxTov (pvffecóg eivxi TxvTnv, ibid. 8. Deze menschelijke natuur 
was ook volledig, want (rxp^ beteekent in de Schrift mensch: 
o Koyog vxp^ eyevsTO^ hov ttxXiv itrTtv sIttsiv^ o Xoyog xv^puTog ysyovev, 
ibid. 8; of. c. Ar. Hl, 30: tj^^ ypxcpvig sbog è%ov(r>ig Xsyscv (rxpi^x tov 
xv^pccTTov. ad Epict. 7: doordat de Heiland óvToog xXyibsiof, 
mensch werd, oKov tov xvbpooTrov ^ooT^pix hytvsTo, Onze behoudenis 
is niet een waan, ook niet (roofji^xTog fiovov, maar oXov tov xv^pcoTrov, 
d. w. z. ^vx^l^ ^ott a-cüfJi^XTog xXyibug jj vooTviptx y^ovsv êv xvTcp Tcp Xoycji, 
Athanasius spreekt dan ook van een iyvosiv des vleesches. c. Ar.III, 
37 : in de Godheid is geene onwetendheid, Tvig ^s (rxpKog l^tov strTi 
TO xyvoêiv, Cf. ibid. 38 en 43 : dit was geen i}.xTTUf4>x van den 
Logos, x?^^x T}jg xv^pccTTivyjg Cpv^eug, vig è(TTiv i^tov xxi to xyvosiv. 
En 45 : oti tcqv xvbpcaTrccv ïSiov êvTi to xyvoeiv^ kxi iTt vxpxx xyvoovtrxv 
svèiv^xTO, èv ^ c5v, (rxpKtscoog eXsysv^ ovsc ov^x. Dit niet- weten slaat op 
Joh. 11 : 34a, Matth. 16 : 136, Mark. 6 : 38c e. d. g. Alzoo wordt dus 
de volledigheid van Jezus' menschelijke natuur hier op verschil- 
lende gronden ontwikkeld. Want Athanasius zegt, dat de Schrift 
menigmaal onder vleesch den ganschen mensch verstaat; en hij 
kent ook het hoogere zieleleven {xyvosiv) er aan toe; en hij brengt 
de behoudenis in verband met den ganschen mensch, terwgl ziel en 
lichaam afzonderlijk genoemd worden. Ook handhaaft hij daeudn 



Digitized by 



Google 



166 

het eindige karakter dezer natuur, dat hij hare onwetendheid 
niet loochent. En waar hg wel verwerpt, dat er bg God iyvoiot, 
zou wezen, komt vanzelf de tweeheid der naturen meer uit. 
Voorts heeft hij in de boven gegeven plaatsen de onjuistheid 
van het monophysitisch denken op verschillende manier berede- 
neerd. Dit een en ander sluit zich geheel aan bij hetgeen wg 
vroeger van hem vonden aangaande de scherpe en heldere voor- 
stelling van het wezensonderscheid tusschen God en schepsel. 
Dat stelt hg absoluut. En wat wij dus tot nu toe van zijn ge- 
dachtengang merkten, beweegt zich niet in monophysitisohe 
banen. Daaruit kon bij logische conclusie geen „Vergottung" 
in Apollinaris' noch in Eutyches' zin volgen, want het houdt 
zich binnen de grenzen, later te Chalcedon met bewustheid 
aangewezen, van de beide naturen, welke „in ïhrer Integritat 
verharren." Edoch, we zijn nog niet aan het eind. Gaan we daar- 
om verder en onderzoeken we ook, welk kcu^akter de eenheid dezer 
beide naturen volgens Athanasius draagt. Allereerst dan bezigt 
hij uitdrukkingen als av^puTog of (rxp^ yevstrbxi. Bewijsplaatsen 
hiervoor bijbrengen mag overbodig gerekend worden. Doch wel 
verdient het opmerking, dat z, i. daarmee eene voorstelling van twee 
zonen uitgesloten is : ad Adelph. 2 o] ^s ^ixtpovvTsg t» ^SixtpsTX, 
vipvvivxvTo TOy O Xoyog a-xp^ iyevsro kxi èvKYivutTev sv vifjt^iv, Cf. ook ad Epict. 
2. Natuurlijk is daarmee het 75 vf o-S-^s/ nog niet in monophysitischen 
zin genomen. Voorts gebruikt hij woorden en beelden, die de voor- 
stelling van inwonen geven: het voorzetsel fv, èvoiiceiv^ uxog e a., of van 
bekleed zijn of zich bekleeden : TreptfioXvi, èvièiv(Tbxi e. d. g. Ver- 
volgens heeft hij (rcofix of (rxpy.x Xx(3€ivof ook Cpopeiu, en ook vvvsivxi. 
Dit alles werkt niet in de richting van eene „Gottmenschheit" 
als „einheitliche" natuur, ad Epict. 9 heeft hij : jJ tov Xoyov Tcpog 
xvTO (scil. TO ivbpoüTnvov ^af4,x) scotvcoutx re KXt 6vu(ng, Hij stelt 
de menschelijke natuur voor als het instrument, waarvan de 
Logos zich bediende, de Incam. 42 e) èpyxvcp ycexp^rxt xv^pcoTOv 
^oüfJi^XTi Tpog (pxvspoofTiv xXif^etxg kxi yuu(nv tov Txrpcg. Cf. ibid. 46. 
c. Ar. m, 36 èxv ïScofzsv xvrov 5/' ipyxvov tov ïStov ^oofiXTog bsiKcog 
TrpxTTovTx Tl . , . cf. ibid. 53. Bepaald aan Athanasius eigen is echter 
de term ïiioTroieiv. de Incam. 8 : indien Hij in de maagd voor Zich- 
zelven vxov to fraiix toebereidt y,xi ïSiotoisitxi tovto do(rT€p ipyxvov, 
iv xvTcp yvcopi^o(jt.6vog kxi èvoiKoov .... indien Hij toch de menschen, 
die zich naar het verderf keeren, wederom tot de on verderfelijk- 
heid brengt en hen van den dood bevrijdt ti{i tov (rooi^xTog ïSio- 



Digitized by 



Google 



167 

TToi^iTsi en door de genade der opstanding. . . . c. Ar. III, 33, 38 ; 
ad Epict. 6, e. a. p. Daarmede gelijkstaande is, dat hij spreekt 
van Jezus* ihov (tooiji^x e. d. g. ad. Epict. 5 ; c. Ar. III, 36, e. a. p. 
En wat den zin betreft komt hiermee ook overeen het gebruik 
van den genitief, de Incam. 18 : het lichaam dat geboren werd, 
at en leed, ovx srepov rivog xXhot, tov xvpiov yju. c. Ar. I, 44, 45 ; Hl, 53 ; 
cf. ibid. 32 ryjg ffxpxog 7r»(TXOV(TVig oök j}y ixrog Taimjg o Xoyoq, itx 
TovTo yxp avTov Ksysrxi to Trx^og, ad Epict. 6, e. a. p. Nu 
spreekt Habnagk van deze uitdrukking als een „bedriegelijke" 
formule. Il, 310 , 1 : „Die Unterscheidung der Gottheid und 
„Menschheit in Christus tritt in den Reden gegen die Arianen 
„stark hervor. Die Einheit wird dann wieder durch die trügeri- 
„sche Formel gewonnen, dasz das Fleisch des Logos eben sein 
„Fleisch war." En hij verwijst daarbij ook naar „das besondere 
„charakteristische Wort ïSio7roni(ng für die Fleischesannahme." 
Echter zegt hij niet, waarin het misleidende dezer uitdrukkingswijze 
bestaat. Hij zal wel bedoelen, dat zij de gewilde eenheid 
niet weergeeft. Doch dan komt het geheel op de vraag 
aan, welke eenheid men hebben wil. Als Harnack nu evenwel 
ibid. p. 376 concludeert : „diesen Leib zu seinem Leibe gemacht 
„und desshalb in die Einheit seines Wesens aufgenommen", 
blijkt, welke vereeniging hij op het oog heeft, of welke eenheid 
Athanasius z. i. bedoelde. Op deze plaats toch spreekt hij over den 
den wettigen erfgenaam van diens theologie. Nu zit deze ge- 
volgtrekking inderdaad niet in den term in. Wat iemands eigen- 
dom wordt, verandert daarmee nog geenszins naar innerlijk be- 
staan, en is dan nog volstrekt niet met den eigenaar in „eenheid 
van wezen" opgenomen. En alzoo rgst de vraag, of Habnaok 
zich ook een verkeerde gedachte vormt van de door Athanasius ge- 
zochte eenheid, en of de formule voor Athanasius' bedoeling wel zoo 
„trügerisch" is. Of. ad Epict. 6 xvrog viv o ttx^x^^ ^^' A*^ töso-^wv, 

TTX^XaV [ASV^ hl TO ÏSiOV XVTOV S7rX(T%6 fTOillX^ KXl êv ivT^ rCj) TX(r%0'^Tl 

jfv. f4,}i 7rx^%uv Sf, in rifi (pvcst $€og uv o Xoyogy xirxbyiq i^Ti, Kxt xörog 
(j(^6v O xtrcofJi^XTog fjv êv Tcp Trx^rjTcp troofixTi, to 55 voofix sixsv iv xvTcp 

TOV XTX^ij KoyOV^ iCPxVlt^OVTX XVTOV TOV (FCOfJi^XTOg TXQ X^^€V€lXg. 

Uit deze plaats blijkt, dat Athanasius geen eenheid des wezens 
wilde hebben, maar eenheid van persoon : xitTog leed wel en leed niet. 
Doch dit wordt hier niet voorgesteld, alsof alleen verschil van 
gezichtspunt onderscheiden deed. Neen, maar het was iets anders 
dat leed, en iets anders dat niet leed. Hetgeen leed en hetgeen 



Digitized by 



Google 



168 

niet leed waren zakelijk verschillend, en niet slechts naar zekere 
manier van beschouwing. Doch vereenigd waren beide, doordat 
zij één en hetzelfde subject hadden. Nu volgt hieruit echter niet, dat 
deze twee niet bij éénzelfde werk konden betrokken zijn ; cf. ad 
Serap. IV, 14 èyivsro Sf rxvrx (scil. spy» van Jezus, waarover 
tevoren gesproken werd) ov ^iifipijfAsvccg scocrx rvjv tccv ytuofisvoov 
TroiOTyjTXj a(TT6 TX f^sv Tov (rciO[AXToq^ Xoaptc; TViq beorviroq^ rx 5f rv\(; 
beoTviToq^ %«p/^ TOV (TUfji^xTog ^sMvv^^xi. (Tvm^fJiffJi^evug Sf txvtx syivsTO^ 
icxi elq yjv o txvtx toiuv xvpiog Trxpx'So^oog rifi kxvrov %xptTi, Doch 
sk en ^vv^fifieuug zijn niet onbestaanbaar met xrpsTrrooq ts kxi 
iö"L/7%yT6?^, te Chalcedon als formuleering gekozen. 

Dit vereenigd-zrjn der menschelgke natuur met de goddelijke 
unione personali had echter voor haar beteekenis en werkte voor 
of op haar iets uit. Werd dan eindelgk bij dezen effectus naar 
Athanasius' voorstelling eene opname „in die Einheit des göttlichen 
Wesens" tot stand gebracht? c. Ar. I, 42 : de Logos vermin- 
derde door de aanneming des lichaams niet, /ca^AAöv jcxt è^soTrottia-sv 
OTTsp èveiviTxro kxi wXeov 6%xpi(rxT0 rep ysvei roov iv^pccTruv tovto. Ook bij 
Jezus' lichaam of menschelijke natuur is dus sprake van „Ver- 
gottung". En tevens spreekt Athanasius hier den nauwen samen- 
hang van deze „vergoddelijkmg" met die der geloovigen uit. Doch 
opmerkelijk is, dat hg juist te dezer plaatse ook bezigt het beeld van 
een kleed, zoodat de ^60'7roivi(ng geenszins als eene opneming in 
eenheid met het goddelijk wezen wordt voorgesteld, doch slechts 
als eene verandering van geaardheid of bestaanswgs, waarbij de 
verhouding tot de Godheid van den Logos blijft die des gewaads 
tot den drager. Bovendien wordt hier geene voorstelling gegeven, 
alsof dit proces reeds met het aantrekken des kleeds plaats vond, 
maar het is, of de Logos Zijne menschheid omzette, toen Hij 
reeds in haar inwoonde, of haar aanhad ; m. a. w. de b607roiyi(nq 
wordt temporeel losgemaakt van, en later gesteld dan de èv^vtriq. 

Duidelijker nog is dit aangegeven c. Ar. UI, 38 isoq uv. 

7rpo(T€Xx(/,^xvE ryju (rxpxx^ jcxi èu (rxpjci oov è^soTroisi tviv (TXpKX, 

Waarin bestond deze ^€07roiij(ng? c. Ar. I, 45 khxfjt^^xve yxp kxtx 
ro v^owbxL TOV ocvbpooTTov, v^oovig 5f viv To bso'TTOLSKrbxi xvTOv. xitToq ys 

o Xoyog êïX^V XSl tovto KXTX tviv 7rXTpiK,V\V êxVrOV ^SOTVJTX kxi TBXfilOTV\TX, 

Dit zou den indruk kunnen maken, alsof het „rund bedeutet 
werden wie Gott'*, alsof n. m. 1. o xvSrpooTrog verkreeg alles, wat 
xvTog o Xoyog volgens eigen TrxTpiKvi beoTvig kxi TeXsiorvig reeds bezat. 
Maar dit staat er toch niet. De „mensch" èbeoTroivibvi, Deze ontving 



Digitized by 



Google 



169 

dus het heeten of zijn van „God". De Logos had dit reeds, en 

wel KXTX TViv TTxpriKviy 6XUT0V bsoTviToc xxt T6KsioTv\rx. Doch van 
welken aard het deot; shxt van „den mensch" is, blijkt hieruit 
niet. de Deer. Syn. 14 biedt eenige nadere aanduiding : i^êOTOisiro 
TOVTO (scil. To ffoof4,x) Kxi oL^xvxvov iTTSTêXei. Het staat dus in ver- 
band met de onsterfelijkheid. Deze echter mag niet opgevat 
worden als een slechts blijven bestaan, een niet vernietigd 
worden, cf. BornhsLusee a. w. p. 46-- 48. Breeder teekening 
biedt o. Ar. m, 53 : to ocvbpooTrivov èv n/i (ro(pi(jt tposkotttsv^ uTrspxvoc- 
(3xtvov xar' oXiyov t^v dvbpoQTtvvjv Cpua-tv^ y,xi ^soTTOtovfjisvov kxi ipyxvov 
xvTyiq Tpog T^iv svepyeixv rvit; beoTvirog icxt tvjp sKKxfJL^iv xvrv.g yivoiJf^svov 
Kxi (pxivofJievov 7rx(Ti. Het is derhalve de verandering in eene gesteld- 
heid of eenen toestand, dat deze menschelijke natuur als hoogste 
openbaringsorgaan van Gods werking en heerlgkheid dienen 
kan. Zij blijft instrument; cf. de Incam. 45, e. a. p. Is hierbij 
nu sprake van een vTrspxpxfSxivstv kxt' iKiyov tv\v xvbpcoTnvviv cpu(riVy 
dan zegt dit niet, dat er wezensomzetting plaats greep, maar het 
krijgt voldoenden zin, wanneer we het verstaan van een uitgaan 
boven onzen tegenwoordigen toestand ; voorts als een verheerlijkt 
zijn hooger dan deze menschelijke natuur zelve in staat was 
zich te verheffen; en daarmee overeenkomstig ook als een ver- 
heven zijn boven elk ander mensch en creatuur. In elk geval 
bl^'kt niet van een „Aufnehmen in die Einheit des Wesens" 
met de goddelijke natuur, ad. Adelph. 4. . . . xbro^; i^^evbepuryig 
Txayig (TXpMt; kxi Txtrfig KTiTsag yeyove. Zijn zending door den 
Vader, en geboorte uit eene vrouw bracht ons geene schande aan, 
iXXx [ixhXov eiiSo^txv kxi (AsyxKviv %ö5p/i/. Want Hij werd mensch, 
fv' viiJt^xq sv sxvTCf) ^€07roi}^(rifi, . . . ibid. 5 rviv roiwv TrpotrXyi^beivxv utto 

TOU XOyOV CapJCflt, eTTl TCp TTXVTXq XU^pUTTOVi; eKeubspOi^Xl KXI TTXI^TXg BK 

vsKpm xvxvrvi(Txi^ kxi xfJt^xpTixg ^vrpu^xa-^xi . . . Ten slotte hiermee 
in verband ook nog de vraag naar de aanbidding van Jezus' 
menschelijke natuur. De Arianen hadden geen bezwaar om den 
Zone Gods, hoewel volgens hen niet waarlijk God doch schep- 
sel, niettemin als God te vereeren, evenmin als Nestorius 
later aan Jezus' menschelijke natuur gelijke hulde met de god- 
delijke wilde weigeren : xoopi^^oo rxg (pv^sig^ iAA' èvca tviv TpovKvuvitrtVy 
bij Hagenb. § 100, 3. Die echter dezen weg van schepselaan- 
bidding niet op wilden, gingen in drieën uiteen. Sommigen zeiden, 
dat dus Jezus' menschheid «xt/o-tö^, d. w. z. wezenlijk goddelgk 
moest zijn ; cf. c. Apoll. I, 6. Athanasius verwerpt zulks, ad 



Digitized by 



Google 



170 

Adelph, 6 oi yocp fjt^vj bsy^vreg (To^pn» y^o(Jt.6vov tov Xoyov wpocrKwetv, 
(xx»pi^TOV(ri Tifj ivxv^pcöTVjvsi xvTov. Anderen gingen scheiden: ov 

TrpOtrXWOVflSV ^fA€tg tov XVptOV f4,€TX TVjg (TCCpJCOg OiWOL itatpOVfl€V TO ffCOflX^ 

Kxi fjt^Gvcf) Tcvrcfi XocTpsvofJt^sy, ad Adelph. 6. Ook daarvan wil Athanasius 
niet weten : kxi o\ ^locipovvrsg tov Xoyov kiro Tv^q trxpKog, oö^s f4,ixv 

XVTpUfftV TViq XfAXpTtXg yeVStrbxi, oiÜS KXTXXVtTlV TOV bxVXTOV VOfi^tt^OWlV^ 

ibid. En hg voegt er aan toe : ttov is ixooq oï ifre^eig kxi x^S"' 
sxvTviv 6vp^(T0V7i TVfv (Txpscx, jjv èxoifisv O ^ooTVjp. Scheiding is alzoo uit- 
gesloten, onderscheiding echter niet geloochend doch geleerd. Positief 
verklaart Athanasius ibid. 8 : ysvoiJt^svov is xxjtov kxi ivbpooTrov iix tvjv 
ilfASTSpxv (Toimjpixv Tpotrycvvovfisv^ ov% uq Wov èv hcp ysvofj^svoM Tcp trosfi^Ti^ 
maar &q isvTroTyjv Trpo^XxfiovTX tviv tov iov?^ov f4,op(pviv, xxt i^fjt^iovpyov 
Kxi KTKTTyjv sv jcTKFfixTi ysvofjt^svou^ opdat Hij alle dingen sv xvTqj 
sksvbspafTxq^ de wereld TTpotTxyxyift Tcp TXTpi^ sext s\p^vo7roni(rifi alle 
dingen, die in de hemelen en die op de aarde zijn. Want aldus 

{pVTOo) KXl TVjV TTXTplKVfV XUTOV ^SOTVjTX STTtyiVUfflCOflSV KXl T^V SV(TXpKOV 

xÓTOv Txpov^ixv Trpoa-Kvvovfisv, 

Op geenerlei wijs wordt hier eenige wezenseenheid of „Ver- 
gottung" als een physisch proces in min goeden zin geleerd. 
Integendeel blijft de voorstelling van inwoning gehandhaafd, 
daarbij echter alle scheiding of gelijkstelling der twee naturen 
afgewezen, en de eenheid aangeduid met xÓTog ; terwijl de 
ongelgkheid der beide naturen opzettelijk uitgesproken, en de aan- 
bidding aan xvto^ gebracht wordt : ov scTt^fJt^x TrpocrxvvovfJi^sv, f4>vi ysvoiTO. 
sbviKm yxp jcxt Apstxvav jj toixvtvj Tr^xvvj. Maar wij aanbidden tov 
Kvpiov T}jg KTiffsoog (TxpKCöSrsvTXj den Logos van God. Want indien 

ook )5 ^<^P? ^^'^ i^^^' SXVTVfV flSpOg StrTl TOOV KTtO-fJ^XTOiJV, xXXx ósov 

ysyovs (roof^^Xj kxi ovts to toiovtov (tcc(J(,x Kxb' sxvto itxipovvTsg kico tov 
hoyov irpofT^vvoviisv, En als wg den Logos aanbidden willen, ovts 
[ixy,p\jvo[isv xvTov kir o Tv^q ^xpKog^ maar wetende, dat „de Logos 
vleesch werd", tovtov kxi sv crxpxt ysvofjisvov sTrtytvooa-KOfisv 6sov^ ibid. 3. 
De Gode betamelijke huldiging geschiedt den Logos, ook al heeft 
Hij zich met de menschelijke natuur bekleed; doch Hem, niet 
haar betreft zij. ibid. 6: mogen zg weten, oti tov wjpiov sv (Txprci 

TTpO^SCVVOWTSg^ ov KTKTflXTl TT pOO-XVVOV f4,SV ^ iXXX TOV KTKTTVjV èuivffXfJl^OV 
TO XTKTTOV (TCöfJt^X. 

Zegt hij nu ibid. 7 : Troog to troof/^x tov Kvpiov, to vxvxyiov kxi 
7rxv(rsTT0v x^ij^ug .... kxi tov Koyov ysyovog svSvf/^x ov TTpoarKWijTOv^ 
dan wordt zgne bedoeling kenbaar uit het beeld van den tempel, dat 
hij vlak vooraf gebruikte en hier nog in zijn woordenkeus laat 



Digitized by 



Google 



171 

doorwerken. Als men den tempel zag, die van steenen was 
gebouwd, geloofde men niet, dat ook de Heere, die in den tempel 
Zgn woord gaf, een schepsel was. Doch evenmin verachtte 
{i^ovbevouvTsq) men den tempel, verwijderde zich daarvan, en aanbad 
God op een afstand {i7r€p%ofJt,€voi fjt^xxpocu TpotrsKuvovv). Doch men 
ging in den tempel, en vof4>ificog èXccTpsvs rcf dsq) xtto rov pxov 
Xpvifiari^ovTt. En zoo zegt Athanasius dan vervolgens ook in 8 : der- 
halve, o Tov vxov irif^x^oov^ aTifix^ei rov èv Tcp vxcp Kupiov xxi i ^ixipoov 
Tov Xoyov XTTO rov ^cof/^xrogj ibsrei tvjv %xptv r^v iobeivxv vi(jllv èv xvrq), 

Alzoo wordt ook hier het wezensonderscheid tusschen God en 
schepsel, tasschen Jezus^ goddelijke en Zijne menschelijke natuur 
niet nevelachtig. Desbetreffend verduisterde Athanasius' bewust- 
zgn noch door de jaren, noch bij de onderscheidene punten. 
Consequent handhaafde hg het. In zgn Godsbegrip school zijn 
kracht ; of wil men : in de Schrift, waaruit hij den inhoud zijner 
denkbeelden en voorstellingen verkreeg. Zgne theologie kon, als 
men zich daaraan hield, niet leiden tot Monophysitisme. Cf. ook 
BoBNHausEB a. w. p. 73 : „die Darstellung der griechischen Erlö- 
„sungslehre durch Hahnagk, so wie sie uns das „Wesen des Chris- 
„tenthums" bietet, — erscheint — in jedem wesentlichen Punkte als 
eine irrige, wenn man sie an Athanasius miszt."Vgl. ibid. p. 77, 1. 

Omdat nu voorts Gods wezen zoo geheel verschillend is van 
dat der creatuur, onderging de Zone Gods b^* de aanneming der 
menschelijke natuur geene verandering. Hij toch is deszelfden 
onveranderlijken wezens met den Vader, i is vhg èx rov Txrpog 
cSv, Kxt rvig outrixg xirov ®/ö^, ivx^^oiurog kxi xTpsTrrog icr/v c&c xifrog 
o TTXTtjPj c. Ar. I, 36 ; en in [axXkttx ysvof/^svog xv^puTog ieiKvvtrt Tffv 

TXVTOTViTX KXt TO XTpSTTTOV ixAJTOV TOig VO[Jt^l^OV(nilX TVIV (TXpKX flKXOlOOtrbxi 

xÖTov KXt Irepov r/ yeyevvi^bxi^ ibid. Hij kwam daardoor niet in 
betere conditie, ov yxp i? sXxttovoov (3€Xticöv yeyovsv^ , . . )cxt iv tc/j 
^(Sstv ovK i/SfAr/wS")^, «AA' èrxTreivoofTev sxvtov^ c. Ar. I, 40. Van het 
onze bezat Hg niets sig fisXTiooiriv. Want Gods Logos is ocvev^e^g 
Kxi TT^yipifgy ibid. 44; cf. ook ad Epict. 9. Het voordeel is aan 
onzen kant : i^ f4,6 tg ie irxp xvrov (ji.xKXov è^sKTtoobviiJt^ev^ ibid. 

Ook verminderde Hij er niet op : ov yxp yi>,xTTuSryj o Xoyog 
(Too(jLX Aö5j3a?i/, c. Ar. I, 42; cf. de Deer. Nic. Syn. 14. De Triniteit 
gedoogt geene vermindering, evenmin als toevoeging, ad Epict. 9 
VI fisvTot Tptxgy KXt KxfiovTOg €K Mxpixg ^cofix tov Xoyov^ rptxg ia-rtv^ ov 
ieX^f^^^ '^po^^^J^yjv ovie oc^xtpetrtv^ ci^A' xet rsKetx hri sext sv rptxSt 
fiix ytva(rKSTxi. Het vleesch ontnam den Logos Z^'ne heerlijkheid 



Digitized by 



Google 



172 

dan ook niet. Zelf werd het verheerlijkt. De Godheid kent geene 
verandering, ad Adelph. 4 oi yxp ccSo^txu viveyiuv vi vxp^ T(f Koy<f)^ 
(j(^vi yevoiro^ ocXhx (ji,xXXov xvr^i isio^atrrxt wocp^ xurov. oiiSs sirsiivi ^ovKov 
(AOpCpviv ocvsXxfiev o èv f^^opCpifi ieov ÓTXpXuv vlog^ iiXxTTubvi T^g ^soT^roi;. 
Niettemin valt er sprake van (rvyKxrx^x(nq. c. Ar. Il, 64: de 
Zoon heet niet Eerstgeborene der schepping S/' hxuTov ug 3CTt(rf4,x, 
noch iix TO (Tvyysveixv rivx kxt" oó(nxv Trpoq '7rx(TXv tvjv ktktiv i;^f/v, 
maar on Tcxt kxt" xpxyiv f^^ev ^yjiJt^iovpyoov o Xoyoq tx KTi^fixroc^ (rvyjcx- 
j3fj3jfXf TOig yevviroiq^ Ivx yevetr^xi rocvrx Süj/jjS"^. Want Zijne (pvtrig 
xKpxTog jcxi TXTpiK}i Q\j(TX Xxfjt^TpoTijg zoudcn zij niet hebben kunnen 
verdragen (ovk iv fiveyicêv) indien Hij niet ^iKxvbpcoTri^ TxrpiK^ 
(rvyKXTx(3xg xvreXx^sro^ kxi icpxT}j(rxg xvrx 6Ïg ov^ixv vivsyKê. kxi ^suTêpov 

5f TTXKlV, OTl KXI (rvy)CXTx(3xVT0g TOV XoyOV^ vloTTOtSlTXt KXt XVTVI VI KTitrig 

5/' xvTou, Opdat Hij in alles haar TrpuroTOKog zou wezen, èv re Tcp 
rcTi^eiv KXi h rep ehxysa-^xi uTrsp txvtuu êlg xvtviv tvjv oiKovfjLsvviv (cf. Hebr. 
1:6); cf. de Incam. 8. Hier wordt alzoo het verband met de 
schepping vastgehouden ook in de leer der nederbuiging. De 
Logos vTTs^xXsv 6XVT0V ^tx o-ufixTog ^xvvivxi^ opdat Hij oog xvbpccTrog 
de menschen eig Ixvrov (Jt^ersvsyKi^^ de Incam 16 ; cf. de Deer. Nic. 
Syn. 1 ; en c. Ar. m, 30 : Gods Logos, door Wien alle dingen ge- 
worden zgn, vTTSfisivs xxi vhv xv^pooTrou ysvstr^ai kxi hx'Trsivod^su éxvTov, 
Kxficov ^ovKov fjLopCpyjv. Vgl. ook reeds ibid. 1,40. Dus rijst de vraag, 
of ook het bezit zelf van de menschelijke natuur als TXTretvutrig 
door Athanasius gedacht werd; d.w. z. niet maar als een daad van 
(piXxvbpoiTTLX krachtens Gods goedheid, evenals Athanasius ook bij 
de schepping van (TvyKX7x^x(Tig spreekt, van een zich naar der schep- 
selen zwakheid schikken Gods, doch als vernedering in engeren 
zin, en wat daaronder te verstaan zij. 

c. Ar. I, 43 schrijft hij : xvrog ys o (rooTvip èTXTsivutrsv bxvtov sv 
Tcp Xx^etv TO TXTrsivov vifJLm (Toayt^x, iov^ov ts fJUipCpy^v èXxfisv^ 6V^v(ra(j(.evog 
ryjv ^ovKcoSr€t(rxv vxpxx T\fi xfjLxpri^, Hier wordt de vernedering dus 
in verband gebracht met jj rov (Tcc(ji,xTog rxTreivoTTig, en de ^ dienst- 
knechtgestalte" gezocht in de gesteldheid van het aan de zonde 
dienstbare vleesch. 

Nu beteekent fiopcpvi: gestalte, gedaante, beeld. Des konings 
fiopcpvi KXI êïSog ètrriv j5 fJx6;v, c. Ar. IH, 6. iv rifi siKOvt to sïèogKXivi 
fiopCpvi TOV ^xviKsccg atm^ kxi sv Tcp I3x(n\€i 5f to èv Tifi sÏKovi sïhog 
ètTTiv. xTTXpxXXxKTog yxp è(TTiv vi èv Tyi aiKOvi tov fixviKsoog ofioiOT^jg, 
Zoodat degene die het beeld ziet, daarin den koning aanschouwt, 
en als men den koning ziet, weet men, oti ovTog è(TTtv o èv Tyi 



Digitized by 



Google 



173 

ehovi. Dit dient als TrxpxSsi^fJt^x bij den zin : èv yxp Tcp vlcp fi tov 
irotrpog ^soTy^g Sreupsirxi, welken Athanasius neerschreef met het oog 
op Joh. 14 : 9 ; 10 : 30, 38. Cf. de Incam. 14 : wanneer ii ypxCpsia-x 
èv ^v^Cfj [Aop^ onzichtbaar wordt h roov i^u^sv puTTuv, moet hij 
weer komen, ov kxi s(ttiv vi fiop^^ hx ivxKocLVKrbvivxi jj sIkccv ivvv\bTfi 
èv TTfi ximfi vXi{i^ Zoo kwam ook het beeld des Vaders tot ons om 
den mensch te vernieuwen. (Ji^opcp^ is dus gelijkenis, en iets anders 
dan wezen, ofschoon er tusschen wezen en gelgkenis een nauw 
verband bestaat. ^ovXoq kan iai tweeërlei zin genomen worden, 
c. Ar. II, 10 KXi Kvpioq uv £> nu f^t^opCpifi tov iouXov jfv. SöüAj^ yxp 
TOV hoyov il TTXtra JCTicrtg^ j5 Trap' xvtov yevofjt^vij xxi 7roi\jS^€i<Tx» 
Hier wordt SöüAö^ tegenover Kvpiog gesteld, en daarmee op 
eene verplichting tot gehoorzaamheid gewezen, die op de ge- 
heele schepping tegenover den Logos rust, omdat Hij haar voort- 
bracht. Deze dienstbaarheid omvat dus al wat schepsel is, en 
gaat eeuwig door, inzoover een schepsel nimmer ophoudt crea- 
tuur te zijn. Maar nu is er ook nog eene andere, van welke 
bevrijding mogelijk is en door den Zone Gods wordt aange- 
bracht, ibid. 14: want indien o èv fJt^op^ifi ieov vTxpx^ hoyog aan- 
genomen heeft ^ovKov fiopCpyjv^ dan jJ 'n-pO(r^vi\pig Tvig ^xpxog ovk 
eiovKov TOV Xoyov (pvasi Kvpiov Ivtx, xXXx (ixK>kOV èXsvbspootTLg [asv viv 
VI yevo(JL6VVi wxpx tov Xoyov Trocfr^g rvig xv^pcaTroTviTog, xvTog ys o (Pv(r6i 
Kvptog Koyog^ kxi iv^pooTog, Trottj^eig, itx Tvig tov ^ovXov fjf^opCpvjg Kvptog txvtoov 

KXt XpKTTOg^ TOVTefTTlV^ slq TO XyiX^£tV TCp TTVSVfJl^XTl TTXVTXg, TTSTOiyjTXl. 

Omdat de Logos Heer was van de gansche schepping, kwam 
Hij, in het vleesch verschijnend, niet onder de schepselen te 
staan. Desaangaande bleef Hij Heer. Maar in verband met Zijne 
menschheid bevrijdde Hij door den H. Geest het gansche mensch- 
dom van de dienstbaarheid der zonde en des verderfs (xytx^eiv). 
Echter wordt op deze plaats niet bepaald gehandeld over de 
verhouding der geheele schepping tegenover God, zoodat niet 
duidel^'k bl^'kt, hoe het in dezen stond bij Jezus' menschelijke 
natuur. Maar dit vinden we ibid. 53. Allereerst ten aanzien 
van het knechtschap des Heeren, wijl Hij zich aan de geloovigen 
verbond en als hun Hoofd optrad : shoTag xpx^ ^ovKuv ^fioov Ivtcov, 
ÓTs ysyovsv oog ^fieig^ KVpiov tov TTXTspx KxXst kxi xÓTog^ dg vifjt^sig. 
Echter is dit voorbijgaand. Ook bij ons. kxi tovto ^s qnKxvbpcn)' 
TTsvoiASVog ovTOo TTSTTOivfKeVy ïvx KXI vif^eig iovKoi KXTX (pvtrtv ivTeg kxi ie^x- 

fA€VOt TO TTVSVflX TOV VtOVj bxppVI(TCÜ[Jt,6V TOV ^VtTBl KVplOV SXVTOSV, 

TovTov Tifi %xpiTt TTXTspx KxXaiv. Dit ziet dus op eene dienstbaarheid 



Digitized by 



Google 



174 

als waarvan b. v. Jes. 42 spreekt. Doch hiervan is eene andere 
onderscheiden. En daarom vervolgt Athanasius : maar evenals 
wij, den Heere Vader noemende, ovk ipvovfisb» rvp/ kxt» Cpv(nv 
iouXsixv, xvTou ya,p hiiev IpyoL^ en Hg heeft ons gemaakt en niet 
wij ; o\)TOi(; orxv i vlot; tviv tov iovhov (lopcpviv ^Xfji^fixvoov Xsyifi : „de 
Heere schiep mg als het beginsel Zgner wegen" (cf. Spr. 8 : 22), 

/CAJJ otpVSKT^OaaXV TViV xiilOTViTX TTj^ TOVTOV S'f ÖTJfTÖ^. DcZC iovKsl» komt 

alzoo overeen met die van 10, boven bespoken. Nu werkt Athanasius 
niet uit, hoe wij ten aanzien van Jezus' menschheid over deze 
gehoorzaamheidsverplichting te denken hebben. Doch de con- 
clusie ligt voor de hand en volgt uit den regel, door Athanasius 
zelf tegen de Arianen verdedigd, om ook hier het creatuurlijke 
te laten doorloopen, en te erkennen, dat ook Jezus' menschelijke 
natuur in dezen zin iovM is. Echter niet alleen aan den Vader, 
maar ook aan den Zoon en aan den H. öeest, dus aan God- 
drieëenig. Daarmee wordt gehandhaafd, dat Jezus God is in 
volkomen gelijken zin als de Vader; dat Hij mensch is even 
waarlijk als wij; dat er tusschen God en schepsel geen middel- 
term bestaanbaar is, Cf. c. Ar. I, 46 kxi ia-ri TrxpxSo^ov Kxt skttKyi^xi 
ivvxfjt^svov xXi^Sfco^, fiv yxp ^iScotriv o vhq Txpx tov Txrpog %xpiv^ 
TXVTviv xvTog o viog KsysTxi Sf;^£ö-9'^/. x<%/ rviv v^catnv^ viv o vlog Trxpx 
TOV Txrpo^ TTOiêt^ TXVTTju cog xvToq v^ov(j(,6voq 6(TTiv O viog. Waut XVTOg 
o iv TOV öeov vioq^ xvTog ysywe kxi vkg xvSfpuTTOv. En als Logos 
geeft Hij tx Trxpx tov TrxTpog. Want al wat de Vader doet en 
geeft, 5/' xvTov ttoisi ts i^xi vxpsx^i- Doch als Zoon des men- 
schen xvTog ivbpoowivoog XsysTXi tx wxp' sxvtov ^ê%€(r^xi^ ^ix to fii^ 

STSpOV^ iAA' XVTOV SÏVXI TO (TCOfZX, TO CPv^tV f%ÖJ/ TOV ^6%6^^Xl TVIV 

%xpiv. Hieruit vloeit immers voort, dat de Zone Gods &q Xoyot; 
ook BXVTcp iq vlcfi xv^pcoTTov bevclcn geeft, en omgekeerd d^ vhq 
xvbpcoTrov ook ixvTc») ug Xoycp gehoorzaamheid betoont. Daarmee 
echter is de Zoon naar Zijne Godheid in evengelijken zin als de 
Vader en de H. Geest als volstrekt Gebieder, niettemin en evenzeer 
als mensch in Zijne creatuurlijkheid gehandhaafd, en toch blijft 
er aldus geene ruimte over om in dit opzicht van vernedering te 
spreken. Voor wat deze zaak betreft is dus het aannemen of 
bezitten der menschelijke natuur in zichzelf en zonder meer of 
qua tale (niet: in zichzelve en qua talis) geene ontlediging. 
K6voo(nq of TX7r€ivoo(ng hooren wat dit punt betreft niet hier. 

Is nu deze hv^etx of dienstbaarheid met het zijn zelf van crea- 
tuur gegeven, en geldt zij daarom van de gansche schepping, 



Digitized by 



Google 



175 

van al wat schepsel is in heel zijn bestaan en zoolang het een 
aanzijn heeft, met eene andere onderworpenheid staat dat anders. 
Deze laatste kwam deels door de zonde, deels uit het yerander- 
b£u:e en straks omtezetten karakter, waarin wij geschapen wer- 
den. Dat wij kunnen groeien en moeten eten of drinken, werd 
niet eerst door de zonde bewerkt. Daarentegen kwam de over- 
heersching door den dood enz. uit onzen val. Ook deze 
beide geeft Athanasius aan, als hij c. Ar. I, 43 spreekt van 
iv^va-xfisvog T}jv ^ovXccbsKrocv trccpKX r^ if/^xpri^, en ad Episc. Aeg. 
et Lib. 17 : brengen de Arianen tegen Jezus' Godheid' in, 
dat' er in de Schrift van Hem staat, Kvpto^ sKTifre fis xpxvfv oSuv^ 
dan handelen zij daarbij als xTociievroi KXi rxg 0p€vxg èfj[,(3p€^ovT}jfi€uoi. 
Want Hij heet ook SöüAö^ en icxi^iaKvit; \j]oq en lam en schaap; 
en er staat, dat Hem hongerde en dorste, dat H^' geslagen 
werd en leed. Maar dit heeft zijn goeden grond {rviv Trpo^x^tv 
Kxt TO xhiov föAöyöv). 6(rri is touto^ iiori ocvbpooTrot; kxi vhg iu^pcoTrov 
yeyovs^ y.xfiav rviv tov iovKov fjt^opcpyjv^ vith; iiv ff xv^puTTivyj ^xp^. 
Want de Logos werd vleesoh, zooals Johannos zegt. Indien Hij 
dan mensch werd, ov iet rivxg èTci txk; rotxvrxtg (poavxig (tkxv- 
ixXit^BiT^xi. xv^pooTOv yxp ïBiov TO XT/^fO'S'^JC/, TO yivê(Tbxiy gevormd 
te worden, te hongeren, te lijden, te sterven en uit de dooden 
opgewekt te worden. En evenals Hij nu ug (ro(pix tov TrxTpog 
i%£/ TXVTx Tx TOV TTXTpog^ TO xi'Stov, dc Onveranderlijkheid, to scxtx 
TTxvTx xxt êv TX(nv ifioiov^ het niet weten van een eerder of later, 
maar to (twvttxpxsiv t^ TrxTpi xxi xuto to tvi^ ^sotvito^ êïhoq xvtov 
ehxi .... zoo ook, mensch geworden en (rxpKx Cpopstrxg, f? ivxyx^q 
KTit^ê(T^xi XsysTXi %xi TTOisifrbxi Kxi TTXVTX TX TViq frxpKot; ÏSlX .... 
Al het creatuurlijke dus geldt ook van Hem. Ook hongeren en 
dorsten, evenals geslagen worden en lijden. Doch Athanasius 
brengt een en ander in verband met jj tov iov>.ov fiop(p>i^ 
waarvan hij dan zegt : jJt/^ j}v ij ivbponTrivvi <rxp^. Ook dit alles 
is dus iovXsix. 

Nu is de keuze van het woord vleesch eigenaardig. Blijkens 
het verband ontleende Athanasius het aan Joh. 1 : 14. En daar 
is ^xp^ aanduiding van de menschel^'ke natuur in hare gezon- 
kenheid. Voorts sprak hij van ttxvtx tx Tvjq (rxpKog ïSiXy van 
arxp^ iovXabeifTX^ en c. Ar. H, 14: )} 7rpoff>,yi\pig Tvig a-xpxoi; ovk 
eiovXov TOV Koyov (pv^ei xvptov ivTX xKXx. jCc^AAov èhevöspoocriq fjt^v j}y 
jj ysvofjt^wi TTxpx TOV Xoyov 7rx(ry\g tv\(; xubpooTroTVjTog, en dan 
voorts ook van xyixi^siv, Ct. c. Ar. IH, 31 : en daarom tx (jlsv 



Digitized by 



Google 



176 

/S/^» TXVTVj^ (scil. T}^g (TXpKog) avTOv Ksyeroci, ETreiSyj êv xvrifi yju otx to 

T€iVVIVy TO ^l^VIV, TO 7rXT%€lV TO SCOTtXV KXt TX 0f4,0lXj cSv fCT/V jj VXp^ 

isKTiKvi, en de Logos droeg Txg Tv\g trxpKog xtrS^svsixg (hg ïSixg, xvtov 
yxp viv jf ^xp^ .... c. Ar. I, 42 oti jcxi to yevstr^xi arxpscx tov 
^oyov KXi bxvxTOv vTroi^etvxi (rxpKt ovk etti i^o^icf^ TVjg ^eoTVjTog xvtov 
ysyovev^ maar tot heerlijkheid Gods des Vaders. . . . Athanasius 
schijnt het woord 7xp^ allengs meer gebruikt te hebben, bepaald 
ook in aansluiting aan Joh. 1 : 14a, en er dan, daarvan bewust 
of niet, de gedachte van het lijdende, zwakke, onaanzienlgke 
nauw aan verbonden te hebben. Cf. ook c. Ar. I, 41 tovtov 
(scil. TOV vT6pv\pov(röxt) yxp ijv èuisijg o xvbpUTroq iix to txttsivov Tviq 

(TXpKOg KXL TOV bxvXTOV .... f Adt/Sf T^V TOV iovXOV flOp^y,V KXt VTTSflStVS 

5/' i^fixg oog xvbpoawog êv Tifi sxvtov (rxpjct tov ^xvxtov. Dit zg hier 
echter verder gelaten voor hetgeen het wezen moge.Zetten we de be- 
spreking der vernedering voort, inzoover Athanasius daarvoor 

gegevens biedt. Zeide hij c. Ar. I, 40 : èv Tcp >m^6iv stx- 

TTsivcoa-ev iocvTOv^ dit vulde hij ibid. 43 aldus aan : èTXTrstvonfrsv 
exvTOv èv Tcp ^(Sêiv to txttsivov yi(jt,ccv (TonfJLX. 's Heeren lichaam toch 
was aan het onze gelijk, de Incam. 8 ^f4>(3xv€i kxvTcp (rcaf^^x kxi 
TOVTO OVK xhXoTpiov TOV vn^sTspov, Waut Hij wilde niet enkel 
{xTTKooq) êv (ToofixTi ysvstrS^xty noch alleen (pxvyjvxt. Dan immers 

iSvVXTO .... KXt 5/' £T€pOV KpSlTTOVOg TViV ^€0(pXV6tXV XVTOV TrOtVj^XV^Xl. 

Maar Hij nam to i^fjcsTspov aan en wel uit de maagd. . . . ccto 
^f4,6Tspcov TO ofioiov Xx^oov, Vragcn de spottende en ongeloovige 
Grieken, waarom Hij niet S/' iAAwv (Jt^poov kxXXiovoov der 
schepping verschenen is, en geen schoener instrument dan den 
mensch gebruikt heeft, b.v. jJa/^ j} (reXvjvin of sterren of vuur 
j} xï^êpi^ laten ze dan weten, oti ovk eTri^si^xtr^xi jjAS'fv o Kvpiog^ 
xXXx ^spxTTsvdxi KXI iiSx^xi Tovg TX(TxovTxgj ibid. 43. Hiermee 
wordt gezegd, dat zon en maan schoener zijn dan de mensche- 
lijke natuur. Zeker wel om haar schittering, grootte en be- 
teekenis voor het heelal. Doch voor ons opmerkenswaard is, 
dat de mogelgkheid van een èTihi^oi^^xi door zon of maan, 
d. i. dus door het creatuur, wordt toegegeven. Want alzoo verraadt 
zich reeds de gedachte, die het tx'ttsivov ziet in gemis aan io^x. De 
Logos nam een (Tcc(jt,x bvv\Tov aan, opdat de dood daarin zoude 
kunnen è^x(pxvi(r^yivxi, en de menschen weder naar het beeld 
Gods vernieuwd worden, ibid. 13. Het was een (rufix ofiotov 
sKstvoig (scU. Toig xvSrpooTroig) kxi sk tuv kxtu^ omdat Hij hen wilde 
baten, ibid. 14. Hij werd mensch évsKx tov xytx^etv ttjv a-xpKx, 



Digitized by 



Google 



177 

en nam een lichaam aan jj/ct/i/ ofji^oiov^ c. Ar. II, 10. En evenals 
wij ovic XV ^ksvSrspaSrijfJc^ev oiwo rviq xfj(,ocpTixg kxi rvig zxrxpxg, €Ï [jlv\ 
(pv(T€i (Txp^ yjv xv^puTTivyj, v}v svslvfTXTo o Xoyog (oiflsv yxp xotvov viv 
vi[/.iv Trpoc To xKKorpiov) zoo zoude de mensch niet vergoddelijkt 
zijn {èbeoTTOiviSfyi), ei [^v\ cpv(r€t ijc rov wxrpoq kxi xXyjSrivog kxi ïStog viv 
o Xo'/oq^ o ysvofj^^svoq (Txp^y ibid. 70. 

Echter werden de zwakheden des lichaams tenietgedaan, ad 
Epict. 6. Het lichaam werd een 5/^ rov Xoyov Xvrpoöbsv (Tuofj^^x kxi 
^mTToivi^ev^ ibid. 9. Het ontving krachtens de Trpog xvro koivouvix ts kxi 
hvoüdig van den Logos eene groote toevoeging {Trpotr^viKyi)^ want xtto 
SrvyjTOv ysyovev xbxvxrov^ kxi ^pv%iKOv iv yeyove TrvsvfJt^xriKOv^ kxi ek 
yviq ysvofzsvov Txg ovpxviovg ^ie(3}i TrvXxg^ ibid. De Heere toch had 
de menschelijke natuur aangenomen, opdat zij verhoogd zou 
worden : èXxf^IBxve yxp kxtx to vxjjova-^xi rov xv^pccTrov^ c. Ar. I, 46. 
Welke verhooging niet Jezus' Godheid betrof, wijl deze daarvoor 
niet vatbaar is: Troog v\povrxi o kxi Trpiv v\l^i<TTog uv] c. Ar. I, 41. 
Zij raakte dus alleen Zijne menschheid : TTjg xvSrpaTrorviTog 6<ttiv 
VI v^pua-ig^ ibid. Dienaangaande staat zij met de vernedering op 
ééne lijn : ov yxp èa-ri ro txttsivov^ tovtov kxi to vxpuSryjvxi xv elrj. 
En indien iix tviv 7rpo<TXviypiv Tvig (rxpKog het èTxyreivao-s geschreven 
staat, ivi^ov s(tti ts oti to vTrspvipcofrs S/' xvTyjv ècrriVj ibid. 

Ook ons gaat zij aan. Want evenals de Logos om onzentwil 
als mensch in Zijn eigen vleesch den dood geleden heeft, zoo wordt 
van Hem ook S/' ^fjc^xg kxi vwep vi[jloüv gezegd, dat Hij verhoogd werd, 
opdat wij h xvTCfi Tcp %pt(TTq3 TTxXiv v7r€pv\pcc^uf4^€Vj gelijk wij allen 
Tcp SrxvxTcp xvTOv in Hem gestorven zijn, ibid. Op deze wijze 
wordt dus ook de vernedering in engeren zin alleen aan Jezus' 
menschheid toegekend, of anders uitgedrukt : van den Logos 
gepraediceerd, inzoover Hij de menschelijke natuur in haren lagen 
staat wilde aannemen; gelijk Athanasius ibid. 43 zelf formuleert : 
de Heiland vernederde zich sv Tcp Xxfiety to txtteivov ^f4^cov trufiXy 
en Hij nam een dienstknechtsgestalte aan, êv^v(rxfZ€vog tviv ^ovXoobsKTXv 
(TxpKx Tifi xfjt,xpTt^. Zoo komcu de vernedering en de ver- 
hooging als vanzelf tegenover elkaar te staan, en wordt de 
voorstelUng gewekt, dat gene met deze verviel. Dit laatste vindt 
bevestiging in de voorstelling van de verhooging : v\j^c»)(rig 5f vjv 
TO SreoTTOieKrSrxi xvtov^ ibid. 46. Dit ziet niet op eenige „op- 
name in eenheid des wezens" met de goddelijke natuur, maar 
bedoelt, dat Jezus' menschelijke natuur tot het hoogste openbarings- 
instrument gemaakt werd van Gods werking en heerlijkheid : to 

12 



Digitized by 



Google 



178 

h^potyjcivov 6v Tifi co^tcfL 'TrposKOTTTsv^ vTTspctvx^Aivoy Kar* ixtyov njy 
dv^pcüTTiVijv ^vdiv jcxi ^eoiroioupt^evov KXt ipyxvov xvrvj^ vpcg T)fv hipysmv 
Tijg ^€of}rrog kou tijv ê)cXxf4^\l^tv aörtjg yivofjt^ov xxt ^xtvofieyov 'Treurig 
c. Ar. m, 63. Men kan dit niet voor ongergmd houden* Want 
als het betamelijk is {vpsTrst) rep wxrijup toxjtov (scil. tov }*oyov) êTrtlBxtvetv 
Kxi iv oXcp xvTov yvccpt^€(r^xt^ TpsTroi iv %cu èv iv^poyjnvtfi o'wfiXTt 
xÖTov è7n<pxive(r^xtj en dat dit door Hem verlicht wordt en a/^pyf/. 
Immers is het menschdom een deel van het heelal : fiepog yxp 
TOV Txvroq Kxi TO Tüüv xi/^pcaTTuv hrt ysvog. En wanneer het nu on- 
gepast is, dat een deel Zijn orgaan wordt Trpog rufv rviq ^sanfrog 
yvu^tv^ dan zou het wel zeer ongerijmd wezen {iroTcorxTov iv 
iivj) Kxi 3/' öAöü TOV Mo-fAov yvoi)piZ$(rbxi tovtov^ de Incam. 41. Want 
als iemand, terwijl het geheele lichaam door den mensch hspyenxi 
en (pcaTt^sTxi, het xtottov achtte, dat 'smenschen kracht ook in 
de teenen {èv Tcp ixKTvKcp tov tto'So^) aanwezig is, zou hij voor 
een dwaas {xvo^Toq) gerekend worden, hi iüovq èv Tcp i>xfi xvtov 
h'iKveitr^xi jcxi èvspyeiv^ kooKvsi kxi èv Tq) fispsi xvtov slvxt Q-eefb men 
daarom toe en gelooft men tov tov êeov Xoyov èv t^ icxvtï etvxt kxi 

TO TTXV VTT' xvtov (pCOTlt^StT^Xl KXt KtVSKT^Xl, OVK XTOTTOV XV ^yTJtr^TXl, 

KXI ffcüfix €v xv^pccTtvov VT^ XVTOV KivsKrdxi KXI ^ciyTi^s^^xtj ibid. 42. 
Heeft men hiertegen bezwaar, omdat to xv^pcorivov yevoq yewifrov 
is en i? ovk Ivtcov yeyove, dan moet men Q-ods schepping en 
voorzienigheid loochenen {KTia-eag xvtov ix/3/xAA6/i/), omdat ook de 
wereld (KTia-ig) door den Logos uit niet in het aanzijn werd ge- 
roepen, ibid. Voorts kan men het niet ongeloofelijk noemen, 
dat Hij zich openbaart door datgene, waarin Hij aanwezig is : 
tI xtkttov €Ï èv olq è(rTtVj èv TovTOig exvTOv kxi èTi^xivst; ibid. En 
langs dezen weg komen we dus tot de conclusie : ovk xtottov iv 

elvi ilXKOO-fjt^OVVTX XVTOV TX 7TXVTX KXI TX OXX ^OOOTTOIOWTX^ KXI ^6XV\(rXVTX 
3/' XV^pOOTTCiJV yVUpKTXl^ 61 IpyXVCfi KSXP^TXl XV^pUTTOV (TUfAXTl TTpOq 

(pxvepcoa-iv xK^^sixg kxi yvaxriv tov TTXTpoq, Immers (lapoq tov iKov 
KXI vi xv^pccTTOTvig TV/x^^^^i ibid. Zoo heeft de Logos derhalve 
xKoXovbooq de menschelijke natuur {(ruf^x) aangenomen en haar 
als orgaan gebezigd, om haar levend te maken, en opdat Hg, 

UfTTSp èv Tlfl KTl(T6t hx TCüV èpyoOV yVCCpi^STXtj ZOO OOk èv XV^pOOTTCf) 

èpyxfTVjTxi KXI iei^in kxvTOv 7txvtx%ov^ fivjisv èpy^fJi^ov Tvig èxvTOv ^siOTrjToq 
KXI yvoatreuq kxtxKi(J(,7txvoi)v^ ibid. 45. 

Wij kunnen dezen betoogtrant nog ééne schrede voortzetten. 
Is het toch met het oog op de creatie en de providentie niet onge- 
rijmd te achten, dat God in het menschdom aanwezig is en 



Digitized by 



Google 



179 

werkt, dfiui kan het geene verwondering wekken, dat Hij zich 
in de menschheid op hooger wijze openbaart, omdat deze naar 
luid der Schrift het rijkste schepsel is. En is zij eene organi- 
sche eenheid (^fvö^), dan kan al verder Jezus' menschelijke 
natuur in dit organisme de plaats van het hoofd innemen, ter 
uitstraling van de hoogste heerlijkheid en majesteit Gods, welke 
het creatuur verdragen kan. Immers is niet alleen Jezus' mensch- 
heid, maar is evenzeer het geheéle menschdom en al wat 
schepsel is, eindig. Voorts zijn de schepselen niet alle gelijk, maar 
er is verscheidenheid in rijkdom van wezen, bestaanswijs, leven 
en werking. Doch zóó, dat alle die verscheidenheden één orga- 
nisch samenhangend geheel vormen, waarvan de nieuwe mensch- 
heid, en van deze wederom Jezus' menschelijke natuur, het 
schoonste en rijkst-toegeruste orgaan of lid is. Aldus wordt ver- 
staanbaar, hoe de Zoon des menschen, d. w. z. de Zone Gods 
bekleed met Zijne menschelijke natuur, straks komen zal èv r^ 
Sö?^ xifTou, Matth. 25:31, of eV r^ io^^ rov Txrpog xitrov^ Matth. 
16 : 27, en hoe Johannes als dood aan 's Heeren voeten neder- 
vallen kon, ofschoon Hg blijkbaar in Zijne menschelgke natuur 
aan hem verscheen, Openb. 1 : 17. Dit nu leerde Athanasius 
ook. Cf. c. Ar. ni, 53 tevoreii, en de Incam. 56 : yvrnifi ys kcci 
Tyjv ievTepxv xvrov irxXiv Tpog vip^xg êv^o^ov kxi ^eixv iXvi^ooq s7ri<pX' 
vetxvy 0T6 ovjcsri /Ctfr' evTsXeixq^ xXX'' èv Tifi J5/f 3ö?^, Sre ovksti iastx 
TXTTSivoTTiTog, ^AA' èv Tifi ïSiif, fji^syxKeioTviTi^ wanneer Hij niet meer 
om te Igden, maar om voortaan de vrucht Zijns kruises, rviv 
xvx<TTx<Tiv jcxi rvjfy &(pbxp(Tixv^ uittedeelen, komen zal, en wanneer 
Hg niet meer geoordeeld wordt, maar zelf vonnis velt over 
allen, naar een ieder iix tou (rufd^xroq gedaan heeft, hetzij goed, 
hetzij kwaad, en de goeden het koninkrijk der hemelen beërven 
{svbx ccTTOJcstTxi)^ maar oi (pxvXx Trpx^xvreg verwezen worden naar 
het eeuwige vuur en de buitenste duisternis. Uit dit laatste 
blijkt nog, dat als Habnaok van de voorstelling, door de Grieksche 
kerk en patres over de eeuwige zaligheid gekoesterd, schrijft: 
„der Güter höchstes ist, ewig (d.h. endlos) zu leben", bij Born- 
HausEB a. w. p. 76, dit althans van Athanasius niet opgaat, 
gelijk BoBNHauSBB hiervoor ook verder bewijs aanvoert. 

Op deze wijze nu vormen de vernedering (in engeren zin; als 
onderscheiden van Gods nederbuigende goedheid, welke Hij in 
de aanneming der menschelijke natuur betoonde, gelijk Hij ook 
reeds bij de schepping deze liet uitblinken, ofschoon in minder 



Digitized by 



Google 



180 

hoogen graad) en de verhooging eene tegenstelling; en op eene 
zoodanige manier, dat de laatste de eerste volkomen wegneemt. 
Hieruit volgt, dat ten aanzien van het punt der heerlijkheid de 
TXTretvatrig of K€vco(rig gezien wordt in het zich willen bekleeden 
met de aldus ontdane menschelijke natuur, en niet reeds in 
haar bezit unione personali op zichzelf, zoodat zij zoude moeten 
doorgaan, zoolang als deze persoonlijke vereeniging duurt. Straks 
blijken de euTeXstx en de TotTTsivorvig vervangen door jJ S/a io^v\ en 
VI ïiix fJLsyxKsioTViq van den Logos, wanneer Jezus met Zijne civSrpaTrivij 
(pvtric reSreoTTotvffjt^evij op de wolken verschijnt. Toch is daarmee de 
grens, aan het creatuurlijke gesteld, op geenerleiwijs over- 
schreden, omdat deze openbaring van mogendheid en heerlijk- 
heid in haar verband met Gods werking in de gansche schep- 
ping gehandhaafd wordt, van welke zij slechts in wijze en graad 
verschilt : zij is een zich doen kennen van God aan het creatuur, 
en moet derhalve op de bestaanswijs van het schepsel berekend 
zijn. c. Ar. II, 64 : oifK kv yxp vivsyKev xvrov rviv (pv(Tiv xKpxrov kxi 

TTXTptJCVjV 0V(7XV XXfZTTpOTyiTX, €Ï fjC^Vj Cpl^^XV^ pCCTTtijL TTXTpiKlfi (TVyKXTxfixq 

otVTsXxfieTO^ KXt JcpxTpjo-xg xvTX sig ovcrixv viveyKs, kxi ^svrepov 5f ttxXiv^ 
OTi zxi (TvyKxrx(3xvrog rov Xoyov^ vloroisirxi tcxi xvtv\ j} zriaig 5/' xvrov. 
hx KXt xvTVjg .... TrparoTOJcog jcxtx ttxvtx yevviTXi^ êv re rep KTi^eiv, 
KXt sv Tcp shxystrSrxi vTrsp ttxvtodv eig xirviy rvjv o\kov(jl€V^v, 



\ 



Digitized by 



Google 



ZESDE HOOFDSTUK. 



A. I. Arianisme. II. Semiabianisme en Maboellus van Anoyra, 
III. Antiooheensohe School. 

B. Apollinabis. 

A. I. Het Arianisme zeide, [Ji.v\i6voc tojv yswiruv (Scctrroc^xi ^vuxaSrxi 
rvfv iapxTov %6tpx rov iyevvirov^ cf. de Deer. Nic. Syn. 8. Daarom 
had het behoefte aan een fjt^strog of fjc^etririjg, die als vTrovpyog of 
(SoviSrog den overigen schepselen het aanzijn geven mocht, ^v yxp 
fjt^ovog ê ésog^ en de Logos en Wijsheid was nog niet. êhaSre^^yjo-xg 
vifjLxg iijfztovpyyi(rxi^ tots ivi TTSTroimsv bx nvx^ dien Hij Logos, Wijs- 
heid en Zoon noemde, hx vifjt^xg 5/' xvtov ^ijfji^iovpyricrifi^ Arius bij 
Athanasius, c. Ar. I, 5 Met dit beweren was de mogelijkheid van 
bemiddeling tusschen Gods wezen (xKpxrogx^^P) ^^ dat der creatuur 
gesteld, en zoodoende feitelijk het absolute van beider essentieele 
onderscheidenheid prijsgegeven, zij het ook, dat Arius zelf zich daar- 
van niet bewust was. „Arius. . . . kam doch trotz alles Straubens 
„auf eine „mittlere Substanz" zwischen der Gottheit und der 
„Oreatur hinaus, weil nach ihm Gott ein solches Wesen wo^A«<;m- 
jfdig brauchte, um überhaupt schaffen zu können," Habnaok JI, 
p. 207, 3. Consequent moest dit leiden tot loochening van de 
gedachte, dat er eene wereld zou kunnen bestaan, gelijk Atha- 
nasius dat aanwees, c. Ar. II, 26 en de Deer. Nic. Syn. 8. Dies 
was het onzin : Troa-vjg toivvv x(ppo7vyy\g shi wXyipsig, S/' viv jcxi rx vi^tj 
yevoi^svx vof4^i^ov(nv xSvvxtov shxi^ c. Ar. II, 26. Ook hield het in, dat de 
tusschen God en schepsel hoogstd enkbare eenheid van persoon- 
Igke vereeniging, onmogelijk moest heeten. Onbestaanbaar van 
den kant der creatuur, omdat zij er door vernietigd ware ge- 
worden; en ongepast aan de zijde Gods, wijl het Dezen niet 
betaamde, rechtstreeks en zonder bemiddeling zich met de ysvviTx 
te bemoeien, Cf. Dobneb I, p. 819: „Gott in Seiner Einzigkeit 
„und Majestat ist zu erhaben, sagt auch Arius nach Eusebius, 



Digitized by 



Google 



182 

^als dasz es fur ihn nicht unwürdig ware, die Welt zu schaffen." 
Immers ligt hierin ook, dat het Q-ode onwaardig zou geweest 
zijn, in zoo nanwe vereeniging, als êeog cpxvspoo^eiq èv (rocpjci 
(I Tim. 3 : 16) aangeeft, één van die schepselen aan Zich te ver- 
binden. Op dit standpunt moest dus ten aanzien van het punt 
dezer studie geantwoord worden, dat het eene fictie betrof, eene 
hersenschinmiige voorstelling, die in de werkelgkheid niet bestond, 
en daarom recht van behandeling miste. Wilde men er niettemin op 
ingaan, dan zou uit het tevoren gezegde voortvloeien, dat reeds 
het aannemen en bezitten zelf der menschelijke natuur vernede- 
ring voor Q-od ware. Nu zou de fout hierbij niet zgn, dat men 
de voorstelling verwierp, alsof verschil in lageren of hoogeren 
graad van creatuurlijke heerlgkheid recht zou geven, om bij de 
goddelijke natuur van vernedering of geene vernedering te spre- 
ken< Ook tot den hoogsten trap van zijn vermogen in luister opge- 
voerd, blijft het schoonste en rgkste creatuur, bg G-od vergele- 
ken, „minder dan niet en ijdelheid*', Jes. 40 : 17 ; cf. Job 4 : 18; 
15 : 15 ; 25 : 4 ; Jes. 40 : 18, 25 ; 46 : 6. Als men de ond(a:^chei- 
ding tusschen Gk)d en schepsel in schriftuurlijken zin doorvoert, 
kan er van den kant des schepsels tegenover God niet gesproken 
worden van vernedering, of van meerdere of mindere vernedering. 
Desbetreffend staat het schepsel in zijn meest ontredderden toe- 
stand, en in zijn schitterendste heerlgkheid gelijk, óeog da-vyxpirov 
6(rTi irpxyyi^x^ c. Ar. I, 57. liri Sf ronv hspoyevoov^ orxv txvtx rig 
7rxpa^aXX\{i Trpog iKXy^Xx^ rore to zpsirrov Trpog ro "BixKKaTTov XsyeTxi^ 
KX^XTrep sTTi TVjg (rocpixg kxi tcov A/S^wï/ elpvfrxi, ibid. Maar het 
foutievQ ligt juist in de loochening, bewust of onbewust, van het 
absolute der wezensonderscheid. Want als men van vernedering 
of onwaardigheid spreekt, rust men op de onderstelling, dat er 
van het schepsel op God eenige werking of invloed A:an uitgaan, 
die Zijne eere of heerlijkheid te na komt. En daarmee is Hg aan 
het schepsel gelijkgemaakt. Men denkt zich G-od dan niet waar- 
lijk als God, en handhaaft Zijne Godheid niet consequent in alle 
zgn voor stellingen en beweringen. Dit moet daji wel doorwerken. Bg 
de Arianen valt zulks optemerken. Eerst toch had de Logos bg 
hen een nog al ver boven de schepselen verhevep. plaats. Hij 
was een schepsel, doch niet als de andere, schreven Arius en de 
zijnei]L aan Alexajider, bisschop van Alexandrië. Cf, c. Ar. H, 19 
èypx'^ijxv TOtvvv Ksyovreq^ )CTt(rfzx èfrriv^ xXK oif% uq sv tccv x.rio'fixTajv. 
Toen heette Hij xTpsTTog^ 'jrKvipvjq êsog fiovoyewiq xvxXKoionToq^ bij 



Digitized by 



Google 



183 

DcHECNSB I, p. 818. Maar vónwége den drang van hun beginsel 
kofiden zij hierbij niet blïfven. De Zoon moest allengs naar beneden 
gaan, en geheel aan het overig schepsel gelijk worden : veranderlijk, 
beperkt, enz. kxi Tifi fji^ev cpvtrsi^ cba-rep wxvrsg^ ourc^ re ctvrog o Xoyoq 
hri rpeitrox;^ rc^ Stf /5/(5«; xvT€^ov(r;cp^^ koog fiovX&rxu f^^ysi KccXoq .... 
xKKcrpiog (Aev rs ivof^oioq icxrx tcxvr» r^jg tow Txrpog oinrixg kxi 
ïhóTifrog' . . . .^ wat Hij kent en ziet Avx?^ug roig ïSioig fJLSTpoig óïès 
KXi ^XsTst cütTTTép ook Wij kotinen kcctx ttjv ïSiotv ^vvx/ztv, . . ., en de 
Zoon kent met alleen^ den Yader oist xjcptficcg^ maar ook xlrog i 
ukg Tvpf extnov oi^uxv oix oQev, ov yn^oMfKsiy c. Ar. I, 5 en 6; cf. 
ook ad Episc. Aeg. ét Lib. 12. Zelfs kon dit proces niet bij 
Hem tot stilstand komen, maar moest zich voortzetten in de 
vxyorstelling^ die men van öod zelven had. Den Arianen ontbrak 
het besef, dat gelij ke termen bij God en mensch een andersoortigen 
inhoud hebben, en dat beider onderscheid niet maar, of hoofd- 
zakelgk, is een verschil in hoegrootheid, o fjiev êsog xhiog rjov 
TTxurav TXjiyx^^^^y èa-riv Avxpxog f^^ovarxrog. o Sf utog, &XP^^ 0^^^' 
mjSr^ig . . . . fj(,ovog vwo rov Trxrpog vire^ry^, oüs yccp ê^rtu Miiog vi 
^w^hog^ j} (TiJvxyewviTog rep Trarpi, oö^ x[j^x rep yrxrpi ro sivxi s%êi .... 
iAA' &g [JLOvxg kxi xp%vi TCxvrav, ovrug o êsog irpo ttxutcov èfmv .... 
bg DoBNïJB I, p.. 814, 24. 't Is of de eeuwigheid slechts in duur 
van den tijd verschilt, en het onderscheid tusschen „eeuwig- 
heid en het inbegrip van alle tg dsmomenten" niet hemelsbreed is, 
cf. Bavinck Dogm. Il, p. 20. En bg Aëtius en Eunomius werd, 
zooals DoaNEB zegt I, p. 859, „Gott unter der Hand zu einem 
in sich; versohlossenen Individuum, der Sache nach zu einer 
endlichen Einzelkdt". Gevolg van hun verkeerde Godsbegrip; 
cf. ook DoRWKB I, p. 825, 886 vv. Dit had trekken van over- 
eenkomst met wat Origenes in» ^ijne ontwikkelingen liet uitkomen, 
doch verschilde in niet geringe mate van Athanasius' voor- 
stelling. 

Wie voorts de conclusie niet wil, verwerpe de praemisse. Het 
zaad draagt vrucht naar zijn aard. 

n. Het Axianisme leerde niet alleen, dat de Zoon geworden, 
maar ooky dat Hij Kria-Sreig was, d. w. z. è^ ovk ivrm geworden. 
Wat ten gevolge had, dat het ten slotte ook slechts als over een 
schepsel van Hem wist te spreken. Hg moest bg de Arianen allengs 
zgn aanvankelijk hooge; positie verliezen, en al maar afdalen tot 
een gewoon schepsel, ,,The first essential service which history 



Digitized by 



Google 



182 

^als dasz es für ihn nicht unwürdig ware, die Welt zu schaffen." 
Immers ligt hierin ook, dat het Q-ode onwaardig zou geweest 
zijn, in zoo nauwe vereeniging, als êeog (pxvepoobeiq sv a-xpKi 
(I Tim. 3 : 16) aangeeft, één van die schepselen aan Zich te ver- 
binden. Op dit standpunt moest dus ten aajizien van het punt 
dezer studie geantwoord worden, dat het eene fictie betrof, eene 
hersensohinmiige voorstelling, die in de werkelijkheid niet bestond, 
en daarom recht van behandeling miste. Wilde men er niettemin op 
ingaan, dan zou uit het tevoren gezegde voortvloeien, dat reeds 
het aannemen en bezitten zelf der menschelijke natuur vernede- 
ring voor Gk)d ware. Nu zou de fout hierbij niet zgn, dat men 
de voorstelling verwierp, alsof verschil in lageren of hoogeren 
graad van creatuurlijke heerlgkheid recht zou geven, om bij de 
goddelijke natuur van vernedering of geene vernedering te spre- 
ken. Ook tot den hoogsten trap van zijn vermogen in luister opge- 
voed, blijft het schoonste en rgkste creatuur, bg Q-od vergele- 
ken, „minder dan niet en ijdelheid'*, Jes. 40 : 17 ; cf. Job 4 : 1&; 
15:15; 25:4; Jes. 40: 18, 26; 46:6. Als men de onderschei- 
ding tusschen Q-od en schepsel in schriftuurlijken zin doorvoert, 
kan er van den kant des schepsels tegenover Q-od niet gesproken 
worden van vernedering, of van meerdere of mindere vernedering. 
Desbetreffend staat het schepsel in zijn meest ontredderden toe- 
stand, en in zijn schitterendste heerlijkheid gelijk, êeog ia-vyKpirov 
èa-Ti TrpxyfiXf c. Ar. I, 57. fV/ is rav erepoysvcav^ orxv ravroc rig 
TTxpafixXXifi wpog iXXviXXt tots to xpsirrov Trpog ro "SixXXxttov Xsyerxi^ 
Kx^XTTsp fTTi TVfg (TO^ixg jcxt Todv A/S'tóv slpvjTxt, ibid. Maax het 
foutievQ ligt juist in de loochening, bewust of onbewust, van het 
absolute der wezensonderscheid. Want als men van vernedering 
of onwaardigheid spreekt, rust men op de onderstelling, dat er 
van het schepsel op Q-od eenige werking of invloed A:an uitgaan, 
die Zijne eere of heerlijkheid te na komt. En daarmee is Hg aan 
het schepsel gelijkgemaakt. Men denkt zich Q-od dan niet waar- 
lijk als God, en handhaaft Zijne Godheid niet consequent in alle 
zgn voor stellingen en beweringen. Dit moet daji wel doorwerken. Bg 
de Arianen vaJt zulks optemerken. Eerst toch had de Logos bij 
hen een nog al ver boven de schepselen verhevep. plaats. Hij 
was een schepsel, doch niet als de andere, schreven Arius en de 
zijnen aan Alexajider, bisschop van Alexandrië. Of, c. Ar. H, 19 
èypx\pxv TOivvv ^yovTsgj jcria-fji^x è^riv^ ^AA' oif% ug êv tcov ycria-fJiXTccv, 
Toen heette Hij xrpeirTog^ TrXvipvig êeog fiovoyevyig xvxKXoicüTog^ bij 



Digitized by 



Google 



183 

DcHECNEE I, p. 818. Maar vanwege den drang van hun beginsel 
koöden zg hierbij niet blijven. De Zoon moest allengs naar beneden 
gaan, en geheel aan het overig schepsel gelijk worden : veranderlijk, 
beperkt, enz. kxi tih fjt^sv cpvtrst^ écncsp Txvrsg, ovroo re oxiTog b Xoyog 
hri rpeitroig, rc^ Stf ïhc}3 (xvrs^ova-;^,- sug ^ovXsrxt^ (zsvêi xMXog .... 
iKXcrpiog fiev re ivofictog Kceft» irotvr» ri^g rou TTxrpog oixnoi^g jcxi 
ïhoTifrog- . . . .^ wat Hij kent en ziet ccvxKoyüig roig ï^ioig fzsrpoig ol^s 
jcat 0}^6Tst atTTThp ook wij kennen icocrx tviv ïStocv ivvxfjs^tv, . . ., en de 
Zoon kent ©iet alteen; den Vader oisc ccKpi^g^ maar ook aliTog i 
vhg Ttpf kavrou oi(Ffav oójc oï^ey, ov yivcn^jcsi, c. Ar. I, 5 en 6: of. 
ook ad Episc. Aeg. ét Lib. 12. Zelfs kon dit proces niet bij 
Hem tot stilstand komen, maar moest zich voortzetten in de 
voorstelling^ die men van öod zelven had. Den Arianen ontbrak 
het besef, dat gelijke termen bij God en mensch een andersoortigen 
inhoud hebben, en dat beider onderscheid niet maar, of hoofd- 
zakelgk, is een verschil in hoegrootheid, o fji^v ósog xhiog r^v 
TTXvTuv Tv^x»vuv, è(rriv- ivxpxog (Jt^ovarcLTog. o Sf vhg, &XPovag yev- 
injSf^etg , . . , (zovog vwo rov Trxrpog vire^ry}* oö^e *yxp £(rTty xiiiog vi 
^vuai"Siog^ j} (rvvxysvvviro^ rep irotTpi. oiï^ xyi^x rep TXTpi ro sivxi è%éi .... 
iAA' oog fiovxg kxi xp%vi ttxvtuv, ovrag o êeog Trpo TCxvrm sfmv .... 
bg DoBNïJB I, p.. 814, 24. 't Is of de eeuwigheid slechts in duur 
van den tgd verschilt, en het onderscheid tusschen „eeuwig- 
heid en het inbegrip van alle tijdsmomenten" niet hemelsbreed is, 
of. Bavinck Dogm. II, p. 20. En bij Aötius en Eimomius werd, 
zopale DoaNEB zegt I, p. 859, „Gott unter der Hand zu einem 
in sicb verstohlossenen Individuum, der Sache nach zu einer 
endlichen Einzelkdt". Gevolg van hun verkeerde Godsbegrip; 
cf. ook DoBNKB I, p. 825, 886 w. Dit had trekken van over- 
eenkomst met wat Origenes in* ^ijne ontwikkelingen liet uitkomen, 
doch verschilde in niet geringe mate van Athanasius' voor- 
^Uing. 

Wie voorts de conclusie niet wil, verwerpe de praemisse. Het 
zaad draagt vrucht naar zgn aard. 

II. Het Axianisme leerde niet alleen, dat de Zoon geworden, 
maar ook^ dat Hij jcTta-^etg was, d. w. z. ê^ ovk hrosv geworden. 
Wat ten gevolge had, dat het ten slotte ook slechts als over een 
schepsel van Hem wist te spreken. Hij moest bij de Arianen allengs 
zgn aanvankelijk hooge^ positie verliezen, en al maar afdalen tot 
een gewoon schepsel. ,,The first essential service which history 



Digitized by 



Google 



184 

„has rendered us has been in the elimination of intermediate views 
„ — in making it clear as a first altemative that the real issue 
^on this question is between a truly divine Christ and pure huma- 
y^nitarianism^^^ James Orr, a. w. p. 44. 

Dat dit nu velen tever ging, laat zich begrgpen. Met gedeel- 
telijke wgziging van uitgangspunt trachtten zij daarom een ander 
resultaat te verkrijgen. Dit waren de Semiarianen. Zij berispten 
het Arianisme, en bepaald ook om dat „uit niet" en „schepsel", 
o^€v eiKoraq iv rig /ze/zxf^xiro rotg kti(T(ax xvtov (pxvxi T€ToX/zviKO(riv^ 
£? ovjc ivTojv ofMiuq Toig Koi'ttok; }CTi(rfix(n ysvofuvov^ Euseb. de Eccl. 
Theol. I, 9, Dan toch konde Hg niet Zoon van Q-od zijn : icxi 
7rc»)g yxp sti hTxi vïog. Mocht men Hem Zoon noemen, noch- 
tans was Hij het dan niet in waarheid: AfAjfS'f Tovvofi» /zsv xvrcp 
fiovov ;^öt/o/^öjCt£i/ö^, To S' iXvi^ag viov shxi ipvovfjt^evog, ibid. Daar- 
tegenover stelde nu Eusebius Pamphili, „Stimmführer der ge- 
maszigten Semiarianer", Kubtz I, p. 230: b ^' iXyj^ag vïogrovêeov, 
£? xvTov XT€ Sj^ sjc TTXTpog x7roT€%^€ig, siKOTOog Kxi oLyxTTViTog Kxi fiovoysv^g 
Xpyi(^xTi(rsLey iv tov Trxrpog, ovroo Sf Jcxi êsog xv fjjf, ibid. 10. Hier 
wordt dus eene geboorte uit Grod geleeraard. En dan voegt 
Eusebius als verklarende reden er aan toe : want wat zoude 6eou 
yêvvyi(j(,x anders wezen dan rcf yeyawviycoTi x<paf4,oiufjt,€vov ; Hij sprak 
dus niet van schepping, maar van geboorte; niet van i? ovk 
ivToöVy maar van i? xvrov^ en leerde daarom ook, dat er gelijk- 
heid tusschen den Vader en den Zoon bestaat (xcpufz^oicofisvov). 
Voorts wijst hij tegenover Marcellus er op, dat wij het genereeren 
öods niet op menschelijke wijze moeten denken : oöi* oXoag Qfzoioog 
xv^pcoTToig èvspyst (t. w. God) ; ook beweegt Hij zich niet op der 
menschen manier; doch fJLovxg tov xSixiperog o óeog tov (A^oyevvi 
xvTov vtov i? sxvrov èyevvx^ ov ^ixtpovfzevog, öü5' xXXoicotrtv j} rpoTVfv 
vj poviv n Ti TTx^og vTTofisvuv^ ibid. H, 6. Toch wordt de onder- 
scheiding niet zuiver : God en schepsel, maar vereenzelvigt de 
voorstelling deze nog te veel met de tegenstelling vaji stof en 
geest, waardoor het denken geen helderheid verkrijgt : ocrcp ^s rvig 
ysaioug (Txpzog o êTSKstvx tcov oXoov êeog xiryiXXorptoorxi icxt xT€(r%oivi(rrxt 
Tifi CpvfTei^ TO<TOUTCfi %pyi vosiv Kxt Tvig Toov (TxpKcov yev6(rsoog XTryiKKoTpionfr^xi 
TOV wpoTTOv, }cxb^ OV O TXTijp êysvvx TOV vhv. Aldus wijst Eusebius 
immers wel de stoffelijkheid, maar nog niet de creatuurlijkheid 
der generatie van den Zoon af. Dat blijkt duidelijker als hij 
vervolgt : oö yxp t/ 7rpo'i6[j(,evog, ööS' xXXoiovfjt^svog^ ovis ys TTx^viTiytug 
zivovfJc^Evog, oiy oXoog ti tcov vffjt^iv (rvv6'/voo<TiJt,svoov \)7ro(j(,evm, ó^ts^Tyj xvtov. 



Digitized by 



Google 



185 

oiiiê yxp (ToofAX ijv, uq xTop^oixv vi (j^siatTiv vi èKTX(rty^ vj (jlstx^oXi^v vi 
rpoTijv VI poyjv yj fJLspoq fj TxSrog stt' xvrcp XoyKTXfT^xi^ ibid. I, 12. 
Want hier past Eusebius onzen tijdvorm op haar toe, en denkt 
hij haar dus als een eenmaal plaats gehad hebbende, doch daarna 
afgeloopen daad. Vandaar de imperfecta è'/ewx en v^icrrvi. Dit 
blgkt onweersprekelgk, waar hij schrijft, niet : oiiis yxp (rufix itm^ 
doch: )}v. De generatie des Zoons weerspiegelde zich in Eusebius' 
geest niet als een eeuwig doorgaand, steeds volmaakt proces, 
maar als eene vóór den aanvang des tijds verrichte handeling. 
Cf. ibid. 8 Tov Tpo Trxvroov xlccvuv ek tov wxrspog ysyevvvffji^evov. 

Inzake dit laatste punt verhief zich het Semiarianisme niet 
boven het Arianisme. Evenzeer in overeenstemming met de 
Ariaansche gedachten leerde het ook, dat er bij Q-od niet maar 
alleen onderscheid van personen was, doch ook van wezen ; en 
poogde het de eenheid te handhaven door van den Vader als 
van den eigenlijken God en als xhiog van den Zoon te spreken, 
en Dezen aan Genen te subordineeren. ibid. I, 11 : Doch indien 
hen vrees bevangt, fji^jj ttvi cipx ^vo ósovg xvxyopevsiv ^o^xisv (scil. 
Vj ijcxXyi(nx)j laten zij dan weten, oog Kxt tov viov Trpog vifim b[ji,oKo' 
yovfievov óeou^ sig xv ysvoiTo ésog yi^ovog Iv^ivog, o [Ji,ovog xvxpxog jcxi 
xysvvvirog^ o tvjv ^eoTijTX óiKstxv JcsjcTijfisvog, xvrcp ts rep vt^ tov shxi 
Kxi TOV ToicpSs sivxi yeyovoog xhiog, Cf. ook ibid. II, 14. En na dan 
straks ook Ef. I: 226, 23a geciteerd te hebben, schrijft Eusebius 
(I, 11) : T}jg fiev èjcK^^yja-ixg xÓTog xpxyiyog xv sivi^ jcxt KsCpxXyj Sf xvtov 
o irxTvip. ovTog elg ésog o tov fiovoysvovg vlov TXTyjp, jcxi fjt,ix vi kxi 
xvtov ^/j/ö-Töf KsCpx^^vj. Aan Vader en Zoon kwam dan ook geene 
gelijke eere toe : oit^s yxp hoTiyi^ovg xvTxg (scil. Txg Suö iTrotTTx^eig) 
opiH^oi^e^x^ ibid. II, 7. 

Uit deze aanhaling van Ef 1 : 22, 23 zien we, dat het Semi- 
arianisme met zijne leer van de minderheid en het onderge- 
schikte des Zoons op schriftuurlijken bodem meende te ötaan. 
Er was een waarheidselement, waaraan het zich vastklemde, en 
dat aan zijn beweringen kracht scheen te geven, gelijk ook het 
Arianisme zijn teksten had bijgebracht, bijv. Spr. 8 : 22 ; Joh. 
14 : 28 ; Fil. 2 : 9, e. a. Doch nu leidde het schriftmoment, dat 
hun sterkte was, ook deswege hen van het goede pad, dat zij 
verzuimden bij den Christus eene scherpe onderscheiding te 
maken, die niet mag worden nagelaten, en welke tot dien tijd 
door de kerkelijke schrijvers ook steeds, in meer of minder uit- 
gewerkten vorm, gemaakt was, n.m.1. dat Hij èn God is en 



Digitized by 



Google 



186 

menseh^ zoodat van Hem minstens eene tweevoudige reeks van 
praedicaten geldt : eene godddijke, en eene creatuurl^'ke. 

Arianisme en Semiarianisme echter deden, abof beide reeksen 
Hem naar eenzelfde natuur betroffen. Wel loochende Eusebius 
de aanneming der menschelijke natuur niet. Integendeel. Maar 
hij voelde daarvan de beteekenis voor de aan Jezus toe te kennen 
hoedanigheden niet. Doch waar Arius en de zijnen zich voor hun 
leeringen op de gegevens der Schrift beriepen, welke van Jezus 
iets creatuurlijks praediceeren (geschapen en verhoogd worden, 
minder zijn, bidden enz.) en andere, die hun zienswijs hadden 
kunnen corrigeeren, meer lieten liggen, daar moesten de Semia- 
renen, vanwege hun gedeeltelgke verwerping der Ariaansche 
dwalingen, juist andersom de creatuurlijke praedicaten meer ver^ 
onachtzamen, om zich met de hoogere te handhaven (Zoon en 
beeld Gods enz.). Deze spraken Jezus' meerderheid boven de 
schepselen uit. Dus moest het Arianisme, dat Hem tot schepsel 
verlaagde, losgelaten en verworpen. Was Hij aldus nog niet op 
ééne Ign met den Vader komen te staan, dat hield hen nu 
minder bezig. Eerst moesten zij zich tegenover het Arianisme 
handhaven, en alzoo de tegenstelling met hetgeen Aidua en de 
zgjien leerden, scherper voelen en in het licht stellen. Krachtens 
de wet van actie en reactie leidde dit het Semiarianisme vanzelf 
in de richting der homousie. Het werd er op deze wgze voor 
gedisponeerd. En misschien valt mede hieruit de latere verbin- 
ding der Semiarianen met de kerkelijke strijders voor de^ waar- 
achtige öodheid des Zoons, en hun ongemerkte verdwijning^ te 
verklaren. Hoe dit moge wezen, zij hadden hun. veste in benar 
mingen als Eengeborene, Eerstgeborene, Beeld enz. 

Wie hen dus bestrgden wilde, moest hen daar aanvallen. Op 
die plek waren ze trefbaar. Marcellus van Ancyra, f ± 374, 
was de man, die den aanval deed.*) H^* zeide : Trpo fA€v tov %aT€h^sii/ Km 
iix T>ig TTxpSrsvov T6%3r^vxi Xoyoq viv fiovov^ cf. c. Marcel. H, 2; vgl. ibid. I, 
4 ovKovv TrpóSijkov, on Tpo Tijg TOV ^fjt^sTspov (TUfji^ctTog dv»^}j\p£Cit)g o Xoyog x^S"' 
lobVTov oiix, yjv ehcou tov xopxTov dföw. En wanneer de Schrift, 't zg den 
naam „Jezus", 't zij dien van „Christus" vermeldt, tov (ist» -nf^ 
oi^^paTTivyjg Ivtcc trxpKog tov 6sov Koyov ivof/,x^€tv ^xtvsToci^ ibid.H, 3. Doch 
waarom was de Logos op Zichzelven en zonder Zijne menschelijke 
natuur niet reeds beeld van den onzienlijken Q-od ? Omdat een beeld 

') Zie over liem, zijn geschrift, en litteratuur aangaande beide, LooFS, üi 
H. B. E», Bd 12 sub voce. 



Digitized by 



Google 



187 

aanschouwd moet worden : tj^i/ yxp ehovx opx(r^»i Trpotrijjcet, hot iix 
TVfq shovog ro rsag (Jt^vj opuf^svov opx(rSroct ^wy^rxi, I, 4. Is nu God 
onzichtbaar, dan moet ook de Logos dit zijn. En hoe kan Hij dan 
op Zichzelven beeld wezen? sï 5^ rou isou tov xopxrov ivroq otopxrov 
ehxi jcxt TOV Xoyov avfjt'fixivet, woiq sizuv tov xopxrou ieov o Koyog 
KX^* 6XVT0V ehxi ^vvxTxi, Kxi xvTog xopxrog dv ; ibid. Deze opmerking 
verdient alleszins onder de oogen gezien te worden. Ook de Zoon 
is onzichtbaar evenals de Vader, en kan ons Dezen dus niet 
door Zichzelven laten zien, weshalve Hij naar Zijne goddelijke 
natuur niet het beeld des Vaders (tov ieov tov xopxTOv) is, omdat 
een beeld eerst beeld is, wannen het gezien wordt. Een beeld 
moet krachtens ziju beeld-zijn, afbeelden en dus gezien (of gees- 
telijk genomen: gekend) worden. Maar bij zien of kennen hoort 
een subject dat ziet, of dat kent. Als nu de Zoon nog niet ten 
aapizien van het creatuur beeld Gods is, kan Hg dan toch niet 
reeds door een ander subject worden aanschouwd, n.m.1. door 
God zelven? Ziet of kent Deze niet? Heeft alles wat bestaat, 
en ook God zelf, niet allereerst en allermeest voor den Aller- 
hoogste zelven realiteit? En kan de Zoon dus niet in den hoog- 
sten zin slycoov tov TrxTpoq binnen het goddelgk wezen zijn, zoodat 
Zijn^beeld-des- Vaders-wezen voor het creatuur, eene zaak van 
mindere beteekenis wordt, slechts gevolg van het eerste? Zoo 
dacht Athanasius er wel over : ov yxp è^a^sv è<TTi ypx^ofievvi jJ 
TOV isov sljcav, x>X xvTOg i öeog ysvvyiTviq èa-Ti TXVTVjg, èv ^ ixvTOV 
iptav Tzpo(T%xip6i TxvTifi .... woTs yow ovx lapx hxvTov o ttxtvjp èv ti^ 
èxvTou €}}covr, Of wanneer verheugde H^g zich niet, dat men 
zou durven zeggen, dat het beeld „uit niet" is, en dat de 
Vader zich niet verblijdde, Trpiv ysv^Txi vi flxwv; Doch ook, Troog 
kavTov XV JSö/ o TToiyjTyig kxi JCTifTTvig sv icTKTTifi Tcxi yev)iTifi oixrt^] Want 
het beeld {iiiuov) moet zondanig zijn, ohg sttiv o TxvTvig ttxtvip, 
c. Ar. I, 20 Ook hieruit zien we opnieuw, hoe Athanasius' 
denken zich met God bezighield. Van een beeld-zgn voor de 
creaturen rept hij hier niet. Niet het schepsel bezielde zijn 
innerlgk leven. Marcellus daarentegen redeneert, alsof er alleen 
vooi: het creatuur een zien bestaat. De gedachte aan een god- 
delgk zien schgnt niet eens bij hem optekomen; laat staan, 
dat zg de eerste en allesbeheersohende zou zijn. Wanneer Mar- 
oellus voorts ontkent, dat de Logos kx^' sxvtov^ d. i. naar Zgne 
goddelgke natuur, beeld des Vaders voor de schepselen is, zegt 
hg daarmee, dat Jezus dit alleen naar Zijne menschheid is. Doch 



Digitized by 



Google 



188 

als hij daarvoor op Gods onzichtbaarheid zich beroept, komt hij 
met zichzelven in tegenspraak. Want hoe zou iets dat zichtbaar is, 
beeld kunnen zijn van eene aldus opgevatte onzichtbaarheid? 
Een beeld toch moet overeenkomst hebben met hetgeen daardoor 
afgebeeld wordt. Maar welke gelijkheidstrekken bleven er hier 
over? Aldus zien we, dat men ook bij het redeneeren over Gods 
onzienlijkheid doolpaden kan opgaan, waarvoor men zich dus 
wachten moet. 

Ook de benaming Zoon sloeg alleen op den Logos als bekleed 
met de menschelijke natuur, d. i. derhalve, strikt genomen, alleen 
op Zijne menschheid: ov% vkv ósov èccvrov ivofjt^x^st, iXKx TravTocxov 
vïov civSrpaTrov ixvTOv Afy£/. hoc iix ryjg roixvrvig ofJLoXoytxg ^etret rov 
iv^pooTToVy door middel van Zijne gemeenschap (jcoivuvix) met 
dezen, '7rxpx(rK€vx(riii, Zoon van God te worden, de Eccl. Theol. II, 
8. Vgl. hiertegen Joh. 10 : 17 e. d. g. Tegen fji^ovoyswig en Trpuro- 
TOKog redeneert hij c. Mare. I, 4 : Asterius xf^^Cporepx trwx^pxg 
y6ypa(p6^ (lovoysvvi kxi TrpuroTOJcov. Dat gaat niet op, zegt hij, ttöAAj^c 
èvxvTtOTTjTog èv tok; ivofj(,x(nv oxxrvig rovrotg^ wat zelfs roig (rCpóSpx 
iv(rf4,x^€(ri pf'Siov is in te zien. Want het is duidelijk, dat een 
ééngeboren e, als hij inderdaad ééngeborene is, niet eerstgeborene, 
daarentegen een eerstgeborene, voorzoover hg eerst^geborene is, 
niet ééngeborene kan wezen. En alzoo Trpcororojcog X7rx(njg xritrêug 
^ix TViv KXTx (TxpKx y6V6(Tiv dóvofzxtT^yi, Cf. ook ibid, n, 3. Te dezer 
zake laat zich Gregorius Nyssenus uit contra Eunomium 4. Opp. 
Omn. ed. Parijs 1615 t. Il, p. 115/116: on yxp ov kxtx tvïv 

TpOXlCüVlOV VTTXp^lV sCpXp (AO^STXt TCp VlCp TO TpOOTOTOJCOV, jj TOV (JtfOVOySVOVg 

7rpo(Tvtyopix iiXfA^xprvpsrxL Want wie wezenlijk ééngeborene is, heeft 
geen broeders. Maar evenals Hij God en mensch heet, Zoon 
Gods en Zoon des menschen, fJi^opCpv} yxp ^eov jcxi f^i^opCp^ SöwAöü, 
terwijl Hij het eene kxtx t^v v7rxp%ov(rxv (pvcriv is, het andere 
KXTX Tfjv (pi>.xv^pcü7rov ohovofiixu werd, ovtu kxi fJt^ovoysyvig ^eog wv, 
TrpuTOTOKog 7r(K(ri>ig KTKreoog yivsTxi, Ééngeborene was Hij, Eerstge- 
borene werd Hij, en dezen naam kreeg Hij {ysvofz^svog kxi Xêyofjt^evog). 
Gregorius onderscheidt dus. Deze onderscheiding zou nog kunnen 
worden voortgezet bij de verschillende in TrponTOTOKog Trxtrviq KTKreccg 
liggende momenten. 

Evenzoo is een ysysvwitrbxi bij den Logos als Logos ondenk- 
baar, ibid. II, 2. Of. ibid. I, 4 : want indien de Zoon Trpofixvifjux. 
TOV TTxpTog is, en yivvcf!, [Ji,ev i? xvtov ottoix tx toov ^cpuv ysvwifixTx^ 
xvxyKvi (Tccfix ehxi tov wpo^xKovTx kxi TrpofiefiXvifjLeyov, üit dit laatste 



Digitized by 



Google 



189 

big kt dus, dat Marcellus zich geene andere generatie denken 
kon dan eene stoffelijke, waardoor wederom aan het licht komt, 
hoe zijn geest zich alleen op creatuurlijk, of ook zelfs op materieel^ 
terrein wist te bewegen. Hij verwierp niet slechts eene tijde- 
lijke generatie des Zoons maar alle generatie, omdat hg van 
eene eeuwige, goddelijke geen vermoeden scheen te kunnen op- 
vatten. Tegen zijne voorstelling komt Eusebius in een boven 
gegeven citaat op. 

De conclusie is : ehorug ovv Trpo r^g xx^oiov .... Aö^ö^, /c*£Töt Sf 
T>ii/ X(x%iov Koti rviv Tpjg (Tocpaog xvxXvi^iv iix^opoov Koct rcau sTrviyopiosy 
T€Tv%^)C€Vj èTTeiivi O Koyoq (Txp^ sysvsTo. En worden nu vóór Zijne 
komst in het vleesch andere namen van Hem gebruikt, dan 
geschiedt dit „profetisch'' : el is riq jcxi Trpo rvfg vsxg iioAmm to 
Tov %/j/ö"Töu lyjo'ov ivofzx sTTt Tov Xoyov f/,ovov isiKvuvxi ivvx^^xi 
iTTocyyeXXoiTO^ svppjosi rovro wpo^^viTiKoog eipvifAsvQv^ ibid. H, 3. 

In zijn twee boeken tegen Marcellus poogt Eusebius hem eigen- 
lijk niet te weerleggen. Hg deelt zgn gevoelens en uitspraken 
mee. Dat alleen reeds achtte hij ter bestrijding genoegzaam. De 
tegenspraak met de leer der kerk was overduidelijk, oordeelde 
hij. Of. de Eccl. Theol. I. praef. Maar dit bleek toch niet vol- 
doende. En daarom liet hij op zgn koctoc MxpKeKXov Xoyoi (3 nog 
volgen zgn Trspi ti^q èKKXyi(rix(rriKyiq ^eoXo'/ixg T^yoi y, om de ker- 
kelijke belijdenis tegenover Marcellus' beweringen meetedeelen 
en diens dwalingen te weerspreken. 

Zgne bestrgding komt in hoofdzaak hierop neer, dat hg aller- 
lei plaatsen uit de H. S. bijbrengt, welke het praeëxistente van 
den tweeden Persoon leeren; iets dat Marcellus eigenlijk niet 
raakte, omdat diens polemiek zich meer richtte tegen de wijze 
van bestaan, en daarmee samenhangend tegen z. i. vóór de aan- 
neming des vleesches door den Logos niet te dragen namen. 
Ten tweede zegt Eusebius, dat, indien de Logos beeld en Zoon 
Gods werd inzoover Hij zich met onze natuur bekleedde. Hij 
boven ons niets voor had, omdat deze namen dan ook even- 
zeer van ons gelden, die immers dezelfde natuur bezitten. Op 
deze wgze wilde hij aantoonen, dat Marcellus Jezus tot een ;^/Aö^ 
iv^puTTog maakte en Samosateniaansch leerde. Hier trof hg eene 
wondeplek in Marcellus^ gedachten. Doch diens fout lag dieper. 
Zg was, dat hij den Logos Zoon Gods liet worden^ en wel door 
de aanneming der menschelijke natuur. Daarmee was gegeven, 
dat in of bij God verandering plaatsgreep, en verandering met 



Digitized by 



Google 



190 

het oog op, of vanwege het creatuur. Voorzoover Marcellus dit 
niet mocht willen, miste hij bij Jezus de eenheid tusschen de 
goddelijke en de menschelijke natuur. Dan was Deze alleen 
naar Zijne menschelijke natuur zoon en beeld Gods, dus inder- 
daad ons precies gelijk, ontbrak er verband met Zijne goddelijke 
natuur, zoodat beide elkaar niet raakten, evenmin als bij andere 
menschen. Haenaok II, p. 311 schrijft : „Marcell ist von der 
„ Annahme zweier geschiedener, selbstandiger Naturen noch weiter 
„entfemt gewesen als Athanasius." Inderdaad komt in Marcellus' 
beweringen niet de gedachte uit, dat er scheiding van beide 
naturen zou wezen, noch dat de menschelijke eenige zelfstan- 
digheid tegenover de goddelijke ontwikkelde. Maar als Hab- 
NACK nu enkele regels verder zich aldus uitlaat : „er sieht im Gtrunde 
„überall in dem mensch-ge word enen Q-ott-Logos eine volkommene 
„Einheit", schijnt dit minder juist. Omdat Marcellus eigenlijk 
geene eenheid had; behalve eene plaatselijke, doordat de Logos 
in Jezus' menschelijke natuur was; laat staan dan, dat hij eene 
volkomene eenheid zou leeren. Dit kan men reeds terstond 
weten uit zijne leer, dat de Logos straks Zijne menschel^'ke 
natuur wederom zou afleggen. Uit Eusebius' tegenwerping echter 
zou men de loochening kunnen lezen, dat ook de mensch G-ods 
beeld is. En ofschoon Eusebius de schepping des menschen naar 
den beelde Gods niet ontkende, blijkt uit deze redeneering toch, 
hoe weinig diep hij doordacht, en hoe ook hem inzicht in verband 
en samenhang bij Jezus ontbrak. Hij konde zich de beide naturen niet 
scherp onderscheiden denken, en daarom ook niet recht vereenigd 
voorstellen. Daardoor kon de eenheid tusschen Jezus en ons even- 
min tot haar recht komen. Voorts betoogt hij, dat Jezus meer 
is dan een bloot schepsel ; dat Marcellus met zichzelven in tegen- 
spraak komt, als hij eenerzijds Jezus „vleesch" zoo hoog verheft 
en dat „Zoon Gods" enz. noemt, doch straks het laat afleggen, omdat 
het niets zou nutten; dat Jezus een eeuwige koningschap bezit; 
dat Marcellus Sabelliaansch leert, ofschoon hij Sabellius moge ver- 
oordeelen, enz. 

Gedeeltelijk raakte zijne bestrijding Marcellus dus niet; en 
ook bood hij tegen diens polemiek geene verdediging, als voor 
logische handhaving van eigen beschouwing vereischt ware ge- 
weest. 

Zoo was dus door den nadruk, dien de Arianen op creatuur- 
lijke praedicaten, welke van Jezus gelden, legden, vanzelf de 



Digitized by 



Google 



191 

vraag naar de verhouding Zijner beide naturen, of de tusschen deze 
twee bestaande eenheid meer op den voorgrond gesteld. Atha- 
nasius ging daarbij door in de richting, reeds door Irenaeus aan- 
gewezen, en leerde, dat al het creatuurlijke alleen Jezus' mensch- 
heid betrof, doch van Hem gold, omdat Hij haar tot de Zijne 
had gemaakt. Arius hield eigenlijk alleen een schepsel over. *) 
Het Semiarianisme kende met het creatuurlijke niet voort, en 
klemde zich vast aan hetgeen daar boven uitging, al was dit 
het hoogst-goddelijke nog niet. Marcellus had beide, maar zonder 
verband. Naar Zijne Godheid was Jezus enkel Logos, en voorts 
heette Hij het overige naar Zijne menschheid, doch feitelijk was 
alleen Zijne menschheid dat. Niet Hem betrof het. Er was geene 
eenheid. Desbetreffend valt er overeenkomst tusschen Marcellus 
en het „Nestorianisme" te merken. Doch hij behandelde Jezus' 
menschheid schier als ware zij er niet, en alsof zij den Logos 
niet petóte. Daartegenover sprak zich in de Antiocheensche 
school dit gemis aan eenheid meer met bewustheid uit, en ten 
tweede verlegde deze het zwaartepunt naar den kant der mensche- 
lijke natuur, die principieel de beslissing in handen had, en bracht. 

Zoo gaven de Ariaansche geschillen vanzelf den stoot tot den 
Ohristologischen strijd. En deels geleidelijk, deels krachtens de 
wet van reactie kon men van het Arianisme over het Semiarisme 
bij Marcellus aankomen, en vervolgens aan het station „Nesto- 
rianisme" uitstappen. 

Gaan we nu meer bepaald Marcellus' beweringen na. Hij 
zeide, dat het Semiarianisme twee Goden leerde. Daarvan wilde 
hij niet weten. En dies gaf hij eene andere voorstelling van God. 

Naar aanleiding van Eom. 1 : 3 en 4 zeide hij, dat de Logos 
één en hetzelfde was als God, die zich ten aanzien van het 
„naar den vleesche", alleen door eene energie uitzette of ver- 
breedde : si fjisv yxp vi rov Trvsvfiocroq è^srxtrig yiyvoiro fju>vyi, h xxi 
TxvTOv shoToog iv o Xoyog ehai rep óscp 0xtvoiTO, maar als jJ "xara 
(FxpKX*^ 7rpo<rSrijKyi btti tov (TooT^pog è^erx^oiTO, avepyeicjL jJ bsoTviq fjt,ovin 
TTXxryvs^^xi ^ojcsi. iars eÏKOTcaq fj(,ovxq êvrooq ètrriv x&iaiperog, de Eccl. 



^) Jezus' menschelijke natnnr bestond volgens Arins eigenlyk slechts nit 
een lichaam. Cf. c. Apollinarimn (een werk dat op Athanasins' naam is over- 
geleverd) H, 8 : ^AptiOQ .... cctpKa ftovjfv, TpoQ i^0Kpv<ptiv Tjfc ^toniroQ ÓfzoAoytt. ivrt 
it TOV icu^tv iv vtiitv iv^puTTOV, TOVTtvTt TifC 4*^%^^* ''"'^^ ^oyov cv T^ o'cepKt ^tygt 
ytyovtveci, T»fv rov ^et^ovQ voijo-tv tuct rijv i% ^iov ivetvraciv r^ dtonrrt xpoo'etytiv 
ToXfim. Vgl. ook ScHOLTKN, L. H. K.* n p. 376. Bavdïck, Dogm. UI p. 277. 



Digitized by 



Google 



192 

Theol. II, 4, cf. ibid. 19. Op deze eenheid zou Joh. 10 : 30 zien, welke 
woorden gezegd werden, omdat het onmogelijk was i} A070V éeou vj 6eov 
Tov aocvTov fjLêpi^êffSrxi Xoyov^ en niet, zooals Asterius meende, hx 
Tijv êv ccwxtTi Xoyoig re jcxi .ipyoig djcptfSy, (TVf4f<püJvtxVj ibid. Deze 
eenheid wilde hg nader toelichten door een voorbeeld, ibid. 1, 17 : 
want het is ook niemand mogelijk tov tov ivSrpcawov Xoyov ^\jvx[ji6i 

KXl V7rO(TT<X(T€l %0i3p^(TXl. SV yxp STTl KXl TXVTOV TCp ivbpOOIT^ O XoyO^j 

jcxi ov^€vi %upi^ofjL€vog sTepcp j} [iov)fi T)fi Tijf TTpx^êCüg ivspysi^. Maroellus 
wilde dus niet weten van eene zekere aTspoovtrix des Zoons, door 
de Semiarianen geleerd. Inzoover had hg met zijn ku icxi txvtov 
tegen hen gelijk. Maar hij verwierp niet alleen alle minderheid in 
wezen bij den Logos, ook vond hij eene generatie verwerpelijk, 
eigenlijk, zooals wij zagen, omdat hij deze zich niet anders dan 
stoffelijk kon denken; zoodat zgne bewering omtrent li/ x«/ T^yrov 
de loochening ook van het onderscheid in personen bij God in- 
sluit. Ook hij wist dus evenmin als Arius c. s., over Q-od anders 
te denken dan over het creatuurlijke. Zou zich ook dit niet op 
overeenkomstige wijs wreken? Laat ons verder zien. Bij de 
aanneming des vleesches moest van een f^ov^ t^j èvepysicf, w^xTuvsffSrxi 
gesproken worden. Dit correspondeerde met hetgeen Marcellus 
aangaande de schepping leerde. Doch daar bezigde hij den 
term TrpoeXbeiv. 

Vóór de wereld een aanzijn had, was de Logos in den Vader : 
irpo yxp TOV tov jcofffiou sïvxi vjv o ^oyog èv Tcp TrxTpi. Maar toen 
de almachtige God alles in hemel en op aarde ttposStsto TroiyjtTxi, 
hepysixq vj TOV }cofff4,ov ysvstriq ehsiTO ^pxa-TtJcvjgj en daarom fjifVJSsvog 
ivTog sTepov TTXyjv êsov^ want zonder tegenspraak ontvingen alle 
dingen hun bestaan van Hem (Marcellus gebruikt hiej het 
woord yeysvwifrbxi)^ toen o Xoyog irposK^uv eyivsTO )co(rf4,ov ^tö/j^tj^^, 
o )cxi wporepov sv^ov voijTug €Totfj(,x^av xvtov, de Eccl. Theol. I, 8. 
Voor iToifjt^ocH^m staat c. Marcel. Il, 2 : êvofzoc^cov. Omdat er 
dus niets was, moest de Logos uitkomen of te voorschijn treden. 
Op welke wijze ? Reeds uit het gegeven citaat valt dit af te 
leiden. Doch Marcellus formuleert het ook zelf. c. Marcel. Il, 
2 : cvisvog yxp ivTog . irpoTspov j} êeov (jlovov^ ttxvtoov Sf ^ix tov Xoyov 
ytyv€(Tbxt [j(,6XKovTav^ irpo^xbev o Xoyog ^pxtrTiJCin ivepyei^ o Xoyog ovTog 

TOV TTXTpOq UV, 

Bij de schepping alzoo een Trposxbsiv ^pxtTTtJcifl hspysic/i, bij 
de aanneming des vleesches een TrXxTvvstrbxi f^^ovifi t^j bspyeicf.. 
Heeft er dan verandering bij God plaatsgevonden? 



Digitized by 



Google 



193 

Om dit te kunnen beoordeelen moeten we zien, of dit ,,zich 
verbreeden" en „uitkomen'' duurzaam is, dan wel, of het eens 
weer een einde nemen zal. Vóór de schepping was er stilte : 
Trpo yxp Tviq ^v\(iiovpyiocq XTTX^^g vi(tv%ix rtg yjv^ cog shog, ivrog èv rep 
decp Tov Xoyov. Toen was de Logos in God, c. Marcel. Il, 2. 

Doch hoe zal het zijn na het einde dezer wereld? Iva (isrx 

TO rsKoq Tvjg Trpoc^soog xvbtq, dog Xoyog, èj/uSrifi rep iecp . . . , de Eccl. 
Theol. II, 8 ; cf. ibid. 9 rors êtrea-Brxi ocvrov ag ycxi wporepov vjv, j}v 
Sf Trporepoy^ oog xvrog è(pyi, èv jjo-y^/f . ovjcovv XTroffioowyia-êi rors o 6eog^ 
Tcpo TOVTOv fi€v XxXoov )cxi TC/) ^oycp %puf4,€Vog èvêpycp. 

Dus is de Logos nu niet in God en niet met Hem vereenigd. 
Eens was Hg dat, nu is Hij het niet, straks zal Hij het 
wederom zijn. Er is derhalve verandering. Op Q-od zelven wordt 
het worden in creatuurlij ken zin overgebracht. Zij het nu al, 
dat hierbij de woorden ipxtrriKi^ èvepyei^ of dergelijke gebezigd 
worden, dit neemt niet weg, dat bij of in God zelven wijziging 
van verhouding gezegd wordt plaatsgegrepen te hebben, toen 
de schepping zoude ontstaan, en dat zij eenmaal wederom ver- 
andering ondergaan zal. Terwille van het creatuur kon Q-od 
niet blijven zooals Hij eeuwig was, maar door Zijne scheppende 
werkzaamheid onderging Hij voor Zichzelven wijziging in be- 
staansmanier. 

Nu is hiermee wel op andere wijze, doch in geene mindere 
mate dan bij Arius c. s. de absoluutheid van het onderscheid in 
wezen tusschen God en schepsel feitelijk geloochend. Arius 
kwam met een „mittlere Substanz", zij het ook „trotz alles 
Straubens"; Marcellus brengt de verandering in God, door of 
terwille van het creatuur bewerkt. Marcellus* voorstelling van 
Gods wezen was daarom zakelgk weinig beter dan die van Arius ; 
cf. ook DOBNER I, p. 877 vv. 

Dit moest wel tot soortgelgke gevolgen leiden, n.m.1. dat Gods 
aanraking van de wereld zoo gering mogelijk werd. Daar- 
toe ontkende Arius het rechtstreeksche van Gods scheppingsdaad. 
Een bemiddelaar behoorde tusschen beiden te komen. Onmiddel- 
lijke gemeenschap van den hoogsten of eigenleken God en de 
gewone schepselen was voor deze laatsten niet om uittehouden, 
voor den Eerste onteerend. Bij Marcellus was er wel onbemiddelde 
aanraking, maar zij mocht niet eeuwig voortduren. Er moest een 
eind aan komen. Immers bestond God nu niet zooals Hij een- 
maal was en gelijk het Hem als God blijkbaar betaamde ; en daarom 

13 



Digitized by 



Google 



194 

kon die gemeenschap, welke zonder bemiddeling geschiedde, 
slechts tijdelijk geduld worden. 

Voorts ook nog. Bij Arius ging het om de existentie. Het 
ysvvrrov des schepsels en het ctyevviTov Gods waren de beide punten, 
waaraan hij genoeg meende te hebben. Op het wezen der dingen 
ging hij niet in. En hij kwam dientengevolge ook niet tot het inzicht, 
dat geen schepsel ook maar één oogenblik zou kunnen bestaan, 
zonder dat Q-od het positief in zijn bestaan en zóó-bestaan hand- 
haafde. Als de dingen er daarom maar eenmaal waren, scheen 
alles vanzelf te gaan. Dan hadden ze Q-od niet meer noodig. 
Slechts om ze aan het zijn te helpen, was er behoefte aan Zijne 
werking. Een deïstische gedachtengang alzoo. Welnu, zoo scheen ook 
bij Marcellus alles vlot te loopen, wanneer God de schepselen maar 
eenmaal voortgebracht had. Voor dit laatste was Zgn ipxfTTiKVi èvspysix 
onmisbaar. Doch daarna verzorgden de dingen zelve zich zonder 
goddelijken bijstand. Immers hield dat Tpoexbsiv straks weder op. Dus 
moest het dan gaan zonder God. Dit kon gedacht worden op eene 
wijze, dat alles in God opging, óf dat aUes eene zoodanige zelf- 
standigheid verkreeg, dat het zelf eeuwig zich in stand houden 
kon. In beide gevallen werd het creatuur uiet als schepsel Gods 
gehandhaafd, maar op deze of op gene wijs aan Hem gelijkge- 
maakt. Doch waarom geschiedde het wederom in God ingaan 
niet eerder dan bij het einde der wereld? Omdat de Schrift 
duidelijk leerde, dat bij den oordeelsdag ook degenen die Jezus 
kruisigden. Hem zien zullen : ovkovv hepysi^ f4,ovift S/öj rrjv rvig (TocpKog 
7rpo(pX(Tiv i%pi TOtTOVTov KsxonpKrboLi rov Trxrpog cpcttvsrai, totdat de 
naderende tijd des oordeels aanbreekt, Ivx roov ryjj/iJcxvTx skksv- 

T>j(rxvTöov, zxTX Tijv 7rpo0>jr€ixv, hoopaKorm tov èKKêvrvjSrêvr» 

c. Mabobl. n, 4. Dan zou Jezus dus ook Zijne menschelgke 
natuur wederom afleggen. Als de Heiland toch zegt, dat het 
vleesch niets nut, Troog èyxcapsi tviv èx, y\jg re ovdxv kxi fiij^&v 
ooCPeXovfTxv èv roig (jl6KKo\J(TIv xïcctTiv ug xvrcp Xv(Tir6Kovvocv ^weivoci r-cp 
Koycfi\ ibid. H, 3. Deze menschelijke natuur was derhalve dan 
overbodig. Zij kon geen diensten meer bewijzen. En daarom 
scheidde de Logos zich van haar, om niet meer van den Vader 
hspysicf, fzovifi gescheiden te zijn. Maar er was ook nog een andere 
reden: Trag iSsi tvjv tov ^ovKov /u^op^yjv, viv oiveiXvi^sv o Koyog^ f^^pCpyjv 
ohfTOLv 'SovXov^ (Tvvsivxt Tcp Xo^cp ; S/ö x^wxTov ysvoiT* &Vj ibid. De 
Logos en ^ a-xp^ of jJ ^ovXov fJ(^op(pvi konden dus niet samen zijn. 
Waarom niet? Omdat de laatste de [^op(p^ van een dienstknecht 



Digitized by 



Google 



195 

was : fJt,op(pv\v ovtrxv ^ovXov. Het samenzijn met die „dienstknechts- 
gestalte" moest den Logos dus eigenlijk compromittéeren. Het 
was Zijner onwaardig. Doch dit had dan toch een tijdlang plaats- 
gevonden. Het samenzijn duurde zelfs nog voort. En het zoude aan- 
houden tot den oordeelsdag. Alzoo hebben we hier de gedachte, dat 
het bezit zelf der menschelijke natuur voor den Logos vernederend 
is, en dat de staat van vernedering eerst eindigt met den dag 
des gerichts, bepaald daardoor, dat de Zone Gods zich wederom 
van Zijne menschheid scheidt. 

Noch deze scheiding of aflegging, noch deze beschouwing over 
het onteerende werd door de Semiarianen gedeeld. Dezen sche- 
nen te zeggen, dat het „vleesch" door de opstanding Q-ode waar- 
dig was geworden. Althans noemt en verwerpt Marcellus dit 
gevoelen : si Sf rig Xeyoi^ iix touto ryjv xy^goa7rivy\v a-otpjcx i^txv 
ahxL Tov Xoyov, on iioc rijg ccva(TTX(Tsag ibccvxrov xvnjv xweipyaaxro^ 
die moet weten, on ov wxv oTrsp xSrxvxroVj tovto x^iov êsov, c. Mabgbl. 
n, 4. Hij gaat daarop voort : f/^i^ccv yxp kxi xvr^q r^g xbxvxtnxg o 
êsog, i T)fi kxvTOv (3ovXiiff€i kxi tx [ifi ivrx xSrxvxrx woisiv iwxizevog. 
Vervolgens wijst hij op de engelen, om te doen inzien, dat niet 
al wat onsterfelijk is i^vootrSrxi iscp x^iov heeten mag. Nu spreekt 
Eusebius hierbij van een ,, afgrond van ongerijmdheid", waarin 
Marcellus gevallen zou zgn : sig fivSrov irowtxg ixwrov èKTSTTTUMTX 
(TwxKTSrof^evog, Maar de ongeremdheid zit toch niet in de loo- 
chening, dat men van een „Gode waardig" spreken mag bij het 
onsterfelijk geworden vleesch. Mogelijk doelt Eusebius meer op 
Marcellus' leer van de aflegging der menschelijke natuur, met 
zijne daarvoor aangevoerde argumentatie als een geheel geno- 
men. Dit moge echter blijven rusten, opdat we nu nader zien, of 
Marcellus' beweren wel zoo wezenlijk van het door hem bestre- 
den gevoelen verschilt. Degenen die aannamen, dat met de on- 
sterfelijkheid van Jezus' menschelijke natuur alle sprake van 
vernedering of onwaardigheid moest ophouden, stelden daarmee, 
dat de Zone Gods naar Zijne Godheid tot den dag der opstan- 
ding in een harer onwaardige verbinding of gemeenschap had 
verkeerd. Eerst toen de xSrxvxtrtx het deel van Jezus' mensch- 
heid was geworden, kon de goddelijke natuur zonder zich te 
onteeren met haar vereenigd zijn. Tweedingengaf men alzoo feite- 
lijk toe : de mogelijkheid, dat eenig creatuur door zijnen ellendigen 
staat op God eene schaduw van onwaardigheid kon werpen, als Hij 
er zich mee vereenigde ; ten tweede, dat dit geval bestaan had. Doch 



Digitized by 



Google 



196 

met de opstanding ware het laatste geëindigd. Daarna toch blonk het 
schepsel in eenen Gode waardigen staat van heerlgkheid, en daar- 
om bestond er toen geen grond meer, dat Hij er zich van behoefde 
los te maken. Echter vonden deze twee punten ook bij Marcellus 
geen bezwaar. Slechts verschilde hij van hen in meening over 
het al of niet onwaardige reeds van het aaünemen of bezitten 
der <rap^^ afgedacht van haar toestand, en daarom ook over de 
wijze, waarop deze staat van vernedering moest eindigen. Hg 
achtte, dat dit eerst geschieden kon, als de vereeniging volkomen 
verbroken werd. 

Het onteerende zat niet alleen in den toestand des vleesches, 
maar in de verbinding zelve. En omdat deze staat van onwaar- 
digheid niet duren mocht, moest de menschelijke natuur weer 
afgelegd worden. Marcellus liet de vernedering dus wat langer 
aanhouden, en op eene andere manier eindigen, wijl hij de 
onwaardigheid in iets anders meende te moeten zien. Maar zakelijk 
maakt dit geen beteekenend verschil. Want beider gedachten over 
het goddelgk wezen waren niet zoodanig, dat bij Q-ods natuur 
nimmer op eenige wijze van onwaardigheid kon gesproken 
worden. Integendeel erkenden beiden, dat zulk een vernede- 
rende toestand, 't zij dan korter, 't zij dan langer, had bestaan. 
En nu kwam het eerste gevoelen er toe, om Gods heerlijkheid 
aftemeten naar die van het creatuur; dus feitelijk Zijne glorie 
op creatuurlijke wijs te denken, waardoor Q-od niet volkomen 
in alles -als God werd gehandhaafd ; doch Marcellus kwam er toe 
om te leeren, dat God zich van de menschheid en de wereld 
terugtrekken moest en zou; waardoor aan de schepping een 
zoodanig bestaan en leven werd toegekend, dat zij God konde 
missen; tenzij het creatuur in God mocht opgaan. Hij ver- 
goddelijkte dus in meerdere of mindere mate het schepsel, maax 
liet juist daardoor God naar beneden dalen. 

Resultaat van beide meeningen was derhalve, dat het schepsel 
de hem als creatuur gestelde perken te buiten ging, en God tot 
schepsel werd verlaagd. 

Wat er dan voorts van Jezus' menschelijke natuur werd, ver- 
klaarde Marcellus niet te weten, c. Marcel. II, 4, p. 108/109. 

Den schriftuurlijken grond, waarop hij met zijn beweren meende te 
rusten, leeren wij uit deze woorden kennen: nu geloof ik de godde- 
lijke schriften, on elg èeoq^ Kat o tovtov hoyoq 7rpovj>.Sr€ f4,€v rov Trxrpog^ op- 
dat alle dingen door Hem zouden worden ; doch na den tijd des 



Digitized by 



Google 



197 

oordeels en de herstelling (SiopSrutnv) van alles en rov icpocvKTfjt^v 
Tvjg xvTiK6i(JL6vvi(; »'7roc(Tv\q svspyeLocq^ dan zal Hij onderworpen worden 
éscf) KXi TTXTpt, die Hem alle dingen onderworpen heeft, Ivx ovrag 
^ iv êscf) o Xoyog^ utrirep koci TrpoTêpov jji/, ibid. p 109; cf. ookibid. 2, 
p. 84/85. Hij meende dus, dat I Cor. 16 : 28 hem tot steun- 
punt strekte. Hoe ongegrond deze meening was, kan blgken, 
als we den tekst inzien. Er staat : oracv Sf vTtorayifi ct^vr^ rx irxvra,^ 
roTê KXi avTog o vlog vTorxy^ffsrai rcf vttoto^ocvti xvrcp tx ttxvtoc^ 
bx ijl o êsog rx wxvtx êv 7rx(n, Waarop het bij dezen tekst nu 
allereerst aankomt is, te vragen naar het begrip van vttgtxttslv^ 
dat driemaal daarin voorkomt, en evenzoo in vers 27 drie keer. 
Bovendien doet het verband den zin er van kennen. Wij kunnen 
zgn strekking goed weergeven met behulp van ons woord onder- 
daan. wTTOTXTTSLv is dau : rechtens óf feitelijk tot onderdaan maken. 

Nu heeft de Vader alle dingen rechtens als onderdanen aan 
den Zoon gegeven. Maar feitelijk zijn zij dat nog niet. Ofschoon 
dus naar recht des Zoons onderdanen, zijn de dingen Dezen nog 
niet onderdanig. Dit laatste moet de Zoon zelf tot stand bren- 
gen. Wat krachtens Q-ods gave recht van bestaan heeft en ander- 
zijds plichtmatig is, moet de Zoon tot feit realiseeren. Aldus 
wordt de zin van dezen tekst : wanneer die verwerkelijking dan 
eindelijk tot stand gekomen is, en alle dingen Hem nu, gewillig 
of onwillig, onderdanig zullen zgn, dan zal ook de Zoon zelf 
zich onderdaan betoonen van Hem, die alle dingen tot Zijn 
onderdanen stelde. 

Echter gaat Marcellus het middelste ifTrorxrrstv {vTroTxyvja-sTxt) 
eenvoudig behandelen, alsof het ware shxi èv of èvovfr^xt, zonder 
een oogenblik nategaan, of dit ook maar bestaanbaar ware met 
het woord zelf en met het verband. Is voorts vTroTxyyjtrsTxi : Hij 
zal zich onderdaan betoonen, of onderdanig blijken, dan vloeit 
daaruit voort, dat deze tekst niet leert, dat Jezus Zijne men- 
schelijke natuur eenmaal wederom zal afleggen, maar juist om- 
gekeerd, d^t Hij haar eeuwig zal behouden. Immers behoeven 
we alleen maar te vragen, of Jezus naar Zijne goddelijke natuur 
onderworpen of onderdanig kan zijn. En dan zegt een ieder, 
die Zgn waarachtig Q-od-zgn erkent : neen. Zal Hij desniettemin 
zich onderdaan betoonen, dan moet Hij iets bezitten, waarnaar 
Hij wel ondergeschikte kan wezen. En dat is dan Zijne men- 
schelgke natuur. Hiermee is deze tekst niet volledig geëxegeti- 
seerd. Maar toch is aldus genoegzaam aangetoond , hoe ten 



Digitized by 



Google- 



198 

onrechte Marcellus er zich op beriep voor zgne leer zoowel van 
de aflegging van Jezus' menschheid, als van een eenmaal we- 
derom in God in-zgn of met Dezen vereenigd wezen van den 
Logos, zooals hij daarover schreef. Het denkbeeld eener zoo- 
danige aflegging vindt geen den minsten steun in I Cor. 15 : 28, 
maar wordt er beslist door weersproken. 

Doordat Marcellus nu zijn beschouwingen over hetgeen straks 
komen zou, het z. g. n. in God in-zijn of met Hem vereenigd- 
wezen van den Logos, aan dezen tekst en aan dit begrip van 
vTroTcc/vj vastkoppelde, kreeg dit in God' ingaan den schijn van 
een daad, die uit gehoorzaamheid geschiedde, van een daad uit 
plichtsbetrachting alzoo. 

Daardoor trad al verder het TrposX^eiv in het licht van insub- 
ordinatie of onbetamelijke emancipatie, van welke de Logos later 
terugkwam, om zich wederom te onderwerpen. En alzoo stond 
bij Marcellus de verhouding van God en Logos toch in het 
teeken van subordinatianisme. Zeker zal hij zulks niet bedoeld 
hebben. Maar niet zyn bedoeling regelde den loop der feiten. 

m. Bij de Antiocheensche School valt voor het punt dezer 
studie op meerdere of mindere overeenstemming in grondge- 
dachten met het Arianisme, het Semiarianisme en Marcellus te 
wijzen, waarom hare behandeling aan die van de andere genoem- 
den scheen te mogen worden verbonden. Met haar wordt hier 
de „Nestoriaansche" richting bedoeld. Doch waar het nu gaat 
om het beginsel en de drijfkracht van een beweren, was het 
beter Nestorius' naam niet op den voorgrond te plaatsen, doch 
te vervangen door bovengebezigde, wijl dan ruimer gelegenlieid 
geboden wordt, den eigenlijken gedachtengang dezer richting te 
leeren kennen. Nestorius blijft ook zoo goed als onbesproken, en 
wg handelen nu schier uitsluitend over hetgeen de man schreef, 
dien Harnack den karakteristieken vertegenwoordiger dezer 
school noemt. H, p. 326, 1 „Der erstere (t. w. Theodorus van 
„Mopsuesta, gest. 428) ist der typische Reprasentant der ganzen 
„Richtung". Bedoeld is de Antiocheensche. 

Het kenmerkende dezer richting is haar vrijheidsbegrip, zegt 
Doener H, p. 39/40: „Der Punkt der am meisten die Eigen- 
„thümlichkeit der Christologie des Diodor v. Tarsus und des 
,Theodor ins Licht stellt, ist der Freiheitsbegriff." En Harnack 
oordeelt in gelgken geest H, p. 326 : „Dasz Christus einen freien 



Digitized by 



Google 



199 

„Willen besessen habe, wurde der Leitstem ihrer (t. w. der 
Antiochener) Christologie." 

Wat dit zeggen wil is, dat in den grond der zaak door den 
mensch beslist wordt over Q-ods doen; dat er van het schepsel 
eene bepalende werking uitgaat op Q-od ; waardoor Q-od dus van 
zijn creatuur afhankelijk wordt; hetgeen insluit, dat men zich 
God denkt op eene zoodanige wijze te bestaan, dat zulks moge- 
lijk is. Dies kan ook in dit gedachtensamenstel, opgetrokken 
naar eisch van da daaraan ten grondslag liggende beschouwing, 
God niet in allen deele als God gehandhaafd worden, en ver- 
krijgt het schepsel tegenover Hem eene plaats, als niet voegt 
aan het maaksel Zijner handen. In zijn Trepi èmvSrpuwiitj-soog 
spreekt Theodorus over een drieërlei èvoijcyitrig^ eene „inwoning" 
n.m.1. die geschieden zou öyer/f , of èvspyeK^^ of £ySö;c/f. Cf. Har- 
NACK II, p. 331—333 Anm. Dobner H, p. 45, 16. Van de 
twee eerste mag bij God geen sprake zijn, meent hij : oxxricf, (isv 
oifv heysiv êvotxeiv rov ieov roov xirpeTrstTTxroav hTiv, Taqq iets zou ook 
gelden van het ivoiKstv evepysicf,. Een van twee toch ware het 
geval, zegt hij : óf God ware alleen daar waar Hij „inwoonde" 
en otKXm xttxvtoov êKTOg, óf deze ivoijc^trig moest ook roig xKoyoig 
Kxi oL^\jvxoig toegeschreven worden. Dit houdt dus het dilemma 
in : óf alleen daar en nergens elders, óf overal gelijk. Nu is het 
eerste ongerijmd vanwege Gods alomtegenwoordigheid : birsp 
xTOTTov slwsiv swi TVfg ccTTsipov (pvtTsug, en het tweede blijkbaar 
onbetamelgk. De noodzakelijkheid voor het tweede zoude in de 
iTTêipog (pvtTig van God liggen. Theodorus loochent dus Gods ommiprae- 
sentia essentialis niet, maar leert haar. Doch het komt er op 
aan, hoe hij deze zich denkt. En dat is blijkbaar als een uit- 
gebreid-zijn, als een nergens binnen besloten wezen. Daarom de 
naam iweipog <pv<ng. Alzoo hebben we hier wederom het nega- 
tieve. De ruimte schijnt er te wezen onafhankelijk van God, 
en in die bestaande ruimte is nu Gods wezen als een soort 
fluïdum overal uitgebreid. Dat is geene voorstelling noch van 
Gods wezen, noch van Zijne alomtegenwoordigheid, zooals de 
Schrift haar biedt. Immers geeft deze allereerst eene positieve betee- 
kenis aan, n.m.L zóó, dat er geene plaats bestaanbaar is, tenzij 
God haar deedj en elk oogenblik weer en steeds door haar doet 
zgn, niet door eene werking uit de verte, maar door tegenwoor- 
digheid van Zijn wezen. Daaruit vloeit voort, dat God, hoewel 
op aUe plaatsen met Zijn wezen tegenwoordig, toch niet overal 



Digitized by 



Google 



200 

op gelijke wgze is. Ook daarin toont Hg de verscheidenheid 
te beminnen. En uit het verschil in praesentia Dei essentialis 
ontstaat het onderscheid der schepselen. Maar Theodorus dacht 
zich Q-ods wezen blijkbaar als een soort vloeistof, en Zijne alom- 
tegenwoordigheid als een grenzenloos uitgestroomd-zijn, overal 
gelijk. Hieraan verbond zich de voorstelling van het noodzakelgke, 
van het onafwendbare. Wat God was naar Zgn wezen, dat was 
Hg nu eenmaal ook ondanks Zichzelven. Willens of onwillens, 
Hij moest het zgn. Ook zelf stond Hij eigenlijk als een mach- 
telooze daartegenover. En daarom moest er gezocht worden 
naar een terrein van beweging, waarop Q-od, vrg van Zijn wezen, 
naar believen, d. i. naar willekeur, doen kon wat Hg mocht 
willen. Tengevolge van zijn onschriftuurlijke voorstelling van 
öods wezen, moest Theodorus derhalve allereerst eene poging 
aanwenden, om God los te maken van Zijn eigen wezen, opdat Hij 
zou kunnen verrichten wat Hem goed docht, zonder aan Zijn 
wezen gebonden te zijn. „Seine Unbeschranktheit fjt^t^ovoog ^oo^^sr^i 
ÓTxv cpaivviToci f^ij oog xvctyjcifi rivi ^ovXsvm rep iTTspiygxCPcj) mg 0v(r€ug^ 
bij DoBNEB t a. p. p. 46, 17. Er moest alzoo gezorgd worden, dat 
God niet aan ivocyKv\ wierde onderworpen. Dit laatste zou het 
geval zijn, indien Hij handelde krachtens het onomschrevene 
Zijner natuur. Daarom moest God zich tegenover deze gesteldheid 
van Zijn wezen, hetwelk eigenlijk onderscheiden is van Hem- 
zelven, vrijelijk kunnen bewegen: si [isv yxg xttxvtxXov Trxgcav t\i 
fySöJc/f , sTspooq ttxXiv oLvocyytifi iouKsvm svpia-Ksro, ovKsrt kxtx yvui^^v 
Tyjv TrxpovtTiav Troiovfisvog, xKha, rep uwsipcp r^g cpvasug kxi tviv yvoofiijv 
€7rof4,£V}iv f%6?v, ibid. De tegenstelling is dus : j? yvcof^^yj en ro 
xTTsipov Tvig (pv<r€ug ; m. a. w, bij God zelven wordt eene tegen- 
stelling gemaakt, yj yvcciJLvi geeft het ^vrije" aan, to xTreipov ryjg 
(pvcrscog het onvermijdelijke. En dit vrije is eerst dan te hand- 
haven, wanneer het niet bestaat in een volgen {67r€(r3rxi) van 
„het grenzenlooze Zijner natuur". De vrijheid bestond derhalve 
allereerst in een van Gods wezen onaf hankelijk-zijn. Aldus werd 
Gods simplicitas prijsgegeven. Theodorus kon Gods wezen niet 
in Zijne Goddelijkheid denken, waardoor de tegenstelling van 
dwang en willekeur vanzelve uitgesloten ware. Evenwel is deze 
„vrijheid" nog geen willekeur. Zien we dat verder. We von- 
den, dat God noch met Zgn wezen, noch met Zijn werking 
kon „inwonen" : ovre oinriof, Keyeiv ovrs fiijv èvepysi^ oïov re ttoiskt^xi 
TOP ^€ov T>tv ivoiKyi<nv. Wat blijft er dan nog over? ri ovv ipoc 



Digitized by 



Google 



201 

wTToXsiTreTxi :, Welke term drukt hier het juiste uit? tivi xp^^^f^^^^ 
Xoycp og sTTi tovtoov ïSix^ov 0xv€tTXt (pvXxtr^Ofj(,evo(; ; Dat is svSo^ciij^ : 
5)fAöv ovv dg ev^oKi^ Xsysiv ytvsaSrxi tvjv èvoiy,^(nv wpoa-ijKêiv, Dus leverde 
het èvoiKsiv geen bezwaar op, maar alleen het ovai^ en èvepysicj^ hoijceiv. 
Dit hangt echter geheel samen met het Godsbegrip dat men heeft. 
Wat is nu dit welgevallen ? sö^okix Sf Xeyerxi jj cipi(rrv\ zcti y,xKKi(TTVi 
baKvi<ng rov êsov viv iv TToivitTviTxi .... Het is dus een willen Gods, 
of Zgn wil in actie. Doch op deze wijze wordt geleerd, dat God 
met Zijn wezen, dat immers icTsipov en ctTrepiypxCpov is, ergens 
zijn kan, zonder er svSoKHf. te wezen; voorts, dat God ergens 
sifioKi^ kan ivotzsiv^ zonder dit tevens öio-zf en èvepyeiof, te doen; 
ten derde, dat er sprake mag zijn van Gods btXvi^ng viv iv TroivitrviTxi^ 
zonder dat Zgn wezen en èvspyeix daarbij te pas komen. Heel 
Gods simpliciteit en volzaligheid gaan aldus te loor. Maar toch 
werd Zijn welgevallen geen willekeur. Want de svio^ix is vi ccpi(Tr\i 
jcxi kxXKkttvi SreXtjo-ig rov êsov viv xv TTOnjtryjTxtj doch, en dat is 
de zaak, ^pe^Sretg TOtg xvxKstdbxi xvrcj} ia'Tov'SxKOfftv xtto rov ev kxi 
KxKx ioKetv xvTCf) wepi xvroov. Er zijn wezens. Sommige van hen 
beijveren zich om God aan te hangen. Daardoor voelt Hij zich 
gestreeld. En in blije gulheid overstort Hij hen met weldaden. 
Hij komt bij hen, en gaat in hen „inwonen". Er zijn ook ande- 
ren. Dezen laten Hem links liggen. Zij blijken niet van 
Zijn gezelschap gediend te wezen. Nu, dan houdt Hij zich 
ook op een afstand, indien Hij zich niet in gekrenktheid 
terugtrekt bovendien. Niet naar Zijn wezen en werking: 
XTTsipog fi€V yxp xv kxi x7r€ptypx(pog r^v 0v(rtv 'Trxpetrri toi4 ttx^i^ 
Tifi 'Ss evhomcf, Tosv fJLsv i(TTi f^fXKpxv^ T(ov Sf èyyvg. Hoe steekt bij het 
gedrag dezer laatsten dat der eersten af! Zij willen in de nauwste 
gemeenschap met Hem leven {xvxKettr^xi xvrcp). Daarvoor doen 
zij zoo hun best. Ja, zij hebben zich zoo beijverd {ètrTrov^xKOffi). 
Dat te aanschouwen overweldigt Gods hart. En Zichzelven 
schier geen meester van vreugde, opent Hg de sluizen voorden 
stroom Zijner gunstbewijzen, als om Zichzelven schadeloos te 
stellen voor den hoon, door de anderen Hem aangedaan, sviozix 
5f X&ysTXi Yi xptmi kxi kxXXkttvi beXvitTig rov èeov viv iv TTOiyjffijTXi 
xpe^beig roig xvxKettrbxi xvrcp èrTTov^xKOffiv it/iro rov sv kxi kxXx ^oksiv 
xvrcp wepi xvroov. 

De vrgheid Gods bestaat alzoo hierin, dat Hij in onafhankelijkheid 
van zijn wezen zich regelt naar het gedrag Zgner schepselen. Der- 
halve hebben deze laatsten ten principale de beslissing over 



Digitized by 



Google 



202 

Zgn doen in hun handen. En zij handelen natuurlijk niet 
krachtens eene voorafgaande werking van Gods wezen, want 
dat zou hunne vrgheid vernietigen. 

Naar deze beginselen construeert Theodorus nu ook zgne 
Christologie. In Jezus was de hoogste eenheid tusschen God en 
mensch tot stand gekomen. Daarin overtrof Jezus alle anderen : 
(lovo^ è^xipsTOv è%Oi}j/ rovTO èv rifi Tpog rov êsou Xoyov (Tuvx(p€i^j rvjg re 
vloTviTog KXi zvpwryiTog fi6T6%ccv^ bij Haenagk t. a. p. Cf. Nestorius ad 
Cyrillum in Opp. Onin. Cyrilli, Lutetiae 1638 fol. 6 p. 28 D : 
ehxi [JL€V oifv Tvig viov Sreoryjrog ro (TOOfjLOL vxov, kxi vxov y.xT* ccKpxvrivx 
Kxt ^sixv fivca(JL6vov <7vvx0€ixv. Cf. ibid. fol. 7, p. 16 B : ro r^g 
vïoTyiToq Tijpovfisv f4,ovxSiKov kv xv^ poi>7ror>}Tog Kxi bsoTviTog 0vff€i. Doch 
in het citaat van Theodorus is reeds opmerkelijk, dat er niet 
staat : jJ Trpog xvrov rov êsov Xoyov trwxcpeix, doch : vi Trpog rov êsov 
Xoyov (Tvvx(p€ix. Daarmee wordt de menschelgke natuur als de 
actieve voorgesteld, die zich aan den Logos vasthoudt, terwgl 
van eene werking Gods in dezen niet blijkt. Nu was God hierbij 
wel werkzaam, doch Hij volgde het doen van Jezus' mensche- 
Igke natuur. Daarnaar regelde Hij zich in de verleening Zijner 
genadegaven, lijo-ovg Sf TrposJcoTrre %^p/T/ Trxpx ês^ — %«p/T/ Sf, xjco- 

}i.OV^OV Tlf} (TVV€(T€l KXI Tlfl yV0i)(T6l TVJV XpêTVJV (Jf^STlOOV^ è^ ^g fj ITXpX T^ 

dscf) xxpig xifTcp TJ^i/ wpotrSr^jcyiv èXxf4,(3xv€j bij Habnack t. a. p. 

In de deugdsbetrachting was Jezus stipter en bedrevener dan 
den overigen menschen mogelijk was : Sj^ Aöv 5f xpx kxksivo, ecg 
rvjv xpsrviv xjcpifiêffrepov rs y.xi fisrx TrKsiovog èTrXyjpov Tvig 6v%€P€ixg 
VI Toig" XoiTToig xvbpooiroig yjv ^vvxToVy ibid. Hij ontving dan ook meerdere 
genade. Want deze moest van Hem op de anderen overgaan : 
hvoudxg xvTov sxvrcj} rifi (r%€(T€t rvig yvcof4,>jg, (isii^ovx rivx Trxpsix^v xvrcp 
ryjv %xpiv^ cog rvig 6\g xvrov %xpiTog sig irxvTxg rovg s^vig ^ix^obyitrofisyyig 
xvSrpcoTTovg^ ibid. Hij verkreeg [JLêit^ovx wvspysixv irpog r^v rav ^sovrm 
Kxropbu<nv, 

Dit handelt echter slechts van den voortgang en den voort- 
duur dezer rgkere genade, meerdere saamwerking en nauwere 
vereeniging. Daaruit blijkt reeds, dat de deugdsbeoefening 
van Jezus' menschelijke natuur de primair-bepalende was. 
Immers diende zij als maatstaf waarnaar, en was zij de grond 
waarop God Zijne hulpe en geheel eenige (tvvx0€ix schonk. Daarmee 
was de eigenlijke vastheid onzer verlossing uit Gods hand ge- 
nomen, en deze ter beschikking gesteld van Jezus' menschheid, even- 
als bij OrigeneSt Maar belangrijker is nog de vraag naar den aan- 



Digitized by 



Google 



203 

vang dezer innige gemeenschap. Origenes had daarbij de leer 
van de praeëxistentie der zielen te baat genomen. Doch waar 
deze weg doodgeloopen was, moest Theodorus een ander pad 
kiezen. Om nu niet in eerster instantie en ten principale te 
laten beslissen door God, bleef er geene andere keus dan die 
der voorwetenschap Q-ods. Q-od zag van tevoren hoedanig 
Jezus' menschelijke natuur straks wezen zou, en daarom verbond 
de Logos zich reeds in het eerste oogenblik van haar aanzijn 
met haar. jJj/wtö ^fv yap è^ &p%yi(; rep ês^ o XyjCpSreig jcara TTpoyvcatriv, 
èv ocvTTfl Tifi ^tacTXccasi Tijg fjt^yjrpccg rijv jcarccpx^jv r^jg evoö(Teooq ^s^afisuog, 
God de Logos vereenigde haar in den allereersten aanvang harer 
vorming met zich kxtx Tpoyvatriv rov owoioq riq hrxi. Het doen 
en zijn des schepsels werd door God als richtsnoer genomen 
voor Zijne eigene daden. Zoo ging het creatuur voorop, en 
kwam God achteraan; en bepaaldelijk volgde Hij den gang 
van den mensch. «Das Wissen, dasz Christus auch ohne ur- 
,sprüngliche Vereinigung mit dem Logos dieser Auszeichnung 
„sich würde werth gemacht haben, bleibt das Motiv für Gott, 
„warum er so ausgezeichnet ward von Anfang an," Dobner H, 
p. 49, 18. Nu schrijft Doener evenwel verder, dat men hierbij 
zekere redeneering van Theodorus vergelijken moet, „womach 
die TrpoyuvfTK; nicht sowohl Praescientia als Pradestination ist." 
Dobnbb schijnt dan voorts de door hem aangegeven plaats mee 
te deelen. Hij gaat tenminste voort: „Gott würde, sagt er, nicht 
„einfach ohne Rücksicht auf den Nutzen {xpmil^oq Xoyoq) 
„einen Menschen angenommen und mit sich so verbunden haben 
„dasz er Gegenstand der Anbetung für die ganze Schöpfung ward, 
„wenn nicht das durch ihn zu Volbringende eine gemeinsame 
„Wohlthat für das Universum ware." Doch hierin vergist Dorner 
zich dan, want deze plaats spreekt niet over het karakter der 
voorkennis, maar zegt alleen, dat de trwxcpsix niet enkel ter wille 
van Jezus' deugdzaamheid, doch tevens met het oog op haar 
nut door den Logos met Zijne menschelijke natuur werd aan- 
gegaan. Die vereeniging geschiedde dus vanwege de voorkennis 
èn van Jezus' deugdsbetrachting en van het algemeene nut dier 
verbinding. Over den aard der praescentia wordt ganschelijk 
niet gerept. Hoogstens kan men zeggen, dat het aangaan der 
vereeniging onder Gods praedestinatie stond. Maar dit loochent 
niemand ; want zich zoo nauw met de menschheid verbinden 
was een daad van Hemzelven. En dat bij Gods eigen doen een 



Digitized by 



Google 



204 

woord door Zgn wil meegesproken wordt, is niet in geschil. 
Doch de praedestinatie raakt de handeling des schepsels. En 
daaromtrent leert Theodorus hier niets dan een tevoren er 
weet van hebben. Hiermee gaat hij niet uit boven hetgeen ook 
Arius reeds gezegd had. ,,De Logos is ook zelf niet onver- 
anderlijk, doch blijft zxXog zoolang Hg wil rep i'Sicp xvrs^ovfncp. 
Als Hij wil, ivvxTxi rpeiratTbxi evenals ook wg, rpswr^^ m ^vtrsuq. 
Daarom ook Trpoyivcoffjcav i êeog èastrbxi kxKov xötov^ 'TrpoXxfiosv xvTcp 
Txvryjv Tijv io^xv SfSo^xfy, viv xvSrpcoTOg Kxi sk ryjg ipsr^q è(r%€ fisrx 
TXVTx, avre i? kpyoov xifTov, iv wposyva o êsog^ roiovrov xvtov vw ysyovevxi 
TreToi^Ksv^ Arius bij Athanasius, c. Ar. I, 5. Op bovengenoemde 
plaats schrijft Doener nog ook : „Diese Rückbeziehung auf die 
„göttliche wpoyvoodiq ist der Rest origenistischer Christologie ; aber 
„es wird kein reaier Moment mehr angenommen, da Christus 
„ohne den Logos sich erst durch seine Tugend der Einigung 
„mit dem Logos würdig gemacht hatte, sondem dieses rein 
„menschliche Leben wird nur in Q-ottes Q-edanken festgehalten." 
Wanneer hierbij „Rest" beteekenen moet = onbeteekend over- 
blgfsel, dan is deze apprecieering onjuist. Want wel leerde The- 
odorus geene praeëxistentie der zielen zooals Origenes, maar 
deze leer was in Origenes' systeem slechts hulphypothese. *) Wat 
dezen bezielde was het xvrs^ovfriov der redelijke wezens. Dat 
bestond in een zelve zich bepalen, onafhankelijk van Gk)ds 
determineerenden invloed. Ontneembaar was het hun niet, of 
zij zouden hun natuur verloren hebben. Toch konden zij de 
capacitas mali kwijtraken, doch alleen door zichzelven. Dit ge- 
schiedde met Jezus' ziel. Het zal eenmaal bij alle redelijke 
wezens het geval zijn na de xTOJcxrxtTTxtTig ttxvtoov. In verband nu 
met hunne determinatie beschikte God de verscheidenheid in 
de wereld, tot belooning, of tot straf; en ieder redelijk schepsel 
bewerkte alzoo zelf zijn toestand. Maar dit liep bij de geboorte 
spaak. De een kwam arm, een ander rijk ter wereld, deze was 
gezond en krachtig, geene mismaakt en ongelukkig. Hoe groot 
verschil was er bovendien in ouders enz. Om hierbij heixvrs^ov- 
(Tiov en de leer van het meritum in Origenistischen zin vast te 
houden, bleef er slechts één uitweg open : die van het vóór- 
bestaan, der praeëxistente verdienste. Op dit pad kan men 
echter twee richtingen uitgaan : de richting der reëele praeëxis- 



*) Cf. ook Bavinck, Dogm. Il p. 442, UI p. 70 en Daubonton a. w. p. 9 w. 



Digitized by 



Google 



205 

tentie, of die der praeëxistentie in Gods overweging. Bg de 
eerste is het doen reeds een feit; bij de tweede denkt God zich 
dat reeds als een feit. En bij beide richt Hij in Zijn doen zich 
naar hetgeen de redelijke creaturen, reeds in werkelijkheid of 
nog slechts in Zijne vóórwetenschap, volbrachten. 

Deze twee zijn dus tamelijk wel lood om oud gzer. Zij bewegen 
zich in dezelfde richting, ook al bewandelen zij niet volkomen den- 
zelfden weg. De gedraging van het creatuur bepaalt het doen van 
God ten aanzien des schepsels. God komt achteraan. De mensch 
baant den weg. Nu koos Origenes voor de reëele praeëxistentie, 
Theodorus met Arius e.a. voor het voorbestaan in Gods overweging. 
Doch dit maakt zooveel verschil niet uit. En te minder waar Origenes 
zijn beschouwing van meritum etc. niet op de leer der praeëxistentie 
bouwde, maar veeleer omgekeerd. Moge dus de „Eückbeziehung 
auf die göttliche Trpoyvccfriq der Rest origenistischer Christologie" 
heeten, dan is zij niettemin eene rest, die het beginsel in zich 
bergt, en slechts in anderen vorm biedt, wat gebleken was 
anders niet op te gaan. Zakelijk geeft zg hetzelfde. Doch de 
leer der 7rpoyva(rig als nuda praescientia vertoont zich in een 
vromer schijn en misleidt het menschelijk denken lichter. 

Uit hetgeen tot hiertoe van Theodorus' beschouwingen over 
God en Zgne verhouding tot de wereld en den Christus be- 
sproken werd, laten zich verschillende dingen natuurlijk ver- 
klaren. Vooreerst een gemis aan schuldgevoel, en daartegen- 
over een zien op de ellendige gevolgen der zonde, dat Dornbb 
bij Theodorus aantreft. Hij schrgft p. 65 : „So stark Theodor 
„die Freiheit des Menschen hervorhebt, so stark, sollte man denken, 
„müsse auch das Bewusztsein der persönlichen Verantwortung 
„und Schuld des Menschen ausgebildet sein. Das ist nicht der 
„Fall. Er blickt fast ausschlieszlich auf die andere Folge der 
„Sünde, die Straf e, zusammengefaszt im Tode und in derSterb- 
„lichkeit." Maar voor schuldgevoel wordt logisch vooraf vereischt 
besef van verplichting. En dit vordert wederom, dat degene, 
tegenover wien men zich verplicht gevoelt, zich in ongehouden 
goedheid jegens ons gedroeg. Dus zou God de eerste, voor- 
komende, volle en goede moeten zijn, die ons zonder eenige 
onzer verdienste omringde met Zijne gunsten en gaven. Doch 
daarvoor is in Theodorus' gedachten geene plaats. De mensch toch 
is daarin de eerste. God ziet toe. En na de handeling des 
menschen komt Hij. Beviel 's menschen doen Hem, dan over- 



Digitized by 



Google 



206 

laadt Hij met goedigheden. Doch tegenover Hem handelt de mensoh 
niet uit besef van plicht, zooals voor schuldgevoel noodig 
ware, maar 't zij uit genegenheid, 'tzg ook uit zelfzucht, om 
den zegen van Zijn evloKioc zich te verwerven. Handelt men 
daarentegen niet goed, en treffen ons daarvan de onaangename 
gevolgen, dan ontbreekt het besef, dat God deze over ons be- 
schikt naar recht. Veeleer zien we dan op Zijn overmacht, 
waardoor H^* ons die kan berokkenen, en op den jammer, ons alzoo 
bezorgd. Een en ander weerspiegelt zich dan weer in de leer 
van de verlossing. „Da er mm aber auf die Schuld nicht be- 
„sonders reflectirt, so kann ihm das Werk Ohristi nicht sowohl 
„in- der Versöhnung bestehen, als in der Ueberwindung des Todes, 
„oder in der Verleihung der Unsterblichkeit durch seine könig- 
„liche Macht," ibid. Hiermee stemt ook Habnack overeen II 
p. 329 : „kein Zweifel kann darüber bestehen, dasz diese An- 
„tiochener von dem Gedanken der Erlösung als Sündenverge- 
„bimg und Wiedergeburt weiter entfernt gewesen sind als von 
„der realistischen Erlösungsvorstellung". 

Hiermee hangt ten tweede ook saam een andere zaak, waarvan 
Haenaok spreekt, ibid. „Von der Erlösungs- und VoUendungs- 
„lehre aus haben die Antiochener, wie es scheint, selten argu- 

mentirt, oder wo sie das thaten, haben sie dieselbe so gefaszt, 
„dasz es sich nicht um eine Bestitution, sondem um die noch 
„fehlende Vollendung des Menschengeslechts, um die neue zweite 

Katastase, handle. Die natürliche Lage der Menschheit, zu 
„welcher auch die Todesfahigkeit gehort, kann verbessert, die 
„Menschheit kann über sich selbst hinausgehoben werden durch 
„voUstandige Emancipation von der Sinnlichkeit und durch 
„Tugendstreben". Immers is voor eene „VoUendungslehre" een 
voorafgemaakt bestek noodig, en dus iemand, die bepaalt, hoe 
het gaan en straks zijn moet. Maar voor zoo iets kon in Theo- 
dorus' systeem geene plaats ingeruimd worden. Daar was het 
de mensch, die streefde en streven moest, desnoods tot in het 
eindelooze door. Van zijne volmaking mocht sprake zijn, maar 
niet van een door God gesteld einddoel, waarop alles was aan- 
gelegd, en waarheen het werd geleid. Daarom ook niet van eene 
„Eestitution", inzoover hiermee aangegeven wordt, dat iets op 
een bepaalde toekomst berekend is, en wederom daarvoor inge- 
richt wordt. Dat vervolgens de leer der verlossing onhelder 
bleef, moralistisch was, en geen nauwen samenhang met de 



» 



n 



Digitized by 



Google 



^ 



207 

Christologie vertoonde, behoeft evenmin te verwonderen. „Diese 
^(scil de Soteriologie) bleibt bei ihnen unklar und mit einem 
^ starken moralistischen Schatten behaftet, die Verbindung mit 
„der Christologie lose und unsicher", Haenaok ibid. Jezus had 
eigenlijk niets te doen dan ons een voorbeeld te geven, dat wij 
moeten navolgen. Cf. Habnaok p. 329 en p. 331, 1 : „Die Com- 
„mentare Theodor's sind zu studiren, um zu erkennen, wie ihm 
y,yvafji}^ und (^if^vitTiq (im öegensatz zur (pvfriq) die Hauptsache ge- 
„wesen sind. Alles soU bei uns und bei Christus auf Freiheit, 
„Gesinnung und Willensrichtung beruhen." Demensch moet zelf 
zich verlossen. Kan het bevreemding wekken, dat de Antio- 
chenen deelnamen in den destijds ontbranden strijd tusschen 
Augustinus en Pelagius, en dat zg zich aan de zgde van den laatste 
schaarden? „Es ist denkwürdig dasz von allen Orientalen allein 
„die Antiochener und die ihnen verwandten Theologen Antheil 
,an dem augustinisch-pelagianischen Streit genommen haben, — 
„allerdings zu Gunsten des Pelagius", BLlenaok p. 330/331. En 
is het bloot toeval, dat Nestorius zich Pelagius aantrok, en dat 
beider beweringen tegelgk veroordeeld werden op het concilie te 
Efese 431 ? Cf. Kubtz I § 54, 4, en Hagbnbaoh § 110, 4. Poogde ook 
de pelagiaan Julianus van Eclanum niet eene Nestoriaansche 
Christologie tegen Augustinus te verdedigen? Cf. Dobnbb H, 
p. 94—98. We kunnen zeggen, dat het Nestorianisme of de 
leer van den Christus door Theodorus ontwikkeld (zakelijk 
gelijk aan die van Origenes, hoewel deze ook andere 
elementen er in opnam) het Pelagianisme is op Christologisch 
gebied. 

Arianisme (gerekend met het citaat van Arius over Gods vóór- 
kennis, tevoren aangehaald), Nestorianisme (Theodorus) en Pela- 
gianisme onderling vergelijkende, zien we, hoe ze veelszins 
dezelfde grondgedachte uitwerken, elk op een eigen gebied. Het 
eerste doet dat bij de Theologie in enger zin (verhouding van 
Vader en Zoon), het tweede bg de Christologie (verhouding der 
goddelgke en der menschelijke natuur bij Jezus), het derde bij 
de Soteriologie (verhouding van God en mensch ten aanzien der 
verlossing). In het Arianisme werkt zich de mensch op tot een 
tweeden God, in het Nestorianisme (bg Theodorus) tot de een- 
heid met den Logos, in het Pelagianisme tot goddelijke zalig- 
heid. En wat het Pelagianisme derhalve is op Soteriologisch 
terrein, is het Nestorianisme op Christologisch gebied, en het 



Digitized by VjOOQIC 



208 

Arianisme op speciaal Theologisch territoir. Vandaar de nauwe 
samenhang en hun onderlinge opeenvolging. 

Alle drie doen te kort aan de absolute hoogheid Gods. 

Want eensdeels wordt er wel geredeneerd over een e verhe- 
venheid des eeuwigen wezens, die niet gedoogt, dat God zich met 
het kleine of geringe inlate. Zoo zeide ook Theodorus, dat een 
hoiKsiv x<%T' Qxi(7ixy van God ondenkbaar was, omdat deze inwoning 
dan ook Toiq iXoyoi^ kxi ci\pv%otg moest toegeschreven worden; als 
ware dit iets dat zichzelf weersprak van ongerijmdheid. Nu is God 
in elk schepsel tegenwoordig zeer zeker naar den aard van dat 
schepsel. Maar die aard is toch alleen door Hem bepaald, en 
wordt steeds onmiddellijk door Hem in stand gehouden, ook al 
laat Hij het creatuur middelen gebruiken. Doch juist de moge- 
lijkheid, die men als stilzwijgend aannam, dat Gods majesteit zich 
niet ongekrenkt zou kunnen handhaven bij de innigste verbin- 
ding met het o. i. geringste en ellendigste creatuur, loochent de 
onaantastbaarheid van 'sHeeren heerlijkheid, en heeft haar in 
eene relatieve, d. i. met het schepsel vergelijkbare en overeen- 
stemmende, omgezet. Op dit standpunt zou er bg de unio per- 
sonalis van vernedering sprake kunnen zijn slechts vanwege den 
lagen toestand der menschelijke natuur, en inzoover ware dus niet 
het zgn-zelf van mensch reeds vernedering. Want immers kon 
die mensch, ofschoon mensch blijvende, tot zulk eene hoogte van 
heerlijkheid opgevoerd worden, dat het goddelgk wezen er niet meer 
door onteerd werd ; tot eene heerlijkheid dus als bij God paste. Maar 
de fout bleef dan toch, dat men bg God van „onwaardigheid" enz. 
sprak, en deze liet wegvallen door zekeren graad van creatuurlijke 
heerlgkheid. Dat is de grondfout. Of men de vernedering mocht 
stellen in den gezonken toestand, zooals de Semiarianen en hun 
geestverwanten deden, dan wel op de manier van Marcellus in 
het bezit zelf reeds van de menschelijke natuur, maakt zakelgk 
geen verschil. Men spreekt dan in beide gevallen van vernedering 
of ontlediging der goddelijke natuur van den kant des schepsels. 
God zou zich tegenover het schepsel niet kunnen handhaven. 
't zij vanwege den toestand van het creatuur, 't zij door het zijn 
zelf van creatuur. Zijne majesteit zou bg zoodanige aanraking een 
veer moeten laten. En daarom óen van twee : óf die toestand moest 
veranderd, óf, zooals bij Marcellus, de menschelijke natuur moest 
weg. Anders wierde God ontsierd. Dat is beider gemeenschap- 
pelijke fout. God blijft niet volkomen in alles God. Het schepsel 



Digitized by VjOOQIC 



209 

wordt verheven boven zgn creatuurlijke hoogte. Dit laatste 
kwam bij de Antiocheensche School of het Nestorianisme ook voor- 
namelijk uit in de vereering, aan Jezus' menschelgke natuur toe- 
gebracht. Arianen en Semiarianen toch hadden geen bezwaar, een 
wezen dat niet God was, of, naar hun wijze van zien, niet de hoogste 
God, nochtans goddelijke hulde te bewijzen. In gelijke dwaling 
verviel ook deze richting: „wij zeggen niet, dat er twee Zonen, 
noch dat er twee Heeren zijn. God de Logos is Heere kxt' ov(ti»v, 
^ (rwm^jzsvog re Kat (jl6T6%oov beory^Toq KOivmsi tvj^ viov TTpof^vfyopia^g re 
Kxi Ttj^yig, bij Habnaok II, p. 331, 1. l6%€Txi tvjv Trxpx Trxvyjg ryjg 
KTKrsag 7rpo(rKvv)j(rtv, ug x%copi(rrov Trpog Tyjv bsiocv (pv(nv i%«y ry^v 
(TvvxCpsiocv^ ivxCpop^ tsov Koci èvvoiof. TTXcn^g xir^ rvig KTifreoag rviv TrpoKvvvifTiv 
xTTovsiJLOvvvig^ ibid. En Nestorius zeide : S/« rov (popovurx rov (popov- 
fjLsvov Cf j3«, 5/öc Tov KeKpv[JL(j(,6vov 7rpo(rKvvcc tov CpxivofJisvov. xxoapi(TTog rov 
cpxivofJLevov êsog, ^ix tovto tov /*j; %upil^o(j(,svov tvjv rif^viv ov Xapi^u, 
Ik scheid de naturen, maar ik vereenig de aanbidding, bg 
Hagbnbach § 100, 3. ryjv (popovfjLsvviv rep cpopoxjvTi (rwrifiafAsv (pvfrst^ 
bij Doener II, p. 63. Cf. daar ook: horifitx. 



B. Apollinabis. 

De Antiocheensche School kon de uitnemendheid der (rvvxCpêix 
tusschen den Logos en Jezus' menschheid alleen in gradueelen 
zin leeren. Plaats voor iets specifieks was er niet. Dit is kenbaar 
uit het geheele stelsel. Jezus' menschelijke natuur was aan de 
onze volkomen gelijk. Homo Jesus similiter omnibus hominibus, 
nihil differens connaturalibus hominibus, quam quia ipsi gratiam 
dedit; gratia autem data naturam non immutat, bij Habnaok II, 
p. 332, Anm. En zij was volledig: Xoyog xvbpcaTcv siXvjCps rsXeiov^ 
ibid. p. 331, 1. Nu kan God noch kxt" oiktixv noch jcxt* hspysixv 
„inwonen", maar wel siiioKiof', En naar dit welgevallen is Hij van 
dezen verre, aan genen nabg. Dat hangt van den ijver af, 
waarmee de mensch zich bevlijtigt xvrcfi ctvxKSKrbxi. Ook bij den 
Christus ging dit door. Want ofschoon Deze èv xvrifi nfi IixttXxvsi 
Tijg fivirpxg TVfv Kxrxpxviv rvjg svoofrsag ontving en van God [jlsiI^ovx 
(Fvvspysixv verkreeg, geschiedde dit toch slechts kxtx Trpoyvatriv tov 
oTToiog Ttg è(TTxtj gelijk Hij ook vermeerdering van genade bij God 
vond naar de mate van zijne deugdsbetrachting (tj^v xpsT^v fisTioov 

14 



Digitized by 



Google 



210 

i| ï;^ . . . .) Zulke grondslagen nu konden alleen eene zoodanige 
Christologie dragen, als slechts een graadonderscheid a.annam 
tusschen de (rvvxcpsix bij Jezus, en die bij de andere menschen. 
Wat hier meer bijkwam, ging buiten de lijn van het paslood. 

Een en ander bood echter dit voordeel, dat de gelijksoortig- 
heid van Jezus' menschelijke natuur aan de onze, en hare vol- 
ledigheid, krachtig gehandhaafd werd, onder beslist afwijzen van 
eenige samensmelting Zijner beide naturen tot eene derde, of 
van eenigen overgang der eene in de andere : ov yxp iJLSTSTroiyibvi 
sU (FxpKcc^ bij Habnack ibid. p. 333, Anm., neque naturarum confusio 
fiet, ibid. p. 332, maneat et naturarum ratio inconfusa, ibid. Zoo 
bleef beider onderscheidenheid scherp voor het bewustzijn staan, en 
de tweeheid, ook na de vereeniging, zonder deinzen verdedigd, zg 
het ook, dat de eenheid van den Christus daarbg te kort kwam. 
Ik scheid de naturen, zeide Nestorius, hoewel hij er niet tegen 
had, de aanbidding te vereenigen. „Niet de goddelijke natuur 
werd uit de maagd geboren, maar uit haar ysyewy^rxi o ix rijg 
QV(7ixq TVjQ TTxp^evov (TV(TTxq^ Theodorus bij ELlgbnbach § 100, 1. 
OTxv (JLsv yxp Txq (pV(T€ig ^ixjcptvcofji^sy, tsKsixv rvfv (pv(riv rov isov Koyov 
(pxfj(,€Vj Kxi TfAf/öv TO 7rpo(TOi)7rov, oö^€ yxp x7rpo(T0ii7rov BtTTiv v7ro(rrx<nv 
elTTsiv. TsXsixv 5f KXi Tijv rov xv^pooTrov (pv^iv kxi ro TTpo^ooTrov Ofzoiug. 

QTXV (ISVTOl STTt TI^V (TVVX^SIXV XTriSuflSV^ €V TTpOtTCCTTOV T0T6 ^XflSV^ bg 

Harnaok p. 332 Anm. Deze scheiding voerden zij door in de 
benamingen van den Zoon in de Schrift gebruikt; ook bepaald 
met het oog op de Arianen : el Sf (lyt ^ixipovfiev rxg (puvxg, Trag 
^vri(3^e\pofj(>6u roig EivofJt^iov ycxt 'Apeiov, ttxvtx dog slg fiixv (pvtrtv eipvjfJLSvx 

(TVfJL(p6pOV(T^ KXI TX TXTTëlVX T}jg XV^pCOTTOTiJTOg s\g T^jV V^pyiXOTXTVfV T)jg 

xKvipxTov ^soTviTog Cpv(7iv fiKx(7(pviiJLoog oLvxyovfTi] bij Cyrillus, Defensio 
pro 12 capit. Anath. 4, Opp. Omn. Cyrilli Lutetia 1638, fol. 7, 
p. 168 C. 

Met dit pal staan voor het blijvende wezensonderscheid der 
goddelijke en der menschelijke natuur van Jezus waren de aan- 
hangers dezer school in hun goed recht. Desaangaande verde- 
digden zij de zake Gods tegen allerlei destijds veler geest bene- 
velende, en op verschillende manier aan den man gebrachte 
leeringen, die hieraan zich bezondigden. Vgl. de op p. 162/163 
opgegeven meeningen, die Athanasius in zijn ad Epictetum noemt. 
Ofschoon onderling verschillende, kwamen deze toch in den grond 
der zaak op hetzelfde neer. De een was consequenter dan de 
ander, of trok de conclusies ten aanzien van een ander punt, en 



Digitized by 



Google 



211 

drukte zich op andere wijze uit, maar dat maakte geen zakel^'k 
verschil. Van alle deze beweringen, die gezamenlgk een mono- 
physitisch karakter dragen, wordt hier alleen de gematigdste en 
schoonstsohgnende besproken : de voorstelling van Apollinaris. 
Echter ook wederom alleen voorzoover het inzake deze studie ge- 
eischt schijnt te worden. Een scherp geteekende grens tusschen 
hetgeen hijzelf leerde, en wat zijne leerlingen in logische conclusie 
uit zijne praemissen mogen hebben afgeleid, is hier niet noodig, 
omdat het nu de vraag niet geldt, wat Apollinaris met volle 
bewustheid uitgesproken heeft, doch wat wezenlijk in zijn zeggen 
inzit. En evenmin vermoeien we ons met de kwestie, of iets 
nu gevolgtrekking zijner bestrijders is, dan wel, of een beweren 
aldus door hemzelven geformuleerd werd. Cf. Habnack II, p. 
316, 1. Indien het maar rechtmatige consequentie is *). 

Het pimtje van strijd bij het Apollinarisme was, of Jezus' men- 
schelijke natuur, buiten hare verbinding met den Logos gedacht, 
TsXeix heeten mocht, dan wel ireXvic; was in dien zin, dat aan haar 
de ^v%yj Koymvi ontbrak, zoodat de Logos als vovq èirovpxvm de plaats 
dezer laatste ingenomen, en daardoor deze menschheid volledig ge- 
maakt zou hebben. Apollinaris beweerde zulks. Vgl. de op Atha- 
nasius' naam overgeleverde, maar naar het thans algemeene ge- 
voelen niet van hem afkomstige, twee boeken tegen Apollinaris, 
nader 1. II, c. 2 : èXx^s (pa(n ro xvovfrov, /V xvrog ij vovg sv dvrcp. Dat 
hier van meerderen sprake is, doet niets ter zake. Het zal zien 
op Apollinaris met zijn aanhangers. Hij was het hoofd, ov yxp oïov 
Ts yjv TsXeiov ivbpooTTOv ysvetr^xt. Waar we toch een volledig 
mensch hebben, daar is zonde: ottov yxp reXsiog xvbpuTroq^ sksi kxi 
xfj(,apTix. Dit argument kunnen we laten rusten, om ons met een 
tweede bezig te houden : kxi oti ^vo tsXsix ev yevsa-^xt ov ^vvxrxf. 
Cf. Greg. Nazianz. ad. Cled. I, Opp. Lut. Paris. 1609. 1. p. 741 A : 
iAA' ovK i%upet Cpi^cri Süö reXsix. En EjBüaEB geeft a. w. p. 674: 
èt xv^pcoTTcp T6Ksicj3 (Tvvvi(pbvi teoq reXsiog^ ^vo XV vi(7xy. En ibid. 
p. &14:j&lb : Q[JLQ\Qyov[j(,6v .... ov ^vo (pvfretg tov evx u/ov, (j(,ixv 

TTpOtTKüV^TViV KXi (J(,IXV XTT pO^KVWiTViV ^ XKXX fllXV (pVCTlV TOV 6sOV XO^OV 
(T6(TXpK00(A6Vy)V KXt 7rp0(Ty,VV0V[JLeVV\V (J(,6TX TVfq (TXpKOg xiiTOV (JLl^ 7rpO(TKVVVi(T6l. 

Wat Apollinaris dus wilde hebben en trachtte te construeeren 



*) Zie over ApoUiaaais, Kbügkb, in H. R. E'*. Bd. 1, sub voce, en over 
zijne leeringen Do&nbb I, p. 986—1027. Aan den laatste zfln hier hoofd- 
zakelijk de citaten ontleend. 



Digitized by 



Google 



212 

was Iv, niet lv«. Hij poogde eene leer optestellen, waarb^ we 
(jLixv (pvfTiv verkregen. Eene eenheid als o. a. Athanasias ont- 
wikkeld had van sU en xvToq^ wiens speciaal eigendom die be- 
paalde menschelrjke natuur geworden was, en in welke de Logos 
nu inwoonde, zonder naar Zijne Godheid daarmee ééne natuur te 
vormen, bevredigde Apollinaris dus niet. Hij had behoefte aan 
Iv, aan ééne natuur. Hierdoor treedt vanzelf het „persoonlijke" 
op den achtergrond, en daarmee tevens, gemeenschap en verkeer 
in persoonlijke samenleving. Derhalve evenzeer de gedachte van 
verzoening enz. Maar het denkbeeld van substantieele eenheid 
treedt naar voren. Nu leerde Apollinaris niet eene wezensgelijk- 
heid der beide naturen bij Jezus; en deze behoefde hg ook niet 
te leeren, zooals we nader zien zullen; maar hij kwam dan toch 
to Iv, tot eene eenheid, waarbij het„persoonliike" uit het gezicht 
verloren was, en noch de Godheid, noch de menschheid haar 
recht erlangde. Dit hv wilde hij fabriceeren van Swö. Een 
dezer twee was Jezus' menschheid, de andere Zijne Godheid. 
Doch nu stelde hij als axioma voorop, dat er, om van twee één 
te maken, onvolledigheid moest zijn : 5üö tsXsi» h ysve^bcct 

Bezien we dit nader. Water en vuur kunnen niet één worden, 
zoodat we iets kregen als vuurwater of watervuur. Maar waarom 
niet? Omdat het water volledig water, en het vuur volledig 
vuur is? Doch als we nu bij het water melk doen, en in het 
vuur olie gieten, wil de vereeniging evenmin. Hinderpaal is hier 
niet het TeXsiov eener- of beiderzijds, doch beider innerlijke ge- 
aardheid. Het innerlijk wezen van het water verdraagt denaard 
des vuurs niet, en omgekeerd voert het vuur krachtens zijn 
natuur een strijd als op leven en dood tegen het water. Zóó 
onverzoenlijk, dat wanneer men de hitte des vuurs met de voch- 
tigheid des waters verbindt, door b. v. een stoomketel met water 
te verwarmen, beider kamp het dikste gzer springen doet, indien 
geene gelegenheid verschaft wordt, dat zg wederom van elkaar zich 
kunnen losmaken. Ook kan men steen en hout niet tot steenhout 
of houtsteen maken. Doch wederom niet vanwege eenige rsXetorvigy 
doch omdat zij andersoortig zijn in wezen. Omgekeerd kunnen 
we den wijn verzachten door bijmenging van water. Maar niet 
omdat de wijn niet volledig wgn, en het water geen volledig 
water is, doch omdat beide in hunne natuur een aanrakingspunt, 
iets gemeenschappelijks hebben. 



Digitized by 



Google 



213 

Dit axioma gaat dus niet op. 

Evenwel, men kan ook eene andere eenheid zoeken ; niet eene 
chemische, maar eene mechanische, niet van stoffen, maar van 
voorwerpen, niet naar innerlijk wezen, maar naar in elkander 
sluitenden vorm. Dan mengt men niet, doch hecht aaneen. En 
dan spreekt het rs^siov een woord mee. Zoo kan men van twee 
volledige lampen niet ééne lamp maken, zóó, dat beide in hare 
geheelheid gehandhaafd worden, en toch andererzijds wezenlijk 
ééne lamp zijn. Door verbinding van ziel en lichaam kan de 
menschelijke natuur volledig worden, maar van twee volledige 
menschen één mensch maken is onmogelijk. Twee schilderijen, 
in hare volledigheid gehandhaafd, vormen niet één. Maar dit 
argument beteekent op Christologisch gebied niets. Omdat de 
kerk nooit beweerd heeft, dat Jezus' menschelgke natuur met 
Zgne goddelijke natuur de ééne goddelgke natuur uitmaakte, 
noch omgekeerd gezegd, dat de goddelijke met de menschelijke 
de ééne menschheid was. Zij heeft gesproken van één Christus, 
maar die beide naturen deelachtig was. En daardoor behoeft 
aan de volledigheid dier naturen niets afgedaan te worden. Als 
ik toch een tafel maken wil, kan ik die niet fabriceeren van twee 
afgewerkte tafels, welke in hare geheelheid moeten blijven. 
Maar ik moet daartoe een tafelblad, en ten tweede tafelpooten 
hebben. En door de juiste samenhechting dezer deel en ontstaat 
het geheel. Dus wordt vereischt, dat niet reeds de tafelpooten 
eene volledige tafel zijn, noch ook omgekeerd het tafelblad reeds 
naar behooren aan voegzame pooten verbonden zij. Maar dit 
doet niets te kort aan den eisch, dat het tafelblad als tafelblad, 
en de tafelpooten als tafelpooten volledig moeten zijn. Integen- 
deel, om een goede tafel te kunnen vormen, moeten beide naar 
den dienst welken zg te verrichten hebben, 't zij dus als pooten, 
't zg als blad der tafel, volledig en afgewerkt zijn. En alleen 
mag het blad niet reeds tafel, noch ook de pooten reeds tafel 
zijn. Doch nimmer beleed de christelijke kerk, dat reeds Jezus' 
menschelijke natuur op ziohzelve de Christus was. En evenmin, 
dat reeds Zijne goddelijke, zonder de menschelijke, het werk 
des Middelaars uitvoerde. Integendeel sprak zij het uit, dat wij 
hebben één Middelaar, Q-od en mensch in één persoon. Als God 
volkomen en waarachtig God; als mensch waarlgk en volledig 
mensch; beide naturen in persoonlijke vereeniging de ééne 
Christus. 



Digitized by 



Google 



214 

Ook in dit opzicht heeft Apollinaris' axioma hier geen recht 
van bestaan. Doch hij stelde dan nu eenmaal : ^vo T€?^tx èv 
y€V€(T^xi ov ^vvxTxu Eu daaruit leidde hg af, dat dus Jezus' 
menschelgke natuur onvolledig moest zijn. Welnu, ging deze 
conclusie op, dan moest er uit de stelling ook volgen, dat Zgne 
Godheid niet volkomen was. Want als twee volledige dingen 
niet één kunnen worden, en één daarvan onvolledig moet zijn, 
waarom dan ook niet het andere? Immers zou men naar die rede- 
neering evenmin van één volledig iets en een ander onvolledig 
iets één derde volledig iets kunnen maken. Even (on-)logisch als 
Apollinaris derhalve op grond van genoemd beweren het xTsXsg 
der menschelijke natuur eischte, even (on-)logisch moest dan worden 
uitgesproken, dat de goddelijke natuur van den tweeden Persoon 
niet in Zichzelve ten hoogste volkomen was. Apollinaris heeft ook 
deze conclusie aanvaard. /zsa-oryiTsg yivovrxi IhiOTVfroov ^laCpopccv sU 
BV (Tvv6X^ov(7ooy^ ug iv ii(j(,ioycp ïiiori/i^ ivov kxi ittttov^ en in het grgze 
of grauwe de kleur én van wit én van zwart is, en de lente 
gevormd wordt door eene verbinding van hetgeen eigen is aan 
den winter, en van wat den zomer kenmerkt, ov^sf^ix 5f f^^scronig 
sKxrepxg 6%6t Txg iKporyjTxg i^ oXoy,Xv\pov^ ocXKx fispiKccg èTrtf/^êfjiiy/zsvxg, 

[4,6(T0TVig 5f tsOV KXl OLV^pUTTCÜV èv %pi(TTCf OVK XpX OVT€ XV^pOOTTOC OXOq^ 

ovT€ teoq^ xKXx êêov KXi xv^pooTTov fii^jg, bg Dohner I, p. 1020, 68 Cf. 
Habnack n, p. 316, 1. Wanneer Habnaok daar p. 317 schrijft: 
„dieser Christus ist wirklich der Paulinische," slaat hij den bal 
ver mis. We behoeven alleen maar I Tim. 2 : 6 te lezen, om 
dit in te zien. Daar zegt Paulus : sU yocp êsog, slg kxi fi€(rirvig 

öêOV KXi XvSrpOOTTCaV, OCvbpOOTTOq XplfTTOQ IVffTOVg^ o ^OVg 6XVT0V iVTlXVTpOV 

vTTsp TTxvToov,, Cf. Fil. 2 : 5 vv. Immers zien we dan, dat Paulus 
niet wil hebben eene fji^êcroTVfg, doch eenen f^scrtryig] niet zoekt 
bemiddeling van wezen of natuur, maar bemiddeling door ver- 
zoening; en dat hij voorts van geenerlei onvolledigheid weet. 

Moeten alverder om h te verkrijgen de twee beide onvolledig 
zijn, er volgt ook uit, dat zg irf^ moeten zijn op eene zoodanige 
manier, dat zij wederzijds bij elkaar passen, en elkaar weder- 
keerig behoeven om aan hun bestemming te voldoen. 

Allereerst dan sloot Jezus menschelgke natuur bij Zijne god- 
delijke aan: ovz 67nx,Tv\Tog stti nfi svspyetri^ yivsrxi vi frxp^ rifi ^sotviti^ 
i^Xx (TwovfTiccf^ewi kxi (rvf4,Cpvrog, bij Doener p. 1004, 36. En 
voorts schrgft Dobnee p. 1010/1011 : „Er polemisirt oft gegen 
„die blosze „Annahme" der Menschheit, weil er von der Kate- 



Digitized by 



Google 



215 

^gorie des „Habens" zu der des ^Seins" fortschreiten und die 
„Person Christi als eine wahre Einheit ansehen möchte, an der 
„Jechliches ein constitutdves Moment ihrer selbst, nicht blos 
„eine auszerliche Zugabe sey. Andrerseits musz er, wiU er nicht 
,,die Geburt aus der Maria aufgeben, in Christi Person etwas 
„von auszen her Empfangenes, Angenommenes zulassen (ein 
„êTTMTvirov, 67ri'/evo[j(,evov). , , . Wie vereinigt er nun Beides ? Erkann 
„es nur so, dasz er zwar dem Logos nicht ebenso ewig zuschreibt, 
^(TOiyi^ot, und ^vXv^ zu seyn, wie er ihm als wesentlich zuschreibt, 
y^TrvsvfJLx zu seyn, wohl aber es als eine ewige und wesentliche 
„Bestimmung in ihm auffaszt, nach der Annahme von jenem. 
„Beidem zu verlangen, empfanglich zu seyn für Dasj enige, was 
„von Seiten der schon geschaffenen Menschheit ihm entgegen 
„kommt und gebeten wird". Cf. ook p. 999 vv. De Zone Gods 
was dus naar Zijne goddelijke natuur op de menschelijke (7xp^ (= 
de menschelijke natuur min to Trvsvfix of o vovqoi o 6(too^6v xvbpooTroq) 
aangelegd. Niet maar in dezen zin, dat Hij op eene zoodanige 
wijze bestond, dat Hij de menschelijke natuur unione personali 
met zich konde vereenigen ; noch tevens, dat God in Zijn raads- 
besluit eeuwiglijk deze vereeniging had vastgesteld; maar in 
soortgelijken zin als ons geestelijk bestanddeel aangelegd is op 
ons lichaam. Dit is er a. h. w. voor georganiseerd. En eerst 
in het bezit van het lichaam, of daarmee verbonden, kan onze 
ziel zijn wat zij eigenlijk wezen moet, gelijk zij dan ook tegen 
de scheiding bij den dood opziet. Zoo ook zou de tweede 
Persoon naar Zijne Godheid zoodanige bestaansmanier hebben, 
dat Hij eerst ten volle wezen kon, waartoe Hij innerlijk in staat 
was, door het bezit der menschelijke natuur. Hij konde om 
niet onvolledig te zijn, deze niet missen. Dit drukte Apollinaris 
op deze wijze uit, dat „de mensch Christus praeëxisteerde". TTpow- 
TTxpxei^ Cpv\(Tiv^ o dv^pcoTTog %pi(TTOg, ovx «^ hspov óvTog Trccp" xiiTOv rov 
TTvsvfixTog^ rovT€(rri tov ésov^ olX)C ecg tov ycvptov sv rifl tov ^exv^pccTrov 
(pv(76i ^€iov 7rv€Vf4,xT0(; óvTO^, bij DoRNBB, p 1002, 31 ; of zóó, dat 
hij leeraarde xvt)jv tov vïov ^sotvitx ê^ xpx^^S xv^puTrov shxt, ibid. 
Daarom kon hij ook voortgaan en zeggen, dat de „vleesch- 
wording" eigenlijk niet eerst bij de aanneming der menschelijke 
natuur uit Maria was begonnen : )} Sreix fTxpzajtTig ou njv xp%yiv xtto 
Tviq TTxpbsvov h%6v^ ibid. p. 1003, 33. Hier zit een waarheids- 
element in, cf. Joh. 17 : 5. Alleen komt het ook hier op de 
juiste opvatting en ontwikkeling aan. Wat ApoUinaris be- 



Digitized by 



Google 



216 

doelde, kan duidelijker worden door dit andere citaat: oirsp 
yjv Tifi (pv<T€t, rovTO èCpocvspoo^vi vvv^ ibid. 32. en ibid. to XxvSrxvov ^siou 
YMT» ^v(nv Ivj TOVTO T^ Tijg hocv^pcaTTfifTeouq i(pav€pcöSrvi Kxipcp. Hiermee 
behoefde nog geene reëele praeëxistentie van Jezus naar Z^ne 
menschelijke natuur geleerd te worden, zooals öregorius Nyssenus 
het verstond, of. Dobnbb, p. 1006; welk gevoelen van Gre- 
gorius dan door Dorneb bestreden wordt. Maar dit al of niet 
reëel voorbestaan van des HeUands menschheid doet, althans 
hier, weinig ter zake. Omdat hetgeen ons nu bezighoudt blgft, 
ook al nam de Zone Gods eerst realiter uit Maria zgne tnen- 
schelljke natuur aan, n. m. 1. dat Hij naar Zijne goddel^'ke 
natuur incompleet was, en completeering door de menschelijke 
verkrijgen kon, behoefde en verlangde. De menschelijke bracht 
Hem de rechte volheid aan. Niet slechts om als Verzoenings- 
middelaar te kunnen fungeeren. Niet dus alleen om Christus 
of Zaligmaker der menschen te kunnen zijn. Maar ook om voor 
Zichzelven a. w. h. uit te groeien. Niet alleen om ons te kunnen 
baten, doch ook voor Zichzelven kon Hij het bezit der men- 
schelijke natuur niet ontberen. Of op deze wijze de leer der 
Triniteit ongekrenkt te handhaven was, blijve hier onbesproken ; 
cf. Doener, p. 1018/1019. Doch aldus wordt het goddelijke van 
het menschelijke, en dus van het creatuurlgke, afhankelgk; het 
eerste heeft voor Zichzelf het laatste noodig. En daardoor wordt de 
hoogheid en volmaaktheid Gods geloochend, en tevens het schepsel 
tot goddelgke verhevenheid opgevoerd. Want het doet God 
in den hoogsten zin God zijn. Zonder het schepsel is Hij dit 
niet ten volle. Deze redeneering van ApoUinaris heeft derhalve 
zakelijke overeenstemming met die van Origenes, dat vanwege 
de onveranderlijkheid der Goddelijke almacht alle dingen er 
reeds beginloos hadden moeten zijn, opdat God niet eens geen 
TTXvToycpxTüjp ware geweest, maar dit later geworden zoude zgn. 
Stelt men voorts de vraag, of de goddelijke natuur door hare 
aanneming van de menschelijke niet veranderd is, dan behoort 
men hierbij te onderscheiden. Apollinaris verwierp de verande- 
ring : €Ï o 7rpo(TXccp(,(3xv€t r/^, oö rpsTrerxi eig tovto, 7rpo(7sKx^6 Sf frxpicx 
o %pi(TTOq^ XpX OVK 6TpX7rv\ SlQ (Txpy^x^ bij DoNNEB, p. 1010, 43. 
Want ook Ixmtov ^f/>tu sU (rvyyeveixv i%xpi(rxro door middel van 
(iix c. gen.) het lichaam, om te behouden. Doch hetgeen de 
redding aanbrengt is veel schoener dan wat behouden wordt. 
En derhalve (Jt^xKpcp kxKKiov i^f4,uv kxi èv r^ (FoofJLXToof^si, ovk xv ^s viv 



Digitized by 



Google 



217 

TwXXiov 6\q (Txpy,A TpxT€ig{'Sv\ ibid. Maar zooals we zien, betreft 
dit eene wezensverandering. Hij ontkent, dat de Godheid zich 
omzette in de menschelijke natuur. Inderdaad behoefde hij zulks 
niet te leeren. In zijn stelsel kon de goddelijke natuur essentieel 
blgven zooals zij was. Om dit beter te doen gevoelen, zij aan het 
beeld der tafel herinnerd. Wanneer toch een tafelblad behoorlijk op 
zgn pooten komt vast te liggen, ondergaat het naar zijn substantie 
geenerlei omzetting of Tpowog, Het blijft in alles dezelfde stof als 
waaruit het tevoren bestond, zonder dat ook maar de gedachte van 
otJc/^-verandering gewekt kan worden. Maar al is verandering 
in dezen zin geloochend, daarmee wordt nog niet alle verande- 
ring buitengesloten. Als immers het tafelblad nu dan eindelijk 
zijn bestemming ontvangt, en metterdaad blad eener taf el wordt, 
wgzigt het zich wel niet in essentie, noch naar vorm, maar valt 
er niettemin van verandering te spreken, van worden, van een 
komen tot zijn doel. En deze soort van verandering, d.i. dus 
een creatuurlijk worden, is in ApoUinaris' beweren praedioabel 
van God, omdat Hij ook voor Zichzelf door het verkrijgen der 
menschelijke natuur de vervulling ontving, waaraan Hij naar 
Zijne innerlijke bestaanswijze behoefte had. In dezen zin werd 
Hij daardoor iets, ging Hij vooruit, kwam Hij in gelukkiger, 
wijl complete, zijnsmanier. Zoo zijn dus ook hier de grenzen 
tusschen Oreator en creatuur „verflauwd". 

Was alzoo Jezus' Goddelijke natuur zoo op de menschelgke 
aangelegd, dat zij daardoor haar noodzakelijk complement ver- 
kreeg, dan moest deze ook harerzijds bij den Logos voegen. 
Wederom niet alleen zoo, dat zij in persoonlijke vereeniging 
door den tweeden Persoon kon worden aangenomen, maar dat 
zg in wezen en bestaan aan den Logos voegde. Wezensgelijk 
behoefde zij met Dezen niet te zijn, want bij een tafel kan het 
blad van marmer, doch de pooten van hout zijn. Maar toch 
passen bg een kostbaar tafelblad geene tafelpooten van geringe 
houtsoort. Het een moet eenigszins in overeenstemming zijn 
met het ander, rov xv^puTrov ehxi tj^^ tov ösov ^o^yjg i7rxvyA(T(j(,a^ 
KXi 6V Tcp (rapKivcp öecp ryjv tov tsov v7ro(rTX(Tiv %xpxy.Tv\piX6(Tbxi^ bij 
DoBNKB, p. 1004, 34. „Seine Mensohheit sey wesensgleich mit 
Gott (ofioovtTiog, (TV[j(,(pvXogy\ Doener, p. 1004. 

Door vereeniging van deze twee nu, die elk voor zich xTsXvig 
zgn en completeering door elkaar behoeven en ontvangen, ontstaat 
dan Iv, evenals de in zichzelve betrekkelijk wel complete, maar 



Digitized by 



Google 



218 

toch ook weer incomplete ziel des menschen, door vereenigiiig 
met het ook zijnerzgds deels complete, deels incomplete lichaam, 
den éénen mensch constitueert : (iioc ^<rtg avv^sTog, fTvyx,pxToq, 
(FxpKiKvi jcxt ^êijcvj, u KXivvi TifFTig xxi (Ai^ig ^scTTreaict, teog Kcti trxp^ 
f^iav x7r€r€X€(r€ (pv(TiVj bij Dobnee, p. 1021, 69. fitx svspyst»^ ibid. 
Cf. ibid. p. 1000, 28 : iXXviQ kxi iXXv\g ovfrixq (J(,i»v shxi xxi rviv 
xvTVfv 7rpo(TKvvvi(nv xb6(j(,iT0v^ TovTstTTi TroiyjTov Kcti TTOiyifixTog, ésov KXt 
ivbpooTTOv. fJLia ^6 jj 7rp0(r}cw>j<ng tov %pi(rroVj icxi kxtx tovto êv rep 
6Vi ivofixTi vostTXi ésog KXi xvSrpccwog. ovx, xpx xKXvi Kxi xXXvj ovtrix 
êêog KXi xv^pooTog, x^Xx (jlix kxtx avvSretriv tsov Tpog trcof/^x xvSrpcoTnvov. 

Vragen we op grond van deze plaatsen naar het karakter 
der eenheid, door ApoUinaris bedoeld, dan wordt dat niet recht 
duidelijk vanwege den zin, dien ov<rix kan hebben. Want dit woord 
doelt soms op wat wij essentie noemen, een anderen keer wil 
het zeggen : ding, eene zaak als afzonderlijke eenheid genomen. 
Gelijk ook ons „wezen" in tweevoudige beteekenis te bezigen 
is, b. V. : het wezen van den mensch is ... . de mensch is een 
wezen dat .... Namen we ovcrix nu als essentie, dan zou Apol- 
linaris het wezensonderscheid der beide naturen hier opheffen. 
En waar de goddelijke niet veranderd ware, moest dan de 
menschelgke in de goddelgke zijn omgezet. Werd dit geleer- 
aard, dan zou de onveranderlijkheid der goddelijke logisch niet 
houdbaar blijven. Want waar een weg is om van beneden naar 
boven te komen, daar is ook een gang van boven naar beneden 
mogelijk. Kan hetgeen in zichzelf veranderlijk is, essentieel 
onveranderlijk worden, dan bestaat er logisch geen grond voor de 
loochening, dat hetgeen onveranderlijk is in zichzelf, daarna 
veranderlijk wordt. Maar ware deze essentieomzetting bedoeld, 
dan zou de menschelijke natuur daarmee opgehouden hebben 
(Txp^ te wezen, terwijl het toch ApoUinaris' meening schijnt te 
zijn, dat er gelijkheid met ons bestaan bleef. Hij spreekt immers 
van o-^/o?, xv^pccTTog, (roofix xv^pcoTTivov, ook van <rvv^€(Tig en (rvv^êrog ; 
echter insgelijks van (rvyjcpxTog en a^/?/^, hoewel met deze woorden, 
usu loquendi, nog niet noodwendig een chemisch proces wordt 
uitgedrukt. Hierop ziende, zouden we ovcrtx kunnen opvatten als 
„einheitliches Wesen", gelijk de mensch één wezen is, bestaande 
in de saamstelling of de verbinding van ziel en lichaam, zonder 
dat de ziel essentieel gelijk is aan het lichaam, of dit laatste 
van ééne substantie met de eerste. 

Dit zou in overeenstemming zgn met ons tot nu verkregen 



Digitized by 



Google 



219 

resultaat. En dan zeide ApoUinaris, dat de Christus niet maar 
in de verhouding tot ons denken of de voorstelling der mensohen, 
doch ook in Zichzelven eene eenheid is. Evenwel vonden we 
ook reeds, dat Jezus' mensoheid door ApoUinaris genoemd werd 
of/,oov<rtog, (7\j(jL(pvXo(;^ waaruit af te leiden valt, dat de grens tusschen 
het wezen Gods en dat des mensohen hem niet zoo scherp voor 
den geest heeft gestaan. Twee dingen waren er, die blijven 
moesten : dat Jezus naar Zijne goddelijke natuur niet verminderd 
was, of in het vleesch veranderd ; en dat er verwantschap bleef 
tusschen Zijne menschheid en onze natuur, zoodat op scherpe 
onderscheiding niet streng gelet, en essentieele gelgkheid der 
menschelijke natuur aan de goddelijke onwillekeurig uitge- 
sproken werd. Daardoor kon „samenstelling" ongemerkt met de 
voorstelling van eene scheikundige omzetting zich vermengen. 
Dit ligt in ApoUinaris woord : oLhvvxrov^ rov xvrov kxi wpotTKvvyjTOv 

6XVT0V sl^SVXt KXl (ZVj, X^VVXTOV OtpX TOV XVTOV ahxi êsOV T6 KXI XvBpOOTTOV 

ê^ oKotcKvipov^ xX>C êv (jlovotviti trvyjcpxTOv CpvcEug ^siKyjg (rêtrxpKoof^svyjgj 
bij DoRNEB, p. 1001. DoBNEB zcgt dan ook met betrekking tot 
deze eenheid p. 1021 : „So ist ihm Christus f4,tx Cpvcrtg^ Ein 
„Wezen, worunter er sowohl die Einheit der Person als die 
„wesentliche Einheit der zwei Seiten, des Göttlichen und Mensch- 
„lichen versteht." Echter loochende hij, ook wanneer men het 
zoo neemt, nog niet alle gelijkheid van Jezus naar zijne men- 
schelgke natuur aan ons. En tevens dus ook niet, dat Zijne 
menschheid iets lagers was dan Zijne goddelijke natuur. Noch- 
tans sprak hg van fjiix TrpotrKuvvfcrig, Daarvan ging hij uit als 
een gegeven en erkend feit, waaruit volgt, dat hij het lagere 
gelijkelijk vereerde en aanbad met het goddelijke ; m. a. w. dat 
hij zakelijk de fout maakte, die hij in het gegeven citaat af- 
keurde ; wel op eenigszins andere wijze, maar in het wezen 
der zaak zonder onderscheid. Ook hij bracht dezelfde eere aan 
hetgeen hij als iets geringers erkende. Om daaraan te ontkomen 
had hij, naar zijne wijze van redeneeren, de volle identiteit van 
Jezus' menschelijke natuur met Zijne goddelijke moeten uitspre- 
ken. In de zaak der aanbidding leert hij dus slechts schijn- 
baars iets beters dan de Antiocheensche richting. 

Gaan we nu verder tot de bespreking der vernedering over. 
Uit hetgeen behandeld werd vloeit voort, dat het bezit zelf der 
menschelijke natuur, naar de praemissen van ApoUinaris, geene 
vernedering voor den Zone Gods naar Zijne goddelijke natuur 



Digitized by 



Google 



220 

mocht heeten; veeleer bracht het haar verhooging aan. Inzoover 
n.m.l. als men van verhooging spreken mag, wanneer iets dan 
nu eindelijk door het bekomen van zgn ontbrekend complement, 
zgn bestemming bereikt; als het tafelblad nu blad eener tafel 
wordt. Is er daarbij dan toch nog sprake van vernedering, dan 
kan dit slechts in verband staan met den toestand der mensch- 
heid en van hare lage gezonkenheid. Ontlediging of vernedering is 
het aannemen en bezitten dier natuur dan vanwege den ellen- 
digen staat en de onaanzienlijke gesteldheid, waarin zij aange- 
nomen werd. Dit wordt nu ook bevestigd door hetgeen Gregorius 
van hem zeide, n.m. 1. dat hg „die Emiedrigung Christi aufdie 
Menschheit" liet slaan, Dobneb p. 1007. „Apollinaris lehre, die 
„xfvwö-/^ beziehe sich auf die ö-^/j?, d. h. die Menschheit. Er 
„sagte, durch die cxp^ habe er sich erniedrigt, r^Tf /vö?(r«vT«(-9'£VT<») 
jf(rotpKt, vTTspinpa^evTx ^s vtto isov (also nach seiner Menschheit) 
„Tj^v ^etav v\pu(riv .... io^(X^€TXi yxp^ ^^(J'tv^ uq ivbpuTrog^ i? xSo^ixg 
jf&vx(3xtvuv .... io^xy ^s ix^t '^po tov Koa-fiov ag isog 7rpov7rxp%av 
y^rm xïoovav^ ibid. 40. En Dobneb zelf schrijft p. 1007/1008 : 
„War ihm der Logos selbst das ewige Urbild der Menschheit, 
„stellt er ihm die Menschheit selbst dar nach ihrem vomehmsten 
„Theil und Centrum, dem Trvsufix^ also, dasz auch sie x7rxvyx<7(j(,x 
„der göttliohen lo^x ist, so ist die Q-eburt aus Maria die Her- 
„ablassung zu unserer Form^ zur Knechtsgestalt, eine Emiedri- 
„gung seiner Menschheit — für den Zweck, dasz dadurch die 
„neue Menschheit, die ewig ist im Logos, auch auf Erden real 
„und Gtemeingut werde. So tritt nun auch die Ueberschrift der 
„Abhandlung des ApoUinaris 'ATroSet^ig Trepi rvj^ ^eixg frxpicafTsag 
jfTvig x^S"' oi^oioofTiv xv^puTov in ihr Licht und volles Verstand- 

„nisz dann ist die historische Menschwerdung ein Sichher- 

„ablassen dieser Menschheit, die an ihr selbst Aoyo^ ist, in die 
„Aehnlichkeit mit uns, so zwar, dasz die Aehnlichkeit nicht bis 
„zur vollkommenen Q-leichheit fortschreitet.'' En in 42 verwijst 
DoBNBB dan o. a. naar deze woorden van ApoUinaris: ovk 
ivbpooTToq — iAA' ég xvbpooTTog^ 5/öt/ oi)% Gfioova-iog rep xv^puTT^ kxtx 

TO KVplOOTXTOV — KX^XTTSp OLV^pCCTTOV, 

Als we evenwel goed toezien, is het slechts schgnbaar, dat 
alleen aan Jezus' menschheid de vernedering wordt toegekend. 
Immers heeft volgens ApoUinaris het bezit dezer natuur voor den 
Zone Q-ods zelven zoo hooge beteekenis, dat Hij eerst daardoor 
zich om zoo te zeggen completeert. Op die menschelijke natuur 



Digitized by 



Google 



221 

was Hij in Zijne bestaanswijs a. h. w. zoo berekend, dat Hg 
krachtens zijn innerlijk wezen naar het verkrijgen dier natuur 
moest verlangen om tot Zijn rfAö^ te komen. Dientengevolge 
kan ook het aannemen of ontvangen Zijner mensohheid slechts 
in zekeren zin een oö rpeTrsfrboLi genoemd worden. Omdat Hij 
wel niet naar innerlijk wezen of essentie, noch naar (r;^5(r/^ ver- 
anderde, maar wel deze dubbele verandering maakte : vooreerst 
eene zoodanige als intreedt, wanneer iemand feitelijk wordt 
datgene, waarvoor hij gedisponeerd en gepraedestineerd was; 
en ten tweede daarmee samengaande de verandering in ge- 
moedsstemming die men ondervindt, als men uit den toestand 
van verlangen overgaat in dien van het genieten der werke- 
lijkheid. Doch hieruit volgt dan voorts ook, dat zulk een 
Tp€7r€<röxt voortduurt, totdat het allerhoogste is bereikt. In dezen 
zin dus stond de Zone Q-ods ook naar Zijne goddelgke natuur 
nog niet in het zenith harer hoogte, zoolang Zijne menschheid 
nog niet ten hoogste was verheven en verheerlijkt tot het 
punt, waartoe zij opstijgen zou. Dies betrof het geringe en 
lage vóór dat tijdstip, Hem ook naar Zijne goddelijke natuur. 
Niet in dezen zin, dat zg verondersteld werd in positieven zin 
zich te hebben ontledigd na eerst vol te zijn geweest. Dat is 
ook het geval met de menschelijke natuur niet. Deze was niet 
in temporeden zin eerst heerlijk, om daarna zich van deze glorie 
te ontdoen en neertedalen tot onze ellende en schamelheid. Maar 
wel zoo, dat zij eerst werd wat zg wezen kon en moest, toen 
de menschelijke natuur de hoogste trede harer schittering beklom. 
Dit is een onvermijdelijk gevolg, wanneer men een Iv constru- 
eert, als Apollinaris noodig keurde. Dan wordt niet slechts ver- 
eischt, dat het creatuur irsXviq is, doch even (on-)logisch, dat God 
in Zichzelven üreXyig heeten moet, en. Zijnerzijds het schepsel 
completeerend, andererzij ds door het schepsel aangevuld wordt. 
Wat dan met het eene voorvalt, werkt noodzakelijk, krachtens 
die eenheid, op den ander terug. Daarom was Apollinaris' hoofd- 
fout het karakter der eenheid, welke hij in den Christus tusschen 
de goddelijke en de menschelijke natuur tot stand gekomen 
achtte, öeenen fA€(rnyig, doch eene fAsa-oi^g zocht hij. En onbe- 
dachtelgk zijn dwaas axioma : Syo rsXeicc h ysvefrbxi ou ^vvarcci^ 
stellende, belandde hij al redeneerende bij hetgeen hij zelf 
in zoo klinkende woorden der kerkelijke rechtzinnigheid had 
verweten. „Ein vollkommener öott und ein vollkommener Mensch 



Digitized by 



Google 



9' 



222 

geben niemals — darin war er mit Paul von Samosata, Mar- 
„cell und den Ariarem einig — ein einheitliches WeseD ; sie 
^constituiren vielmehr eine Zwittergestallt, d. h. ein Fabelwesen 
„(Minotaurus, Rockhirsch u. s. w.)", Haenaok II, p. 313. Cf. Dohneb 
p. 989, 9: el ^€ vifuig fiev sk rpiuv — xurog ^e sk T€(r<rxpaVj oök 
jfXv^paTTogj iAA' ivbpuTTo^eog. Es sey dann, sagt er, diese Person zur 
„Halfte Mensch, zur Halfte Gott, das sey aber keine Einheit, 
„sondem ein Monstrum, wie TpxyeXxcpog^ fiivarccvpog, xsvrxvpog^ 
iTTTreXct^ogy 

Nu moet hierbg vooreerst de opmerking gemaakt worden, dat 
de kerk niet leert, dat Jezus' menschelijke natuur op zichzelve, 
zonder in persoonlijke vereeniging door den Logos te zgn aan- 
genomen, ten volle mensch is. Jezus in volkomen mensch, zegt 
zij. Maar dit is nog iets anders dan het eerste. Ten tweede : als 
Apollinaris spot met iv^pooTro^sog^ moet verwezen naar een citaat, 
waarin gesproken wordt van ^sxy^poairog : h ryj rov ^s^vbpuTrov (pvtrei. 
(Maar dit kan een woord van öregorius zijn. Vgl. p. 215). Doch ten 
derde, en dat is het interessante: hig noemt hier voorstellingen 
van wezens, als juist met zgn constructie zouden overeenstemmen. 
Immers, een ÏTrTrsXxCpog is noch een ïirTrog rsXeiog^ noch QenaXaCpoq 
reXstog^ maar beide onvolledig. En deze onvolledige, hersenschim- 
mige wezens denkt men zich dan als een geheel, dat tusschen 
een volledig paard en een voUedigen olifant als bemiddelings- 
wezen, als (isfToryiq^ in staat, en deze verbindt. Precies wat Apol- 
linaris wil, en iets gansch anders dan de Kerk leert. 

Niettegenstaande dit een en ander schrijft Habnaok, op Apol- 
linaris doelende: „der grosse Christologe", II, p. 311, evenals hg 

ibid. van Marcellus zegt : „der grosse Theologe Marcell." 

Men vraagt zich onwillekeurig af, waarin de grootheid van dezen 
als theoloog, van genen als ohristoloog toch steekt. Wat voor- 
treffelgks had de Theologie des eenen, en de Christologie des 
anderen ? 



Digitized by 



Google 



ZEVENDE HOOFDSTUK. 



I. Athanasius. II. Basiliüs de öboote. III. Gbeqobius van 

Nazianze. IV. Gbeoorius van Nyssa. V. Cybillus 

VAN Alexandbie. Theodobbtus. Concilie van 

Chalcedon (451). 

I. Zien we in dit laatste hoofdstuk nog, welke weg gevolgd 
werd door kerkelijk niet veroordeelde schrgvers, waarop ze de 
dwalingen van heele en halve Arianen, van Maroellus, van 
ApoUinaris, van Monophysieten, van de Antiocheeneche School 
of het Nestorianisme, e. a. vermeden, en bij hunne ontwikkelin- 
gen in het rechte spoor zich hielden. Hierbij komen o. a. ter 
sprake eene bij Jezus te maken onderscheiding, de aard der 
eenheid van Zijne beide naturen, motief, doel en beteekenis van 
Zgne komst in het vleesch, enz. 

Over Athanasius werd reeds gehandeld. Jezus nam onze natuur 
aan niet (pvfTsooq ccKoXov^icf,^ en kwam er dan ook niet door in hoo- 
geren staat : èv rep Xocfisiv ovk afisXria^vj^ otXX* èTXTreivaSrtj^ c. Ar. I, 
40. Cf. 38, 48. Dit laatste sprak hij uit tegen Ariaansche ge- 
dachten. Maar in zijn woorden ligt principieel ook reeds de ver- 
werping van ApoUinaris' beweringen. Echter verminderde de Heere 
door de aanneming ook niet : oö yxp fi^^xTrco^^ o Xoyog (rafia Xafioov^ 
opdat Hg genade zou zoeken te verkrggen, d^^x fixXXov jccci 
è^eoTTot^o'sv OTTsp iv€iv(rxTo^ c. Ar. I, 42. Dit ontkent een rpsiretTbxi 
naar beneden, waarvoor Arius later den Zone Gods vatbaar achtte. 
Maar tevens wordt aldus eene voorstelling als die van Marcellus, 
volgens welke door de vleeschwording een Tr^MTvvetrbat avepysicf, 
bg God plaatsvond, dat eens weer diende op te houden, uitge- 
sloten ; en tevens ook de monophysitische droomerij over eene ver- 
andering der goddelgke natuur in de menschelijke veroordeeld. 

Verhooging en vernedering betrof Jezus daarom alleen naar 



Digitized by 



Google 



224 

Zgne menschelgke natuur. Wederom verwerping van het Aria- 
nisme, c. Ar. I, 41. Doch Athanasius streefde er nac^* om te 
doen uitkomen, dat zij niet enkel van Zgne menschheid te prae- 
diceeren waren, doch dat een en ander Hem aanging, maar ten 
opzichte Zijner menscheligke natuur, c. Ar. III, 32 êTrpsTrs ie 

TOV JCVplOV 6vilSvVX,0[AeV0V kvbpUTTlVVIV 0'XpKX^ T»VTy\V fl€TX TUV liicov 

Traöav xuTVjg óXvjv èvivtravbxi, hx drTTêp ïStov xvtov Xeyofiev ehxi ro 
(TO)(JLx^ ovTcc xat Tx TOV (TUfixTog TTo^vi ïSix fiovov xvTOv XsyD^rxi^ ai 
Kxi iivi viTTTsro Kxrx rvjv ^eorviTx xirov. Geen monophysitisme alzoo, 
want het beeld van een kleed, dat aangetrokken wordt, is gebruikt. 
En dit begunstigt noch de voorstelling, alsof er eenige wezensom- 
zetting voorviel, noch die van twee in elkaar sluitende deelen, 
welke door deze vereeniging eerst recht „afgewerkt" zouden mogen 
heeten. Evenmin echter wordt een gemis aan nauweren samenhang 
tusschen Jezus' beide naturen, als in Marcellus' beschouwing uit- 
komt, en een schier niet tellen der menschelgke natuur, geleerd, ener 
is tevens ook gestreefd den weg der Antiocheensche of Nestoriaansche 
richting links te laten liggen. Doch Jezus moest hierbij niet enkel 
op Zichzelven gedacht worden, maar als Hoofd der nieuwe mensch- 
heid. Wat Hij deed en ontving, was voor de Zijnen : xvroq moTroa^trav 
vifixq Tcp TTXTpi XXI ê^soTTOi^^s Tovq xv^pomouq ysvofuvoq xiroq XV^pCüTTOqj 
c. Ar. I, 38, cf. 41, 48 e. a. Maar dit werd geformuleerd op eene 
w^'ze, dat voor een afleggen der menschelijke natuur, waarvan 
Marcellus bazelde, geene plaats overbleef. Immers kon ook een 
zoodanige samenhanglooze, met alle idee van organisme en 
Uchaam (cf. Ef. 5 : 30^32, 23 ; 4 : 16 ; Col. 2 : 19 ; I Cor. 6 : 16 vv., 
12 : 12 vv.) spottende opvatting de zijne niet wezen, ovk xv ys 

TTXXlV èbeOTTOlVl^Vi KTKTflXTl (TVVXCpbsiq 5 XvbpOOTTOq^ f I [JLVj ésOq jjv XXVl^lVOq 

O vloq. KXi OVK XV 7rxpe(m) rep Txrpi o xv^puTrog^ eï fivj cpvo'si Kxi 
xXvi^ivog yjv xvrov Xoyog o iviv(rxfi6vog to (rafAX^ c. Ar. II, 70. Eene 
Christologie en Soteriologie als waaraan het Nestorianisme en het 
Pelagianisme genoeg hadden, is op dezen grondslag niet te bouwen. 
En gelijk Marcellus' leer, dat de Logos eens wederom iv ^ov^/f 
zoude zijn, gelijk Hg vóór de schepping was, met deze woorden 
niet samengaat, zoo wordt ook het denkbeeld van „Vergottung", 
gedacht als een physisch instroomen van zekere goddelgke 
substantie, hier niet bedoeld. Evenals wij, zoo gaat Athanasius 
op deze plaats voort, niet xttq Tvig xfixprixg kxi rvig xxrxpxg zouden. 
bevrijd zgn (èxsv^spovv), indien j} o-^pf, waarmee de Logos zich 
bekleedde, niet <pv(r€i ivbpuTrivvi ware (want oxihev koivov fifitv Trpog 



Digitized by 



Google 



226 

To ixXoTpiov) zoo ovK iv èbeoTroivt^vi o otvbpuTrot;^ als Degene die 
vleesch werd, niet (pvtTsi sk tov Trxrpog kxi xXvj^ivog Kat ïiiog xvtov 

II. Ook Basilius Magnus handhaafde tegen den Ariaan Euno- 
mius, dat b. v. Fil. 2 : 9 van Jezns niet naar Zijne goddelijke, 
doch naar Zijne menschelijke natuur geldt. Indien Hij, zegt 
Basilius, dien naam tevoren niet hadde gehad, i^eit^m ovv iyevsro 
(Jt^erx rvfv èvxv^poo7ryi<Tiv rov Trpo Tv\q èvav^pooTryitTeoaq^ iirep xtottov. 
Daarom b. v. Matth. 28 : 18 s]g t^v êvxv^pca7ni(riv ovv re ovy, eU 
Tviv ^soryira txvtx vosiv 5^/, c. Eun. 1. 4, Opp. ed. Par. 1518, II, 
p. 99 D. Tusschen God en schepsel kan eigenlijk ook geene 
vergelijking plaats vinden, want fi€i!^av ivbpooTTog ixoyov ov Küpioot; 
XsysTxi^ noch het redelooze grooter dan het ziellooze, maar 
een mensch heet grooter dan een mensch, en het eene van rede 
verstoken wezen grooter dan een ander redeloos creatuur : ofioovtriog 
ovv o TTXTvip TCfj vï^ jc^v (JLsit^oüv XayviTxi^ ibid. p. 100 B. Voor 
oomparatie is dus, zooals ook Irenaeus en Athanasius uitspraken, 
wezens- of soortgelijkheid noodig. Dientengevolge stelt Basilius 
dezen regel : rviv fiev (pvo'iv vost bsoTrpswwi;^ rx Sf TXTrsivorepx toov 
pvjfixTüJv ^6%ov ohovofjuKCtigj Opp. od. Frob. p. 197. Dit okovofitKcoc 
geeft aan, dat de praedicaten den éénen zelfden persoon be- 
treffen, maar in een bepaald opzicht. 

Evenzoo spreekt Basilius het wezenlijk onderscheid in het 
zoonschap Gods van den tweeden Persoon en het kindschap 
Gods der geloovigen uit : f/ ovv ^f^eig vloi S-fo-f/ êsov^ xvxyKtj tov 
^v(Tei TrpovTTXpxsiv. to ^£(j'€t KXTX f/.ifiyjo'iv tov ^vvet XsysTxt, Want 
S'fo-a ovisv XV X6%bei^^ (j(,vi 7rpo>iyov(j(,evov tov (pvtrsi^ c. Eun. 1. 4, Opp. 
ed. Par. II, p. 88 A. Wanneer dan ook in Joh. 15 door Jezus ge- 
zegd wordt, dat wij ranken zijn van Hem als wijnstok, dan doelt 
dat niet op Zijne Godheid, maar op Zgne menschheid : ov Ti^q 
^soTViToq xvTOv olXXx Tvig fTxpKoq elpijKêvxi vffixg KXvifixTX^ ibid. p. 102 D. 

Van Marcellus' beweren zegt hij, dat het al onze hope teniet 
doet: TTXfTVjg ^ficov Tvig èXTrihog xbeTVfvcv 6%6i to MxpycsKKov ^oyfix^ 
0VT6 viov iv /5/f vTTotTTXfTei ifjt^oXoyovv^ xXXx TTpoevex^^^'^^ ^^' ttxKiv 
vTTOfTTpa^pxvTX eïg tov o^€v TTpoviXbsv^ ad Occident. Episc. Epist. 74, 
Opp. ed. Par. II, p. 876 D. En in dien brief bestrgdt hij o. a. 
ook Apollinaris. 

Inzake de eenheid bij Jezus bezigt hg Homil. in Ps. 30 het 
woord iv<rctifiXTa(ng ] en naar aanleiding van het opschrift van 

15 



Digitized by 



Go ogle 



226 

den psalm schrijft hg : jcarx ie ro vovirov^ rv\v iycafixraa'tu rov éeov 
Xoyov (ryjfAXiveiv en de vernieuwing rov Kxivoüg xxi Trxpxio^uq xvtov 
jcxTX(rK€vx<rdsvTog ohov, Opp- ®d. Par. I, p. 187 D. Hij bezigt dus 
het beeld van een huis, en dies van inwoning. Bg Ps. 46 : de 
Allerhoogste heeft Zgn (rscyjvccf^x geheiligd, tx%x ry^v (Txpxx Xsysi 
rviv ^soCpopov, xyiXfrbsKFxv iix njg Trpog rov éeov (rvvxCpsixi;, Men moet 
dus onder (rjcy^vufix verstaan tj^v lix (rxpKog èTriCpxveixv rov êsovj ibid. 
p. 270 A. Bij Ps. 60 heeft hg : viroii/ifix 5f rvig ^sor^rog vi ^€o0opog 
(Txp^, 5/' jj^ fV£/3)j Totg ivbpooTToig^ ibid. p. 296 B. Deze woordenen 
beelden wekken geene monophysitische voorstelling, en zijn niet 
geschikt om uitdrukking te geven aan het denkbeeld, dat de 
Logos onze menschelijke natuur voor Zichzelven behoefde, noch 
om deze gedachte in de hand te werken. Maar Basilius wgst ook 
op eene andere wijze de vereeniging der beide naturen aan. Jezus' 
geboorte was niet iets soortgelijks als wat bij de Profeten 
geschiedde, xXXx frvfi^vvi exvrcfi tviv xv^puTror^rx re ^vufisiniv 
TcxTXJcnjO'Xfieuog, kxi iix rvjg avyysvovg i^fiuv trxpKog xörou^ Trpog hxvrov 
èTTxyxycüv r^v xv^paTroryirXy Opp. ed. Frob. p. 231. Cf. ibid. p. 234 
iix TOVTO irex^^i '^^^ ^^ KX^xp^^g iix rvig (Tvy/svovg (^V(r€Oog), Er is 
dus verwantschap tusschen Jezus en ons noodig. Doch ofschoon de 
verlossing ook physisch werke, zoo biedt niettemin het begrip 
jcx^xtpsiv eene andere voorstelling dan het Monophysitisme koestert. 
Cf. ibid. p. 232 : if xytoocrvv^g oitv vi <rxp^ (rvfiTX^sKTX, i^ix ijv nfi 
bsoTViTi rov [JLovoysvovg kva^fjvxt. „Denk over 's Heeren èvxvbpa7rvi(ng 
toch bsoTrpewoog^ ibid. p. 234. Ban derhalve alle gedachte van ver- 
andering, vermindering of bezoedeling van den Zone Q-ods. En 
vraagt ge dan, op welke wijze S/' ivog elg Trxvrxg vixbs to Xxfi'Trryipm ; 
rivx rpoTTov èv (rxpxi ii Srsorvjg ; zoo luidt Basilius' antwoord : dg to wvp 
èv (riSfipci), oif fierxfixnKug^ ix^x f^êTxSoTiJcoog^ ibid. p. 231. Wel deelde 
zij mee, zelve echter veranderde zg niet. Want het vuur loopt 
niet naar het ijzer heen, doch blijft op dezelfde plaats, maar 
deelt aan het ijzer zijne hitte mee, zoodat het zelf niet verandert 
en toch het ijzer geheel vervult : ov yxp 6JCTp€%€t ro Trvp Trpog rov 
fTiivipov, fisvov 5f üXTX %«/?<»v, fJL6Txiiiö3(riv xvTCfi Tfjg oiKSixg ivvxfisoog, 
OTTsp ovrs sXxrrovrxi ryi f^^sTxSoo'si kxi bXov TrXtjpot sxvrov ro fi6T6%ov. 
Zoo was het ook bij den Logos : ovrs Hivvibvi i ? sxvrov om onder 
ons te wonen, ovrs rpoirviv vTrsfAsivev. Ook was de hemel niet ipj^/c^ö^ 
Tou (TvvexovTog kxi vi yvi èv rotg KoXTTOtg rov ovpxvov vTrehexsro^ ibid. 

Verzin u toch geen Kxrxirrcaviv rvfg ^eon^rogj want ov fi€Tx(3xtv€t 
BK TOTTov €}g TOTTOv ug Tx (TcofjLXTx^ CU droom niet van een viXXoia(rbxi 



Digitized by 



Google 



227 

der Godheid, [JLerx^Xvi^sKTX sU (rctpxx^ want irpsTTTOv ro ibxvxrov. 
Ja, maar, zegt ge, hoe kan dat? 'Trooq ovv Cpvitri rijg (rcofiaTiJo^g 
itrbsveixg 5 deog Xoyog ovk ivf tAj^o-S-j^ ; Het vuur krijgt immers ook 
de hoedanigheden van het gzer niet: Cpxfisv, oiï^s ro irvp roov 
(Tihvipov ï^icofixTcov fi€TxXxfi(3xv€L Het wordt niet zwart noch koud : 
f^^eXxg o (Tiivipot; KXi \pv%pog. En zoo ook bg de aanneming der 
inenschelijke natuur door den Logos: ovra 5j^ KXi jj xvbpooTrivvi rov 

JCVptOV (TXp^^ XVTVI fl€T€(r%€ T^^ ösOT^TOg, OV Tifi ^SOTVITi flSTsiUKS TVI^ 

o]k6ix(; xtT^evsixg^ ibid. p. 232. 

Gaan we nu hiervan over tot hetgeen Basilius over de KsvootTig 
leert. c. Eun. 1.4, Opp. ed. Par. Il, p. 88 D. schrijft hij, dat ixop^j^ 
gelijk ov(nx is: to iv fiopCpifj êêov èv ov(ticjl €(tti êsou. ov yxp aXXo 
fiop^vj Kxt ixxo ovcTix dfcy, hx fiJi (Tvv^sroq. Derhalve o tcxtx 
fiop^vjv koq jcxt jcxT" ov(Tixv èmv hog. Dit laatste is juist. Om 
waarlijk als God zich te kunnen openbaren en in goddelijke 
heerlijkheid te stralen, moet de Zoon essentialiter God zijn. 
Maar de gelijkstelling van (J(^op<pvi en ov<tix is toch minder juist. 
Dit te ontkennen leidt echter niet tot de leer der samenstel- 
ling {(TvvbsfTig) bij God. Doch het was Basilius eigenlijk te 
doen, om mei dezen tekst het waarachtig God-zgn van den 
Zoon tegen de Arianen te verdedigen. En dat is alleszins 
mogelijk, en dies geoorloofd. Reeds in c. Eun. 1. I, Opp. ed. 
Par. p. 14 A, had hij geschreven : èyoi yxp Kxt to èv fiopcpin 6eov 
vTxp%€tv \(TOv ivvx(r^xi TCf) èv oiifTi^ 6sov vTTxpx^iv ^m^i' cog yxp ro 
fiop(pviv xveiXvi(p6vxi ^ov>ov^ èv r^ oiviof, rvig xv^pooTrorviTog rov xvpiov 
vi[JLCüv ysysv^tr^xi fTvifixivst^ ovrco Xeyav ro èv (lop^ifi êsov v7rxp%6tv Tv\g 
dsixg ovtTixg TrxpKrrvicri Trxvrccg tviv iiioTVjTx. Ook dit is niet geheel 
nauwkeurig. ^ovXog toch is een woord, dat geene aanduiding geeft 
van het wezen, maar dat op eene relatie ziet. Het doelt op 
de verhouding van een ondergeschikte tegenover zijn Kvptog of 
i€(T7roTvig. En fiopcp^ ^ovXov drukt eene bestaanswijze uit als bg 
zulk eene ondergeschiktheid past, het verkeeren in de omstandig- 
heden van, en het zich openbaren en gedragen als ^ovxog. Daarom 
geeft ook de vertaling van fiopCp\^v ^ov^ov Xx^uv^ Fil. 2 : 7, door 
„naturam humanam assumens" niet ten volle den inhoud weer. 
Onze Nederlandsche vertaling heeft beter : „gestaltenis eens dienst- 
knechts". Wel ligt in de woorden ook, en zelfs in logischen zin 
genomen allereerst, dat Jezus de menschelijke natuur aannam; 
maar er ligt nog iets meer in bovendien. Het geeft ook nadere aan- 
duiding van de positie en de gesteldheid dier natuur. Vandaar 



Digitized by 



Google 



228 

dat er niet op volgt : xv^pooTroq yevofievoq^ noch ook : iv ofioicofixri 
ivbpoowov ^êvofievog, maar : êv ofioioofixTi xv^pawoov ysvofji^svoi;. Daarmee 
wordt te kennen gegeven, dat Jezus in gelijke conditie als de 
anderen verkeerde. Voorts staat er daarna niet : evpe^sig ivbpuToq 
of: iq ivbpooTToq^ maar: <T%vifixTi evpebaiq uq Au^puTrog, En (rx^f^^is 
iets dat veranderen kan, zonder dat daarmee het wezen zich 
wijzigt. Cf. I Cor. 7 : 31 : TrxpoLysi yxp ro fT%m^x rov MfTfiov tovtov. 
Het doelt op een voorbggaand karakter. En in tegenstelling met 
fiopcpij ^ovXov van vs. 7 staat dan in v. 9 ivofi» ro vTrep irav ivofix. 
Al is het nu echter minder volledig, fiopcprjv kvstXviCpsvxi iouXov 
als identiek met h rifi oijtncf, T>iq xv^pooTroTyjTog yiyewitrbxi te nemen, 
toch behoudt Basilius' betoog zijn kracht; want hij wilde de 
wezenlijkheid, de waarachtigheid of realiteit van Jezus' mensch- 
zgn aanduiden, en op grond daarvan Zijn waarlgk God-zijn 
handhaven. 

En deze gedachte blijft onverzwakt, omdat b tviv ^ouXov fiopcpyjv 
Xx(3ccv noodwendig gedacht moet worden, zich tevens met de 
menschelijke natuur te omkleeden. Dit laatste is de ond^- 
stelling, zonder welke het eerste geen grond om op te rusten 
heeft. Evenals men geen groot mensch, noch een klein mensch 
heeten kan, tenzij men een mensch is, Hieruit volgde dan ook, 
dat èy fiop(pifi êsov iTrxpxosv het wezenlijk Q-od-zgn des Zoons tot 
onmisbare onderstelling heeft. 

Aangaande de icevoofrit; schrijft Basilius nader c. Eun. 1. 2, Opp. 
ed. Par. H, p. 40 A : oxite yxp wepi ry^g outrixt; auTfjg tov ieov Xoyou 
Tov èv cip%if} ivToq Trpot; tov êeov, dXXx xspi tov xevccvxvTog Ixutov èv 

Tlfl TOV ^OVXOV f^^Op^lfl, KXl ^€VOfl€VOV ffVflflOfCpOV TCj) (TUflXTl TiJ^ TX- 

7r£tva(r€ffog vifioov^ Jcxi oTXvpubsvTog i? xfrbeveixg^ (rx0cog ^ixXBysTXi» 
Gedoeld wordt op Hand. 2 : 36, waar de Apostel ov^i ^soXoytxg 
^fitv Xoyovg 7rxpxSi^cü(ri TpOTov, ciX^x Tovq Tvig oiKOuofiixg Xoyovg wxpx- 
^viXoi, Nu zegt Basilius niet : KsvufrxvTog éxvrov Tcp Xxfisiv .... 
of : TCf) slvxt èv, of: sU Ttjv. . . m. a. w., hij stelt hier de ontlediging 
voor als te geschieden, toen de Logos reeds met de menschelgke 
natuur zich bekleed had; d. w. z. dat zij ziet op de gesteldheid 
van deze natuur. Basilius laat er dan ook op volgen : gelijk- 
vormig wordende aan ons vernederd lichaam, en uit zwakheid 
gekruist zijnde. 

ni. In zgn beide brieven Tpog KXviSoviov bespreekt Gregorius 
Nazianzenus zoowel het gevoelen, dat er bij Jezus sprake zou 



Digitized by 



Google 



229 

kunnen zgn van twee zonen, als dat van Apollinaris. Tegen 
dezen laatsten betoogt hg in Epist. ad Cled. I het noodzake- 
Igke der volledigheid van Jezus' menschelijke natuur o. a. op 
deze wijze : 

Als iemand zijne hope stelt slg avovv av^pcoTrov^ ivotjTog ivruq 
6(m^ jccci ovjc i^tog oXog (ru^str^xi. Want hetgeen door den Zoon 
niet aangenomen werd, is ook van redding verstoken : ro yxp 
XTrpovXyi'jrTOv^ i^epxTrevrov. o ys vivarxi rop êscpj rovro ra (Toot^erxi, 
Meent Apollinaris, dat in plaats van dien voug de Godheid komen 
kon, dan zegt Q-regorius, dat God anders is in wezen dan de 
menschelijke natuur, en alzoo het menschelijke niet vervangen 
kan, en inzooverre ook niet baten. xXK Yipnei ^(tiv j} bsorvig xvri 
rov vov. Tl oi/v irpog èf^e touto; ^sorijg yxp fierx (TXpKOg (JLOvvig ovx, 
ivbpuTTog^ xXX' ov^e ^\J%vig fiovvig^ ouis xfiCporspuuy %apig rou vov, o 
Kxi (JLxXXov ivbpuTTog. En daarom is Gregorius^ besluit : Tvipsi ovv 
rov xvbpooTTOv oXov^ KXi fi^L^ov TVjV ^60Tv\TX^ ivx fA€ Tshsiug svspysTifig^ 
Opp. I, p. 7¥)I1A1, Maar zulks gaat niet, antwoordt ApoUinaris : 
0L}X ovK s%cop€i (p>j(n 5t;ö rs^siXj want eene maat van zekeren 
inhoud kan niet tweemaal zooveel bevatten. Dat mag waar zijn 
van stoflfelijke dingen, zegt Gregorius daarop, doch geldt niet 
van geestelgke; voorts overtreft de Qt)dheid verre 's menschen 
vovg ; en rsKeiov is een relatief begrip : vergeleken met een berg 
is een heuvel oLreXvig, Insgelijks zou van den engel het rekeiov te 
ontkennen of te bevestigen zijn, al naar men hem met God of 
met den mensch vergeleek. Deze redeneering laat het begrip 
reXsiov niet tot zijn volle recht komen. Noemt Apollinaris hem 
een iv^pooiroXxrpvjg^ welnu, dan is deze zelf een (rxpKo^jxrpvig^ ibid. 
741/742. In Joh. 1 : 14a staat dan toch maar : o Xoyog (rxp^ 
èysvsTO, brengt Apollinaris c. s. voorts in het midden, om als 
antwoord te ontvangen, dat dit eene synecdoche is: xyvoouci yxp 
oï TxvTX Xsyovreg, on avy€JcSo%iycug rx roixurx óvofix^erxt^ xtto fispovg 
TGV TTxvTog iviXovfi6vov. Evcuwcl zag Gregorius er ook nog rgker 
beteekenis in : jcxi xfix ovk oLXXcag oiov re vju ryjv rov êsov ^vi>.oobviyxi 
TTspt vi(j(,xg ctyxTrvjv y\ sk tov (ivvjfjf^oysvbyivxi rviv (rxptcx^ ort S/' i^fixg 
KXT€(3yj xxi fi€%pi rov %eipovog. (Txpy,x yxp ehxi ^vxv\^ svreXeo'Tepov 
erkent ieder gezonde van zin, ibid. p. 743/744. En (rxpycx 
yeveabxi heeft voorts soortgelijke beteekenis, als wanneer er sprake 
is van „een vloek geworden voor ons'*, zegt hij. Dus was Jezus' 
menschelijke natuur volledig, gelijk zij alzoo zijn moest om ons te 
behouden. Want evenals axpKog êi€yi(r€ ^ix tvjv (rxpKX KxrxK-pibeKrxVj 



Digitized by 



Google 



230 

K»i ^vx>i^ 5/<» rvjv t//u%)^v, zoo ook vov iix tov vovv, ibid. p. 742 D. 
In Adam was de voug zelfs het eerst ten val gebracht {ttpouto- 
TTx^ijtTag). Ook was deze noodig om als middelterm te dienen: 
o vovq Tcp voi fityvi/rxi dg èy^vrspcp tcxi óÏKsiOTepcf^ xxi ^i» tovtov (rapKt 
fiea-irevovrog ^6ot>jti k»i 7rx%vr^Tt. Gregorius deelde dus het ge- 
voelen van Origenes inzake het anima mediante. Cf. daarover 
ook ibid. p. 11 C. en p. 676 A. De Zone Gk)ds werd vTrep ttxi/tcüu 
TTxvr» ov» yif^BiQ^ ttXviv Ttjg dficcprixg, cufia, ^^X^* ^^^^i P- 592 A. 
En wel is de vouq icxrxzpiTog^ maar evenzeer ii (rap^. Indien Hij 
nn To %aipov aangenomen heeft /v' i'yi»7b)fi ^tot r^g cctpKcoa'scog, zou 
Hij dan to jcpserroy niet aangenomen hebben om het te heiligen 
h» TVjg èvxv^poii7rvifT€ug\ ibid p. 742 A. 

Aldus wordt echter niet beweerd, dat er twee Zonen Gods 
waren : oiihs yxp tov xv^pcoTrov ;^«p/^o/CA5v Tijg ^eoTVjTog, iAA' hx ts 
TOV avTov ^oyiJLXTil^ofiev^ p. 738 C. Tevoren was Hij niet mensch 
maar eengeboren Zoon, vpoxiooviog^ oLfityyig^ (rufixTog ts toov o<rx 
(rafixTog, Doch fV/ T€\€t nam Hg onze natuur (^v^puTrov) aan, 
vTrep Tijg (TooTvipixg T>jg vifisTepxg^ ibid. En zoo geldt van Hem nu 
tweeërlei : Trx^ijTov crxpKi^ olttx^vi ^soTijTi^ TrapiypoLTTTov (roofixTi 
XTTêpiypciTTTOv wvsufixTi^ TOV xifTOv eTTiysiov KXi ovpxviov, opafievov KXt 
voovfi€vov, XoopViTov T6 x%upijTov^ ibid. Opdat o^og xvbponTrog^ die in 
de macht der zonde gevallen was, oXcfi xvöpcüTrcp Tcp xvTcp Kxt êeqs 
xvx'7rXx(T^i{i. Als iemand daarom twee zonen invoert, den eenen 
uit God den Vader, doch den tweeden uit de moeder, iAA' oi)%i 
ivx TOV xvTOv^ die verliest de vlo5€(nx, den èpöag wkttsvoimti be- 
loofd, p. 739 A. En dan formuleert Gregorius: Cpv(r€ig fjisv ys 
ivOy ésog Kxi ivBpcoTTog, sTrei kxi \pv%ij xxi <rafix .... Er is niet te 
denken aan twee zonen, evenmin als aan twee Goden, evenmin 
ook als aan twee menschen, wanneer er gesproken wordt van 
„inwendigen mensch." kxi el Sf/ cwTOfiug sÏTrstv^ xXXo (isv ts oiXXo 
Tx i? m o (TooTijp. Want het onzienlijke is niet hetzelfde als het- 
geen zichtbaar was, noch to xxpovov Tcp vtto %povov. Hieruit zien 
we, dat de praepositie i? niet altijd aangeeft, dat een chemische 
oplossing bedoeld is, maar gelijken zin kan hebben als ons „uit", 
wanneer wg zeggen : de mensch bestaat uit ziel en lichaam. 
Moest er nu gesproken worden van iets anders en iets anders, 
ovK iXXog ys ts xXXog^ fjnj ysvoero. Dus is het bg den Christus 
anders dan bij de Triniteit. Want bg deze laatste is er iAAö^ 
TS aXXocj maar oifK xKXo ycxi iAAö, t. a. p. Cf. ad Cled. II, 
ibid. p* 746 B. : „den Zone Gods, die uit den Vader gegene- 



Digitized by 



Google 



231 

reerd is en daarna uit de heilige maagd Maria geboren, sk sv 
iyofi€v, en wij spreken niet van twee zonen, iAA' sv» kxi tov 
xvTov èv cQixtparcp 5eoT}jTi re rifiifi 7rpo(ncvvovfi€v. In onderscheiding 
van Apollinaris begon Q-regorius dus eigenlijk niet met twee, 
om daarna tot één te komen, maar van den beginne aan had 
hg de eenheid : slg kxi o xvTog. Daardoor krggt het probleem, 
dat bg het indenken der unio personalis voor ons treedt, dade- 
lijk een geheel ander aanzien. 

Zien we nu nader, of öregorins door deze eenheid de men- 
schelijke natuur ook in monophysitischen zin vergoddelijkt liet 
worden Or. I. Opp. I. p. 11 C. schrijft hij : dit wil de ontledigde 
Godheid, dit wil het aangenomen vleesch, dit wil jJ Kxti/vj fii^ig^ 
Bsog KXi iy^pooTTog^ h é^ xfi0oiv re iC evog ifi^orspx. Daarom isog 
(TxpKt ^ix (letrviq ^v%viq xvsKpxSij >cxt (rvvs^söij. Wel is hier sprake 
van jc^/?/^ en ivsxpxBijj maar de twee blijven onvermengd, en 
slechts de nauwste sa^menbinding wordt bedoeld. Or. 38, ibid. 
p. 620 B. : de opog kxi Xoyog des Vaders %oop€i hri TVfy i^ixv êhovx 
T€ (TxpKX Cpop€i ter wille van mijn vleesch, en ^pv%ifi voep^ iix rviv 
èfiijv ^vx^iv fJi'tyyvTxtj rep ofioiCf} ro ofioiov xuxKxöxtpccv, Opmerkelijk is 
hier, dat juist van het vleesch Cpopeiv wordt gebezigd, doch fityvvvxi 
van de redelgke ziel, waardoor de voorstelling van een soort 
physisch proces vanzelf buiten den gedachtenkring blijft, öre- 
gorins vervolgt : TrposXBav ye 6eoq fisrx rvjg 7rpo<r\^\p6ccgj èv sk ivo 
Tcov èvxvTioov (TxpKog T€ TTVêvfixTog, Blijkens de woorden, en gerekend 
met het voorgaande, is niet gemeend een opheffing der èvxv- 
TioTVfTog tusschen de twee, maar slechts, dat ze ten nauwste tot 
één samengevoegd zgn. Evenwel heeft Gregorius daarna dv ro 
(lev i5fa?(rf, to 5f i^ea^vj. Cf. ad Cled. I, p. 739 B : tx yxp 
xf^CpOTspx èv Tifl (TV/KpXfTSi^ êsov fi6v €vxv^pco7rvi(rxvTog, xvBpuTTOv ys 
BscoBsvTog^ VI oTTooq civ rig ivofixtrsie, Zooals we reeds bij Athanasius 
zagen, zegt het woord 5f ölv op zichzelf nog niet, of het bloot op de 
aanneming tot kinderen Gods ziet, en daaxmee in verband op 
het verkrijgen van de positie van heerlijkheid en eenwig leven 
als bg dit kindschap past, dan wel of er inderdaad meedeeling 
van zekere goddelijke substantie of hoedanigheid op monophy- 
sitische wijs mee bedoeld wordt. Ten tweede heeft Gregorius 
hier tot tegenstelling èvxvBpooTreiv^ terwijl hij er verre van af 
is, de goddelijke natuur zich te laten veranderen : o fisv j}v, 
ii€fi€tv6v, O ye oöjc ;}v, TrpofrsXxfisv^ Or. 36. p. 57B A. Cf. Or. 39, p. 631 C : 
ovx o yfv (Ji^erxXxfioov^ xTpsTTTOv yxp^ xXX^ o èvK vjv 7rpO(rXx(3ci)v. En 



Digitized by 



Google 



232 

dan blijkt voorts, dat Qregorius aan iets hoogs denkt, ter 
uitdrukking waarvan hg uit gebrek aan beter het woord öeovv 
Mest. Vgl. Or. 31, p. 497 C. o yjv (cf. Joh. 1 : 1) êK€va(r€, jcxi o m 
yjv 7rpo(r€Xa(3€v, ov ^vo yevofievog^ iAA' h èic ruv ivo ysvetrbxi xvx(r%0' 
f^êvoc. Uit dit laatste blgkt, hoe Gregorius de aanneming der 
mensohelijke natuur door den Zone Gods niet als een noodige com- 
pleteering van Dezen beschouwde, isog yxp ifji^Cporspx^ wat tot zich 
nam en wat aangenamer werd, ivo 0v(r€ig eig iv (rvvipxfiov<r»t, ov% vhi 
ivo^ fivj Kxrx\p€vi€(r^u )J fTvyycpxcrig, Deze woorden wekken wel de 
voorstellingvan eene verbindingof nauwe aaneensluiting en saam- 
hechthig, maar niet die van eenige wezensovervloeiing. Gregorius 
gaat p. 620 B/C voort : u rvjg scxivvig fii^sug. i rtjg Trxpxio^ov 
Kpx(T€Gijgj O 001/ yivsTxi^ KXt o xKTi^Tog KTi^sTxt^ KXi O i%ci)p}^Tog %apeirxi 
itx (Ji^(Tvig \pvx^g voepxg fiêo-irsv wayjg Bsor^Ti kxi (rxpKog t<»;^ütj^t/. 
Cf. ook Or. 38, p. 613 D. Wijl nu de Godheid onveranderd 
bleef, en slechts aannam datgene wat 7rx%vv etc. was, volgt 
daaruit, dat zgnerzijds ook dit laatste essentieel bleef wat het 
was. Trouwens, anders ware de Zoon ook niet x^P^'^^^ ®i^z. ge- 
worden. Dies beteekent fii^tg en Kpx(ng ook alleen zeer nauwe 
samenvoeging. Wat in eigenlgken zin het onze is, werd ook het 
zijne ; x ye ïBicag ^fisrspx kxi Ty\g èvrev^sv 7rpo(rXyi\p£oog^ Or. 36, p. 591 D. 
En Gregorius loochent ook Jezus' onwetendheid niet : oti yivoufTKsi 
[Msv ug êsog, xyvoeiv is ^vjtriv dg ctvöpooTTog, üv Tig ro ^xivo[A6VOv 
%oopi(Tifi Tov voov//.€vovj ibid. p. p. 588 A. 'sHeeren vleesch noemt 
hij een voorhangsel, door hetwelk Hij met ons gemeenschap 
hield : hx X^P^^V ^ x%oipviTog iix f^sci^g (rxpKog ifiiXvi^xg ^fiiv dg 
TrxpxTTSTXfTfJLXTog^ Or. 39, p. 631 C ; cf. Or. 3B p. B7B A. : hx fi€(rov 
vav SfiiXyj(rxg (rxpxi. En handelend over het opgaan naar den berg 
der verheerlijking, schrijft Gregorius : Ivx n^ f^opCpifj ^xfi\pifi jcxtryjv 
^êOTVjTx TTxpxSei^ifi KXI yvfiuao'ifi TOV èv Tifi vxpKi KpvTTTOf^.svov, Or. 36, 
p. 454 A. En ten aanzien van de bij Jezus geldende twee- 
voudige reeks van praedicaten stelt hg ten slotte dezen alge- 
meenen regel : Iv/ ie Ks^xKxiCfi^ tx fiev vxpvjXoTêpx Trpotrxye t^ ^êOTviTt 

KXI T1fl KpSlTTOVl CpV(r€t TTxBcüV KXI fföQflXTOg, TX /f TXTTSlVOTepX TCfi 

(rvv^sTcp KXI Tcp iix (re KsvuBsvTt kxi (TXpKoaBevTi^ Or. 35. p. 574 C. 
De hoogere moeten dus alleen aan zijne Godheid, of aan Hem 
naar Zijne Godheid toegekend worden ; doch omtrent de lagere 
is eigenaardig, dat hij niet zegt: trxpKi^ maar (TvvbeTcp. 't Is om 
de eenheid uit te drukken; en tevens wordt aldus het zwaarte- 
punt dier eenheid in de goddelijke natuur gehouden. Voorts komt 



Digitized by 



Google 



233 

in de bewoordingen öeorviTi en (ruy^ercf! ook uit, dat Gregorius wel ter- 
dege eene onderscheiding der naturen voor den geest stond, zoodat 
het (rvvBerog bedoeld is als saamgevoegd, aaneengehecht. Cf. Or. 
36, p. 678/579 : o fiev iv fierx rv\g xhixg €vpi<r)ccafi€i/ (vgl. Spr. 8 : 
22 vv.) Trpoo'Safiev rifi xv^puttotvitl o Sf iTrXouv kxi ivxiriov rifi 
öeoTijri Xoyi<rufi€5». En de zalving is dan ook rvjg d^vBpuTroryjroi;, 
In waarheid toch i^ovXsvtre <rxpKi zxi ysvetTsi jcxi ttx^s^ti tok; fiiisTspoiq 
il» TVfv vifi6T6pxv i^svbepixVj icxi 7rx(Ttv oU (retrcüKêv vtto rvjg Xfixprixg 
}cxT€%ofi€uoig. Hier wordt de verlossing dus beschreven als een 
bevrgding van de overheersching der zonde, r/ Sf fieit^ov^ gaat 
Gregorius voort, xvSpooirov rxirsivor^ri j} iecfi TrXxü^vxi kxi ytv6(rBxi 
êeov sK TYig [At^sooq. Van een samenvlechten spreekt hij hier. 
Alle knie zal zich buigen voor Hem, die zich om onzentwil 
ontledigde re rviv Beixv ehovx iovXiy.ifi f^opCpifi (TvyKspxfTxvri. Cf. Or. 24, 
p. 429 A : zooveel als de Vader heeft is van den Zoon vrXviv 
Tijg xhixgy en al wat de Zoon heeft is dat des H. Geestes tt^v 
rvig vïorviTog xxi roov ovx (rafixrtxag Trspi xvrov Keysrxi ter wille van 
mijnen mensch en mijne behoudenis, opdat Hij, het mijne 
nemende, to sxvtou %xpt(r^Txi itx rv\g scxivvjg xvxKpxfreug. Uit dit 
laatste blijkt, hoe ook Gregorius zich den samenhang tusschen 
Jezus en de nieuwe menschheid onverbrekelgk dacht. Beter nog 
spreekt zich dat uit Or. 36, p. 691/592 : Christus heeft ttxvtx 
o<Tx T^fiêtg Tchi^v rvig xfixprixg^ d. w. z. lichaam, ziel en vovv, aan- 
genomen, niet opdat Hij enkel door middel van het lichaam 
%cüpvi5ifi (FOii(ix(Fi, terwgl dit anderszins niet kon geschieden van- 
wege het xXviTTTov Zijner natuur, iAA' hx kxi xyixcrif} 5/' kxvrov 
Tov xv^pooTTOV, cc(r7r€p ^vfivj ysvofJLsvog rep ttxvti ^upxfixri kxi Trpog 
èxvTov hvooaxg ro KXTXKpi^sv^ iXou Avo^ tov zxTXKpifjt^xTog. Inzake 
de eenheid bij Jezus en hare vrucht voor de geloovigen drukt 
Gregorius zich sterk uit Or. 36, p. 575 A : ysvofj^evog xv^pcoTog 
o KXTü), iêog^ fTf/Sj^ fTxjvxvsKpxbvi Qêcp, KXi yeyovsv slg, tov KpsiTTOVog 
èüviKvifTxvTog^ hx yevufixi ToaovTOv isog^ otrov ijceivog xv^puTog. Maar 
deze woorden zeggen eigenlgk nog niet, wat de inhoud van dit 
God- worden is. Want wel is Jezus waarlijk mensch, maar niet 
in dezen zin, dat Zijne goddelijke natuur in de menschelijke is 
veranderd. Dat leert Gregorius zelf. Daardoor heeft het to(tovtov 
feitelgk geen zin. Gregorius zal echter ook hier de vlo^strix 
bedoelen, eene ^€07roiy}(rtg in den zin van Athanasius. 

Leerden nu Apollinaris en de zijnen, dat de Zone Gods in de 
menschelijke natuur vond, wat Hem nog ontbrak, daarvan wilde 



Digitized by 



Google 



234 

Qregorius niet weten, ad Cled. II, p. 747 B : reXaiog av^pcoTrog 
is voor hen niet o TrsTreipafievog kxtx ttxvtx tcc yifierspx zonder 
zonde, maar to sk êsov k»i ffxpKog trvyKpxfix ioyfioe^ri^erxi. Want 
TovTo Cpx(n TsT^iorspov, En daarvoor argumenteeren ze ook uit 
het woord ivxv^pco7nj(rig, ro 5£ xiro kxi irepi rviv t}jq êvxv^pco'7ni(r€ug 
KXKOupyovtTi cpavviv^ omdat dit niet zou willen zeggen : èv xv^puTrcp 
yeyovev^ ov èxurcf) Trspis'Trvi^s, Hiertegenover sprak Qregorius, zooals 
we reeds zagen, van sv èjc roov ^vo ysvsfrbxi xvx(r%ofi6vog, en bracht 
hij de aanneming des vleesches telkens in verband met onze 
behoudenis en de verlossing van zonde en van het vonnis, waar- 
onder wij lagen. Or. 31, p. 498 B : èTêiSvi Kevovrxi S/' i^fixg^ swsiBvi 

3CXT€p%€TXL K£VU<nV ^6 XsyOO^ TVjU TVfq ^O^Vfq okv VCp6(TIV T€ }CXt èXXTTCüfTtU^ 

^ix TOVTO x^P^'^^^ ytusTxi. Op deze plaats wordt de ontlediging 
bepaald met gemis aan heerlijkheid in verband gebracht. Cf. 
Or. 39, p. 631 C : De Zone Gods werd ook Zoon des menschen 
(56%£T<x/), niet door verandering {oix o j}v (jl6txXx^uv\ want Hij 
is onveranderlijk, maar door er bij aan te nemen wat Hij niet 
was {o ovK v\v 7rpo(r^x(3cfji/)'^ (piXxy^pamog yxp^ opdat Hij, die ^%a;/?jfTö^ 
is, x^P^^yit ^'^ fAs<T>iq (TxpKog ofiiXfi(rxg vifiiv oog TrxpxirsTxtTfixTogj aangezien 
KX^xpxy xvTOv Tviv beoTVfTx ^€p6tv ov Tvig sv yev€(T€t KXi 03rop^ ^vtTsag, 
Daarom tx ctfiiXTx fiiyvvTxi, In deze woorden ligt opgesloten, dat 
wanneer onze natuur van verderf en vergankelijkheid (^a/fo-/^) zal 
vrijgemaakt zijn, de omsluiering niet meer noodig zal wezen. Deze 
gedachte stemt overeen met andere voorstellingen, die Q-regorius 
geeft van hetgeen de Zone Gods tot stand kwam brengen. Or. 38, 
p. 620 C o ttXovti^cov tttcüxsvsi^ want TTToox^^^t '^yjv èfiviv <TxpKX^ opdat 
ik 7rXovTvi(Ta tviv xvtov ^eoTtjTX, En Hij die vol is, ontledigt zich, 
K6V0VTXI yxp Tvjg 6XVT0V ^o^vjg sTTi fiixpov^ opdat ik aan Zijne vol- 
heid deel zou krijgen. Ik was toch Zijn beeld deelachtig, maar heb 
het niet bewaard. Nu wordt Hij mijn vleesch deelachtig, opdat Hij 
het beeld behoude ((two-jj) en het vleesch onsterfelijk make ; ^svTepa^v 
ycoivuvsi KOivuvtxVj ttoXv Tvig TpoTepxg TTXpxho^OTepxv^ otrcp tots yt^sv tov 
KpeiTTOvog fisTshooice^ vw ye (JLaTxXxfjL^xvsi tov x^^povog. Daarmee is dus 
op het tijdelgk en derhalve voorbijgaand karakter dezer ontledi- 
ging gewezen. Cf. p. 622 O : Kxt vi^ovtx (jlstx Ty\g sxvtov ^o^vig. Bg 
DoBNEB I, p. 956 : Tifl ^vvxiJLei Tvig oLv^puTryitreag ifi€ êsov Troiyia-^. 
Or. 36, p. 581 A : ug ys ^ovKov fiop^y^ (tv/kxtx^xivsi Toig ifióSovKotg 

KXl ^OVXOig. KXl flOpCpOVTXl TO XXXOTpm^ OXOV sv SXVTCp SflS (pSpUV flSTX 

Tuv i/zuvj opdat Hij in Zichzelven 'Sx7rxvvi<nfi to %stpov ... en ik 
aan het Zijne deel krijge iix tvjv (rvyjcpx(rtv. Wij zullen o^ot ^sosi^stg 



Digitized by 



Google 



235 

worden, oXov êeov xupvjTiKoi k»i fiovov. Want dat is de r6>^ioo(ne; 
Trpog viv (TTTsvhfiev^ ibid. D ; ook bij Dobneb t. a. p. Als Grego- 
rius voorts Or. 34, p. 574 C schrijft : rep 5/^ o-f scsvu^svri en 
vleescli geworden. . . . kxi iv^pooTriabevri^ shx kxi óxpu^svri, dan 
schijnt het, of hij de iffpüxrig tegenover de icsvcja-ig stelt, zoodat de 
laatste door de eerste vervangen is. Vervolgens laat hij door 
tegenstelling zijn opvatting van f^op(pvi ^ovXov uitkomen. Or. 36, 
p. 678 D : rqt? èvTi yxp iSövAfwo-f (rxpyci .... 5/^ tv\v ^/zsrspocv è^svbepixv. 
En Or. 41, p. 674 B : lovXou fiop<p}jv kxx^sv^ hx tv\v i^v^sptxv 
vi(iei(; iTTo^xfiufisv. Z. i. doelt de uitdrukking dus op eene dienst- 
baarheid, waarvan bevrijding wordt aangebracht. 

Alzoo schijnt hij de vernedering gezien te hebben niet in het 
bezit reeds op zichzelf van de menschelijke natuur; ofschoon de 
Logos haar aannam om onzentwü en deze aanneming duldde; 
doch in den aan dood enz. onderworpen en van heerlijkheid 
ontdanen toestand der menschheid, zoodat zij met de verhooging 
eindigde. Echter heeft dit eene andere strekking, dan in Apol- 
linaris' redeneering ligt uitgedrukt. 

IV. Gregorius Nyssenus legt sterken nadruk op de eenheid 
van Jezus met de geloovigen. Zoo zegt hij in zijn Or. over 
I Oor. 15 : 28 : (roofix Sf xvrov ax^ooi; elpvirxi TroXXxKig^ Trxfrx jj 
ccv^puTTivyi (pv(rig, ^ Kxr€/zi%^}f. In dien zin [isfnryiq isov kxi iv^pooTroav 
avofixtT^vi. Want in den Vader zijnde, kxi èv xvbponTroiq yevoiJLevot;^ 
vervult Hij hierin tj^v fis^ireixv^ èu rep èxvrcp TXi/rxg svootrxi^ >cxi 
5/' èxvTov Tcp TTXTpt, Opp. I, p. 849 A. Jezus is de eersteling van 
het menschdom, ix 7rx7Vjg Sf tv\(; civ^puTnvvjg (pvasoog ^ jcxTSf^tx^^ tö 

S"£/ÖV, OIOV XTTXPX^ T/^ TOV KOlVOV (pVpXflXTOg O KXTX %pi(TTOV civ^pOOTTOg 

vTTstTTVi^ §/' ov 7rpo7S(pv}i T\fi ^eoTv\Ti TTXv TO xvbposTnvov^ ibid. p.844D. 
Cf. ook Opp. II, p. 25 D, p. 89, p. 162 D e. a. En onze natuur 
nam Hij aan zonder iets daarvan uittezonderen : oii^sv xCpv^Ksv 
TVft; (pva-sug yi(juoov o ovx StvsXx^sv^ ook in alles, evenals wij, ver- 
zocht geworden, doch zonder zonde. Want de ziel is geen 
zonde, maar werd uit onwü voor haar vatbaar : jJ Sf ^^%v\ éfixprix 

OVK iöT/V, XXXX ^êKTiK>J X/ZXpTlXg è^ OtfiovXlXg èySVêTO, flV ^tX TOVTO 

xyixt^ei 5/^ Tvig Trpog èxvrov ocvxapxasug. hx r^ X7rxp%\fi o^ov (rvvx^txtrin 
TO (pvpxfiXj c. Eun. 1. 1, Opp. II, p. 55 A. Cf. ibid. p. 603. 

Verandering greep bij de aanneming der menschelijke natuur met 
de Godheid niet plaats. Want deze kxi irpo njg 7xpKog re sv rifi 7xpKt 

KXl fl€TX TO TTX^Og Xêl U(TXVT00g 6%6i^ O >JV T\fi (pVfTSl TTXVTOTS OVtTX^ KXl Sig 



Digitized by 



Google 



236 

A6i ^ixfisvovtrx, ibid. p. 56 D. Cf. ibid. 165/166, 170 e. a. Doch de 
mensohelijke natuur onderging, na den tijd des Irjdens, omzetting: 
jj Sf (r»p^ VI Tov êeov êv èxurifl iei^octrx fjt,£TOC ro 7r\yipcüfTXi iC eoojTvig ro [isy» rou 
bxvxTOv (j(,\jTTyipiov (JuerxTroiBiTXi Trpog ro v^p^Xov re ro ^eiov 5/' ivxKpxtrecog^ 
terwijl zij Christus werd en Heer, sksivo (JLerxre^eKTx kxi iXT^xyeKTX 
oTTsp v\v Hij, die Zichzelven in haar openbaarde, c. Eun. 1. 6. 
Opp. II, p. 176 A. Niet reeds dus door de aanneming werd het 
vleesoh zoo hoog opgevoerd, maar eerst nadat de dood was 
geleden. Doch toen trad ook eene wijziging in, die met sterke 
woorden door Gregorius wordt uitgedrukt. Evenwel kunnen we 
uit dit citaat reeds zien, dat öregorius eigenlijk slechts eene 
nauwe vereeniging der twee leert, een samen- of in elkander 
zijn zoo innig, dat wij ten slotte niet meer tusschen beide onder- 
scheiden kunnen; vóór de verhooging viel eene tweeheid waar- 
tenemen, die daarna onmerkbaar werd. Spreekt Gregorius echter 
over dit laatste, dan bezigt hij eenigszins rhetorische woorden, 
die minder heldere voorstelling geven, en wat nevelachtig zijn. 
Op de boven aangehaalde plaats werpt evenwel het vervolg 
licht. Evenals Hij, schrgft öregorius ibid. p. 177, die geene 
zonde gekend heeft, zonde werd {yiverxi) om de zonde der wereld 
wegtenemen (ijoj^), zoo werd ook (ovrug) het vleesch, dat den 
Heere in zich opnam, %pi(rrog kxi Kvpioi;^ omgezet als het werd in 
datgene, wat het ^v(T€i niet was, iix rviQ ccvxKpx(rscüg. 5/' uv (j(,xv^xvo(i£v^ 
dat God niet in het vleesch geopenbaard zoude zijn, als de 
Logos niet vleesch ware geworden, ovr' xv fiersTroivi^vi wpog ro bsiov 
vj wspi xvrov rov ctv^puTrov o'xp^, el /x>j ro (pxivofievov hyevero %pt(rrog 
rs Kxi jcvpiog. De vergelijking toch met het „zonde-worden" be- 
gunstigt de gedachte eener wezensomzetting niet. Hieruit kunnen 
we vermoeden, dat het „Christus- en Heer- worden" ook eene 
andere bedoeliug heeft, dan „vergoddelijkt" worden. Dit ver- 
moeden wordt bevestigd ibid. p. 180 C : ^ yxp Kvpiorvjg ovx^ ovtrixa 
ivofix^ iAA' i^ov(Tixg ètrrL rs vf rov %/?/<7Töt; 7rpo(TViyopix rvjv (3x(ti^€ixv 
èv^eiKvvrxL xXXog ys rvjg (3x(ri^€txg^ kxi ciXXog Irspog o rv\g ^v^êoog 
Xoyog. Gregorius had dus eene verheffing tot machtspositie op het 
oog. Wat is eiiXoycorspov om uit Hand. 2 : 36 afteleiden, vraagt 
hij ibid. p. 181 A, dat Hij die in den beginne God was, èic TrpoKOTryjg 
Kvpiog werd, j5 tö rxTsivov rvig ^vSrpuTnv^g (pv7€ug èsc rviq Trpog ro öeiov 
Koivuvixg^ slg ro v^pog ryjg c^ixg &vxXx(i^xv6<Tbxi ; Doch met deze 
heerlijkheid ging dan toch ook gepaard verandering in be- 
staanswijs. c. Eun. 5. Op. II, p. 161 : de goddelijke natuur is 



Digitized by 



Google 



237 

altijd ééne en dezelfde en op gelijke wijze bestaande; doch het 
vleesch is op zichzelf wel datgene wat jcccTxKxfi(3ccv€t Trspi xvrviq 
(scil. TVj^ fTxpKog) o Xoyog re tcxi fj xh^^(rig, maar xvxKpx^sKrx irpog 
To Srsiov blijft het niet meer iv Toig exvrvig opoig ts i^ioofjt^xtriv, ihhx 
wpot; TO iTriKpxTow ts kxi uTTspexov xvxXxf4>(3xv€Txi. Dit kan echter ver- 
staan worden in gelijken zin als de plaats, zooeven besproken. jJ 
dsaptx van de hoedanigheden des vleesches en der Godheid ^ixfievsi 
^vy%vTogj sug xv f$' sxvtoov ^eoapeiTxi tovtcov éicxTspov, want de Logos 
was vóór de eeuwen geboren, maar het vleesch ontstond in de 
laatste tg den ; kxi oök &v Tig xvxfTTps^pxg sIttoi^ j} txutvjv (scil. tvjv axpicoè) 
irpoxiccviov sbxt^ ii iv TOig 6(T%XToiq {%povoig) ysyswitr^xi tov Xoyov, j} <rxp^ 
TrxSryiTiK^g 67ti (pv(r€cog, èv6pyvjTiK>i<; ys o Xoyog. Nadat deze tegenstel- 
ling vervolgens nog voortgezet is, zegt Gregorius eindelijk : t€ tx 
x\Xx TTxvTx KXTX TOV xuTov bsoüpsiTX TpoTTOv. Dc menschelijkc natuur 
maakte Lazarus niet levend, ovts ^xKpvst tov k61(jlsvov ii xTrxS^g 
è^outrix^ maar het weenen kenmerkt den mensch, en het leven 
is het eigendom (JS/öv) Tvig ivTooq ^uvig. ibid. p. 160: want ook 
wij TX iix (TxpKog ohovo/zijSrevTx kxt l^ixv opoof^sv, kxi tviv ^€tXV 
ivvxfjciv iep' exvTi/iq voovfisv. Cf. ibid. p. 166. En p. 167 C : terwijl 
de Apostel overal tvjv tov xvSrpuTrivov Trpog to ^stov xvxKpxtrty predikte, 
hield hij niettemin èv éicxTepcp to ï^tov in het oog (xöfS-^p^), ég kxi 
TVjg iv^pooTriv^g xtrbevsixg iix Tvig vpog to oLKVjpXTOv Koivavtxg Trpog ti 
jcpeiTTOv xK^oioibsKTvig^ KXI TVjg beixg ivvxfjt^oog ov (Tv/KXTXTnwTovtTVig tji 
Trpog TO TXTC61V0V (rvvx(p€ttji Tv^g (pvtreoog. In 1 Tim. 2 : 6 spreekt Paulus 
ook van den mensch Christus Jezus, zegt Gregorius. We zien 
hieruit, dat hij tegen Eunomius sterken nadruk legde op zekere 
tweeheid, die van Jezus gold, zoodat het lagere aan Zijne men- 
schelijke natuur moest worden toegeschreven, en niet aan Zijne 
goddelijke. Aldus kreeg hij ruimte, om de waarachtige Godheid 
des Heeren ten volle tegen den bestrijder van zijn broeder, 
BasUius den Groote, te handhaven : de ttpokottvi betrof den Zone 
Gods alleen naar Zijne menschheid. Onwillekeurig en als bg 
terugslag kon dit er toe leiden, om eenigszins hyperbolisch te 
spreken, wanneer nu gehandeld werd over de hoogte, tot welke 
deze (Txp^ door den Logos was verheven. Cf. Aoyog KXTyj%viTtJcog 
o fisyxg, c. 35. Opp. II, p. 629 : ^ix Tvig xvxXyi^bai<rvig Trxp" xvtov 
KXt (TvvxTrobscobsLtTVig (TxpKOg xTTxv ffvviiX(roi)^yivxi TO (Tvyyeveg xvTifi ts 
ofioCpvXov, xvxyKxiov viv sTTivovibyivxi Ttvx TpoTTov^ waarbij zekere ver- 
wantschap en gelijkheid bestond èv Toig yevoid^voig^ Tcxpx tov 
sTThfisvov Trpog tov i^yovfisvov. ibid. c. 37. p. 636 G : to is (rcofix ry 



Digitized by 



Google 



238 

6voiK.v\(T6i Tov êsov Xo^ov Tfpoq Tviv ^siK^v i^ixv (jusTB'Tcoiyibvi. Ook hg 
handhaaft dus het beeld van inwoning. Of. ook ibid. c. 32, p. 
624 D : S-£öSö%ö^ (T»p^, Dat bepaalt mede den zin van (Tvyy,pot^ig, 
Cf. ibid. c. 37, p. 536 A : t^ oLvbpooTrivi^i (rvvsxpx^vj ^vast ra èv rep 
(Tcafixri Tcp vi(JueT6pcf3 ysvofjt^svoq. Het heeft hier geene „Mischung", 
(cf. DoRNBB II, p. 135) tot onderstelling. Met de geloovigen 
wordt deze apotheose in verband gebracht, ibid. 637 : de Logos 
die zich geopenbaard heeft, ^loc tovto scarsfii^ev êavrov rifi iTriscvipcp 
rav iv^pccTrav (pvtTsi^ Ivx Tyj rvjt; ^sorvjTog kocvcüvi^ (TvyxTrobsoab^fi (er 
staat : owxTro^sapyi^iii) to xv^pcaTrivov. Hoe wordt zij tot stand ge- 
bracht? Aan allen die in de bedeeling der genade (r^ ohovofii^ 
Tyjq %^p/Tö^) gelooven èxvrov ivtrTrsipei iix ry^g dxpKog olg jJ (rv(TTX(Tig 
6^ oivov re kxi Stprov è(m roiq (Tcafixai roov TrsTrKrrsvxorav KxrxKtpvxfievog. 
Ofschoon dit wel wat in physisohe termen is uitgedrukt, moet 
toch niet vergeten worden, dat er sprake is van TTKrrig en 
van x^P^^' Hij schrijft verder : ug' xv n/i Trpog ro x^xvxtov 
svatrei ook de mensch der onverderfelijkheid deelachtig wordt 
(yevoiTo); Txvrx Sf iihoo7i r^ rvig söXoyixg ivvxfi€i Trpog sksivo (justx- 
<TToi%€LOii(Txg Tm (pxivoi^evoov Tviv (pv(riv. Bedoelt dit transsubstantie in 
Roomschen zin ? 

Doch de verandering die met Jezus' menschelijke natuur bij 
de verhooging plaatsgreep, wordt door Gregorius vooral bespro- 
ken, als hij tegen het ApoUinaristisch verwijt, dat de kerk Suö 
viovg leerde, te velde trekt. Dan heeft hij dus de eenheid te 
verdedigen; maar hij doet het op min-gelukkige wijze. In zijn 
Trpog ieo^iXov STTKncoTrov AXe^xvipsixg^ v.xr' ATToXXivxpiov, Opp. II, 
p. 697 schrijft hij : ttxv 0(tov xfrbevêg Tvig ^vfrsug yK^uv re sTriKupov 
xvxKpx^sv Tyi ^soTviri^ ètcsivo syevsro^ OTrsp jj ^eory^g hri. Dit kan 
echter opgevat worden als doelende op heerlijkheid en kracht. 
Gregorius gaat voort : maar de door de almogende Godheid 
aangenomen X7rxp%^ der menschelijke natuur, èg xv sittoi rig shovi 
%pot)fi6vogy olov Tig (yrxxonv i^ovg XTTêtpcp TTsKxyai scxrxKpxSrsKTX, ê(m 
(lev èv 3'föTj^T/, ov fiyjv iv Totg i^ioig xvr^g ïSiufixffi. Want evenzoo 
XV vj Toov vim ivxg oLKoXovboag vttsvosito^ ei TTfl ci(ppx(TTcp tov vkv ^eoT^jTt 
hspoyevyjg Tig (pv(Tig iv ïSix^ov(n (TYifisioig sTTsyivoiXTycsTO. Als zulke 
ïStx^ovTx (TVifisix worden dan genoemd het zwakke, geringe, ver- 
derfelijke en tijdelijke, en daartegenover gesteld het krachtige 
(^vvxTOv)^ groote, onverderfelijke en eeuwige. èTcei^y^ §£ TrxvTm Tm 
Tcp ^v^Tcp (TvvsTnSrsccpovfJt^svm èv TOig Tvig ^eoT^Tog ïSiafix<n fjt^eTXTTOivjbsv^ 
Tmj èv ovievi KXTx^fifixvsTxt jJ iixCpopx, Gregorius wil dus eigen- 



Digitized by 



Google 



239 

lijk zeggen, dat er geene tweeheid meer te onderkennen valt. 
En hg wgst eene scheiding af: want wat men van den Zoon 
ziet, S'fOT)?^ i(TTi, fToCpix, ^vvx/zig, iytxdfJLQg^ xTTX^eix, irccq otv ^ixipoiro 
TO ev sU iviy,yiv trijfixtrtxv, fiyjSsfiixg ^ix(popxg tov xpi^fiov f^epi^ovfTvig ; jJ yxp 
bsoTvfq TO TXTTstvov v7r€pv\l^0i}(T€^ waama gewezen wordt op Fil. 2 : 9 
en Hand. 2 : 36. Al is nu wel te merken, wat Gregorius zeggen 
wil, zoo moet nochtans deze uiteenzetting en verdediging min 
gelukkig heeten, omdat zij eigenlijk in houdt, dat er eene 'Svxg 
vluv is geweest, welke later opgehouden heeft te bestaan. Op deze 
wijze ware de eenheid van den Christus niet gezocht in datgene waarin 
zij bestaat, en dientengevolge eene verkeerde vereeniging geleerd. 
voovfisv^ zoo besluit hij eindelijk, njv oiycpi^vi Ivot^tx rvig te TrpotrX^- 

(p^SltTVIc; (TXpKO(; JCXl T>jg 7rp0(TXxfi0(Jl.6V^q bsOTVITOg» OLVTl[Jt^^i(TTXTXl TX 
ivO/ZXTX, CÓfTTe KXl TO XvbpCCTnVOV TCfi bsiCfi TCXl TO S"£/Oï/ T^ XV^pUTTlVCp 

KXTovofzx^€(TSrxi. Hij wil derhalve eene numerieke eenheid ; loochent 
in den grond der zaak de onderscheidenheid niet; verwerpt 
eene scheiding; en wil niet meer weten van zwakheid enz. bij de 
menschelijke natuur. En in het sterfelijke, vergankelijke enz. de 
ï^iufixTx der menschelijke natuur stellende, zeide hij met het 
oog daarop, dat deze hare eigenschappen verloren had en ^eoTyjg 
was geworden. 

Over deze eenheid handelt Gregorius ook Or. catech. maior c. 10. 
De tegenwerping was gemaakt, dat de Godheid een xweipov is, 
maar de menschelijke natuur een (Jt^mpov en TrspiypxTrTOv, en der- 
halve : TTug XV TeptsXyfCpS^vi Tcp xTOf^) to xTreipov ; Daarop antwoordt 
Gregorius met verwijzing naar de verhouding van ziel en lichaam. 
Indien de menschelijke ziel kxtx tj^v t^jc; Cpvasoog ocvxyic^v (tv^ks- 
Kpx(j(,6v^ Tcp ^ufixTi 7rxvTx%ov kxt'' s^ov(Tixv yiyvETxi, wat dwingt ons 
dan te zeggen, r^ (pv(r€t Tv\g (rxpjcog tvjv ^sot^jtx €fi7r€pi€ipy€<r^xi ; 
Twee dingen worden hier duidelijk : dat het begrip (rvyjcpxtrig niet 
immer de idee van vermenging aangeeft ; want de ziel is, ook 
volgens de kerkelijke schrijvers van dien tijd, niet met het lichaam 
vermengd, doch alleen ten nauwste, en overal of geheel, daarmee 
vereenigd; en ten tweede, dat Gregorius deze vereeniging ten 
voorbeeld nam ter illustratie van de eenheid der beide naturen 
van den Christus. tI xu^v€i Srsixg 0v(rsag hostnv tivx kxi 7rpo(r6'/yi<T[^ov 
icxTxvovi(rxvTxg Trpog to xvbpooTnvov tv\v ^soTTpeirvi lixvoixv kxi èv Tcp 
TTpotreyyidf^cf iixaul^sff^xi, Trxtnjg Trepiypx^^g sktoc êhxi to ^eiov ttkttev^ 
ovTxg^ ic^u êv ocvS^puTTcp j5v; De eenheid wordt hier alzoo beschreven 
als een in-zijn. En vraagt gij, Trag kxtxkipvxtxi j} SrsoTrig Trpog to 



Digitized by 



Google 



240 

ivbpoo7rivov\ onderzoek dan eerst, TÏq irpog n^v (rxpKx n^g 4^v%yig j} 
(TVficpvi»^ ibid. c. 11, p. 498 B. 

Deze voorstelling vinden we ook in zijn sU ro xym 7rx(r%» 
X. T. A. Koyoq^ Opp. II, p. 824: totb x(JL0OT6poiq^ h" m vf xv^pooTrtv^ 
CpvfTiq <Tvv6(TTviKê^ ziel en lichaam, jJ beix JcxrxKipvxrai ^vvxfiig, sTixTspcp 
3cxTx^>.vi^cc<; éxvry^v KXTX[JLi^x(rx, Beide toch waren door de zonde 
gedood. STTsièyi vsKpoovig j}v, tjj^ (i^sy ^pv%}j<; ^ r^g ivroog t^ccyig xXXoTpicc(ng^ 
en die van het lichaam (p^opx re ^ixXxxng, Dus was voor Gregorius 
het begrip „leven" veelrgker dan eenvoudig „voortbestaan"; en 
voorts laat hij de ziel vooropgaan. Nu moest de dood uit deze 
beide r^ êirifii^icf, tviq t^amig è^oiTiKT^vivxi^ vpog SKxrepov roivw rav rou 
oLv^pUTTOv T(iyi(j(,XTm )cxrxXX}i>,cog rvjg S^sorjiTog èfifiix^^ifnjg. Daarom 
deed de goddelijke natuur zich ook door beide kennen : 5/' xfjtXporepm 
sTTiSvi^x TVjg mepsxovv^g (pvtrsag rx yvupKTfixrx ijv. Door den dood 
werd deze eenheid niet verbroken : oXov rov civ^pcoTroy tov ósov^ ^tx 
TVfg Trpog sxvtov xvxicpxfTsoog elg rvfv beixv 0v(nv fJt^srxcrKsvx^xvTog^ èv 
Tcp KXipcp Tvig y,XTX TO TTX^og ohovof^ixg ov ^xrepou fiepovg ro xttx^ 
èyKpx^ev oiv6%oopyi(Te^ maar de goddelijke natuur kjcou<ricog ii^ev^s 
de ziel van het lichaam, exvrviv Sf èv x/Jt^cporspoig fjt^svov(rxv iSf/ff. 
Want zij bewaarde het lichaam tegen verderf (Kxrx^Scpx) en 
S/flj r}jg ^ijvx^^ ^io7roivi(T6 Tcp Aj^ct^ tviv stti tov wxpxieKTov ehóhov. 
Aangezien wel ro oLvbpooTnvov (njyjcpxfix ^iirXouv is, maar xwXvi kx4 
fiovosiSvig VI rvig BsorvfTog ^v<ng^ hield deze vereeniging ook stand 
tijdens de losmaking (Stx^sv^ig) van ziel en lichaam {ov (rvvhx' 
(r%i^€rxi rep (rwBsrCf) ro xèixiperov). In plaats dat zg mede verbroken 
werd, bewerkte zij iets geheel anders (ro êfiTrxXtv ytvsrxt). Want 
nf\ svorvin rvig ^eixg (pvtreug rvig Kxrx ro Wov èv xfiCporspoig ovtrvig^ 
Ttxy^iv Trpog ^AAjjAöj rx ^isfrrarx (TVfKpvsrxi, En zoo kwam de dood 
èjc rvig rav 7VfiTs<pv)corav iixipstreag^ maar de opstanding ix rvig 
rm ^ixipeBevruv £vu(r€ug. 

Behalve om de voorstelling, door Gregorius hier van de 
vereeniging der beide naturen van Jezus gegeven, is deze 
plaats ook nog daarom zoo belangrijk, dat er uit blijkt, hoe 
ten onrechte men uit termen als fii^ig, xvxicpx^ig e. d. g. zon- 
der nader onderzoek tot een monophysitischen gedachten- 
gang concludeert. Mogen zulke woorden etymologice eene 
idee van menging aanduiden, in de Christologie hebben ze 
usu loquendi dien zin lang niet bij aUe kerkelijke auteurs 
der eerste eeuwen. Zij sluiten daarom de gedachte van een 
„Verharren in ihrer Integritat" der menschelijke natuur niet 



Digitized by 



Google 



241 

uit. Daarom mist men ook het recht, zonder meer er zoodanige 
ontkenning uit afteleiden. 

Nu is Gregorius wel wat hyperbolisch in zijne voorstelling, 
als hij over de verhooging handelt. Maar vooreerst moet daarbij 
niet over het hoofd gezien worden, dat hij de door hem geleer- 
aarde verandering niet reeds bij of door de unio personalis laat 
tot stand komen. Zij had dus een anderen grond en werd door 
iets anders veroorzaakt; iets dat met betrekking tot de „Ver- 
gottung" een zaak van gewicht is. Ten tweede vonden bij Jezus' 
opstanding belangrijke wijzigingen in de gesteldheid van Zijne 
menschheid plaats, gelijk dit ook eenmaal met de geloovigen 
het geval wezen zal, en toch doet zulks niets te kort aan het 
wezen onzer natuur. Ter beschrijving nu van dien toestand is 
onze tegenwoordige menschelijke taal niet voldoende. Ten derde 
leert Gregorius duidelijk de onderscheidenheid der beide naturen 
vóór Jezus' dood. c. Eun. 1. 6, Opp. IT, p. 161 D : ttoi» f^t^opCPvi 
sTTt TTxBovg pxTTi^eTXi] K»i TTOioc £? xiiiov ^o^a^sTOci; »\ [i6V TTXyjyxi 
Tov ^ov^ov, èv ^ o ^efTTTOT^q. xi Sf ri(j(,xi rov 'Sso-ttotov Trspi ov o'SovXog, 
dog ^ix ryjv (rvvx0€txv re KXt o-vfKpvixv koivx ysvsvBxi tx ijcxrspxg 
xficpoTspx. Hij werd om onzentwil icxb" ^fixg, opdat Hg, door 
aan ons of^oyswiq te worden, broeders ons maken zoude van Zich- 
zelven. Trpotrxysi rov èxvrov iv'^ponTrov rep xXvjBtvcf) Trxrpi, hx 5/' xvrov 
XTTXv To ofjLO'yevsg iCpeXKovff^rxi p. 831. 

De Zone Gods werd ons dus gelijk; om onzentwil; om onze 
krankheid. Waren allen als Mozes, Elia, Jesaja, oöT xv hyèvsTo 
TTxvTcag XP^^^ '^^ ^'^ a-xpaog rov êsov i^fiav i7n<pxvêtxg. Doch dat is 
het geval niet. En daarom o x^yfBivog Ixrpog .... Trpoffvjyxys rcfi 

XppOii(TTOV>Tl STTlfjLS^SlXVj TpOTTOV TIVX (TVVXvBsVyitTXg Tlfi X(T^6V€lCjL T^g 

vifisrapxg (pvasoag, kxi (Txp^ ysvofievog, ving èv Tifj xvTVjg Cpvffêi 
(Tvvovfftufisvviv èxBi lyjv xo-Bsvêixv, ad Theoph. Opp. II, p. 696. De 
eengeboren Zoon werd vleesch, kxtx tviv (ipxxvTviTx tov ^exofisvov 
exvTov (TvtTTsiXxg^ of beter, zegt hij, om met de Schrift te spreken, 
6XVT0V Ksi/U(rxg^ opdat o<rov %cüpsi jj (Pv7ig^ ro(rovrov Sf?>?r^/, ibid. p. 695. 
Niet, dat Hij naar Zijne Godheid veranderde. De Logos was 
èn vóór de aanneming des vleesches èn daarna Logos, en is 
dat. En God is kxi Trpo TVjg rov SöyAov fiop(p}jg kxi fierx rxvrviv 
God, en het waarachtige Licht is het waarachtige Licht zoowel 
voordat het in de duisternis schijnt als daarna, ibid. p. 696. 
Doch Hij omsluierde Zijne heerlijkheid. Opp. II, p. 903 : niet 
plaatselijk bewoog Hg zich naar ons toe, olX>^x tv\v &iro rov v\povg 

16 



Digitized by 



Google 



242 

n^g io^viq Trpoq tö txttsivov lyig (TXpKog èvieiKyxjrxi Kx^óiov, KxrelSyi 
roiwv Kxi è(pxv}j OU yvfivoq i Xoyog^ i\Xx rrxp^ yavofisvog, ov% jJ tov 
isov fiop(pyi Kx^* kxvryjv, xW èv r^ rov ^ovXou (iop(pi{i ^soapovfiavog. 
Deze nu is het die zegt, dat Hg van Ziohzelven niets doen kan, 
S)fAov on KxBo ysyove (Txp^. ro yxp f4,yi iuvxtrbxi^ x(rb6veixg ètrrt. 
Of. ibid. p. 902, waar Gregorius, na aanhaling van Matth. 26 : 38, 
39, Joh. 5 : 19 e. d. g. zegt: dit alles en zooveel als er meer van 
dien aard is, oöxt tov êv xp%^ ivroq Xoyov êsov rviv x^ixvy xXXx rov 

TXTSlVOOtTXVTO^ êxVTOV 6V TTfl TOV iovXOV fJt^OpCpIfl T^V WpOq TO XO'BsVSg 

Tviq cpvfraag vi(j(,oov TTxpx^yiXoi <rvyKXTx(3x(nv. Stellen we nu hiertegen- 
over de plaatsen, waar hij de verhooging bespreekt, de x'Tro^eootng 
en x^tx BaiKtj, dan schijnt het, dat ook voor hem de ontlediging 
of vernedering alleen in den straks te veranderen en te ver- 
heffen toestand der menschelgke natuur gelegen was. owep xvrog 
j5v, tovto Kxjcsivo è'7roni(Tê^ rvfy iovXiKviv fiop^yjv Kvpiov kxi tov ivBpcoTrov 
TOV BK Mxptxg %p/(rTöï/, c. Eun. 1. 5. Opp. II, 'p. 162 D. Cf. Or. 
catech. mai. c. 14 en 16; en ibid. p. 601 C: i^vjTst . , . , rov 
èXsv^apoüT^v o Tcp ^vycp TVfq iovXaixg xxT€%Ofi€Voq. 

V. Komen we nu tot Cyrillus van Alexandriê. Hg was de 
bestrijder van het Nestorianisme. Dat leerde, naar zijne meening, 
een tweetal van zonen bij Jezus, terwgl de Schrift slechts wist van 
één, en het christelijk geloof ook alleen behoefte had aan den 
eenigen Zoon van öod, die onze natuur aangenomen had. Hoe- 
danige eenheid wilde hij? adv. Nest 1. 2. Opp. fol. 7 p. 31 C 
formuleert hij : f^ix yxp jJSjf voeiTxi (pv(ng pi^sTX tj^v èva^iv j} xvtov tou 
Koyov (T6(TxpKooiJt,evyi. Daarmee verwerpt hg een ivoixriq kxtx (rvvx^stxv 
of ^upx^ev êTTtvoovfisvij of (r%€TiKvi. Dan toch had men geene xXvj^ijg 
hoiXTiq. Nu kan [iix 0v<nq minstens drieërlei beteekenis hebben. Het 
kan aanduiden, dat er door een soort chemisch proces een een- 
heid ontstaat, die noch louter goddelijke natuur, noch zuiver 
menschelijke is, maar een uit beide gemengd iets, op monophy- 
sitische wijs gedacht, en zooals men spreekt van geist-leib- 
lich e. d. g. 

Ten tweede spreekt men bij den mensch van ééne natuur, 
niet om uit te drukken, dat ziel en lichaam beiderzijds en ge- 
zamenlgk overgingen in eene derde, uit beide gevormde, sub- 
stantie, maar om te zeggen, dat de mensch eene eenheid is uit 
genoemde twee bestaande, terwijl geen der beide saamstellende 
deelen het andere missen kan. Dezen weg ging Apollinaris op. 



Digitized by 



Google 



243 

Maar nu kan men de zegswijs ook nog bezigen om eenvoudig aan 
te geven, dat de Christus een onverbrekelijke eenheid is evenals 
de mensch, en dat zijne beide naturen niet minder sterk en natuur- 
lijk aan elkaar verbonden zijn dan onze ziel aan ons lichaam, en 
omgekeerd; terwijl men volkomen de gedachte, alsof de Zone Gods 
naar Zijne goddelijke natuur was aangelegd om in de mensche- 
lijke haar noodig en verlangd complement te vinden, laat varen. 

Deze drie heeft men wel te onderscheiden. Duo cum dicunt 
idem, non est idem. Om Oyrillus recht te beoordeelen, zou 
wellicht een onderzoek vereischt zijn, vanwaar hij zijn termi- 
'nologieën heeft, en voorhoever hij te goeder trouw meende ze 
aan Athanasius te ontleenen, terwijl ze misschien genomen waren 
uit op diens naam ondergeschoven werken, b. v. van Apolli- 
naris. Wg kunnen dit echter hier laten rusten, om alleen te vragen 
naar den zin, dien hij aan de gebezigde uitdrukking hechtte Oyrillus 
vervolgt; KxbxTrsp xfisXsi kxi ècp^ vnioov xbrm vooit^ itv ehorug, 
xv^puTTog yxp slg xk>j^Oi)g (TvyKéi/zsvog è^ xvo(juoioov TrpxyiJLXTOov^ ^^%yig 
^vi X€yu T6 (ToofjLXToq. Door dit voorbeeld komt uit, dat Oyrillus de 
onderscheidenheid der naturen na de vereeniging niet loochende. 
Immers is de mensch wel f/^, maar door deze eenheid wordt het 
xvofioiov zijner beide Trpxyf/^xrx niet opgeheven. 7rpo(TSf}f(rofixi ye kccksivo 
%pmi(^oiig^ hepx fjt^sv yxp Trxpx tov sk êsov ^.oyov j} (Txp^^ kxtx ya tov rtjg ïSixg 
(pvtTsooq ^oyov^ srepx ttxXiv ovfftuSccg vi xörov tov Xoyov (pv^n;. Daarna laat 
hij nog deze beperking volgen : tAj^i/ f/ kxi vosirxi ^ixcpopx kxi sU 
STêpoT^rx Cpv(rtK}fV ^i€7%oivi(rfi€vx rx dovo/zxcrfiêvx, iAA' slg i^ xfiCpoiv 

V061TXI %pi(TTO(;. Kxb^ SVCCtTlV XXvi^VI XX\V\XOlc; (TVfl^e^VIKOTOdV ^60TV\T0g 

T£ KXI xvbpccTTOT'kiToq. Hicrmce hebben we dus nog geenerlei wezens- 
verandering gekregen, doch alleen eene zeer nauwe vereeniging, op 
de wijze als ziel en lichaam tot eene eenheid verbonden zijn. 
Het x(rvy%vTug re kxi xrpeTrTut; van Chalcedon gaat hiermee uit- 
nemend gepaard. Tevens zien we ook hier, dat het voorzetsel 
h in de christologische formules geene verandering behoeft aan 
te duiden. Oyrillus wil niet van scheiding weten. ibid. p. 50 A: 
TTxvtTxi ^ixiposv Txq (pvtTsiq fjt^êTx T^v èvaffiv. Want dat de goddelijke 
natuur en die des menschen érspov ri kxi sTspov zijn, TrpsTroi »v 
eïBsvxi re xvxyKxiov shxi Cpijf^t roig xpri(ppo(ri. Want ^letrr^KXtriv iXXviXuv 
KXI x<rvyKptroig iix<popxig, stti ye rov Trxvruv vkjuuv (roorvipoq %jO/ö-Toy 
(TvveKTBVsyKOiv siq èvacrtu rvjv x\v\^^ re kxi kxSt* v7ro(rrx(nVy 'Trxpxtrov 
rvjv 'Sixtpea-iv, Zou hij zich op deze plaats zelf vlak tegenspreken? 
Aan den eenen kant onvergelgkbare verschillen stellen, aan 



Digitized by 



Google 



244 

den anderen kant zeggen, dat niettemin deze twee op eene 
of andere wijze vermengd werden tot ééne substantie? Of is 
niet veeleer te denken, dat iiij het bedoelt in gelijken zin, als toen 
hij 'smenschen eenheid ten voorbeeld aanhaalde? Nemen we 
nu zijn Commentaar op Johannes' Evangelie ter hand. Opp. fol. 
IV, p. 99 D, op. Joh. 1 : 14, zegt hij omtrent het gebruik van 
(Txp^y dat het gelijk is dog si t€ yvfivorspov è(px(rK€v .... iv^puwog. 
Het duidt alzoo den voUedigen mensch aan. Er staat voorts 
niet i^^£iv^ omdat dit feit niet iets was als bij de profeten ; 
daarom werd o^€V€<r^xi gekozen, ita rovro kxi ieog èort kxtx cpv<riy 

6V (TXpKl KXl (Jl^TX (TXpKOgy &q ïhlXV £%UV XlfT^V, KXl COg STêpOV Tl TTXp^ 

xitTVjv voovfisvog kxi èy xvr^ jcxi (tvv xvTifi TrpoffKvi/ovfievogy p. 95 E. 
Na vervolgens op woorden uit Jes. 45 gewezen te hebben, gaat 
hij voort: zie, zg (t. w. de aangehaalde verzen) zeggen, datöod 
in Hem is, fi^ xTró^tsXovreg rov Xoyov ryjv (rxpKX, En ttxXiv oók elvxi 
sTspop deov Tf^yjv xvrov ia(rx^pto-xvTOy houvrsg rep Xoycfi ro (popovfjt^yov, 
dg ïStov xvTOVj d. w. z. tov èx Trxp^svov vxov. Want slg i? xfjc<poiv 
o xpi(TTog^ p. 96. 

Is de Zoon dan naar Zgne Godheid in het vleesch veranderd? 
Neen, zegt hij, dat leert ons Joh. 1 : 146 : opdat men niet uit 
overmaat van onkunde (ix töAA>?^ xfixSnxg) zou gaan meenen 
T)^^ fiev ïiixg xiiTOv (pv(r6Cog sK^pxiJLsiv^ fisrxTroiet^^xi ys ivroog sig (Txpxx 
TLxi iro&siv (wat eene onmogelijkheid is; want het goddelgke is 
verre van eenige verandering of omzetting in iets anders), staat 
er è(rK}jvco(r€. Denk dus niet, dat de Logos in het vleesch ver- 
anderd is, (TK^voa(TXi ys (ixXKov av (rxpKi, oog ïSicp .... (roofixTi^ ry ix 
Tkig xyixg Txp^svov vxcp, ibid. Deze gedachte der verandering 
wijst hij in zijne werken herhaaldelijk af. Bij het laatste deel 
van het vers toekent hij aan, dat de evangelist, zeggende, dat 
de Logos vleesch werd, niettemin handhaaft, dat Hij niet door 
de zwakheden des vleesches overwonnen werd, noch van Zgne 
oorspronkelijke {xp%xiOTXTvig) kracht Q(T%vog) en heerlgkheid ver- 
viel, sTTsiBviTrep to xa^svsg ^fi^ccv re xio^orxrov 'TCspiefixXXsro (TOOfjLX, 
In het zesde boek van dezen Commentaar schrijft hij bij Joh. 
9 : 37 : ^ (isv yxp èvn isog Xoyog^ hrepog voeirxi irxpx rt^v (TxpKX. ^ ^s 
(Txp^ ioTiv erapov ri vosiTXi irxpx tov hoyov. ^ ^e yayovav xv^pooTTog o èk 
isov TTxrpog Xoyog deed Hij het krepog ganschelijk te niet hx tviv 
xppviTov evcatriv re (tvvóSov, Want Hij is één kxi (lovog vhg re irpo T^g 
(TxpKog avvdSov kxi ots (rvv^K^a (rxpKi. Met den naam vleesch doelen 
we toch op den mensch in zijn geheel {oXoKX^podg\ rov sk ^xj%yig 



Digitized by 



Google 



245 

Tf (TUfJt^ccTO^ Xeyoo^ p. 631/632. In zijn Trspi tvi<; svxvS^pccTnjcrscög schrijft 
hij, Opp. V, p. 688 : naar de Schrift/en (rvyxêKr^xi <p»[iev den 
Middelaar Gods en der menschen sk, T^g KxSr' vffixg ivbpoiy7ro7v\Tog^ 
TêXsiCüg è%ov(Tviq kxt» tov l^iov Koyov ycxi sk tov 7r€(pyfvoTog sk êsov kxi 
(pv(nv vkv, d. i. den Eengeborene. Wij blijven (rwoiov (lev Ttv»K»i 
Ti^v CfTTêp Koyov (T\jvèpo[iviv f/V evoö(Tiv avKTCov T6 ivo/zoicov 7r£7rpoc%3rxi 
(pxjtTsm verdedigen. En wg erkennen alzoo één Christus en Heer 
en Zoon, èv racvrcp jcxi vTrxpxovr» xai voovfievov dsov ts kxi xv^pcoTrov, 
Ook zijn wij gewoon JcSixa-TTxa-rov Sf TrxvTsXoog rviv Ivaxriv ^ixTVjpsiv^ 
geloovende dat Hij (één en) dezelfde is; cf. ibid. p. 691. Bij 
dit alles behoeven we niet verder te gaan dan eene soortge- 
lijke vereeniging als die tusschen onze ziel en ons lichaam 
bestaat, waarbij de twee saamstellende deelen in hun wezen 
blijven zooals ze zijn. Cf. Homil. 8, Opp. fol. VI, p. 102/103: 
Süö TrpxyfiXTccv xvofJLOioov kxtx rviv (pv<nv èv TXVTCfi yeyovs (Tvvohog^ 
^eoTvirog Sj^Aöv oti jcxt xv^pcu'TCOTyjToq, sU Sf i? xf^Cpoiv o %pi(rTog. Vgl. 
ibid. p. 226 E: <7y/£*TAöxj^. Monophysitisme, als essentieverandering 
genomen; zg het ook als een er bij ontvangen van zekere 
goddelijke hoedanigheden door de menschelijke natuur; wordt 
op deze wijze niet geleerd. Al moge het voorts zijn, dat Cyrillus 
zich o. a. ten aanzien van een ^coottoiov des vleesches niet hield 
binnen de gestelde perken; cf. Opp. fol. VH, p. 154 B. 

Nu had Cyrillus 12 Anathematismen tegen 't Nestorianisme 
uitgesproken. En deze vonden bestrijding o. a. ook bij Theodo- 
retus, tegen wien Cyrillus ze poogde te verdedigen. *t Loont de 
moeite, verdediging en bestrijding hier en daar een weinig nader 
te bezien. Cf. wpog tviv Trxpx ^eóSopyfrov kxtx tuv //3' KsCpx^xiav xvTippv\(Tiv^ 
Opp. fol. Vn, p. 201 w. Sterk had Cyrillus zich in zijn 
anathematismen uitgedrukt. Want om daar toch maar goed de 
voorstelling uittesluiten van twee zonen, tusschen welke dan eene 
avvxcpsix, d. w. z. eene volkomene overeenstemming van wil en 
genegenheden, zoude hebben bestaan, en andererzijds scherp te 
formuleeren, dat Hij, die uit Maria geboren werd, één en dezelfde 
is als de Zone Gods, had hg daarin gezegd, dat Maria ysyswijKe 
(TxpKtKcog (TxpKX y^ovoTx TOV SK ósov TTXTpog Xoyov^ cf. ibid. p. 147 A. 
Dit kon licht het vermoeden wekken, dat Cyrillus wezenlgk 
verandering van den Logos leerde, en daarom werd die uit- 
drukking afgekeurd. Ook Theodoretus zegt: wij, die rxig siixy- 
yeXiKxtg (pcavxig volgen, ov (TxpKX Cpv(r€i ysyovevxi oüe sig fTxpy,x 
fi€Tx(2X}iSr}jvxi TOV êsov Xoyov Cpxfisv. Want God is onrpeTTTOg kxi 



Digitized by 



Google 



246 

ivxXXoioorog, En omdat een rpxTrv^vxi dus onmogelijk is, beteekent 
Joh. 1 : 14a zooveel als xu€Ax(3ê (rxpycx^ p. 204. Eene zoodanige 
omzetting nu had Cyrillus niet bedoeld, evenmin als Theodoretus 
een tweetal van Zonen leerde, waartegen Cyrillus dan vervolgens 
opkomt. Tegen anathematisme 2 schrijft Theodoretus o. m. p. 208 : 
hvx f^sv %pi(Trov ofj(,oXoyovf^6v, ... ycxi rov xvrov iix t^v kvoodiv $€0v re 
Kxi xvbpooTTov èvofix^ofisv. Dit kon misverstaan worden, omdat 
hier het karakter der eenheid niet nader wordt aangegeven. Te 
lichter was dit mogelijk, waar er destijds waren, die met al hun 
woorden toch niet anders krijgen konden dan een ^vxg vloov. Om 
echter Theodoretus te verstaaji, moeten we weten, wat hij ver- 
werpt. Tjfv Sf KxSr" \)W0(rTX<Tiv ava(Tiv 7rxvTX7rx(nv xyvoovfisv. Wat 
mocht deze term dan willen zeggen? sï is tovto (3ov?^txi Xsysiv 
iix T^g x^' vTCOtTTXfTiv svu(r€Oog .... ug Kpx(ng (rxpKog kxi SrêOTijTog 
yeyovBv^ ivTspovi^sv <tw irxayi Trpo^fit^. Waarom dat? Wat beteekent 
Kpx(rig dan? xuxyjcyi yxp rifi Kpxtrei xt^o^ovbvitTxi rviv (tv/xvjiv. sï(nov<rx 
Sf )} (Tvy%v(Tig x<pxip6i Tvig hx^rrvig Cpv(rea)g r>jv ïSiotijtx. rx yxp 
Kexxppvfiemj ov (isvai x Trporepov ijv. Derhalve %p>i Treibetrbxi rcf) KvpiCf) 
ieiKvvvri Txg iuo <pv(r€tg, b. v. Joh. 2 : 19. Theodoretus bestreed 
alzoo het denkbeeld van wezensomzetting. En wijl kvooa-ig kxSt' 
v7ro(rTX(riv dit, naar hij meende, zeggen wilde, vond deze for- 
muleering geene genade bij hem. Als Cyrillus daarna zich 
verdedigen gaat, verwerpt hij eerst een fiovyi x^tufj^xroüv svoryjg, 
en handhaaft voorts den term. Doch ter verklaring voegt hg 
er bij : rov kx^'' v7ro(rrAffiv oifSev srspov xTrocpxivovrog, ttXviv ori [jlovov 
VI rov Xoyov (pvcrig vi yovv >} vTCOvrxtng^ b hrtv xvrog o Koyog^ xv^pooTreicf, 

(pv(Tst Kxr' xkyf^eixv êvu^sig, rpoirvig rtuog 5/%^ kxi (TvyxvtTsag 

sU voaiTxi Kxt è(rrt ^p/^rrö^, i xvrog 6sog kxi ivSrpccTrogj p. 209. Beiden 
wilden dus niet weten van verandering. Doch de één legde 
nadruk op de tweeheid of de onderscheidenheid der naturen, terwijl 
de ander de eenheid van persoon emphatiseerde. Maar zakelijk 
was er tusschen hen geen verschil. 

Ten derde komt de bgvoeging 0v(nK}j aan de orde. Zij voert, 
naar Theodoretus oordeelt, dwang in; dwang n.m.1. bij God. p. 
210/211 : indien toch (pv(njcyi ysyovs r^g rov êsov fiopCpvfg kxi Tvig rov 
iovKov (JLopCpvig VI Kxb^ evatriv (TvvoBog^ vir" xvxyKvig rivog ^tx^ofisvog, 
xxy ovx' (pi>^xv^ puTicf KSXPW^^^^ ^ ^^ö^ Xoyog (rvvvi(p^yi r^ rov iovXov 
l^op^yi. Doch het Ixvrov sKevoofre van Fil. 2 : 7 tö è^eXovtnov isticvv<ri. 
Ware er geen lixipa<ng^ dan kon er ook niet aan ivootrig gedacht 
worden : iixtps^sug yxp ovk ovtryfg, ovk dv ttots avootng vovibaivj. Indien 



Digitized by 



Google 



247 

nu êjcxTspx (pv(rig to reXeiov i%f/, sU txvtov §£ (TvvuiX^ov cifi<poT€pxt, 
terwijl de goddelijke fAop(pyj daarbij natuurlijk (Sj^Aöv oti c. gen. 
absol.) die natuur is, welke de ,, dienstknechtsgestalte" aanneemt, 
dan is het godvruchtig h (j(,6v 7rpo(roo7rov koci èvx vlov Kxt %pi(TTOv te 
belijden, maar ivo rxg hu^sKrxg vTrofTTx^rsn; sitovv (pvasig Xsysiv ovk 
xTOTTov iXXx Kxr' xirixv xkoXoxj^ov. Dan neemt hij den mensch 
tot voorbeeld. Want indien wij stti tov svog xv^pooTrov iixipov[^sv rxq 
0v(r€t(; (hier wordt dus zijn bedoeling met „scheiden" duidelgker) 
en de sterfelijke „lichaam" noemen, doch de onsterfelijke „ziel", 
sKXTspxv Sf xv^puTTovy dau heeft het nog veel meer zijn goede reden, 
TOV xv€tXyj(poTog isov %xi xvxX^CpbsvTOg ocvbpccirov rxg tcov (pv7€uv ï^iorvirxg 
yvupi^£iv. Het was Theodoretus dus niet om scheiding, alleen om 
onderscheiding te doen. En daarbij diende hem de menschelijke 
natuur tot toelichtend voorbeeld. Nu kwam ook CyriUus, zooals 
wij zagen, met het beeld van ziel en lichaam. En had hij in zijn 
anathematisme 3 geschreven : als iemand bij den eenen Christus 
na de svoocng iixipsi rxg vTrotrrxfreiq^ ze alleen (Tvvx(pei^ (tvvxtttoov^ of 
naar waardeering of xv^svrix of 'SvuxcrTêtx, en niet veeleer xxrx 
(Tvvóiov ryp Kxb^ avoatnv (pva-iKyfv, xvx^sfix i(TTU, cf. p. 149 B., daar 
schreef hij later als sTriXvtng: op eene zoodanige wgze denken 
wij den Zoon één, icx^xwep xfJt^eXei ook bij ons zelven waartenemen 
valt, hspoCpvx (J(,6V TCp (Too[JLXTi T^v ^v%yiv^ ttXviv elg sv xf^Cpu i^uov 
(TvvTêSrêifis^x, ibid. O. In het wezen der zaak stonden beiden dus 
niet zoo ver van elkaar. Op Theodoretus' redeneering antwoordt 
Oyrillus p. 212, dat xxrx (pv<nv niet is (r%fr/xö?^ maar kxt^ xXvibsixv^ en 
dat er hier op geenerlei wijze mag gedeeld worden {xxtx fiyjisvx 

rpOTTOV ilXT6[lV67^Xi isiv) IV X [JLVI ivO VOöO(J[,eV VtOVg, [/.Spi^OVTeg TOV X[/.epi7T0V» 

Maar van zulk eene deeling had Theodoretus niec gesproken, 
gelijk Oyrillus met Cpv^iK}} niet zeggen wilde, dat de Zone Oods 
krachtens zekere natuumoodwendigheid Zijne menschheid had 
aangenomen. Oyrillus vervolgt : doch hij die verstaat ó, tI ttots 
6<TTi (pv<nx}f, d. i. ^Aj^9"j^^, ov (Tvy%60V(TX Txg (pva-eig, ovts (jl^jv xvxKtpvu(TX 
TTpog ys TO Sf/v ixxTspxv eTspoioog i %f/v, bwsp è<TTiv .... En alzoo ontkent 
ook hij, dat er wezensomzetting plaats vond. Derhalve verschil- 
den beide tegenstanders ook over dit punt niet zakelijk. 

Tegen anathematisme 4 voert Theodoretus o. a. aan p. 214 : hoe 
zal hg het lasteren der ketters weerleggen, tx TXTstvccg ts xpf^t^oiiug 
'TTxpx Tyfg TOV iovXov f^opCpyjg elpyjfisvx Tcp öecp Xoycj) irpoaxirTbéV ; Waarop 
Oyrillus p. 216 als antwoord geeft : ik ben zoover af tov 
fjvyxexpxd^xi Xsysiv xXXi^KxLq Txg (pv(r€ig, (pvp(Juov re (Tvy%v(Tiv vTrofiaivxi 



Digitized by 



Google 



248 

T€ TpoTTijv^ als het er van af is, dat hg rechtzinnig denkt (to^aZ^iy 
ip^ug). Deze vergelgking brengt geen duidelijkheid. Maar de 
woorden doen ons wel weten, dat Oyrillus bij deze vereeniging 
niet aan fusie dacht. Hij gaat voort : ook hebben wij de Aöyow 
iixCpopxv niet opgeheven. Want wij weten, dat sommige daarvan 
yêyovxtri bsoTTpeToog^ andere oLvbpooTTiKoag^ en dat gene nfi vTTêprxTyj 
TTpsTTOwi §ö?^, ol Sf shi roiq Tviq K€vu(r€ug fierpoig xpfiooSicüTspoi. Of. nog 
ook p. 218: ovKOw oüê fiev kxi avrog beiKug^ als des Vaders Wijs- 
heid ; fVf/Sj; Sf ro Tvig xyvoovtr^ig aivbpcoTroryfrog vtts^u fierpov ohovofiDcasc 

oIkSIOVTXI KXt TOVTO flêT» TOOV i)^\OiV, 

Laten we voorts deze polemiek rusten. We hebben er uit ge- 
zien, dat Theodoretus te velde trok vooral tegen de gedachte 
van verandering, Oyrillus daarentegen meende te moeten waken 
tegen deeling en een vhv ^vxg] maar dat zij zakelijk of wezen- 
lijk overeenstemden hierin, dat Jezus' menschelgke natuur volle- 
dig was, dat er geene rpoTr^^ plaats vond, dat er slechts één Zoon 
en Christus was, dat beide naturen hare üèior^rsg of essentieele 
hoedanigheden behielden, dat de goddelgke natuur de principale 
bg de aanneming en de vereeniging was, dat de vereeniging van 
'smenschen ziel met het lichaam de eenheid van Jezus' beide 
naturen vergelijkenderwijs voorstellen kon. 

De beteekenis hiervan is, dat we allereerst inzien, hoe ook 
Oyrillus, evenals Theodoretus, zich, wat den zin betreft, zoude 
hebben kunnen vinden in, of neerleggen bij het hvx kxi tov xvtov 
XPK^Tov vlov Kvpiov^ fiovoy€V}j èx ivo (pvtTsoöv {pi 6V Svo <pv(r€(rtv, êz 
heeft ook bij Oyrillus niet den zin van „oplossing", als er 't zij 
van den Ohristus, 't zij van den mensch sprake is) i(rvy%vTug^ 
xTpsTTToog, xStxipsTccg, xxcüpiarug ^vupi^ofisvov van Ohalcedon. 

Ten tweede springt er overeenstemming in het oog met het- 
geen Leo I in zijn brief aan Flavianus uitsprak : salva proprietate 
utriusque naturae et substantiae et in unam coeunte personam, 
suscepta est a maiestate humilitas, etc. 

Ten derde wordt er aldus eene doorloopende ontwikkeling 
zichtbaar, van Irenaeus over Athanasius, de Kappadociers, Oy- 
rillus en Theodoretus, naar de belijdenis te Ohalcedon uitge- 
sproken. 

En op deze wgze merken we, dat het te Chalcedon geformu- 
leerde maar niet zoo in de lucht hangt, alsof het samenhang 
met hetgeen voorafging missen zou. Veeleer is het de logische 
conclusie uit hetgeen tot hiertoe door mannen als Irenaeus en 



Digitized by 



Google 



249 

Athanasius was geleerd. Dit laatste zegt niet, dat genoemden 
schrijvers het salva proprietate utriusque naturae et substan- 
tiae steeds helder voor het bewustzijn stond, noch dat ze deze 
gedachte consequent in hunne uiteenzettingen en gebruikte 
beelden en woorden handhaafden; doch vooreerst geeft ont- 
wikkeling aan, dat iets zich ontplooit, en dit wil dus hier 
zeggen, dat de christelijke geest allengs helderder begon in te 
zien, dat het duurzaam karakter van de onderscheidenheid der 
beide naturen opzettelijker moest worden uitgesproken, en volle- 
diger gehandhaafd ; en ten tweede doet het spreken van logische 
consequentie denken, dat er iets te concludeeren valt, en dat de 
conclusie niet immer logisch getrokken werd. Zoo iets echter 
is eigen aan elke ontwikkeling in de historie van het mensche- 
lijk bewustzgnsleven. Eerst later wordt met volle klaarheid 
gegrepen en op consequente wijze doorgevoerd, wat tevoren dik- 
werf onbewust leidde en lang niet altoos zich goed en juist uitte. 
Derhalve kan het de vraag alleen zijn, of inderdaad de verhan- 
delingen door Irenaeus, Athanasius e. a. ons nagelaten, op zijn 
minst de praemissen bieden voor wat te Chalcedon in formule 
werd gebracht, dan wel, of het daar geformuleerde eigenlijk vlak 
met het beginsel en den gedachtengang dier mannen streed, 
daarvan afweek, en iets gansch anders, zoo niet precies het om- 
gekeerde, vaststelde. 

Feitelijk wordt dit laatste door Dorner beweerd, als hij II, 
p. 135 schrijft : „Es ist leicht zu zeigen, dasz die gröszesten 
„Kirchenlehrer des vierten Jahrhunderts, von früheren nicht zu 
„reden, dieses Resultat der Menschwerdung so dachten, dasz die 
„Zweiheit der Naturen durch den Akt der Incarnation aufge- 
„hoben worden sei. Sie unterschieden nach der Menschwerdung 
„nicht mehr naher das Göttliche und Menschliche, sondern hat- 
„ten geglaubt, dadurch auf das Resultat selbst in seiner wun- 
„derbaren Grösze wieder theilweise zu verzichten." En op p. 
„137 gespatieerd : „Die unbefangene Betrachtung des Verlaufs 
„unseres Dogmas musz uns überzeugen, dasz wirklich vor dem 
„Chalcedonense eine Zweiheit von Naturen auch innerhalb der 
„Unio nicht Kirchenlehre war." Dit wil natuurlijk niet zeggen, 
dat deze tweeheid toen nog niet expressis verbis door de kerken 
was bepaald, maar dat er ook zakelijk geene tweeheid werd 
geleerd. Doener vervolgt: „so gewisz allerdings das allen Kir- 
„chenlehrern feststand, dasz die Einheit, was immer sie sei, aus 



Digitized by 



Google 



260 

^der Einigung zweier Naturen geworden sei. Hinter den zwei 
„auoh in der vollkommenen Unio noch fortdauemden Naturen 
„sahen sie nicht blos auch eine Zweiheit der Personen, sondem 
„in dieser ewigen Fortdauer der zwei Substanzen oder Naturen 
„in der einen Person sahen sie die Unio selbst und den Gehalt 
„des Aktes der Menschwerdung herabgesetzt und alterirt." Hier- 
mee stemt het oordeel van Haenaok overeen II, p. 37B/376 : 
„Der Monophysitismus, welcher bei dem Satze bleibt, dasz, un- 
„beschadet der Homousie des Leibes Christi mit unserem Leibe, 
„der Gott-Logos diesen Leib zu seinem Leibe gemacht und dess- 
„halb in die Einheit seines Wesens aufgenommen habe, ist zwei- 
„fellos der legitime Erbe der Theologie des Athanasius und der 
„zutreffende Ausdruck des griechischen Christenthums". Van 
welke woorden de beteekenis beter voelbaar wordt, als hij bg 
wgze van tegenstelling daaraan toevoegt: „Der Satz aber, der 
„jetzt fur orthodox gelten musste : „agit utraque forma cum 
„alterius communione quod proprium est", machte aus dnem 
„Subject factisch zwei und bedeutete einen Abfall von dem 
„alten Glauben." Cf. ook ibid. p. 337 — 339. Er was dus geene 
verdere ontwikkeling, maar breuke. Het tegendeel van wat men 
vroeger geloofde, werd nu als kerkelgke leer gegkt. 

Na het tevoren geschrevene behoeft hier nog slechts een enkel 
woord gezegd van de bewgzen, die Dornbb en Habnaok voor 
hxm meening bgbrengen, of hetgeen zij ter verklaring dezer h. i. 
radicale omkeering aanvoeren. 

DoBNBR zegt ibid, p. 13B : „Nach Irenaus Vorgang war für 
„die Vereinigung lange Zeit der Ausdruck „Vermischung" des 
„G-öttlichen und Menschlichen üblich (a^/?/^, Jcpxa-ig^ dvxKpxtng^ 
jfKXTXKpxffK;) was als Resultat nicht blos eine Gleiohartigkeit des 
„Gtöttlichen und Menschlichen, sondem auch ein Drittes, Neues 
„Voraussetzt." Hiertegen zg opgemerkt, dat deze woorden zeer 
zeker gebruikt werden, veelvuldig inzonderheid door de beide 
G-regoriussen, maar dat men toch niet moet denken, dat zij 
ongeveer de eenige uitdrukkingen waren, die men bezigde. Van 
Irenaeus kunnen we niet zeggen, dat dergelijke term zgn hoofd- 
formule was. Hg heeft ja commixtio en communie, maar niet 
zoo dikwijls ; ook heeft hij coniungere ; meer het woord unire of 
afleidingen daarvan en samenstellingen. Athanasius heeft ze niet, 
of weinig. Er worden m. a.w. ook veel andere woorden of beelden 
en wijzen van voorstelling gebruikt, b.v. inwonen, kleed, genitief, 



Digitized by 



Google 



251 

etc. En oot met deze dient gerekend te worden. Ten tweede worden 
de door Dornbb bijgebrachte woorden soms nader toegelicht, 
waaruit dan blijkt, dat geene „ Vermischung" bedoeld werd ; b.v. 
wanneer men den mensch tot vergelijkend voorbeeld neemt. 
Voorts komt ook dikwerf uit, dat wel terdege helder eene twee- 
heid voor des schrijvers geest stond, b.v. bij Irenaeus adv. Haer. 
III, 19, 3, bij Athanasius, c. Ar. I, 41; III, 32. Harnaok 
beroept zich p. 376 voor zijn oordeel op „die Vorgeschichte der 
„Formel von den zwei Naturen und der einen Person". Doch om 
de voorgeschiedenis van eene formule te ontwikkelen, moet aller- 
eerst en voornamelijk nagegaan worden, welke zegswijzen, voor- 
stellingen etc. omtrent een bepaald punt gebruikt werden, welke 
bedoeling daar blijkbaar achter zat, waarin niet of waarin wel 
overeenstemming, 't zij bij verschil in uitdrukking, 't zij bij ge- 
lijkheid van woord en term, aanwezig was. Dan eerst komt men 
tot het inzicht, of er inderdaad zakelijk verschil was, zoo ja, 
waarin dat bestond, en of hetgeen daarna als vaste formule 
werd aangenomen, essentieel iets anders bood, dan hetgeen de 
kerk bij monde haxer tolken tevoren in min of meer gelukkig 
gekozen bewoordingen, beelden enz. uitsprak. Het wijzen op 
woorden als commixtio, factus, ^oyog trapjcu^sK; is niet alleen 
daarom onvoldoende, wgl ook heel andere uitdrukkingsmanieren 
voorkomen, maar ook en nog meer, omdat zulke termen voor 
meer dan ééne uitlegging vatbaar zijn. Hierop scherp te letten 
is te meer eisch, wanneer men meent een vergadering van mannen 
als te Chalcedon in concUie samen waren, zoowat als karakter- 
looze nullen te moeten teekenen, die bereid werden bevonden 
om op den wenk van een politieken machthebber of van een 
invloedrijk persoon morgen als gruwel te verfoeien, wat ze van- 
daag als overtuiging huns harten zeiden uittespreken voor Gods 
aangezicht. En daarop komt zoowel Dobnebs als Habnagks 
beschrijving van het concilie te Chalcedon neer. De afgevaardigden 
worden daar, cf. Harnaok II p. 348—378, geteekend als lede- 
poppen, zich bewegend naar het trekken van den draad der sluwe 
staatkundige of eerzuchtige berekeningen van paus, keizer of patri- 
arch van Constantinopel ; als mannen die óf geene overtuiging 
hadden, hoewel ze zeiden er eene te bezitten, óf de onnoozelsten 
dersuflferts waren, die niets van hun eigen betuigingen verstonden. 
Is zulk eene voorstelling ook niet reeds daarom ongeloof elijk, 
dat het geestelijke en religieuse zich maar niet zoo door poli- 



Digitized by 



Google 



262 

tieke overwegingen laat verdringen? Bovendien, toen de keizer 
later de kerk in monophysitische banen wilde terugleiden, ge- 
lukte hem dit niet. Waren de bisschoppen, te Chalcedon zoo 
kneedbaar als was, daarna plotseling veranderd in, of vervangen 
door mannen van kloeke vastheid? Ook zette zich de gedachte 
van Chalcedon verder door in de latere formuleeringen van 
twee willen en èvspysixi. En ook dat behoort tot „die folgende 
Geschichte", waarop Harnaok zich eveneens beroepen wil; 
terwgl de drie door Haenack p. 379 opgegeven redenen ter 
verklaring van het gehandhaafd blijven der te Chalcedon ge- 
formuleerde belgdenis, met het oog op de door hem in zake 
dat concilie gegeven voorstelling der geschiedenis, onvoldoende 
en zonderling, zoo niet tegenstrijdig moet heeten. Eindelgk 
nog heeft men bg eene zoodanige beschouwing geene ontwik- 
keling. De personen mogen zich ontwikkelen, maar hun inzicht 
in eene bepaalde zaak verheldert zich dan niet, doch verandert. 
Zij verkrijgen dan niet eene diepere en klaardere, meer volkomen 
opvatting van hetgeen zij eerst minder helder doorzagen, doch 
hunner wordt eene andere overtuiging. En wat blijft er op die 
manier over van het denkbeeld eener historische ontwikkeling 
van ideeën of gedachten? 

Keeren we nu tot de bespreking van Cyrillus' beschouwingen 
terug. Bij het aannemen der menschelijke natuur was de Logos 
niet veranderd: (jt^sfievviKsv oTsp ijv, cf. sttiXv^k; der 12 Anath. 
Opp. fol. Vn, p. 149 A. Evenwel ov TrxpxtTetTxi rx ^fjtfUv, TrpotnsTXi 

Sf fJtfX^XOV OfJLOV TOig Ty\Q XvSrpcCTTOT^TOg fl€TpOtg TX XV^pUTTiVX ^IX TVjV 

ohovofj(,ixv. Maar noch in heerlijkheid noch in wezen werd Hij 
daardoor gekrenkt : ovisv ivrsvSrsv slg ohsixv x^iKoufJLevoq ^o^xv yj Cpvffiv^ 
ibid. Hij was leven en levendmakend, voor Trx^yj niet vatbaar, 
onsterfelijk, boven lijden verheven, niet wetend noch van ver- 
derf noch van droefheid. iAAöt kxitoi txvtx ovfrioohoaq V7rxp%uv o èsc 

Ö€OV TTXTpOq XOyOg, ïilXV STrOlyifTXTO fTXpy,X TV}V TOV bxVXTOV SfXT/XJ^y, 

ibid. p. 157. Niet ten behoeve van Zichzelven, doch aldus werd 
Hij Middelaar Gods en der menschen, of Christus, S/' ov kxi sv 
^ Trpog TOV Ö€ov svovfji^s^x, in Oseam Comment. Opp. fol. IH, p. 53 A/B, 
xTTxpx^ göl^t Hij is Tvig ivbpoüTTivvig Cpv(r€oog xvxv60ViJ(,6vyig sU xCpöxpfrixv^ 
in lesaiam 1. I, Or. 4, Opp. fol. Il, p. 132 C. Toch was er hierbij 
vernedering : toen Hij derhalve (tevoren Fil. 2 : 7 aangehaald) 
mensch werd, kxBsi^ sxvtov eiq rxTrstvüxriv^ tots jcxi^ov^og xvêyK^yjroog 
oovofj(.x(rTxt^ TO TYiq ^ov^êixg (T%y\(^x Aöt/3an/, Opp. fol. H, p. 738 C. 



Digitized by 



Google 



253 

Hierbij gebruikt Cyrillus ook de uitdrukking tö/^ tj^^ ii/Spw^röTJ^rö^ 
ifi(3€(3y})C6 fierpoig^ ibid. B, cf. ook tevoren, en Opp. fol. I, p. 240 A : 

TOig Tviq <pv(r60oq hwofisvoq vof^oiq^ KXi rpoCpvn yiV6%6T0. Vgl. Opp. fol. V 
p. 7210; fol. VI, p. 228 B. fol VIT, p. 150 0: y,x^vi}C6 Sf (j(,xkKov 

sxvTOV eU sKOVtrixv K€VU(nv, jcxi KXTXTTsCpoiTviicsv è^sKovTviQ èv tok; Kxy 
vif^xq^ oif fisBsig TO shxi OTTsp f O-T/, (j(,€(j(,evvi}ccioq (j(,xKK0Y jcxi ovTU öeoq^ 

KXl TO TViq otvBpOiTTOTVlTOq OVX XTlflXffXg fJiSTpOV. 

Waarin bestond deze Ksvua-ig^ en droeg zg een duurzaam, of 
een tijdelijk karakter? „Want ofschoon èvov xvTcp Toig Tijg ïSixg 
(pv(r6Cog ot^icc(Jt,x(riv êvTpv0xv ts TXig jcxtx ttxvtccv ^a-vyxpiTOig v7r€po%xig 
beoTrpsTToog èvx^pvvsfrbxi^ (want wij zeggen, dat dit de Hem voor- 
gestelde vreugde was), heeft Hij zich ontledigd, KoSfsig èv Toig 
KxB' vi(j(,xg^ opdat Hij voor allen den tcxtx (rxpKx dood zou 
lijden, en vervolgens door Zgne opstanding dezen in zijne macht 
breken (7rxTvi<rxg)y en alzoo ^xtrifiov ts svviXxToy ts yifiiv xvToig 
x7ro(p}jvifi TO 7rxKivhpx(j(,6iv ^vvx(rbxt Trpog ^a?;^v, ibid. p. 301 B. Of. ook 
fol. V, p, 718; fol. VI, p. 226 O: het eengeboren Woord Gods 
werd mensch, niet om het God-zijn te verliezen, maar opdat Hij 
veeleer KXi èv TrpotTKvi^eL (Txpzog Ti^g ïStxg v7rspo%yig xvx(ra^oi ti^v ^o^xv. 
Want ovTCi) vi(J(,6ig Tifi xvtov tttoox^^^ TrsTrXovTviKXfJLsv^ xvx)cofJi>i(rBst(r>ig èv 
xvTCf) TVjg xv^pooTTêixg <pv(T6oog sig x^iccfix to bsoTrpsTrsg, Hij werd ons 
in alles gelijk, uitgenomen de zonde, fol. V, p, 721. Maar dat zou 
toch weer veranderen, fol. II, p. 778. Na daar eerst Fil. 2 : 6 — 11 
te hebben aangehaald, schrijft hij voorts: fVf/Sj^ yxp S/a to Tijg 
xvbpuTroTVjTog fJi>€Tpov, xJcKsvjg tic ehxi èvofj^Kröii %/5/ö"ro^, ^vxCpoiT^ ttxKiv 

€Ïg TVjV èvOVffXV XVTCp ÖSOTTpSTTIi T€ KXl VTrêpTXTVjV VTTSpOX^V TE JCXi ^O^XV, 
KXt fJL€TX (TXpKOg. 

Hieruit blijkt dus, dat hij de vernedering niet eeuwigdurend 
dacht, maar dat hij haar wegneembaar achtte en vervangbaar 
door eene zoodanige heerlijkheid, dat aan haar niet meer te 
denken viel. Op welke wgze wij ons dit voor te stellen hebben, 
en hoe daarbij toch de tusschen Q-od en schepsel gestelde grenzen 
volkomen en in alles te eerbiedigen zijn, wordt niet aangegeven. 
Dit neemt echter niet weg, dat hij krachtens deze formuleering 
de ontlediging stellen moest niet in het aannemen of bezitten 
reeds op zichzelf van de menschelijke natuur, maax haar in 
verband brengen met de gesteldheid en depositie van Jezus' 
menschheid. 

Vragen we nu nog, of ook in de formuleering te Ohalcedon 
gekozen, eene conclusie met betrekking tot het onderwerp dezer 



Digitized by 



Google 



264 

studie ligt, en zoo ja, welke? dan moet ten eerste geantwoord 
worden: ja, en ten tweede, dat de unio personalis geene ont- 
lediging of vernedering in den engeren zin kan heeten. Het con- 
cilie beleed : èvx xxi tov ocvtov %pi(TTov vlov, xvpiovj (j(,ovoysvvi lx Svo 
(pv(r€uv {èv Syo 0v(r€(nv) io"uy%yTcy^. irpsTTTug, ÜSixipsrui;, ^%«/3/o"t«^ 
yvoopit^ofi^vov. oif^xfJtfOv rijg toov (pvaseav ^txCpopxg civi{ipyiiJ(,6vyiq ^ix rviv svco(rcv, 
(ru^0fji>€viig Sf (j(,aXXov Ti^g liioTyjrog eKXTspxq Cputreooq Kat sU fv TrpofrccTTov 

KOCl fJLlXV VTTOtTTXtnV (TUVTpS%OV(Tyiq. OVX slq ivO TTpOfTOOTTX fJ(f€pi^OfJ(f€VOV j} 

^ixipovf4f€VoVj iAA' 6VX KXt TOV xvTOv viov Tcxi fJLOvoyevyi^ ieov ^pyovj Kvpiov 
ly}(rovv xpKTTov. Hier wordt alzoo geleerd eene eenheid en eene 
tweeheid ; niet van elkaar gescheiden, niet met elka.ar vermengd ; 
eene onderscheidenheid die doorgaat bg alles, en eene vereeni- 
ging, welke nergens haar grens vindt; en dat dit alles kenbaar 
is : hoc Kxi tov xötov . . . , fjLOvoysvvj sk ivo Cpv<r€cov(iv ivo Cpv(r6(nv)^ 
iö"uy%vTw^, xTpsTTToog^ xiixipsToot;, x%oopt(rToog yvapi^ofji>€vov. De Zone 
Gods wordt dus gekend en als één en dezelfde eengeborene 
Gods, èn als bezittende beide naturen, èn als hebbende deze 
naturen vereenigd zonder scheiding of deeling, èn als hou- 
dende ze volkomen onvermengd en onveranderd. Indien nu 
bg de unio personalis de goddelijke heerlijkheid iets te kort 
kwam (x€va(ng), dan zou het xTpsTTTooq^ ware de menschelijke 
natuur tot goddelijke heerlijkheid opgevoerd, het x(TV'y%vTa>q 
yvupi^ofisvov niet volkomen doorgaan. En evenzoo, wanneer de 
Zone Gods niet gekend werd èn als naar Zijne goddelijke 
natuur ongekrenkt en onverminderd gebieder en heer ook ten 
aanzien van Zijne eigene menschheid, èn als naar Zijne men- 
schelijke natuur ondergeschikt aan God, dus ook aan Zichzelven 
naar Zijne Godheid. Spreidde Hij voorts buiten Zijne mensche- 
lijke natuur nog hooger heerlijkheid ten toon dan door of in haar, 
zoo zoude het xxoopKFTccg yvapii^of^svov correctie behoeven ; kon alles 
tegelijk niet bij één en dezelfde zaak opgaan, dan moest het 
xSixipsTüjg yva>pi^o(j(,6vov beperkt worden. 

In een en ander ligt ook de verwerping der stelling, dat de 
Zone Gods Zijne menschelijke natuur eens wederom zal afleggen : 
het xiixipsTcog en i%ö?p/(rr«^ gaan daartegen in. En de grond, 
waarop men deze stelling zou wiUen baseeren, wordt wegge- 
nomen door het x(rvy%vTooq en xTpsTTTug. Men heeft ook ten aan- 
zien dezer stelling niets anders te doen, dan God in alles 
consequent als God te hjuidhaven, en den mensch volkomenlijk 
als creatuur te beschouwen, zonder hem boven zijn hoogte als 



Digitized by 



Google 



25B 

G-ods te verheffen. Ook hij kan nimmer, nergens, in 
geen enkel opzicht het goddelijke raken. De Allerhoogste ver- 
schilt van hem in wezen. Hiermee is de oplossing nog niet 
gegeven van de wijze, hoe wij dit alles hebben te verklaren, 
maar de onmisbare termen zgn bekend. Voorts is het nueene 
kwestie van deductie en constructie; we bezitten de gegevens. 

De Zoon is even wezenlijk God als de Vader en de H. 
G-eest. 

De wereld is van God onderscheiden in wezen. 

Niettegenstaande en krachtens dit essentieele verschil is zij 
door God geschapen en wordt zij door Hem ieder oogenblik in 
haar geheel en in haar kleinste, innerlijkste deelen gedragen 
rechtstreeks. 

Dies bestaat er tasschen beiden altijd door de meest onmid- 
dellijke aanraking; ook ten aanzien van het geringste. 

Alzoo is beider zoo innig mogelgke gemeenschap bestaanbaar, 
zonder dat één van hen op eenigerlei wijze nadeelige gevolgen 
daarvan ondervindt. 

God werd door de schepping niet verrijkt; ook verarmde Hij 
er niet door. Zelf toch bracht Hij ze voort; zelf houdt Hij 
haar staande ; doch tevens als een aan Hem in wezen ongelijk- 
soortig schepsel. 

Dit geldt ook met betrekking tot den mensch. De aanneming 
en het bezitten der menschelijke natuur is evenals schepping 
en onderhouding een opus Dei ad extra, en staat met beide dus 
op óéne lijn wat K€vco(rig of TrKovrcotnq betreft. 

Hieruit vloeit voort, dat men bij de unio personalis niet spreken 
moet van staatsverwisseling. Vooreerst doelt staat (genomen 
als van conditie onderscheiden) op eene rechtspositie. Doch 
men stelt ermee niet genus tegenover genus, maar, bhmen één- 
zelfde genus, species tegenover species. Een eerlooze en een 
vrijgesprokene zijn beide menschen. Van een staat des menschen 
tegenover een staat van het dier spreekt men niet. Zoo mag 
men ook niet spreken van een staat van God tegenover den 
staat des menschen. Doch bovendien, en dat is de eigenlijke 
zaak, aan verwisseling mag ganschelijk niet gedacht worden. 
De Zone Gods bleef volkomen God. Hij hield niet op God te 
zijn. Zijn God-zijn verwisselde of verruilde Hij niet met het 
mensch-zijn. Hij werd ook mensch. Niet alsof Hg naar Zijne 
goddelijke natuur op creatuurlgke wijs iets werd ; evenmin als 



Digitized by 



Google 



266 

God-drieëenig eenige verandering onderging, toen Hij Schepper 
icerd door het voortbrengen der wereld. God verandert niet. 
Dus verandert ook de Zoon des Vaders niet. Derhalve ver- 
anderde Hg ook niet, toen Hij zich „onafscheidelijk vereenigde 
en te zamen voegde met de menschelijke natuur'*, cf. Nederl. 
Geloofsbel. art. 19. En dus bleef Hij naar Zijne goddelijke 
natuur „rechter, wetgever en koning", cf. Jes. 33 : 22, ook ten 
aanzien Zijner menschelijke natuur. 

Alleen kon Hij Zijne heerlijkheid als in het goddelijk wezen 
schuil houden, zoodat zij niet uitstraalde in de schepping. Maar 
dit betrof slechts eene verhouding van God tegenover het schepsel, 
en bracht dus evenmin verandering in of bij God, als de daad 
van creatie en providentie; hoezeer God zelf om zoo te zeggen 
ook met Zijne schepselen meeleve, cf. Ps. 104 : 31, en alzoo 
zelf geniete den luister Zijner goddelijkheid, door Hem op de 
schepping gelegd. Ook behoort men hierbij terug te gaan tot 
vóór de schepping, cf. Joh. 17 : 6. Voorts kan door Jezus' men- 
schelijke natuur de goddelijke heerlijkheid slechts uitstralen op 
creatuurlijke wijs en in creatuurlijke mate. Maar dit geldt van 
al wat schepsel is. Ook kunnen de overige schepselen haar niet 
op andere wijze in zich opnemen, Finitum non est capax 
infiniti. Slechts komt dan de vraag, of God Zijne heerlijkheid 
door het schepsel heen als goddelijke heerlijkheid kan open- 
baren en als zoodanig door het schepsel doen kennen. Hierop 
antwoordt b. v. Rom. 1 : 19, 20. Daarbg sluit zich de vraag 
aan, of de schepping één geheel is, waarvan de menschheid 
het voornaamste, organische lid uitmaakt, en of van die nieuwe 
menscheid Jezus het Hoofd is, en of dus Hij de goddelgke heerlijk- 
heid in zich kan opvangen en door zich heen uitstralen op eene 
wgze, dat de capaciteit van al het overige schepsel vervuld is. 
Die goddelijke heerlijkheid moet dan volkomen als goddelijke 
heerlijkheid kenbaar zijn, en derhalve ook den Zoon doen kennen 
als Zoon of Eengeborene des Vaders, en dies de persoonsonder- 
scheidingen binnen het goddelijk wezen openbaren, maar noch- 
tans ook zoo, dat het creatuur zich bewust is van het onderscheid 
tusschen God, die zich aldus openbaart, en het schepsel, als 
middel voor die openbaring; beide onderscheiden, doch niet 
gescheiden noch vermengd : èvx kxi tov xvtov Xpiorov vlov jcvptov, 
(^ovoysvvi ix ^vo (pvfrsccv {iv ivo (pvasatv) xtTvyXrjTaq^ ocrpswrag^ xiixipsTaq^ 
xXcopitTTug yvcopi^Ofisvov, 



Digitized by 



Google 



257 

Alzoo blijft er voor Ksvootng of rxTrsivaxrig geene plaats dan 
voor den ösxvöpcoTrog, voor den Middelaar Gods en der menschen, 
voor den Zone Gods reeds bekleed zijnde of bekleed gedacht 
met de menschelijke natuur. Zij geldt Hem niet reeds enkel 
vanwege de unio personalis. Geen trap van de vernedering, welke 
dan ontlediging genoemd zou kunnen worden, betreft Hem alleen 
en uitsluitend naar Zgne goddelgke natuur. Maar de gansche 
vernedering gaat Hem aan naar beide Zijne naturen, èn naar 
Zijne Godheid èn naar Zijne menschheid, evenzeer als de ver- 
hooging. En dies ligt zg niet reeds in het mensoh-zijn zonder 
meer, maar in de gesteldheid, de positie enz. van die menschelijke 
natuur. Straks werd zij vervangen. 

Maar de menschelijke natuur bleef; en bleef volkomen crea- 
tuur ; in alles. 

Slechts moet hieraan nog iets toegevoegd worden. 

Men zou tegenstrgdigheid kunnen zien tusschen de ontken- 
ning, dat bij de goddelgke natuur op Zichzelve van vernedering 
mag gesproken worden, én de handhaving, dat de vernedering 
den Middelaar toch ook naar Zijne Godheid betreft. Het ver- 
schil hierbij echter is, dat in het eerste geval God beschouwd 
wordt in Zichzelven, afgedacht van Zijne verhouding tot de 
schepping, maar in het tweede juist met die verhouding, en 
daarmee alleen, gerekend wordt. Bij dit laatste kunnen we 
zeggen, dat God verhoogd wordt, wanneer Hij Zgne heerlijk- 
heid in voller mate openbaart, onteerd of vernederd, wanneer 
de zonde en hare gevolgen de goddelgke majesteit verduisteren. 
Dit geldt dan niet alleen voor het creatuur, maar ook voor God, 
inzooverre al het creatuurlijke allereerst voor Hem zelven 
beteekenis heeft. Ook hierbij God voorop. Maar als God. 

En nu handelt Paulus in Pil. 2 : 6 — 11 over Christus Jezus, 
d. i. over den BexvBpcoTrog; voorts over bestaans- of openbarings- 
wij zen : eenerzij ds èv f^opCpifi ieov en shxi h» iscp, andererzij ds 
fiopCfiviv ^oxjXov Aa/3wj/, èv ofjLoicofJi^xTi iv^puOTTcav, (TX^f^^Tt €ÓpêÖ6ig cbg 
iv^poo7rog\ en in de derde plaats over eene positie ten aanzien 
van het creatuur : Sw kxi o ösoq xvtov uTrêpvxpaffs, xcct 6%xpi(TocT0 ütvrcp 
èvo(^oc TO vTTsp TTccv èvo(j(,x^ Opdat in den naam van Jezus zich zou 
buigen alle knie dergenen, die in den hemel en die op de 
aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong belgden, èn Kvpiog 
hi(rovg XPit^Tog eig io^xv êêov Trxrpog, 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



STELLINGEN. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



STELLINGEN. 



I. 



De bewering van Dr. Ad. Harnaok in zgn „Lehrbuch der 
Dogmengeschichte", 2 A. II p. 375/376: „Der Monophysitismus, 
„welcher bei dem Satze bleibt, dass, unbeschadet der Homousie 
„des Leibes Ohristi mit unserem Leibe, der Gott-Logos diesen 
„Lieb zu seinem Leibe gemacht and desshalb in die Einheit 
„seines Wesens aufgenommen habe, ist zweifellos der legitime 
„Erbe der Theologie des Athanasius und der zutreflfende Aus- 
„druck des griechischen Christenthums", is onjuist. 



n. 



Als Origenes in zgn ^spi cip%cov^ I, c. 2, 10 schrgft : èwsi ys ovk 

èfTTlV 0TB TTXVTOKpXTap OlfK j}v, XSl sluCCt Sf/ TOCVTX 5/' X TTXVTOJCpXTCOp 

ifTTi^ loochent hij daarmee feitelijk de schepping, en spreekt 
een beweren uit, dat de identificeering van God en wereld 
in zich sluit. 



III. 



De voorname fout der Antiocheensche Christologie was, dat 
zg het voor (of bg) de vereeniging van Jezus' beide naturen prin- 
cipieel-determineerende moment in Zijne menschheid stelde. 



■ ,f 

Digitized by VjOOQÏC 



IV 



IV. 

De Ëncyclopaedie der Theologie: 

a. heeft tot object de forma, den logos, de ratio van het 
object der Theologie (s. v. a. het object der Theologie qua 
organisme, of de organische structuur van het obiectum 
theologiae) ; 

b. doet alzoo voor haar deel evenzeer het object der Theologie 

kennen als eenig ander vak der Theologie dit doet voor z^n 
deel; 

c. is daarom in gelijken zin Theologie te noemen als welk 
ander vak der Theologie ook. 

V. 

Het meervoud in la/iions 130^ï3 dik nry: Gen. 1:26, is een 
numerus pluralis personarum. 

VI, 
Gods idea omnium creabilium verschilt genere van Zijne idea sui. 

VII. 

Minder juist is de kenschetsing van het Calvinisme door 
Mr. H. P. G. QuAOK, als hij in zijn ,de Socialisten" (3e druk, 
I. p. 149) schrgft: „Dat" (t. w. het Calvinisme) „was eenrevolu- 
„tionaire godsdienst: het predikte verzet tegen de regeering, 
„indien de gehoorzaamheid aan haar in strijd was met de 
„gehoorzaamheid aan God.*' 

vm. 

Matth. 28 : 19 bevat eigenlijk niet de inzetting des Doops als 
zoodanig (vgl. Joh. 1 : 33 colL Matth. 21 : 25 en Luk. 7 : 30), 
maar de universeelmaking van het Doopsbevel. 



Digitized by 



Google 



IX. 



De erfschuld is het schuldig staan van Adams (natuurlijke) 
nakomelingen aan zijne allereerste gebodsovertreding in het 
Paradijs. 



X, 



Dit schuldig staan is niet een voor schuldig gerekend worden, 
ofschoon de aldus gerekenden niet zelven die zonde zouden ge- 
zondigd hebben (vgl. Ezech. 18 : 4, 20) ; maar het is een als 
schuldig aangezien en behandeld worden op grond daarvan, dat 
Adams (natuurlijke) nakomelingen zelven die zonde gezondigd 
hebben, zg het ook, dat zij dit deden op andere wijze dan hij 
(vgl. Rom. 5 : 14). 

XI. 

Dit schuldig staan berust op de souvereine beschikking Gods 
over den samenhang der menschen, krachtens welk verband 
Adam, het gebod overtredend, tevens alle zijne (natuurlijke) 
nakomelingen diezelfde zonde zondigen deed (Rom. 5 : 12 — 14). 

xn. 

Ofschoon de Schrift Adam en Christus paxalleliseert, stelt zij 
hen toch niet gelgk ten aanzien van den overgang van schuld 
en genade. 

xm. 

Wanneer Dr. F. E. Daubanton in zijn „Het Voortbestaan van 
het menschelgk Geslacht", Utrecht 1902, p. 264 schrgft: „Erf- 
„zonde is mijn natuurlijk lot, mijn verschrikkelijk lot (status 
„miseriae). En het verschrikkelijke in dat lot is juist, dat er — 
„afgedacht van Christus' werk — geene gemeenschap mogelijk 
„is tusschen mg, in zonde en verderf ontfangen en geboren, en 



Digitized by 



Google 



VI 

^den heiligen God, zoolang ik blijf wat ik buiten mijn persoonlgk 
„toedoen, toch krachtens mijnen natuurlijken oorsprong, ben. En 
„dat verschrikkelgke lot is mgn deel krachtens een door God 
„gestelde wet: die der genetische ontwikkeling van de mensdb- 
„heid", dan geeft hij daarmee eene voorstelling, die ter hand- 
having van Gods rechtvaardigheid en liefde niets voor heeft 
boven het door hem bestreden (vgl. p. 126 en 130) creatianisme. 



XIV. 



Ten onrechte ziet J. H. Soholten (de Leer der Hervormde 
Kerk, 4e druk, I. p. 19/20) tegenstrijdigheid tusschen het ver- 
werpen van de voorstelling, alsof Christus causa impulsiva electionis 
ware, én de belgdenis van de „vergeving onzer zonden om Jezus 
Christus' wille" (Nederl. Geloofsbel. art. 23). 



XV. 



Hoewel de Christus tot Zgne opstanding in den staat der 
vernedering verkeerde, behoort men bij Hem gedurende den 
tijd tusschen sterven en verrgzenis uit het graf niet meer van 
lijden te spreken. 



XVI. 



Schrijft de hoogleeraar Dr. J. M. S. Baljon in zijne „Ency- 
copledie der christelijke Theologie", Utrecht 1900, p. 196 : „Deze 
„wedergeboorte mag niet magisch worden opgevat met mis- 
„kenning van de waarheid, dat er eenheid is in 'smenschen 
„zedelijk leven krachtens de blgvende identiteit van het sub- 
„ject", dan: 

a, bedoelt hg blgkbaar de ontkenning der wedergeboorte als 
een werk enkel en alleen door God tot stand gebracht; 

b, weerspreekt hij daarmee de H. Schrift; 

c, vergeet hg, dat voor „eenheid van zedelgk leven'* meer 
wordt vereischt dan aUeen „blijvende identiteit van subject". 



Digitized by 



Google 



vn 



' XVII. 

Het is met het karakter van bidden in strijd, het Onze Vader 
in de gebeden in te leiden met overgangen als: „die ons aldus 
heeft leeren bidden." 

XVIII. 

Ten onrechte toekent Calvun in zijn Commentaar op Joh. 
10 : 30 (Opp. ed. Schippbbs VIII p. 203) aan : Abusi sunt hoc 
loco veteres, ut probarent Christum esse Patri o(Jc,oov(Ttoy, Neque 
enim Christus de unitate substantiae disputat, sed de consensu 
quem cum Patre habet. 

XIX. 

Indien ouders zich aan de gemeenschap der kerk onttrekken, 
wordt deze daardoor rechtens niet ontheven van den plicht tot 
opzicht over hunne reeds gedoopte kinderen. 



Digitized by 



Google 



r 




Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 




f'.. 



y 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



-mr^f^ 




^ 





Digitizedby VjOOQiC ^